Now showing items 41-60 of 3182

    • Gescheiden plaatsing van broers en zussen bij gezamenlijke uithuisplaatsing - Onderzoek naar de prevalentie ven onderliggende oorzaken

      Stolwijk, I.J.; Put, C.E. van der; Defoe, I.N. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen, 2021-12-30)
      ls het thuis in een gezin niet goed gaat, kan een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen nodig zijn. Uithuisplaatsing is een ingrijpend laatste redmiddel om ervoor te zorgen dat het kind veilig is en zich goed kan ontwikkelen, of om een kind een behandeling te geven die anders niet mogelijk is. In de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming wordt geadviseerd om broers en zussen waar mogelijk samen te plaatsen tenzij dat om bepaalde redenen niet mogelijk of wenselijk is. Het doel van het huidige onderzoek was om tot een valide en betrouwbare schatting te komen van het percentage broers en zussen dat na gezamenlijke uithuisplaatsing gescheiden wordt geplaatst, en om te achterhalen welke redenen hieraan ten grondslag liggen. Voor beantwoording van de onderzoeksvraag is gebruik gemaakt van een multi-method, multi-informant onderzoek bestaande uit dossieronderzoek en interviews.
    • Vrijheidsbeneming op maat - Opzet en haalbaarheid monitor

      Buysse, W.; Piepers, N.; Pluijm, M. (medew.); Dijk, B. van (medew.) (DSP-groep, 2021-12-30)
      Met Vrijheidsbeneming op Maat (VOM) wordt beoogd dat het verblijf in detentie – de vrijheidsbeneming – beter aansluit op de behoeften van jongeren door het bieden van een passende behandeling, beveiliging en nazorg tijdens detentie. Meer maatwerk moet leiden tot een vermindering van de recidive. Hiervoor worden drie bouwstenen ingezet: 1. Een efficiënt en effectief proces van plaatsing en screening, en diagnostiek (maatwerk in zorg en beveiliging) dat gericht is op het opstellen van een integraal plan van aanpak voor de jongere. 2. Kleinschalige voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ’s): lokale en/of regionale plaatsen waar jongeren zo dicht mogelijk bij het eigen leefsysteem verblijven tijdens een periode van vrijheidsbeneming met een laag beveiligingsniveau. 3. Forensische Zorgcentra (FCJ’s): een hoog beveiligde setting waarin jongeren met een specifiek zorgprofiel specialistische zorg en beveiliging krijgen. De probleemstelling van het onderzoek was: Op welke wijze kan de stelselwijziging Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd worden gemonitord? Wat is de uitgangspositie ten aanzien van de stelselwijziging in 2020? De probleemstelling van het onderzoek is vertaald in onderzoeksvragen die in te delen zijn naar drie onderdelen: 1. opstellen van de beleidslogica achter de onderdelen van de stelselwijziging of met andere woorden van de vrijheidsbeneming op maat; 2. opstellen van indicatoren ten behoeve van monitoring; 3. haalbaarheidsonderzoek en 0-meting van de indicatoren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidslogica 3. Empirische onderbouwing beleidslogica 4. Indicatoren en haalbaarheidsonderzoek 5. Implementatie en stand van zaken VOM 6. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
    • Tweede verkennende studie Liquidaties

      Gestel, B. van; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2021-12-30)
      Hoewel liquidaties geen nieuw fenomeen zijn in Nederland, bleek uit een verkennende studie van het WODC uit 2017 dat de werkwijze bij deze moordaanslagen aan verandering onderhevig is (zie link hiernaast). Uit de studie kwam onder andere naar voren dat de beschikbaarheid van nieuwe groepen schutters en nieuwe middelen leidt tot een aantal stijlaanpassingen. Enerzijds werd een proces van professionalisering gesignaleerd bij de voorbereiding van liquidaties, waarbij gebruik werd gemaakt van nieuwe technologische middelen. Anderzijds werd een ruwere werkwijze gesignaleerd bij de uitvoering van liquidaties, die werd toegeschreven aan een ruime beschikbaarheid van zware vuurwapens in Nederland en aan een ruime beschikbaarheid van een nieuwe onervaren schutters. De centrale probleemstelling luidt: Welke recente ontwikkelingen doen zich voor ten aanzien van het fenomeen liquidaties, volgens sleutelinformanten van politie en justitie? Bij recente ontwikkelingen is gekeken naar achtergrond, motieven, betrokken actoren en de uitvoering (modus operandi) van liquidaties. 1. Inleiding 2. Definities 3. Achtergrond en criminele context 4. Aantal liquidaties 5. Verbreding van excessief geweld 6. Taakverdeling, aansturing en gevolgen van nieuwe technologie 7. Slotbeschouwing
    • Pilots Innovatiewet Strafvordering - Beleidstheorie, indicatoren & nulmeting

      Knapp, M.; Grootelaar, H.; Folmer, T. (Andersson Elffers Felix, 2021-12-30)
      Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (WvSv), zullen organisaties werkzaam in de strafrechtpraktijk zoals de politie, het OM en de Rechtspraak met een aantal onderwerpen experimenteren om hier in de praktijk ervaring mee op te doen. Hiervoor gaat in 2022 een vijftal pilotprojecten van start op basis van de Innovatiewet Strafvordering die het huidige wetboek op enkele onderdelen aanpast. Dit onderzoek geeft een feitelijke inventarisatie van de vijf pilots. Deze inventarisatie dient als basis voor de evaluatie van de pilots. Voor alle pilotprojecten is in ieder geval de bedoeling dat uiteindelijk wordt nagegaan of de voorgenomen wettelijke regeling in het nieuwe WvSv volstaat of dat bijstelling dan wel aanvulling nodig is. Het onderzoek valt uiteen in twee fasen. In de eerste fase is de beleidslogica die aan iedere pilot ten grondslag ligt gereconstrueerd. In de tweede fase is per pilot gekeken voor welke indicatoren al een nulmeting kon worden uitgevoerd. INHOUD: PIlot 1 - Prejudiciële procedure, Pilot 2 - Gegevens na inbeslagneming, Pilot 3 - AVR, Pilot 4 - Hulpofficier van Justitie, Pilot 5 - Mediation
    • Voorspelling naar inrichting

      Tollenaar, N.; Weijters, G.M. (WODC, 2021-12-30)
      In dit onderzoek is voor de casus van justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) onderzocht onder welke condities het haalbaar is om te komen tot een onvertekende (valide) en stabiele (betrouwbare) schatting van het relatieve effect van de JJI’s op recidive. Hiervoor is gekeken naar gegevens over de periode 2004 tot en met 2013. Ook is bekeken of er een standaardwerkwijze voor modellering ontwikkeld kan worden.
    • Notoire klagers bij pro Justitia onderzoek - Definitief eindrapport

      Piepers, N.; Nauta, O.; Abraham, M. (medew.); Swami-Persaud, A. (medew.) (DSP-groep, 2021-12-30)
      Pro Justitia onderzoek is gedragskundig onderzoek naar de persoon van de justitiabele in opdracht van de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie of op verzoek van de verdediging. De gevolgen van een pro Justitia onderzoek kunnen voor een verdachte groot zijn, omdat iemand, bijvoorbeeld als hij (deels) ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, een tbs-maatregel opgelegd kan krijgen. Vanwege deze gevolgen is het des te belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Als een onderzochte meent dat het onderzoek niet naar behoren is uitgevoerd kan hij of zij bij verschillende instanties een klacht indienen. In dit onderzoek is gekeken naar klaaggedrag van volwassenen naar wie pro Justitia onderzoek is verricht in het kader van het strafrecht. De focus ligt daarbij op het aantal klachtenprocedures in de periode 2016 tot heden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Formeel kader 3. Aard en omvang klaaggedrag 4. Gevolgen klachtgedrag 5. Discussie 6. Conclusie
    • Informatieoverdracht COA - Eindrapportage

      Mack, A.; Klaver, J.; Ljujic, V.; Versteegt, I.; Thije, J.D. ten; Martina, K. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      Op 1 juli 1994 is de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (de Wet COA) in werking getreden. Bij deze wet is het COA opgericht en zijn de taken van het COA vastgelegd. Deze taken omvatten het bieden van onderdak, de begeleiding naar een toekomst in Nederland of daarbuiten, het verwerven en beheren van opvanglocaties, het handhaven van veiligheid en leefbaarheid binnen de opvanglocaties en het voorzien van asielzoekers van de noodzakelijke middelen. Het onderzoek richt zich op de informatieoverdracht vanuit het COA in de eerste fase van de opvang. Het doel van het onderzoek is om inzicht te bieden in: - hoe asielzoekers de informatieoverdracht ervaren die zij in de eerste fase van opvang van het COA krijgen, en; - aanknopingspunten voor eventuele verbeteringen in de informatieoverdracht vanuit het COA naar asielzoekers. INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Literatuurverkenning: informatieoverdracht aan asielzoekers 3. De inrichting van de informatievoorziening in de eerste opvangfase 4. Asielzoekers aan het woord: informatieoverdracht in de praktijk 5. Verbetermogelijkheden informatievoorziening 6. Samenvatting en conclusie 7. Summary and conclusions
    • De Nederlandse seksbranche - Een onderzoek naar de omvang, aard, beleid, toezicht en handhaving

      Bleeker, Y.; Braak, G. van den; Korf, W. (medew.); Leemans, A. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      In Nederland zijn gemeenten sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 verantwoordelijk voor het formuleren van prostitutiebeleid. Dat leidt tot verschillen tussen gemeenten. De mogelijk aankomende Wet regulering sekswerk (Wrs) beoogt, in grote lijnen, om toezicht en handhaving in gemeenten te uniformeren en beleidsverschillen tussen gemeenten te verkleinen. Om later de effecten van deze wetswijziging te kunnen achterhalen, is Regioplan gevraagd om een nulmeting uit te voeren. In dit onderzoek keken we ten eerste naar de omvang en aard van (delen van) de vergunde en onvergunde seksbranche. Ten tweede onderzochten we gemeentelijk beleid. Ten derde richtten we ons op de organisatie en resultaten van toezicht en handhaving. INHOUD: 1. Inleiding 2. Omvang en aard 3. Prostitutiebeleid 4. Toezicht en handhaving 5. Conclusies
    • De aard en effecten van prostitutiebeleid

      Bleeker, Y.; Mulder, E.; Korf, W. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      Tweede Kamerleden constateerden in september 2020 tijdens een plenair debat dat er veel onduidelijkheid is over de effecten van beleidskeuzes gericht op sekswerk. In dit debat verzochten meerdere Kamerleden de staatssecretaris om een onderzoek uit te laten voeren. Uit het onderzoek moest duidelijk worden welke prostitutiebeleidsvarianten er zijn en wat bekend is over de effecten van die beleidsvarianten. Daarnaast is gevraagd om het maatschappelijk veld te betrekken bij dit onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Prostitutiebeleidsvarianten 3. Effecten van criminalisering 4. Effecten van regulering 5. Effecten van decriminalisering
    • De effectiviteit van de aanpak weigerende verdachten in het Pro Justitia onderzoek - Achtergrond en contouren van een onderzoeksprogramma

      Nagtegaal, M.H. (WODC, 2021-12-30)
      Sommige verdachten van een strafbaar feit weigeren mee te werken aan Pro Justitia (PJ-)onderzoek, gedragskundig onderzoek dat nodig is om te bepalen of er ten tijde van het plegen van een delict een psychische stoornis was. Dit kan ertoe leiden dat er geen behandeling wordt opgelegd, zoals een maatregel terbeschikkingstelling (tbs), als er te weinig informatie over de verdachte beschikbaar is. Dit kan een onwenselijke situatie zijn op het moment dat behandeling wel nodig is om de kans op recidive terug te dringen of op een aanvaardbaar niveau te houden. Om deze weigerproblematiek terug te dringen heeft de wetgever verschillende maatregelen getroffen, gezamenlijk bekend als de weigeraanpak. Het WODC is door het Directoraat-Generaal Straffen en Beschermen, afdeling Toezicht en Behandeling van het ministerie van JenV gevraagd om voor de evaluatie van de weigeraanpak een onderzoeksprogramma te schrijven. Dat programma is het huidige stuk. INHOUD: 1. Kader 2. Onderdelen weigeraanpak
    • Deepfakes - De juridische uitdagingen van een synthetische samenleving

      Sloot, B. van der; Wagensveld, Y.; Koops, B.-J. (Tilburg University - Tilburg Institute for Law, Technology, and Society, 2021-12-29)
      Een deepfake is beeld, geluid of ander materiaal dat geheel of gedeeltelijk is gefabriceerd of bestaand beeld, geluid of ander materiaal dat is gemanipuleerd met behulp van geavanceerde technische hulpmiddelen en dat niet of nauwelijks van echt te onderscheiden is. Deepfakes maken gebruik van Machine Learning technologie en Artificial Intelligence. Naast het ontdekken van patronen kunnen middels deze netwerken ook eenvoudig beelden en geluiden worden geproduceerd, die lijken en gebaseerd zijn op bestaand materiaal. Tegen deze achtergrond is de probleemstelling van dit onderzoek: ‘Dienen huidige en toekomstige onrechtmatige of strafwaardige uitingsvormen van deepfaketechnologie te leiden tot aanpassingen van de bestaande wetten en regels (met name de Uitvoeringswet AVG, het burgerlijk procesrecht en straf(proces)recht), of is bestaande wetgeving toereikend?’
    • Evaluatiekader Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (wet USB)

      Velde, R. te; Kats, J.; Hanswijk, M.; Kuipers, R. (Dialogic innovatie interactie, 2021-12-29)
      Dit onderzoek dient ter voorbereiding van de evaluatie van het programma USB (in de brede zin) die in 2025 zal plaatsvinden. Het onderzoek levert een blauwdruk op voor een evaluatie waarmee over enkele jaren kan worden bepaald of de doelen van het programma en de Wet USB ook daadwerkelijk zijn behaald. De tenuitvoerlegging (uitvoering geven aan een strafrechtelijke beslissing) is het wezenlijke sluitstuk van de strafrechtketen. De ambitie van het kabinet is de strafrechtketen doelmatiger te laten functioneren en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen te optimaliseren. De probleemstellingen luiden als volgt: Probleemstelling A (‘Reconstructie van de beleidslogica’) - Welke werkzame bestanddelen worden verondersteld in de Wet USB en onderliggende initiatieven? Probleemstelling B (‘Identificeren van indicatoren’) - Welke indicatoren kunnen op basis van de beleidslogica worden onderscheiden? Zijn er indicatoren die gezien de beleidslogica ontbreken, onmisbaar zijn en die (eenvoudig) kunnen worden toegevoegd aan SKM of USB-monitor of uit andere bronnen moeten worden geëxtraheerd en zo ja, welke? Probleemstelling C (‘Vormgeven design van de effect-evaluatie’) - Op welke wijze kunnen (in de toekomst) plausibele uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid en de effecten van de wet?
    • Georganiseerde criminaliteit en ondermijning

      Gestel, B. van; Koppen, V. van; Sergi, A.; Kruisbergen, E.; Wingerde, K. van; Santvoord, V. van; Moerland, R.; Bisschop, L.; Nelen, H.; Abraham, M.; et al. (WODC, 2021-12-28)
      ARTIKELEN: 1. Barbra van Gestel - Liquidaties en de verbreding van excessief geweld 2. Vere van Koppen - Daders van georganiseerde misdaad: wie zijn het en hoe raken ze betrokken? 3. Anna Sergi - De ‘disposable army’ van georganiseerde misdaadgroepen. Onderlinge relaties en weerbaarheid in de onderwereld 4. Edwin Kruisbergen - Het witwassen van criminele winsten. Over feiten, fabels en vragen die je eigenlijk (nog) niet zou moeten stellen 5. Karin van Wingerde, Victor van Santvoord, Roland Moerland, Lieselot Bisschop en Hans Nelen - Getting the ball rolling: de bottom-up organisatie van de versterking aanpak ondermijnende criminaliteit 6. Manja Abraham en Toine Spapens - Drugscriminaliteit beheersbaar houden. De inspanningen van 25 jaar. SAMENVATTING: De tijd dat gewelddadige afrekeningen zich beperkten tot de onderwereld ligt achter ons. De schokkende moorden op journalist Peter R. de Vries in 2021 en op advocaat Derk Wiersum in 2019 laten zien dat extreem geweld in een veel bredere kring om zich heen grijpt. Eerder maakte de Nederlandse samenleving ook al kennis met het fenomeen ‘vergismoorden’ en met liquidaties van familieleden van criminelen. Zowel De Vries als Wiersum waren betrokken bij het Marengoproces, de eerste als adviseur van kroongetuige Nabil B., de tweede als diens raadsman. Betekent dit nu dat we (toevallig) te maken met een zeer agressieve misdaadgroep, die rond Ridouan Taghi en Saïd Razzouki, die alles en iedereen uit de weg probeert te ruimen die in de weg zit? Of is hier sprake van een bredere trend? Is de rechtsstaat in het geding? Kunnen rechters, officieren, advocaten en misdaadjournalisten onderhand niet meer veilig over straat? Dit themanummer van Justitiële verkenningen over ‘Georganiseerde criminaliteit en ondermijning’ gaat hier uitgebreid op in en besteedt ook aandacht aan de verschillende manieren waarop individuen betrokken raken bij georganiseerde criminaliteit. Daarnaast wordt ingehaakt op het recente debat over witwassen en de Nederlandse belastingwetgeving en krijgt de strijd tegen ondermijning aandacht. Tot slot leert een historische terugblik dat in Nederland het beheersen van de drugscriminaliteit altijd belangrijker is geweest dan de bestrijding ervan.
    • Toekomstbestendig Centrum Seksueel Geweld - Een bestuurlijke en organisatorische evaluatie ten behoeve van de doorontwikkeling van het CSG

      Schiffelers, M.-J.; Terpstra, N.; Ardon, D.; Slothouwer, M. (medew.); Douglas, S. (medew.); Noordegraaf, M. (medew.); Schruijer, S. (medew.); Spek, M. van der (medew.) (Universiteit Utrecht - USBO advies, 2021-12-16)
      Om integrale, toegankelijke en vroegtijdige zorg te kunnen verlenen aan slachtoffers van seksueel geweld is in 2012 in Nederland het Centrum Seksueel Geweld (CSG) opgericht waar verpleegkundigen, politie, (forensisch) artsen en hulpverleners zoveel mogelijk vanuit één loket samenwerken. Inmiddels zijn er, verspreid over Nederland, 16 regionale CSG-locaties. Binnen het CSG werken medisch, forensisch en psychologisch deskundigen samen om multidisciplinaire zorg te verlenen aan slachtoffers. De probleemstelling in dit onderzoek luidt als volgt: Hoe heeft het Centrum Seksueel Geweld (CSG) zich bestuurlijk-organisatorisch ontwikkeld sinds de oprichting van de eerste locatie in 2012, hoe is de bestuurlijke inbedding van het CSG georganiseerd en hoe verloopt de samenwerking binnen het CSG? Hoe kan de organisatie van het CSG nader worden vormgegeven met het oog op verdere bestuurlijke inbedding en organisatorische doorontwikkeling van het CSG? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksperspectief en aanpak 3. Historische context CSG 4. Positionering en inbedding 5. Netwerksamenwerking 6. CSG vanuit drie logica's 7 Conclusies en aanbevelingen
    • Luisteren naar burgers na geweldsaanwending - Onderzoek naar het horen van burgers na geweldsaanwending door de politie

      Lindeman, J.M.W.; Vorm, B. van der; Toor, D.A.G. van; Tappeiner, I.U. (Universiteit Utrecht - Montaigne Centrum, 2021-12-16)
      In 2020 en 2021 zijn in wet- en regelgeving belangrijke stappen gezet in het proces rond de stelselherziening geweldsaanwending bij de politie. Hiermee is het einde van vernieuwingen en veranderingen in de beoordeling van geweldsaanwending door de politie nog niet bereikt. Dit onderzoek richt zich op de rol van de burger in het proces van het beoordelen van de geweldsaanwending door de politie. In dit rapport staat de volgende vraag centraal: Is het, mede gelet op mogelijke juridische gevolgen, mogelijk, en zo ja: op welke wijze, om een hoorrecht van de betrokken burger bij het interne beoordelingsproces door de commissies geweldsaanwending bij de politie in te richten? INHOUD: 1. Inleiding 2. Procedures waarin geweldsaanwendingen door de politie een rol kan spelen 3. De stelselherziening geweldsaanwending en twee procedures ter beoordeling van geweldsaanwending bekeken 4. De functie van het 'hoorrecht' (of de 'hoorplicht') - Horen in het bestuursrecht 5. De respondenten over de onderzoeksvragen 6. Antwoorden op de deelvragen en conclusies
    • Artikel 2.3 Wet forensische zorg in de praktijk - Toepassing en ervaringen van ketenpartners in de eerste anderhalf jaar na inwerkingtreding

      Kogel, C.H. de; Ree, J.J. van der; Burger, A.M.; Oosterhuis, V. (medew.); Marel, M. van der (medew.) (WODC, 2021-12-16)
      Artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) is per 1 januari 2020 in werking getreden, een jaar na inwerkingtreding van de overige delen van de Wfz en gelijktijdig met de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd). Met dit zogeheten schakelartikel wordt beoogd de forensische en reguliere zorg beter op elkaar aan te laten sluiten, met als doel om de continuïteit van zorg tijdens en na afloop van het strafrechtelijk kader te versterken. Artikel 2.3 Wfz biedt de strafrechter de mogelijkheid om, op verzoek van de officier van justitie of ambtshalve, een civielrechtelijke machtiging voor verplichte zorg volgens de Wvggz of de Wzd af te geven. Het doel van het onderzoek is om een beeld te geven van de werking van artikel 2.3 Wfz in de eerste anderhalf jaar na inwerkingtreding. Daartoe onderzoeken wij de toepassing van artikel 2.3 Wfz en de ervaringen van ketenpartners met dit artikel. De onderzoeksvragen luiden: 1 Hoe vaak is artikel 2.3 Wfz in de eerste anderhalf jaar na inwerkingtreding toegepast? 2 Welke ervaringen hebben ketenpartners met artikel 2.3 Wfz gedurende de eerste anderhalf jaar na inwerkingtreding? INHOUD: 1. Inleiding en methoden 2. Artikel 2.3 Wet forensische zorg 3. Artikel 2.3 Wfz in cijfers 4. Doelgroep zorgmachtiging artikel 2.3 Wfz 5. Voorbereiding zorgmachtiging artikel 2.3 Wfz 6. Uitvoering zorgmachtiging artikel 2.3 Wfz 7. Artikel 2.3 Wfz in combinatie met de Wzd 8. Slothoofdstuk
    • Modernisering van het staatsnoodrecht - Quick scan

      Apeldoorn, L.C.J. van; Daniëls, S.; Schaik, B.M. van; Doomen, J.; Passchier, R. (Open Universiteit - Faculteit Rechtswetenschappen, 2021-12-15)
      Het staatsnoodrecht regelt het handelen van de overheid in noodsituaties. Het biedt de grondslag voor de verschillende noodmaatregelen die door het bestuur kunnen worden ingezet om (dreigende) crises te bezweren. Daarbij kan het gaan om ‘grote’ crises, zoals de coronapandemie, of ‘kleinere’ noodsituaties, zoals een voetbalwedstrijd die uit de hand dreigt te lopen. Het staatsnoodrecht bestaat uit een veelheid aan wet- en regelgeving die op sommige punten aan herziening toe is. Op 3 juli 2018 heeft de minister van Justitie en Veiligheid in een brief aan de Tweede Kamer (hierna: Kamerbrief) namens het kabinet het voornemen geuit om het staatsnoodrecht te moderniseren. Daartoe doet het kabinet in de Kamerbrief op hoofdlijnen vijf voorstellen. In dit rapport wordt bij wijze van een quick scan bezien of deze voorstellen aanpassingen en/of aanvullingen behoeven in het licht van actuele en toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s uit 2020, indachtig de volgende probleemstelling: In hoeverre behoeven de voorstellen voor modernisering van het staatsnoodrecht die het kabinet in 2018 in een brief aan de Tweede Kamer heeft aangekondigd, aanpassing en/of aanvulling in het licht van actuele en toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s uit 2020? Het betreft de toepassing van het staatsnoodrecht in zowel Europees als Caribisch Nederland. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Staatsnoodrecht, 3. Introductie begrip 'crisisomstandigheden', 4. Vereenvoudiging separate inwerkingstelling, 5. Instandhouding bestaande procedures van de Cwu, 6. Modernisering van noodbevoegdheden en verzamelwet, 7. Actualisering vol rijksheren, 8. Digitalisering, vernetwerking en staatsnoodrecht, 9. Conclusie.
    • Verstekgangers en verweervoerders in handelszaken - Onderzoek naar demografische en sociaal-economische kenmerken van verstekgangers en verweervoerders in handelszaken 2018

      Ebenau, E.; Goudriaan, H.; Leeuwen, L. van; Meijers, L.; Rosmalen, M. van (CBS, 2021-12-15)
      Veel gedaagden laten verstek gaan bij door de kantonrechter behandelde handelszaken. Uit eerder onderzoek naar de reisafstand tussen het woonadres van de gedaagde en de kantonlocatie blijkt dat de reisafstand geen rol speelt in het wel of niet verweer voeren. Om meer inzichten te krijgen in wie de verstekgangers zijn, heeft het WODC het CBS gevraagd om een statistisch onderzoek uit te voeren naar de sociaal-economische kenmerken van gedaagden bij door de kantonrechter behandelde handelszaken, met een focus op eventuele verschillen tussen gedaagden die verstek laten gaan en gedaagden die wel verweer voeren. De onderzoeksvraag luidt als volgt: wie zijn de verstekgangers en wat zijn hun sociaal-economische kenmerken in vergelijking met verschenen gedaagden? Naast het beantwoorden van deze vraag worden de kenmerken van zowel verstekgangers als verweervoerders ook vergeleken met de kenmerken van de Nederlandse bevolking. INHOUD: 1. Inleiding 2. Afbakening populatie 3. Kenmerken gedaagden 4. Conclusies en aanbevelingen voor vervolgonderzoek
    • Herstel in detentie - Beleid en interventies

      Hoekstra, M.S.; Bak, R.R. den (WODC, 2021-12-13)
      Dit onderzoek heeft tot doel om een overzicht te geven van de inzet van herstel-gerichte interventies in detentie voor zowel volwassenen als jeugdigen. Een eerdere inventarisatie liet een groot aanbod van dergelijke interventies zien, maar het is onduidelijk in hoeverre hier in de praktijk gebruik van wordt gemaakt en hoe deze interventies worden gewaardeerd door de betrokken professionals. Inzet van herstelgerichte interventies sluit aan bij het streven van DJI naar slachtoffer- en herstelgerichte detentie. Herstel in een detentiecontext kan bestaan uit bemiddeld contact tussen gedetineerde verdachten of daders en hun slachtoffer(s), maar omvat ook dadergerichte interventies zoals cursussen die gericht zijn op bewustwording en het nemen van verantwoordelijkheid (ook bekend als zelfherstel) en interventies gericht op herstel met het netwerk van de gedetineerde. Al deze interventies worden in dit onderzoek meegenomen. De volgende drie onderzoeksvragen staan in het onderzoek centraal: 1. Hoe is herstel in detentie georganiseerd? 2. Welke herstelgerichte interventies zijn in detentie beschikbaar voor volwassenen en jeugdigen en wat houden deze in? 3. Hoe kijken betrokken professionals aan tegen de inzet van herstelgerichte interventies? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Literatuuroverzicht, 3. Beleid en organisatie van herstelgerichte detentie in de penitentiaire inrichtingen, 4. Herstelgerichte interventies in penitentiaire inrichtingen, 5. Herstelgerichte detentie in justitiële jeugdinrichtingen, 6. Conclusie.
    • Risico’s, voordelen en regulering van games

      Tuijnman, A.; Andree, R.; Rooij, A.J. van (Trimbos-instituut, 2021-12-13)
      Dit onderzoek bracht in kaart welke games op dit moment populair zijn en welke kenmerken deze games hebben. Er werd onderzocht wat er bekend is over de risico’s en voordelen van gamen en in hoeverre deze risico’s en voordelen verbonden zijn aan de meest populaire games. Ook werd onderzocht welke vormen van beleidsmaatregelen, regulering en zelfregulering aanwezig zijn in Nederland en wat hun werkzaamheid is. In welke mate worden risico’s afgedekt en voordelen benut? Welke behoeften aan regulering zijn er, volgens experts? Tot slot werd internationaal gekeken hoe andere landen omgaan met de regulering van games en welke aangrijpingspunten dat oplevert voor de bescherming van gamers in Nederland. INHOUD: 1. Meest gespeelde games en hun eigenschappen, 2. Risico's en voordelen van gamen, 3. De huidige (zelf)regulering van de gamesector, 4. Internationaal perspectief op regulering van games.