Now showing items 21-40 of 3476

    • Femicide in perspectief

      Römkens, R.; Samadi, M.; Alberts, A.; Althoff, A.; Liem, M.; Breen, J. van; Turpijn, E.; Lünnemann, K.; Janssen, J.; Janmaat, W. (Boom Juridisch, 2025-09-24)
      Het nieuwe themanummer van het wetenschappelijk tijdschrift Justitiële verkenningen behandelt een onderwerp dat op het moment volop in de belangstelling staat: femicide. Er is veel maatschappelijke aandacht voor, het is een terugkerend onderwerp in de media en staat hoog op de politieke agenda. Tegelijkertijd is niet altijd duidelijk wat met femicide bedoeld wordt. Er worden verschillende vormen van fataal geweld tegen vrouwen eronder geschaard. In dit themanummer vind je 6 kritische en inhoudelijke beschouwingen over dit thema. Wat is de meerwaarde van het gebruik van de term femicide voor beleid, praktijk en onderzoek? En hoe kunnen we dit maatschappelijk probleem beter duiden, zodat het in de toekomst beter aangepakt kan worden? Over deze en andere vragen gaan de bijdragen van onderzoekers en professionals uit het werkveld in dit themanummer. INHOUD Een lange weg Femicide als strafrechtelijk fenomeen: een juridische oplossing voor een cultureel probleem? Erkenning zonder effect Cijfermatig inzicht krijgen in femicide is van belang Patronen van geweld in intieme relaties en femicide Is dodelijk eergerelateerd geweld femicide? Een kritische analyse
    • De stilte achteraf - De langetermijngevolgen van de schoolgijzeling in Bovensmilde (1977)

      Haagen, F.G.; Dijkhuis, R.; Herpen, M. van; Buitenhuis, M. (ARQ Kenniscentrum Impact van Rampen en Crises, 2025-09-22)
      Op 23 mei 1977 vond op de openbare lagere school in Bovensmilde een voor Nederlandse begrippen ongekend ingrijpende gebeurtenis plaats: vier gewapende Molukse jongeren gijzelden de aanwezige leerlingen en leraren. Tegelijkertijd werd bij De Punt een trein gekaapt. Bijna vijftig jaar later zijn de negatieve gevolgen van de schoolgijzeling voor sommige getroffenen nog steeds voelbaar; zij kampen nog dagelijks met traumatische herinneringen aan de schoolgijzeling. Dit was voor het ministerie van Justitie en Veiligheid aanleiding om te starten met het project Erkenning en Ondersteuning Getroffenen Bovensmilde (EOGB), en zo een bijdrage te leveren aan het herstelproces van getroffenen. Om de projectgroep EOGB te informeren, heeft het ministerie het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) gevraagd om onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek uit te besteden en te begeleiden. Dit rapport is het resultaat van dat onderzoek. Het doel was om inzicht te verkrijgen in de langetermijngevolgen van de schoolgijzeling en in de behoeften van de getroffenen. De bevindingen van het rapport laten zien hoe (de nasleep van) de gijzeling niet alleen de gegijzelden, maar ook hun gezinnen van herkomst, huidige partners, andere dierbaren en de Molukse en Nederlandse gemeenschappen in Bovensmilde heeft geraakt – en nog altijd raakt. INHOUD Inleiding Schoolgijzeling Theoretisch kader Methoden Resultaten Vragenlijsten Resultaten interviews Oplossingsrichtingen Discussie, reflecties, aanbevelingen
    • Evaluatiekader verschijningsplicht

      Jaspaert, E.; Oploo, L. van; Spapens, T. (Tilburg University, 2025-09-11)
      Het Nederlandse strafrecht kent in principe geen verplichting voor verdachten om tijdens rechtszittingen te verschijnen. Dit is anders voor minderjarige verdachten en hun ouders, alsmede voor getuigen, waarvoor in Nederland in principe wel wordt uitgegaan van een verplichting tot verschijnen. Over de vraag of het voor bepaalde ernstige feiten niet aangewezen zou zijn om een verschijningsplicht voor verdachten in te voeren is sinds de jaren 1990 af en aan discussie gevoerd in het parlement. Dit veranderde in 2017 toen de verschijningsplicht opgenomen werd in het regeerakkoord. De verplichting werd onderdeel van het voorstel voor de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten (WUS), dat in 2018 het licht zag. De evaluatie is gesplitst in twee fasen. Om te beginnen dient er een evaluatiekader worden opgesteld. Dit rapport gaat in op die eerste fase, het evaluatiekader. Onderzoeksvragen Welke zogeheten werkzame bestanddelen worden verondersteld in de verschijningsplicht (reconstructie van de beleidslogica) en welke indicatoren kunnen op basis hiervan worden onderscheiden? Zijn er indicatoren die niet samengesteld kunnen worden uit bestaande registratiedata, maar die gezien de beleidslogica wel onmisbaar zijn voor de evaluatie, en zo ja, welke? Op welke wijze kunnen (in 2026) plausibele uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid en de effecten van de verschijningsplicht? INHOUD Algemene inleiding Het debat rond de verschijningsplicht De beleidslogica achter de verschijningsplicht Indicatoren en informatiebronnen Onderzoeksdesign Slotbeschouwing
    • De Netherlands Commercial Court - Een tussenbalans in de opstartfase

      Geurts, T.; Overvelde, Y.N.; Scheepmaker, M.P.C. (WODC, 2025-09-09)
      Op 1 januari 2019 is de Netherlands Commercial Court van start gegaan. De oprichting werd mogelijk gemaakt door de Wet Netherlands Commercial Court. Het primaire doel van deze wet is om het in bepaalde gevallen mogelijk te maken dat partijen in burgerlijke zaken, niet-zijnde kantonzaken, op verzoek in de Engelse taal procederen en een Engelstalige uitspraak verkrijgen, mits dit uitdrukkelijk is overeengekomen. Een randvoorwaarde is dat deze voorziening budgetneutraal wordt aangeboden. Daarnaast beoogt de wet door deze nieuwe voorziening de reguliere handelskamers binnen de rechtspraak te ontlasten. Dit onderzoek biedt een tussenstand van de ontwikkeling van de Netherlands Commercial Court. In dit kader zijn twee internationale handelskamers opgericht en in gebruik genomen. Eén kamer voor de behandeling van zaken in eerste instantie (Netherlands Commercial Court: NCC) en een andere kamer voor de behandeling van zaken in hoger beroep (Netherlands Commercial Court of Appeal: NCCA). Beide handelskamers zijn organisatorisch en fysiek ondergebracht bij het gerechtshof van Amsterdam. De NCC valt onder het bestuur van de rechtbank Amsterdam en de NCCA onder het bestuur van het gerechtshof. Er is een periode van tien jaar uitgetrokken om deze handelskamers volledig te laten ontwikkelen en hun beoogde rol binnen het rechtsbestel te vervullen. Dit onderzoek maakt een voorlopige balans op van de werking van de NCC en NCCA. Het richt zich in het bijzonder op de instroom van zaken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2024. INHOUD Inleiding Ontwikkelingen in aantal zaken en financiële stromen Duiding van de ontwikkeling in aantal zaken Conclusie
    • De positie van Oekraïense vluchtelingen buiten de gemeentelijke opvanglocaties - Een eerste verkenning

      Maliepaard, M.; Geenen, M. (WODC, 2025-09-08)
      Belangrijke punten uit deze factsheet Oekraïense vluchtelingen mogen zich vrij vestigen in Nederland. Het merendeel van de groep woont in de gemeentelijke opvanglocaties (GOL’s). Zij zijn goed in beeld bij hulpverleners en gemeenten. Deze factsheet schetst een eerste beeld van de mensen die buiten de opvanglocaties wonen. 10% van de Oekraïense vluchtelingen woont in een eigen huur- of koopwoning (vaak samen met een partner). Deze groep doet het in economisch opzicht goed. Zij hebben vaak een baan, en werken op een hoger beroepsniveau dan andere Oekraïners. 6% woont bij familie of vrienden. Dit zijn vaak oudere Oekraïners, regelmatig al gepensioneerd. Zij werken minder vaak en hebben ook minder sociale contacten in Nederland. 4% woont in een woning beschikbaar gesteld door de werkgever. Van deze groep werkt logischerwijs vrijwel iedereen, vaak in praktische banen. Oekraïners die bij familie/vrienden of bij de werkgever wonen, zijn daar meestal direct bij aankomst in Nederland gaan wonen. Oekraïners die zelfstandig wonen hebben die stap vaak pas later gemaakt. De hulpbehoefte van mensen die buiten de GOL wonen, is lager dan bij mensen die in de GOL wonen. De mentale gezondheid is vergelijkbaar. Uit deze eerste verkenning komen geen signalen naar voren dat deze groepen onvoldoende toegang hebben tot ondersteuning. Mogelijk kan dit anders zijn voor Oekraïners die later aankwamen en noodgedwongen buiten de GOL wonen.
    • Aan de poort - Inventarisatie van de identificatie en authenticatie van persoons- en andere officiële documenten door Nederlandse kennisinstellingen

      Blom, T.; Boer, T. de; Vugt, I. van (Dialogic, 2025-09-08)
      Met het wetsvoorstel screening kennisveiligheid wordt een verplichte screening geïn-troduceerd voor wetenschappers en studenten die aan Nederlandse kennisinstellingen toegang krijgen tot sensitieve kennis en technologie. Screeningsorganisatie Justis is de beoogde uitvoerder van deze screening. Dit onderzoek moet Justis en andere organi-saties inzichten bieden in de huidige situatie op het gebied van screening en toelating van (master)studenten en onderzoekers aan Nederlandse kennisinstellingen en wat er gebeurt op het gebied van controle van identiteit en authenticiteit van aangeleverde documenten als diploma’s, visa, referenties, identiteitsdocumenten en cv’s. INHOUD Inleiding Doelgroepen en documenten Controle van identiteit en authenticiteit van documenten Potentiële kwetsbaarheden en casuïstie Conclusies en overwegingen
    • Doendenken - Evaluatie van de Kwaliteitseis Doenvermogen van het Beleidskompas

      Jacobs, M.; Bogičević, L.; Gruijters, K. (EMMA, 2025-09-05)
      Doenvermogen is, net als denkvermogen, niet in gelijke mate verdeeld over mensen en kan bovendien door bepaalde levensgebeurtenissen tijdelijk onder druk komen te staan. De term doenvermogen is breed omarmd door de overheid en heeft op allerlei manieren zijn weg gevonden in het discours rondom wat een goede, fatsoenlijke en bestuurlijk behoorlijke overheid is en zou moeten zijn. Een concreet resultaat daarvan is de ‘kwaliteitseis doenvermogen’ geweest, die een vast onderdeel werd van het Integraal Afwegingskader (IAK), dat later werd omgebouwd en -gedoopt tot Beleidskompas, en dat ambtenaren dienen te gebruiken bij het ontwerpen en implementeren van beleid en nieuwe wet- en regelgeving. Onderhavige studie evalueert deze kwaliteitseis doenvermogen door middel van een planevaluatie, een procesevaluatie en een doelbereikingevaluatie. Doel van het onderzoek is om aan de hand van een evaluatie (van plan, proces en doelbereiking) van de kwaliteitseis doenvermogen, acties te kunnen ondernemen om deze kwaliteitseis verder te kunnen ontwikkelen en te verbeteren. INHOUD Inleiding Planevaluatie Procesevaluatie Doelbereikingevaluatie Conclusie en aanbevelingen
    • Schone zaken - Verkenningen rond ondermijnende criminaliteit in de beautysector

      Kruize, P.; Gruter, P.; Klein Kranenburg, L.; Hove, R. ten (Bureau Ateno, 2025-09-03)
      Verkennend onderzoek naar ondermijnende criminaliteit binnen de beautysector. De overheid zet in samenwerking met tal van partners in op allerlei facetten die van invloed zijn op ondermijnende criminaliteit. Een van deze aspecten betreft ‘kwetsbare branches’. Het is op voorhand echter onduidelijk of de beautysector ook hiertoe moet worden gerekend. De beautysector is voor dit onderzoek afgebakend tot vijf branches, namelijk: kapperszaken, nagelstudio’s, tattoo- en piercingshops, massagesalons en zonnestudio’s. De keuze voor de focus op deze branches hangt samen met een aantal aspecten die de sector op voorhand gevoelig lijkt te maken voor ondermijnende criminele activiteiten, zoals het feit dat er relatief veel contant geld in omgaat, de waarde van goederen en/of diensten moeilijk is in te schatten en het aantal klanten lastig is te controleren. Het onderzoek kent een tweeledige probleemstelling. Enerzijds is er de vraag wat de aard, en omvang zijn van de verschillende vormen van ondermijnende criminaliteit en anderzijds de vraag hoe de weerbaarheid van de sector kan worden verhoogd. INHOUD Inleiding Schets van de beautybranches Ondernemers over ondermijnende criminaliteit Impressies uit vijf gemeenten Meldpunten en risicosignalen Opsporing, handhaving en vervolging Buitenlandse ervaringen Weerbaarheid van de beautysector Conclusies Een gecorrigeerde versie van het rapport is op 9 september 2025 geüpload.
    • Openbare registers, de toegankelijkheid daarvan en het gegevensbeschermingsrecht

      Berlee, A.; Devriendt, S.; Broek, F. van den; Reumers, M.; Schnabl, N.; Venema, D.; Visser, M. (Open Universiteit, 2025-09-02)
      Het doel van dit onderzoek was om de openbaarheid van persoonsgegevens in dertien specifieke openbare registers te toetsen aan het Europese gegevensbeschermingsrecht en om privacybeschermende maatregelen te identificeren die deze registers in overeenstemming kunnen brengen met de regels of toekomstbestendig kunnen maken in het licht van technologische ontwikkelingen. De centrale vraag in dit onderzoek luidt: Is de openbaarheid van de persoonsgegevens in de onderzochte openbare registers in overeenstemming met het gegevensbeschermingsrecht? En welke privacybeschermende maatregelen zijn nodig om deze registers in overeenstemming te brengen en/of te houden? Voor de beantwoording hebben de onderzoekers een toetsingskader ontwikkeld op basis van jurisprudentie en relevante regelgeving, bestaande uit vier kernvragen: Voorzienbaarheid en voorspelbaarheid: Is er een duidelijke wettelijke grondslag voor de openbaarheid? Doelstelling en passendheid: Dient het register een erkend algemeen belang en is openbaarheid een geschikt middel? Subsidiariteit: Zijn er minder ingrijpende alternatieven mogelijk? Proportionaliteit: Is de praktische toegankelijkheid evenredig en zijn er voldoende waarborgen? INHOUD Inleiding Toetsingskader Lijst vergunninghouders Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) Nederlands register gerechtelijke deskundigen (NRGD) Centraal Insolventie Register – Faillissement Centraal Insolventie Register – Surseance van betaling Centraal Insolventie Register – WSNP Centraal Insolventie Register – WHOA Het huwelijksgoederenregister (HGR) Boedelregister Centraal gezagsregister (CGR) Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) Centraal curatele en bewindsregister (CCBR) Registers nevenbetrekkingen rechterlijke ambtenaren: rechters en leden OM Privacybeschermende maatregelen Conclusie
    • Ondergronds bankieren in relatie tot georganiseerde criminaliteit in Nederland - Nieuw fenomeen of oud systeem?

      Liebregts, N.; Meijer, R.; Wesseling, M.; Eeden, C.A.J. van den (WODC, 2025-09-02)
      Georganiseerde criminaliteit, zoals drugshandel, is grotendeels financieel gedreven en de aanpak zou zich dan ook moeten richten op het frustreren van financieel gewin. Ter versterking van de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit is als onderdeel van het Brede Offensief tegen Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit (BOTOC) de Kennisagenda Ondermijning opgesteld. De kennisagenda heeft als doel om meer empirisch onderzoek te laten uitvoeren op thema’s waarover nog onvoldoende kennis is. De focus ligt hierbij op georganiseerde criminaliteit in relatie tot drugshandel/-productie (en gerelateerde verschijnselen), criminele geldstromen en de aanpak van deze criminele activiteiten. Centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek: Wat is de aard van het fenomeen ondergronds bankieren in relatie tot georganiseerde criminaliteit in Nederland? Daarnaast staan drie thema's centraal: De organisatie van ondergrondse bankiersnetwerken De verschillende werkwijzen van ondergrondse bankiers in relatie tot georganiseerde criminaliteit Criminele inmenging en georganiseerde (drugs)criminaliteit INHOUD Inleiding Begripsdefinitie Wetgeving en beleid Ondergrondse bankiersnetwerken Werkwijzen Inmenging van georganiseerde drugscriminaliteit Conclusie
    • Effecten van het civiel verbod op ‘outlaw motorcycle gangs’

      Ruitenburg, T. van; Deuren, S. van; Blokland, A.; Roks, R.; Ter Weijden, C.; Groot, A. de; Kleemans, E. (NSCR, 2025-09-01)
      In 2012 startte de Nederlandse overheid met de landelijke aanpak tegen outlaw motorcycle gangs (OMG’s), een “breed offensief” waarbij verschillende overheidsinstanties met behulp van bestuurlijke, fiscale, strafrechtelijk en civielrechtelijke instrumenten barrières hebben opgeworpen tegen OMG’s en hun leden. Dit onderzoek richt zich op de bedoelde en onbedoelde effecten van het civiel verbod op de (criminele) activiteiten van de clubs en individuele leden. Centrale onderzoeksvragen: Wat is de beleidstheorie ten aanzien van het civiel verbod op OMG’s in Nederland? Welke bedoelde en onbedoelde (neven)effecten heeft het civiel verbod op de organisatie en clubactiviteiten van verboden en niet verboden OMG’s? Welke bedoelde en onbedoelde (neven)effecten heeft het civiel verbod op de (voortzetting van) criminele activiteiten van (voormalig) leden van verboden en niet verboden OMG’s? Welke aanbevelingen kunnen – op basis van de beantwoording van bovenstaande vragen worden gedaan ten aanzien van de aanpak van OMG’s vanuit een breed integraal (beleids)perspectief?INHOUD Inleiding Probleemanalyse en beleidstheorie Effecten van het civiel verbod op clubactiviteiten In gesprek met Hells Angels MC Rekrutering en uitstroom Effecten van het civiel verbod voor de frequentie van gepleegde delicten door zittende OMG-leden Samenpleegrelaties van OMG-leden Conclusies en aanbevelingen
    • Psychisch geweld in het strafrecht - Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld

      Goldberg, A.E.; Hedlund, N.; Althoff, M.; Lindenberg, K.K.; Wolf, M.J.F. van der (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit rechtsgeleerdheid, 2025-08-28)
      De strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld krijgt steeds meer aandacht in de Nederlandse politiek en samenleving. Zo wordt een wetsvoorstel voor aparte strafbaarstelling van psychisch geweld voorbereid. Dit onderzoek richt zich nog altijd primair op het huidige verloop van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, maar het toekomstscenario waarin sprake is van een aparte strafbaarstelling, is ook meegenomen in het onderzoek. Centrale vraag van dit onderzoek: Hoe verloopt de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld? INHOUD Inleiding Het juridisch kader Het begrip ‘psychisch geweld’ Verloop van psychisch geweldzaken Kennis en middelen Aparte strafbaarstelling Conclusies en aanbevelingen
    • De werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie

      Koster, H.; Baldee, M.H.; Boon, J.M.G.J.; Pool, J.M.W.; Vriesendorp, R.D.; Witteman, J.; Ourak, W. (Universiteit Leiden, 2025-07-10)
      Op 15 november 2023 is de Tijdelijke wet ingevoerd voor een periode van twee jaar. Tenzij de wet wordt verlengd, vervalt hij op 15 november 2025. Het onderzoek is opgezet om beter te kunnen beoordelen of de Tijdelijke wet verlengd zou moeten worden. INHOUD Inleiding Onderzoeksrapport Juridisch kader: de rol van turboliquidatie binnen het ondernemingsrecht Reconstructie van de beleidslogica Beschouwing van adviezen en reacties op het voorontwerp van de Tijdelijke wet Beschouwing van juridische literatuur over de Tijdelijke wet Data-analyse Interviews en casestudies Enquête Conclusies en aanbevelingen
    • Deelname aan kansspelen in Nederland - Meting 2025

      Miltenburg, C. van; Hollander, D. (Ipsos I&O, 2025-07-03)
      Het doel van dit onderzoek is om inzicht te bieden in: Het aandeel en aantal Nederlanders dat deelneemt aan kansspelen De mate waar spelers van kansspelen risicovol speelgedrag vertonen De eventuele veranderingen van de hiervoor genoemde zaken ten opzichte van de meting die in 2024 in opdracht van het WODC is uitgevoerd INHOUD Inleiding Deelname aan kansspelen Risicovol gokgedrag Ontwikkelingen in deelname aan kansspelen en risicovol gokken Online kansspelen Casino en speelhallen Reclame voor kansspelen
    • Samen sterker - Effectieve interventies voor het bevorderen van diversiteit en inclusie bij de politie

      Jacobs, G.; Migchelbrink, K.; Dulk, L. den; Koster, F.; Ciulinaru, D.; Helden, D. van; Metselaar, S.; Ruiter, M. de (Erasmus Universiteit, 2025-07-03)
      Onderzoek naar de effectiviteit van mechanismen van interventies ter bevordering van diversiteit en inclusie bij de politie, en hoe de unieke organisatiecontext van de politie deze mechanismen beïnvloedt. Het onderzoeksdoel is om vanuit de wetenschappelijke literatuur inzicht bieden in de werkzame mechanismen van interventies ter bevordering van diversiteit en inclusie bij de politie. De onderzoekers brengen in kaart welke mechanismen in de wetenschappelijke literatuur zijn onderzocht, hoe deze mechanismen in de context van de politieorganisatie functioneren, en hoe de context van de politie als organisatie de effectiviteit van deze mechanismen en interventies beïnvloedt. Vanuit de opdracht van WODC focust dit onderzoek op twee van de vijf prioriteiten van de opgave Politie voor iedereen, namelijk: diverse instroom en veilige en inclusieve teams.
    • Radicalisering en psychosociale problematiek: Beter begrijpen, beter ingrijpen

      Feddes, A.R.; Szekeres, H.; Kunst, B.M.; Doosje, B.; Sizoo, B.B. (Universiteit van Amsterdam, 2025-07-03)
      Radicalisering die uitmondt in terrorisme blijft een gevaar voor de Nederlandse samenleving. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de rol van psychosociale factoren in het radicaliseringsproces. Het huidige onderzoek is erop gericht om de beschikbare wetenschappelijke kennis overzichtelijk weer te geven. Ook wordt er gekeken naar de laatste stand van zaken op het gebied van interventies die in de praktijk gedaan worden. Tenslotte kijken de onderzoekers naar hoe de samenwerking tussen zorg-, veiligheids- en het sociale domein verloopt en verder kan worden geprofessionaliseerd. Hiertoe is een analyse verricht van de beschikbare wetenschappelijke literatuur (theorie), is er een systematisch literatuuronderzoek verricht naar evaluaties van interventies die radicalisering tegengaan (interventies) en zijn er focusgroepen en interviews gehouden met professionals uit het zorg-, veiligheids- en sociale domein (de praktijk). De resultaten worden hier beknopt besproken aan de hand van drie thema's. De onderzoekers geven aan het einde van de bespreking van elk thema onze aanbevelingen. INHOUD Algemene Inleiding Theoretisch Kader Een Systematisch Literatuuronderzoek naar Psychosociale en Therapeutische Interventies die Radicalisering Tegengaan Interventies Gericht op het Tegengaan van Radicalisering in Nederland en Omringende Landen Focusgroepen en Interviews met Experts Conclusies en Aanbevelingen
    • Evaluatie stichting geschillencommissies voor consumentenzaken - Onderzoeksperiode 2017-2023

      Koeman, N.; Jongeling, A.; Behrens, C.; Lenders, E. (SEO Economisch Onderzoek, 2025-07-02)
      Dit onderzoek betreft een evaluatie van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC). Het gaat om een evaluatie van de toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid van de SGC in de periode 2017 tot en met 2023. Ook is gekeken naar de mate waarin de SGC voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving, de positie die de SGC bekleedt in het geheel van geschilbeslechting in Nederland en de meerwaarde van een hogere publicatiegraad van de uitspraken van de SGC. Onderzoeksvragen In hoeverre heeft de SGC een toegankelijke klacht- en geschilafdoening gerealiseerd? In hoeverre heeft de SGC een kwalitatief goede klacht- en geschilafdoening gerealiseerd? In hoeverre heeft de SGC een doelmatige klacht- en geschilafdoening gerealiseerd? In hoeverre voldoet de SGC aan de wet- en regelgeving voor buitengerechtelijke geschilbeslechting? Welke positie bekleedt de SGC in het geheel van geschilbeslechting in Nederland? Kan er duiding worden gegeven aan de meerwaarde van een hogere publicatiegraad van SGC-uitspraken? INHOUD Inleiding De positie van de SGC De kwaliteit van de SGC Conclusie
    • Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik

      Koning, A.; Blokland, A.; Cooper, F.; Berg, C. van den (NSCR, 2025-07-01)
      Dit onderzoek biedt empirisch inzicht in de kenmerken en werkwijze van plegers van Transnationaal seksueel kindermisbruik (TSK), zodat kan worden verkend of, en zo ja hoe, risicotaxatie beter kan worden toegespitst op deze groep zedendelinquenten. Daarnaast moet het onderzoek verhelderen hoe risicotaxatie-instrumenten op het moment in de praktijk worden ingezet bij deze doelgroep, en hoe de inzet van deze instrumenten kan worden verbeterd. Het uiteindelijke doel is om met verbeterde risicotaxatie bij te kunnen dragen aan het beperken van het risico op herhaald daderschap, en daarmee herhaald slachtofferschap, van TSK. In dit onderzoek staan de volgende onderzoeksvragen centraal: Wat zijn de kenmerken van plegers van TSK (o.a. leeftijd, criminele carrière, seksuele preferentie)? Wat is de werkwijze van plegers van TSK en in hoeverre verschillen online en offline plegers, intentionele en situationele, en first-offenders en recidivisten hierin? In hoeverre sluiten bestaande risicotaxatie-instrumenten voor de inschatting van zedenrecidive aan op de kenmerken van en werkwijze van plegers van verschillende vormen van TSK? Welke organisaties passen op welke momenten risicotaxatie-instrumenten toe in de aanpak van TSK en tegen welke uitvoeringsproblemen, wettelijke en/of juridische vraagstukken lopen zij hierbij aan? Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan met betrekking tot (a) de inhoud, en (b) het gebruik van risicotaxatie-instrumenten ten behoeve van het inschatten van het seksueel recidiverisico van plegers van TSK? INHOUD Inleiding Methoden Kenmerken en werkwijze plegers TSK volgens professionals Transnationaal seksueel kindermisbruik door Nederlandse mannen: Een bevolkingsonderzoek Aansluiting risicotaxatie-instrumenten met TSK-plegers De uitvoering: Risicotaxatie-instrumenten in de praktijk Conclusie en aanbevelingen
    • Over Grenzen - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking

      Middelburg, A.; Laake, C. van (Right to Rise, 2025-06-30)
      Rechtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de inzet van preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking (VGV). Het onderzoek werd uitgevoerd in de periode oktober 2024 tot mei 2025. Huwelijksdwang, achterlating en VGV worden internationaal erkend als ernstige schendingen van mensenrechten. Ook in Nederland lopen jaarlijks naar schatting honderden tot duizenden mensen risico om slachtoffer te worden van deze vormen van geweld. Het gaat daarbij vooral om meisjes en vrouwen, maar ook jongens, mannen en lhbtiq+ personen kunnen risico lopen. De Nederlandse overheid heeft zich gecommitteerd aan het voorkomen van deze praktijken en aan het bieden van effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Desondanks wordt in de Actieagenda Schadelijke Praktijken geconstateerd dat de huidige aanpak in Nederland tekortschiet. Tegen deze achtergrond is in dit onderzoek verkend in hoeverre preventieve beschermingsbevelen, zoals die worden toegepast in België, Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk, kunnen bijdragen aan de Nederlandse praktijk Onderzoeksvragen Welke preventieve beschermingsbevelen kent Nederland nu en welke bescherming bieden deze aan (potentiële) slachtoffers van huwelijksdwang, achterlating en VGV? Welke preventieve beschermingsbevelen worden in België, Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk ingezet om huwelijksdwang, achterlating en VGV te voorkomen? Leiden deze buitenlandse preventieve beschermingsbevelen tot een hoger beschermingsniveau dan in Nederland mogelijk is? Wat is er nodig om dergelijke preventieve beschermingsbevelen ook in Nederland in te voeren? INHOUD Inleiding Huidige preventieve beschermingsmaatregelen in Nederland Knelpunten in de bescherming van potentiële slachtoffers in Nederland Preventieve beschermingsbevelen in België, Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk Onderscheidende kenmerken van Britse protection orders Geleerde lessen uit het Verenigd Koninkrijk De potentie van een hybride aanpak Conclusie en aanbevelingen
    • Incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties 2017-2024

      Noyon, S.M.; Barsegyan, V.M.; Vink, M.E.; Pluymaekers, T.P.N. (WODC, 2025-06-30)
      Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) vangt, in samenwerking met de gemeenten en de Veiligheidsregio’s, jaarlijks tienduizenden mensen op die een asielaanvraag hebben ingediend. Een klein deel van deze groep vertoont overlastgevend gedrag op de opvanglocatie of daarbuiten, of is betrokken bij criminaliteit. Dit soort gedrag heeft zijn weerslag op de leefbaarheid op opvanglocaties voor andere bewoners, de werkomstandigheden van COA-medewerkers, de leefbaarheid voor inwoners van gemeenten waar opvanglocaties gevestigd zijn en uiteindelijk ook het draagvlak voor asielopvang in Nederland. Voor het ontwikkelen van beleid dat erop is gericht om overlast terug te dringen, is gedegen informatie over de aard en schaal van het probleem onontbeerlijk. De incidentenmonitor levert hier een bijdrage aan door cijfermatige overzichten te bieden van incidenten1 die plaatsvinden op opvanglocaties, verdachtenregistraties onder bewoners, en de afhandeling hiervan door het OM en de Rechtspraak. Met ingang van de editie van 2023 worden ook registraties van incidenten en misdrijven onder bewoners van crisisnoodopvanglocaties (tegenwoordig bekend als tijdelijke gemeentelijke opvanglocaties (tgo's)) gerapporteerd. INHOUD Inleiding Bewoners van COA- en tgo-locaties Incidenten waarbij COA- en tgo-bewoners zijn betrokken Misdrijven waarvan COA- en tgo-bewoners worden verdacht Conclusie en discussie