Now showing items 21-40 of 3095

    • Online ontspoord - Een verkenning van schadelijk en immoreel gedrag op het internet in Nederland

      Huijstee, M. van; Nieuwenhuizen, W.; Sanders, M.; Masson, E.; Boheemen, P. van (Rathenau Instituut, 2021-07-07)
      Het WODC verzocht het Rathenau Instituut om de volgende centrale onderzoeksvraag te beantwoorden: Wat zijn de aard en de omvang van online schadelijk en immoreel gedrag in Nederland, wat zijn de onderliggende mechanismen en oorzaken, en welke handelingsperspectieven zijn er voor het ministerie en de overheid als geheel voor het beperken van schadelijk en immoreel gedrag op internet? Met dit rapport zet het Rathenau Instituut een schijnwerper op online gedrag dat zich in een moreel schemergebied bevindt, en waar de overheid nu nog handelingsverlegen is. Het gaat om online gedrag dat als schadelijk en/of immoreel kan worden geduid. Dat gedrag kan schadelijk zijn voor individuen, maar ook voor grotere groepen of de samenleving als geheel. Een deel van het gedrag dat we in dit onderzoek bespreken is in strijd met bepaalde grondrechten en wetten, en daarmee onrechtmatig of strafbaar. Toch blijkt het voor internetgebruikers online een stuk lastiger om te beoordelen wanneer iets door de beugel kan. De online omgeving is niet de facto wettelozer of grenzelozer dan de offline wereld, maar wordt wel sneller zo ervaren. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Aanpak, 3. Taxonomie van schadelijk en immoreel gedrag online, 4. Mechanismen van immoreel en schadelijk gedrag, 5. De huidige aanpak van schadelijk gedrag online, 6. Strategische agenda
    • (N)ooit Nederlander worden? - Naturalisatie van Ranov-vergunninghouders

      Noyon, S.M.; Schans, D. (WODC, 2021-07-07)
      Van de 28.307 mensen die in de periode 2007-2009 een Ranov-vergunning toegekend kregen, waren er op 1 mei 2021 nog 26.152 bekend bij de IND. Van deze groep is zo’n 60% inmiddels Nederlander geworden. Van de 10.484 Ranov-vergunninghouders die nog niet genaturaliseerd zijn, heeft de overgrote meerderheid (90%) (nog) geen naturalisatieverzoek ingediend. Er zijn grote verschillen op basis van oorspronkelijke nationaliteit wat betreft het percentage genaturaliseerden en qua percentages ingediende naturalisatieverzoeken. Ook inwilligingspercentages verschillen per nationaliteit (zie tabel 2 voor een overzicht). Er zijn geen noemenswaardige verschillen in aandelen genaturaliseerden naar leeftijd en geslacht. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat het niet beschikken over geboorteakte en/of paspoort het grootste obstakel voor het indienen van een naturalisatieverzoek was. Volgens deelnemers aan een expertmeeting is dit nog steeds zo. De IND daarentegen herkent het beeld niet dat het voor sommige landen moeilijk tot onmogelijk zou zijn om aan documenten te komen. Bewijsnood wordt beperkt toegekend. De groep jongvolwassenen die op grond van de brief van de staatssecretaris van 26 april 2021 wordt vrijgesteld van de documenteneis bestond op 1 mei 2021 uit ongeveer 2000 personen. Circa 8.500 Ranov-vergunninghouders vallen dus nog buiten de vrijstelling.
    • Vervangende taakstraf bij het niet betalen van een geldboete - Pre-evaluatie

      Boone, M.; NIeuwbeerta, P.; Rap, S.; Schuyt, P.; Liefaard, T.; Franken, J. (medew.); Gier, N. de (medew.); Holterman, R. (medew.) (Universiteit Leiden - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2021-07-07)
      In dit onderzoek stond de volgende probleemstelling centraal: Wat is de verwachte uitwerking van het wettelijk invoeren van de mogelijkheid om na niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete een vervangende taakstraf te laten verrichten op de betrokken justitiabelen en de maatschappij als geheel? Welke positieve en welke negatieve gevolgen zijn te verwachten en waar zijn die verwachtingen op gebaseerd? De probleemstelling wordt in dit rapport beantwoord aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: 1. Heeft de wetgever zich eerder uitgelaten over het al dan niet invoeren van een vervangende taakstraf voor volwassenen en, zo ja, wat waren toen de overwegingen het niet te doen? 2. Wat is over een eventuele vervangende taakstraf bij volwassenen te leren uit ervaringen met vervangende taakstraffen bij jeugdigen in Nederland en uit ervaringen met een dergelijke modaliteit in het buitenland? 3. Wat is de relatie tussen kenmerken van het boetevonnis (bijvoorbeeld de hoogte van de strafrechtelijke boete en het type delict waarvoor het is opgelegd) en het uitzitten van de vervangende hechtenis – versus het betalen ervan? (Bijvoorbeeld: worden lagere boetes substantieel vaker betaald dan hogere?) 4. Wat zijn de karakteristieken van de vervangende hechtenis (bijvoorbeeld de duur van de hechtenis, het boetebedrag en het gepleegd delict en van de uitgezeten vervangende hechtenis na niet-betaling van de strafrechtelijke geldboete? 5. Welke kenmerken hebben boetevonnissen die als vervangende hechtenis zijn afgedaan (na niet-betaling strafrechtelijke geldboete), in vergelijking met de boetevonnissen die wel zijn betaald (en geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)? 6. Welke kenmerken hebben de mensen die in vervangende hechtenis worden genomen na niet-betaling strafrechtelijke geldboete, in vergelijking met de mensen die een stafrechtelijke boete wel betalen? (Het gaat hier uitsluitend om kenmerken die iets kunnen zeggen over het willen of kunnen betalen van een boete, niet om algemene persoonskenmerken. Denk bijvoorbeeld aan het hebben van schulden.) 7. Wat weten we uit de literatuur over de mate waarin vervangende hechtenis leidt tot de in de motie veronderstelde nadelige gevolgen (verlies woning en werk) en, zo ja, in welke mate? 8. Wat zijn volgens de literatuur en (praktijk)deskundigen de oorzaken en/of motieven van betrokkenen voor niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete? 9. Is het aannemelijk dat de veroordeelden die hun geldboetes niet betalen, gelet op kenmerken en motieven, gebruik zullen maken van de mogelijkheid een vervangende taakstraf te verrichten om zo vervangende hechtenis te voorkomen en, zo ja, in welke mate? 10. In hoeverre draagt de invoering van een vervangende taakstraf naar verwachting bij aan het wegnemen van de in de motie veronderstelde gevolgen (verlies woning en werk) en de vermindering van de kans op recidive? 11. Wat is te zeggen over de financiële kosten en opbrengsten van de huidige praktijk voor de Staat? Zouden die naar verwachting toe- of afnemen met de invoering van een vervangende taakstraf? INHOUD: 1. Inleiding en Onderzoeksopzet, 2. Van veroordeling naar vervangende hechtenis, 3. De omzetting van de geldboete naar een taakstraf in het jeugdstrafrecht, 4. Taakstraf in plaats van vervangende hechtenis in het buitenland: Duitsland en Noorwegen, 5. Kwantitatieve analyse van afdoeningen van boetevonnissen, 6. Kenmerken van gedetineerden die vervangende hechtenis ondergaan, 7. Verwachte gevolgen van een vervangende taakstraf, 8. Samenvatting en conclusie
    • De toekomst van DNA-analyse

      M’charek, A.; Knijff, P. de; Poot, C. de; Meulenbroek, L.; Aben, D.; Verhoef, P.; Willems, Y.; Groenen, M.; Kaptein, N. (WODC, 2021-07-01)
      ARTIKELEN: 1. Amade M'charek en Peter de Knijff - Commerciële DNA-databanken: Een mixed blessing of een bedreiging voor de forensische praktijk? 2. Christianne de Poot - Het gebruik van DNA in het opsporingsproces 3. Lex Meulenbroek en Diederik Aben - Een goudmijn vol tips: Het gebruik van genealogische DNA-databanken bij opsporing en identificatie 4. Petra Verhoef, Yayouk Willems en Marc Groenen - Publieke waarden en het gebruik van genetische gegevens 5. Nico Kaptein - Genealogische DNA-databanken: Consequenties van het delen van ons DNA SAMENVATTING: Dit themanummer van Justitiële verkenningen is gewijd aan de razendsnelle ontwikkeling die DNA-analyse sinds de eeuwwisseling heeft doorgemaakt en de consequenties daarvan. Als gevolg van deze ontwikkeling kregen politie en justitie een belangrijk nieuw hulpmiddel in handen bij de opsporing van verdachten. Maar daar bleef het niet bij. Het is vooral de opkomst geweest van bedrijven die DNA-tests aanbieden aan particulieren (direct-to-consumer (DTC) genetic testing), die voor een enorme groei van DNA-analyse heeft gezorgd. Inmiddels hebben tientallen miljoenen mensen hun DNA laten testen door bedrijven zoals 23andMe, AncestryDNA en FamilyTreeDNA. Het doorverkopen van DNA-gegevens is voor deze bedrijven een belangrijke inkomstenbron. DNA dat is ingestuurd voor een persoonlijke analyse, wordt soms ook voor andere doeleinden gebruikt. Steeds meer DNA-gegevens raken op deze wijze verspreid, zonder dat er zicht is op wat er precies met dit DNA gebeurt. Terwijl voor het beheer en gebruik van DNA-gegevens door politie en justitie strikte regels gelden, is dit vooralsnog niet het geval voor gegevens uit commerciële DNA-tests. Bij de ongecontroleerde wereldwijde verspreiding van DNA-gegevens en de mogelijke risico’s daarvan wordt in dit nummer uitgebreid stilgestaan. Teven besteden we aandacht aan het strafrechtelijk gebruik van DNA-data die door commerciële bedrijven zijn vergaard, investigative genetic genealogy (IGG). Ook de successen die daarmee zijn behaald in vastgelopen moordzaken, onder meer in de Verenigde Staten, worden besproken. Het is duidelijk dat lang niet iedereen die materiaal opstuurt naar een DTC-bedrijf een dergelijke toepassing voorziet, en dit gebruik is dan ook omstreden. Omdat DNA per definitie gedeeltelijk identiek is aan het DNA van verwanten, raakt dit niet alleen degenen die ervoor kiezen het DNA in te sturen, maar ook hun familieleden. Verwanten worden echter niet systematisch geïnformeerd en aan verwanten wordt in het algemeen geen toestemming gevraagd. Al met al is de situatie nu zo dat burgers geen universele en onvervreemdbare zeggenschap over hun DNA hebben, terwijl ze de consequenties van de verspreiding van DNA slechts beperkt kunnen overzien. Meerdere auteurs pleiten dan ook voor een grondige discussie over het gebruik van DNA-gegevens. Bij het verzamelen, analyseren en vertalen van DNA-gegevens zou bescherming van privacy wettelijk geregeld moeten zijn en dient genetische discriminatie te worden voorkomen. Ook moeten de verantwoordelijkheden voor degenen die DNA-gegevens toepassen, duidelijk worden omschreven.
    • Procesevaluatie en Actieonderzoek versterking aanpak ondermijnende criminaliteit - Tussenrapportage

      Nelen, H.; Wingerde, K. van; Moerland, R.; Bisschop, L.; Geurtjens, K.; Thelen, A.; Servaas, L. (Maastricht University, 2021-06-30)
      De centrale probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt: “Wat zijn de ervaringen (good en bad practices) met en de ervaren impact van de in 2019 met behulp van de toegekende extra financiële middelen (Ondermijningsgelden en structurele middelen) ingezette versterking van de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit door regionale en landelijke partijen in de periode van 2019 tot en met 2021? Welke leerervaringen en lessen uit deze brede versterkingsbeweging kunnen al tijdens de implementatieperiode worden geformuleerd ten behoeve van de ketenpartners en het ministerie van Justitie en Veiligheid?” Het doel van de voorliggende tussenrapportage is om op basis van opgedane indrukken, observaties en percepties van personen die bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit zijn betrokken, enkele eerste belangrijke inzichten te presenteren over het verloop van het proces dat is ingezet om deze aanpak te stimuleren. Het tussenrapport beoogt op die manier een constructieve bijdrage aan de versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit te leveren. Het is echter zeker niet de intentie om nu al de eindbalans van dit proces op te maken. Daarvoor is de wetenschappelijke diepgang van de resultaten nog te beperkt. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Verantwoording, 3. Ambities en verwachtingen, 4. Kennen, 5. Kunnen, 6. Willen, 7. Slotbeschouwing
    • Aanpak georganiseerde drugscriminaliteit - Een terugblik op 25 jaar beleid en uitvoering

      Abraham, M.; Dijk, B. van; Hofstra, D.; Spapens, T. (DSP-Groep, 2021-06-30)
      De centrale vraag in het onderzoek luidde: “Wat kan gezegd worden over de gemaakte beleidskeuzes en de uitvoering en implementatie daarvan wat betreft de strafrechtelijke, financiële en bestuurlijke aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit, de onderbouwing van deze keuzes, en de effectiviteit van de aanpak in de periode 1995-2020?” Om deze vraag te beantwoorden is een uitgebreid documentonderzoek uitgevoerd en zijn interviews gehouden met professionals die werkzaam zijn of waren bij diverse relevante organisaties, alsmede met onderzoekers op dit gebied. In een focussessie met experts zijn relevante uitkomsten besproken en geduid. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het beleid en de beleidskeuzes, 3. De aanpak van wietteelt, 4. De aanpak van cocaïnesmokkel, 5. De aanpak van synthetische drugs, 6. Indicatoren, 7. Conclusies
    • Re-integratiebeleid en recidive - Lessen uit internationaal onderzoek

      Boschman, S.; Verweij, S.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2021-06-29)
      Als onderdeel van het Nederlandse re-integratiebeleid werken justitiële inrichtingen, gemeenten en reclasseringsorganisaties samen aan het tijdens en na detentie oplossen van problemen van (ex-)gedetineerden. Het gaat daarbij om problemen op de leefgebieden huisvesting, schulden en werk, opleiding, inkomen en dagbesteding. Reclasseringsorganisaties houden zich daarnaast bezig met toezicht op of mensen zich aan bepaalde voorwaarden houden en het begeleiden en motiveren van mensen. In deze notitie wordt een overzicht gegeven van internationaal onderzoek naar de effectiviteit van reintegratiebeleid op het gebied van de leefgebieden en reclasseringstoezicht in het terugdringen van recidive.
    • Evaluatie van de Wet precursoren voor explosieven - Met aandacht voor het vergunningstelsel voor particulieren en de registratie- en meldplicht van bedrijven

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2021-06-28)
      Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwing
    • Planevaluatie pilot '32 uur werken met gedetineerden'

      Kruize, A.; Mennes, R.; Schoonbeek, I.; Sijtstra, M. (Breuer & Intraval, 2021-06-28)
      De beweegredenen voor het opstarten van de pilot ’32 uur werken met gedetineerden’ passen in een langere tendens waarbij wordt gestreefd naar een succesvollere re-integratie van ex-gedetineerden. De hieraan gekoppelde (meetbare) doelstelling is het verminderen van de recidive onder de doelgroep ex-gedetineerden. Om hieraan bij te dragen richt de pilot zich op één specifieke basisvoorwaarde: het verbeteren van de arbeidstoeleiding van ex-gedetineerden. In deze pilot wordt in vijf penitentiaire inrichtingen de arbeid in detentie uitgebreid van de reguliere 20 uur naar 32 uur per week. De evaluatie bestaat in totaal uit drie op elkaar inspelende onderzoeksonderdelen, te weten de planevaluatie, de procesevaluatie en de resultaatmeting. In dit rapport wordt het eerste onderzoeksonderdeel: de planevaluatie besproken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen 3. Selectiecriteria, maatregelen en organisatie 4. Beleidslogica 5. Conclusies
    • Van ouder op kind - Een verkennende studie naar de intergenerationele overdracht van jihadistisch gedachtegoed binnen de gezinscontext

      Wieringen, L. van; Krüsselmann, K.; Liem, M.C.A.; Weggemans, D.J. (Universiteit Leiden - Faculteit Governance and Global Affairs - Institute of Security and Global Affairs, 2021-06-28)
      In 2019 waarschuwde de NCTV in de vijftigste editie van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland voor het potentiële gevaar dat zou uitgaan van kinderen die opgroeien in een jihadistisch milieu (NCTV, 2019). De gedachte was dat kinderen uit een gezin waarin in ieder geval één van de ouders jihadistische denkbeelden aanhangt, op de langere termijn deze ideeën zouden kunnen overnemen. Het doel van dit onderzoek is daarom meer inzicht te verwerven in de actuele kennis omtrent processen van intergenerationele overdracht van jihadistisch en breder extremistisch gedachtegoed binnen de gezinscontext. In deze verkennende studie staat de volgende onderzoeksvraag centraal: Wat is er bekend over de aard en omvang van intergenerationele overdracht van jihadisme en andere vormen van extremistisch gedachtegoed? Op de eerste plaats is gekeken naar wat er bekend is over de mate waarin dergelijke intergenerationele overdracht voorkomt. Daarnaast zijn de mechanismen bestudeerd die hieraan ten grondslag liggen, de beschermende en versterkende factoren die hiermee samenhangen, en de gevolgen van intergenerationele overdracht op langere termijn. Tenslotte is gekeken naar de interventiemogelijkheden om de intergenerationele overdracht van jihadistische en bredere extremistische denkbeelden binnen de gezinscontext tegen te gaan. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een systematische literatuurstudie en een reeks aan verdiepende interviews. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methodologie, 3. Kwalitatieve resultaten literatuurstudie, 4. Kwantitatieve resultaten literatuurstudie, 5. Interviewresulaten, 6. Discussie en conclusie
    • Een verkennend kwalitatief onderzoek naar klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen

      Bos, K. van den; Ansems, L.; Schiffelers, M.-J.; Kerssies, S.; Lindeman, J.; Bovens, C. (medew.); Manshanden, L. (medew.); Peters van Neijenhof, F. (medew.); Verhoeven, L. (medew.) (Universiteit Utrecht - Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO), 2021-06-22)
      In het hier gerapporteerde onderzoek staan de volgende vier vragen centraal: Wat is klassenjustitie? Komt het in de Nederlandse strafrechtketen voor? Zo ja, hoe vaak komt het voor? En waardoor komt het? In het rapport ligt de nadruk op het beantwoorden van de eerste vraag. Het door ons uitgevoerde kwalitatieve onderzoek leent zich namelijk bij uitstek voor het beantwoorden van de vraag wat kan worden verstaan onder klassenjustitie in de strafrechtketen in Nederland. Het onderzoek bestond uit het bestuderen van de wetenschappelijke en aanpalende literatuur van de laatste 20 jaar. Ook hielden we interviews en focusgroepgesprekken met 45 personen die beroepshalve betrokken zijn bij de strafrechtketen in Nederland (vanuit de wetenschap, advocatuur, Openbaar Ministerie (inclusief Functioneel Parket), Politie (inclusief FIOD), Rechtspraak en Reclassering). Tevens voerden we een tweetal interviews met twee kritische burgers en een focusgroepgesprek met vijf kritische burgers. Het gaat hierbij om ervaringsdeskundigen en kritische volgers van casussen die de associatie met klassenjustitie oproepen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksmethoden, 3. Wat is het? 4. Komt het voor? 5. Hoe vaak komt het voor? 6. Waardoor komt het? 7. Reflecties van enkele kritische burgers, 8. Conclusies en aanbevelingen.
    • LVB in de strafrechtketen - Procesevaluatie

      Drost, V.; Kluft, S.; Klein Hofmeijer, E.; Reiff, E.; Kaal, H. (Significant APE, 2021-06-22)
      Begin 2020 heeft de landelijke werkgroep voor lvb binnen de strafrechtketen, waaraan de verschillende ketenpartners deelnemen, een werkagenda voor de periode 2020-2021 vastgesteld. De bestuurders van de betrokken organisaties in de strafrechtketen (Bestuurlijk Ketenberaad) hebben deze werkagenda in mei 2020 bekrachtigd. Hierin wordt beschreven dat extra inspanning nodig is om ervoor te zorgen dat professionals in de strafrechtketen structureel meer aandacht hebben voor lvb-problematiek en dat zij vaardiger worden om mensen met een lvb op een effectieve manier te bejegenen en te begeleiden. In de komende jaren wordt ingezet op verduurzaming en implementatie. Daarvoor heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) behoefte aan een procesevaluatie van de inzet op het thema van lvb tot nu toe. Het doel van het onderhavige onderzoek is dan ook het verkrijgen van inzicht in de mate waarin de verschillende partners uit de strafrechtketen de activiteiten zoals afgesproken in de werkagenda (en de voorloper daarvan, het verbeterplan) tot op heden hebben geïmplementeerd. De hoofdvraag luidt als volgt: In welke mate en op welke manier is er bij de verschillende ketenpartners aandacht voor en worden er initiatieven geïntroduceerd gericht op mensen met een lvb, op de thema’s bewustwording, signaleren, communiceren en interveniëren? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksaanpak, 3. Bewustwording, 4. Signaleren, 5. Communicatie, 6. Interveniëren, 7. Ervaringen van mensen met een lvb in de strafrechtketen, 8. Conclusies.
    • Capaciteitsbehoefte Justitiële Ketens t/m 2026 - Beleidsneutrale ramingen

      Mooelenaar, D.E.G.; Kriege, A.G.; Diephuis, B.J. (WODC, 2021-06-17)
      De ramingen in dit rapport zijn gemaakt met het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) versie 2020. Het PMJ bestaat uit twee onderdelen, namelijk een model voor de veiligheidsketen en een model voor het civiel- en bestuursrechtelijke deel van de justitiële keten. Het model voor de veiligheidsketen bevat onderdelen zoals onder andere opsporing, vervolging en berechting, straffen en maatregelen, vreemdelingenbewaring, gevangeniswezen, justitiële jeugdinrichtingen, reclassering, gesubsidieerde rechtsbijstand in strafzaken en slachtofferzorg. Het model voor civiel- en bestuursrechtelijke keten bevat de onderdelen civiele rechtspraak, bestuursrechtspraak en gesubsidieerde rechtsbijstand in civiele zaken en bestuurszaken. Dit rapport zal niet uitgebreid ingaan op alle onderdelen van het PMJ maar alleen de belangrijkste elementen eruit lichten. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergrondfactoren, 3. Overtredingen, 4. Misdrijven, 5. Tenuitvoerlegging, 6. Reclassering, kinderbescherming en rechtsbijstand, 7. Civiel recht en bestuursrecht, 8. Nawoord.
    • Vrijheid blijheid? - Een plan- en procesevaluatie van tien Koers en kansenpilots die zijn gericht op de re-integratie van ex-gedetineerden

      Jacobs, M.J.G.; Reijden, L.S. van der; Moors, J.A. (EMMA, 2021-06-15)
      In 2015 startte het ministerie van Justitie en Veiligheid het programma Koers en kansen voor de sanctie-uitvoering. Met het programma wil het ministerie de sanctie-uitvoering robuust én flexibel maken. Maar bovenal gaat het erom de recidive van ex-gedetineerden omlaag te krijgen. Het programma wil vernieuwende projecten uit de lokale praktijk stimuleren, leerervaringen verzamelen, en de succesvolle projecten of onderdelen daarvan benoemen, behouden en verder implementeren. In het kader van het programma is een plan- en een procesevaluatie gedaan van in totaal tien pilotprojecten. Deze tien projecten zijn specifiek gericht op re-integratie en daarmee op het voorkomen van recidive van ex-gedetineerden. In dit rapport wordt verslag gedaan van deze plan- en procesevaluatie. Het doel van het onderzoek is: Inzicht krijgen in de ervaringen met en de ervaren impact van een selectie van projecten/interventies die in het programma Koers en kansen zijn opgenomen, gericht op (i) de re-integratie van (ex-) gedetineerden en (ii) de samenwerking tussen gemeenten, zorg en de overige netwerkpartners in het justitiedomein. INHOUD: 1. Inleiding en achtergrond 2. Re-integratie en recidivebeperking: effectieve interventies 3. Programmalogica van tien Koers en kansen-pilotprojecten 4. Planevaluatie van de pilotprojecten 5. Planevaluatie: beantwoording onderzoeksvragen 6. Procesevaluatie: inleiding en werkwijze 7. De uitvoeringspraktijken in de onderzochte pilots 8. Procesevaluatie: beantwoording onderzoeksvragen
    • Evidence-based interventies tijdens detentie

      Ljujic, V.; Homburg, G.; Zoetelief, I. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-06-15)
      Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in het aanbod van effectieve (bij voorkeur evi-dence-based) justitiële interventies voor het verbeteren van de basisvoorwaarden voor succesvolle re-integratie en het terugdringen van recidive onder volwassen gedetineerden. De centrale vraag is: welke evidence-based interventies worden in Nederlandse penitentiaire instellingen ingezet (of zouden inge-zet kunnen worden) tijdens detentie en wat zijn de randvoorwaarden voor een effectieve uitvoering? Evidence-based geldt als een strenge eis en daarom richt het onderzoek zich ook op interventies die niet evidence-based zijn, maar wel een goede onderbouwing hebben met wetenschappelijke of praktijkken-nis en waarnaar bij voorkeur procesevaluaties zijn uitgevoerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Afbakening en methode van onderzoek 3. Inventarisatie 4. Uitvoering en randvoorwaarden 5. Conclusie.
    • Evaluatie van de opbouw en meetbaarheid van de Nederlandse Cybersecurity Agenda

      Brennenraedts, R.; Hanswijk, M.; Jansen, R.; Kats, J.; Sahebali, W.; Hermanussen, L. (Dialogic innovatie interactie, 2021-06-10)
      Veiligheid in het digitale domein is voor het kabinet een topprioriteit, en zodoende is door verschillende departementen in samenwerking met publieke en private partijen en de wetenschap in 2018 de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA) geschreven. Met de NCSA heeft het kabinet de koers voor de aanpak van cybersecurity in de komende jaren uitgezet. Er bestaat dan ook grote behoefte om zicht te krijgen op de uitvoering en het effect van de NCSA. Het onderhavige onderzoek is één van de stappen die worden gezet om dit te bereiken en betreft een planevaluatie van de beleidsmaatregelen. Het onderzoek dient onder meer als voorbereiding op een mogelijke proces- en effectevaluatie. De onderzoeksvragen van dit onderzoek zijn als volgt: A. Opbouw NCSA - 1. Wat waren de doelen van de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA)? 2. Welke beleidsmaatregelen vallen onder de NCSA? 3. Wat kan voor iedere beleidsmaatregel – op beknopte wijze - worden gezegd over: a) De onderbouwing van (de keuze voor) de maatregel? b) De vooraf verwachte bijdrage van de maatregel aan de realisatie van de strategiedoelen? c) De doelen van de maatregel? d) De vooraf veronderstelde wijze waarop de doelen gerealiseerd moeten worden? e) De beleidsinstrumenten die onder de maatregel vallen? f) De bij de maatregel betrokken organisaties? B. Meetbaarheid NCSA -4. Bij welke beleidsmaatregelen is het meten van het doelbereik al dan niet ‘kansrijk’? Welke aspecten bemoeilijken het meten van het doelbereik? 5. Welke beleidsmaatregelen zijn – uitgaande van de antwoorden op bovenstaande onderzoeksvragen – mogelijk geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken? Om welke redenen zijn deze mogelijk geschikt? En (voor zover mogelijk): waarom zijn de andere maatregelen niet geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken?
    • Ontwikkeling zwaarte misdrijfzaken

      Homburg, G. (Cebeon, 2021-06-10)
      De geregistreerde criminaliteit is in de afgelopen twee decennia steeds verder gedaald. Dat is niet goed terug te zien in de prestaties van de strafrechtketen. In het bijzonder is het niet gelukt om doorlooptijden in de strafrechtketen terug te dringen. Partijen in de keten verklaren dat onder andere door een toename van de zaakzwaarte, die het gevolg is van maatschappelijke, juridische en technisch-inhoudelijke ontwikkelingen. Dit onderzoek is bedoeld om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de zaakzwaarte in de strafrechtketen en in de mogelijkheden om de zwaarte en de verzwaring van strafzaken te meten en te kwantificeren. De onderzoeksvragen luiden: 1. Welke definitie van zaakzwaarte kan worden gehanteerd? 2. Hoe kan de aldus gedefinieerde zaakzwaarte geoperationaliseerd worden: is het mogelijk zaakzwaarte te kwantificeren? 3. Zo ja, hoe heeft de zaakzwaarte van de sinds 2010 door politie, OM en rechter afgedane misdrijfzaken zich ontwikkeld? 4. Welke oorzaken van genoemde ontwikkelingen zijn aan te wijzen? 5. Zijn er verdere differentiaties bij de beantwoording van vraag 2 en 3 aan te geven, in termen van bepaalde tijdvakken, soorten zaken, kenmerken van zaken, fasen van het strafproces of regionale verschillen? 6. In hoeverre en in welke mate kunnen de bevindingen onder 3, 4 en 5 verklaren dat de zwaarte van misdrijfzaken af- of toeneemt?
    • Extremistisch denken en doen - Een systematische studie van empirische bevindingen over het radicaliseringsproces

      Nickolson, L.; Bergen, N. van; Feddes, A.; Mann, L.; Doosje, B. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen, 2021-06-10)
      Het ontstane wetenschappelijke beeld van radicalisering is dat van een zeer complex en dynamisch proces, waarbij maar moeilijk een algemene beschrijving of verklaring – laat staan een remedie – kan worden gevonden. Echter, er is er ook al het nodige empirische onderzoek verricht dat handvatten kan bieden om de fenomenen van radicalisering en de stap naar geweld en ander extremistisch handelen beter te begrijpen. Dit onderzoek wil deze aanknopingspunten in kaart brengen, door de bestaande wetenschappelijke inzichten gebaseerd op empirisch onderzoek te analyseren aan de hand van de volgende drie onderzoeksvragen: 1. Onder welke condities zijn personen ontvankelijk voor extremistische ideeën en groepen? 2. Onder welke condities gaan personen over tot extremistische handelingen? 3. Op welke momenten en op welke manier kan worden ingegrepen om de ontvankelijkheid voor extremistische ideeën te verminderen en extremistisch handelen te voorkomen?
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2017

      Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      Als onderdeel van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HIC-daders (2016-2021) wordt jaarlijks verslag gedaan van de achtergronden en reci-dive van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De huidige studie betreft een vervolg op drie eerdere recidivemetingen onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland in 2002-2013, 2002-2015, en 2002-2016, en de haalbaarheidsstudie naar regionale recidivecijfers onder veroordeelde HIC-daders. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders in 2017 in Nederland? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 2 Welk percentage van de HIC-daders veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van HIC-daders zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders in 2008 tot en met 2017, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? 4 Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders in 2015 tot en met 2017 uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, rekening houdend met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijke geweld veroordeeld in 2008-2017

      Piersma, T.W.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld voor een huiselijk-gewelddelict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan en medio 2021 afloopt. De huidige studie betreft de derde en laatste in de reeks recidivemetingen onder alle HG-daders in Nederland, na eerder de HG-daders tussen 2008 en 2013, en 2008 en 2015 in kaart te hebben gebracht. In deze studie wordt daarnaast, als uitbreiding op de eerdere recidivemetingen, ook gerapporteerd over specifieke groepen HG-daders en hun recidive (i.e., daders veroordeeld voor partnermishandeling, oudermishandeling en kindermishandeling). De volgende drie onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2017 in Nederland, en hoe verhouden deze kenmerken zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017 in Nederland? 2 Welk deel van de daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive onder veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2008 tot en met 2017 rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over tijd?