Now showing items 21-40 of 3174

    • Incidenten en misdrijven op en rond COA-locaties - Een duiding van COA- en politiecijfers over de periode 2018-2019

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2022-03-10)
      De centrale vraag die met dit onderzoek wordt beantwoord, luidt als volgt: Hoe kan de stijging in de periode 2018-2019 van het aantal incidenten op COA-locaties en de van misdrijven verdachte personen die op enig moment in het peiljaar op een COA-locatie verbleven worden geduid? Voor het beantwoorden van deze vraag is een analyse gemaakt van de incidenten op COA-locaties en van de criminaliteit waarvan COA-bewoners zijn verdacht. Hierbij is ook ingezoomd op kwaliteit van de geregistreerde data. Tevens zijn de kenmerken van de asielzoekers en COA-locaties beschreven. Voor het onderzoek waarbij het Incidentenoverzicht 2019 het uitgangspunt vormt, zijn drie onderzoeksmethoden gebruikt, namelijk: deskresearch, bestandsanalyse en een interviewronde. De databestanden zoals gebruikt voor het maken van het Incidentenoverzicht 2019 zijn opnieuw samengesteld, en waar mogelijk aangevuld met relevante extra variabelen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opvang van asielzoekers in vogelvlucht 3. COA-incidenten 4. Misdrijven 5. Conclusies
    • Verschil in recidivetrends onder jeugdigen - Inzicht in ontwikkelingen in recidive onder verschillende groepen jeugdige justitiabelen

      Boschman, S.E.; Piersma, T.W.; Weijters, G.; Tollenaar, N.; Teerlink, M. (WODC, 2022-03-10)
      Het doel van de onderhavige studie was om verklaringen te bieden voor de ontwikkelingen in de recidive van jeugdige justitiabelen in Nederland, alsmede om mogelijke verschillen in recidivetrends tussen groepen jeugdigen in kaart te brengen. Recidiveren (bepaalde groepen) jeugdige justitiabelen werkelijk meer dan voorheen? Of is de recidive gestegen omdat het aandeel jeugdige justitiabelen met een hoog recidiverisico toeneemt? En welke maatschappelijke trends zijn de meest waarschijnlijke veroorzakers van deze ontwikkelingen in recidive? Om hier meer inzicht in te geven, beschrijven en verklaren we in dit onderzoek trends in de recidive van jeugdige justitiabelen en verbinden we deze empirische uitkomsten met theorie en eerder onderzoek. De onderzoeksvragen luiden als volgt: 1. Hoe heeft de tweejarige recidiveprevalentie en -frequentie zich ontwikkeld tussen de cohorten 2008 en 2017 voor de complete groep jeugdige daders en voor verschillende groepen jeugdige daders uitgesplitst naar strafrechtelijke, demografische, sociaaleconomische en buurtkenmerken? 2. Hoe heeft de tweejarige recidiveprevalentie en -frequentie zich ontwikkeld tussen de cohorten 2008 en 2017 voor de complete groep ex-JJI-pupillen en voor verschillende groepen ex-JJI-pupillen uitgesplitst naar strafrechtelijke, demografische, sociaaleconomische en buurtkenmerken? 3a. Hoe is de samenstelling van de groep jeugdige daders en ex-JJI-pupillen tussen de cohorten 2008 en 2017 veranderd wat betreft strafrechtelijke, demografische, sociaaleconomische en buurtkenmerken, en in hoeverre kan dit de ontwikkelingen in het recidiverisico verklaren? 3b. Welke strafrechtelijke, demografische, sociaaleconomische en buurtkenmerken hangen samen met een hoger recidiverisico onder jeugdige daders en ex-JJI-pupillen, en in hoeverre is de invloed van deze kenmerken veranderd in de periode van 2008 tot 2017? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Theorie, 3. Methoden, 4. Ontwikkelingen in de recidiveprevalentie en -frequentie van jeugdige justitiabelen: verschillen tussen subgroepen, 5. Verklarend model recidive jeugdige daders en ex-JJI-pupillen, 6. Conclusie en discussie.
    • Evaluatie pilot gezinsvertegenwoordiger 'Scheiden zonder Schade'

      Aar, J. van; Lenglet, M.J.E.; Torregrosa, L.D.R. (Van Montfoort, 2022-03-07)
      De gevolgen van een complexe scheiding kunnen voor kinderen groot zijn. Het overheidsprogramma Scheiden zonder Schade van het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft als doel schade bij kinderen als gevolg van een complexe scheiding te voorkomen. Dit gebeurt onder andere door het ontwikkelen van een nieuwe scheidingsaanpak in de regiolabs Den Haag en Oost-Brabant. Een onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak is de pilot Gezinsvertegenwoordiger/Casushouder. In deze pilot wordt zo vroeg mogelijk in het scheidingsproces een gezinsvertegenwoordiger bij een gezin betrokken om ouders en kinderen te begeleiden tijdens de scheiding. Het doel van de inzet van een gezinsvertegenwoordiger is de-escalatie en dejuridisering van het conflict. Onderzoeksverantwoording Het doel van het huidige onderzoek is inzicht te geven in de bijdrage van de gezinsvertegenwoordiger aan de beoogde doelen van de nieuwe scheidingsaanpak: de-escalatie en dejuridisering en in de wenselijkheid van een gezinsvertegenwoordiger als onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak en de wijze waarop dat kan worden ingevuld. In de onderzoeksopdracht staan acht onderzoeksvragen verdeeld over de drie fasen van de pilot: A. Voorbereidende fase: werkzame elementen? B. Uitvoerende fase: gezinsvertegenwoordiger: onderdeel scheidingsaanpak? C. Opbrengstfase. INHOUD: 1. Inleiding en opzet van de pilot, 2. Onderzoeksverantwoording, 3. De pilot, 4. Ervaringen, 5. Beantwoording onderzoeksvragen, 6. Reflectie.
    • Do or don't - Kennissynthese ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen van jongeren in de georganiseerde criminaliteit

      Boer, H. de; Ferwerda, H.; Kuppens, J. (Bureau Beke, 2022-01-02)
      Om te voorkomen dat jongeren in de georganiseerde criminaliteit terecht komen of hier verder in afglijden hebben de ministers voor Rechtsbescherming en van Justitie en Veiligheid besloten om een preventieve aanpak in te zetten. Deze aanpak krijgt onder andere vorm via projecten in een achttal gemeenten die vallen onder het Breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit (BOTOC). Voor de aanpak is het van belang om te weten waarom bepaalde jongeren en jongvolwassenen de georganiseerde criminaliteit in gaan. Wat zijn met andere woorden risico- en beschermende factoren? Op basis van deze kennis kunnen vervolgens zinvolle interventies worden (door)ontwikkeld en worden ingezet. In dit rapport wordt verslag gedaan van een literatuuronderzoek waarin de vraag centraal staat wat in de wetenschappelijke literatuur bekend is over ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen van jongeren in de georganiseerde misdaad. INHOUD: 1. Inleiding 2. Ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen 3. Risico- en beschermende factoren 4. Samenvatting en reflectie
    • Beïnvloed geweld - Evaluatie Wet middelenonderzoek bij geweldplegers (WMG)

      Kuppens, J.; Brouwer, N.; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2022-01-02)
      Het onderzoeksdoel is als volgt omschreven: ‘de evaluatie moet inzicht bieden in de werking en effectiviteit van de Wet middelenonderzoek bij geweldplegers (WMG) en daarmee bijdragen aan het tegengaan van het plegen van geweld onder invloed. Op basis van de evaluatie kunnen waar nodig initiatieven ter vergroting van de effectiviteit worden genomen’. De evaluatie bestaat minimaal uit een plan- en procesevaluatie en, afhankelijk van de inzichten hieruit, eventueel een effectevaluatie. Voor de planevaluatie is de volgende probleemstelling geformuleerd: ‘Wat heeft de wetgever met de WMG beoogd en op welke wijze wordt verondersteld dat dit doel/deze doelen kunnen worden bereikt?’. Voor de procesevaluatie is de volgende probleemstelling geformuleerd: ‘Hoe verloopt de uitvoering in de praktijk van de in het plan essentieel geachte onderdelen?’ Vervolgens zijn de volgende onderzoeksvragen voor de planevaluatie geformuleerd: 1. Wat heeft de wetgever met de WMG beoogd, zowel als hoofddoel en als eventuele onderliggende doelen? 2. Op welke wijze wordt verondersteld dat dit doel of deze doelen kunnen worden bereikt? 3. Welke mogelijke andere, waaronder mogelijk ‘tegendraadse’, effecten werden voorzien en zijn aangetroffen? 4. Op welke onderdelen en/of in welke mate moet ten minste in de praktijk aan het plan (zie onderzoeksvraag 2) zijn voldaan om doelbereiking in enige mate te kunnen veronderstellen? Voor de procesevaluatie zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 5. Hoe ziet de uitvoering in de praktijk eruit van de voor doelbereiking essentieel geachte onderdelen? 6. Is de uitvoering op essentieel geachte onderdelen in de praktijk voldoende in overeenstemming met het plan (zie vraag 4), zodat de beoogde effecten kunnen optreden? 7. Zijn er in de praktijk aanwijzingen voor het optreden van onvoorziene, zowel positieve als ‘tegendraadse’, effecten? INHOUD: 1. Inleiding, 2. De WMG-procedure, 3. Onderzoeksopzet, 4. De planevaluatie, 5. Procesevaluatie: WMG in cijfers, 6. Procesevaluatie: mening van de hOvJ's, 7. Procesevaluatie: casusanalyse en interviews, 8. Terugblik, onderzoeksvragen en conclusies.
    • Binnen is binnen - Leeropbrengsten van de Social Impact Bond 'Werk na detentie'

      Jacobs, M.J.G.; Reijden, L.S. van der (medew.); Moors, J.A. (EMMA, 2021-12-31)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van een eindevaluatie van de Social Impact Bond ‘Werk na detentie’. Een Social Impact Bond (SIB) is een vorm van publiek-private samenwerking waarbij private investeerders de aanpak van een maatschappelijk probleem door een onafhankelijke uitvoeringspartij voorfinancieren. Slaagt de aanpak, dan betaalt de overheid de investering met een vooraf afgesproken rendement terug. Slaagt de aanpak niet, of onvoldoende, dan zijn de investeerders hun investering (deels) kwijt. Dit rapport is een eindevaluatie van de SIB ‘Werk na detentie’. Doel van het onderzoek wordt als volgt omschreven: Inzicht krijgen in de lessen en leerervaringen van de Social Impact Bond ‘Werk na detentie’. De bedoeling is ‘alles overziend’ terug te blikken op de periode 2016-2021 en te inventariseren wat de inhoudelijke en procesmatige lessen en leerervaringen zijn, te onderzoeken welke mechanismen daaraan ten grondslag liggen en na te gaan in hoeverre een SIB geschikt is als financieringsconstructie voor publiek-private samenwerking bij de aanpak van een maatschappelijk probleem op het justitiële terrein. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Social Impact Bonds in het justitiële domein – een literatuuronderzoek, 3. Korte samenvatting proces- en effectevaluatie van de SIB ‘Werk na detentie’, 4. Eindevaluatie SIB ‘Werk na detentie’, 5. Beantwoording onderzoeksvragen, 6. Conclusie
    • Grenzeloos!? - Een verkennend onderzoek in relatie tot (veroordeelde) plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik

      Wolsink, J.; Boer, H. de; Wijk, A. van; Swart, L. de; Hoog, G. op 't (Bureau Beke, 2021-12-30)
      Naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf over de zaak van de Nederlander Hans V., worden in maart 2019 Kamervragen gesteld over de beschikbare maatregelen voor veroordeelde plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik. Ook worden twee moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om te onderzoeken op welke wijze de reisbewegingen van plegers verder beperkt kunnen worden. In zijn reactie concludeert de minister voor Rechtsbescherming dat de huidige maatregelen beter benut kunnen worden. De doelstelling in dit onderzoek is tweeledig: 1) meer inzicht krijgen in de profielen van plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik en 2) nagaan of er in het buitenland maatregelen bestaan gericht op het voorkomen van transnationaal seksueel kindermisbruik die ook in Nederland van toegevoegde waarde zouden kunnen zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Transnationaal seksueel kindermisbruik in de wetenschappelijke literatuur 3. Inventarisatie van het instrumentarium 4. Introductie internationaal onderzoek 5. Landenstudie Zweden 6. Landenstudie Duitsland 7. Landenstudie Ierland 8. Landenstudie Australië 9. Landenstudie Verenigde Staten 10. Beantwoording onderzoeksvragen en conclusies
    • Evaluatie van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)

      Winter, H.B.; Krol, E.; Geertsema, J.B.; Beukers, M.; Boxum, C. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro facto, 2021-12-30)
      Met de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) in 2001 is het beroep van de gerechtsdeurwaarder opnieuw vorm gegeven. Gerechtsdeurwaarders hebben een bijzondere positie in het Nederlandse rechtsbestel. Zij zijn als openbaar ambtenaar bevoegd taken uit te voeren die op grond van de Gdw aan hen zijn opgedragen en zijn tegelijkertijd ondernemer. De Gdw introduceerde een stelsel van vrije vestiging in plaats van het toenmalige standplaatsenstelsel en van een landelijke bevoegdheid voor gerechtsdeurwaarders. Deze wijzigingen beoogden meer marktwerking in het stelsel te introduceren. Tegelijkertijd koos de wetgever ervoor de Koninklijke Vereniging voor Gerechtsdeurwaarders (KVG) om te zetten in de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). De taak van de KBvG is wettelijk vastgelegd in artikel 57 Gdw dat bepaalt dat de KBvG een goede beroepsuitoefening door de leden en hun vakbekwaamheid dient te bevorderen. Daartoe heeft deze organisatie de vorm van een Publiekrechtelijke Beroepsorganisatie (PBO) gekregen, met daarbij een verordenende bevoegdheid. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van drie thema’s: een beleidsreconstructie, waarin de totstandkoming van de KBvG als PBO en de beleidstheorie die daaraan ten grondslag ligt is beschreven, het functioneren van de KBvG in de praktijk en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de KBvG. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie van de Gerechtsdeurwaarderswet 3. Beleid en verordeningen van de KBvG 4. Organisatie van de KBvG: governance 5. Taakuitoefening KBvG 6. Perspectief van de gerechtsdeurwaarder 7. Slotbeschouwing
    • Straffen seksueel misbruik minderjarigen - Strafeisen, strafoplegging en strafmotivering ter zake van betaalde en onbetaalde seksuele handelingen bij minderjarige slachtoffers in Nederland, Duitsland, Zwitserland, Ierland en Schotland

      Koppen, V. van; Wijkman, M.; Wilde, B. de (Vrije Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid - Afdeling Strafrecht en Criminologie, 2021-12-30)
      In dit onderzoek staan de strafvordering en strafoplegging inzake hands-on seksueel misbruik met minderjarigen centraal. Seksueel misbruik van minderjarigen wordt in dit onderzoek gedefinieerd als gedrag zoals omschreven in artikel 244 (seksueel binnendringen van iemand onder de 12 jaar), 245 (seksueel binnendringen van iemand tussen de 12 en 16 jaar), 247 (ontuchtige handelingen met een bewusteloze, onmachtige of gestoorde of een kind onder de 16 jaar), 248b (gebruikmaken van seksuele diensten van een 16- of 17-jarige tegen betaling) en 249 lid 1 (seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties) van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn 713 vonnissen bestudeerd waarin tussen 2015 en 2019 een mannelijke, meerderjarige dader werd veroordeeld voor seksueel misbruik met een of meerdere minderjarigen. Voor deze 713 zaken is onderzocht hoe de feitelijke strafeisen luiden. Voor een gestratificeerde steekproef van 180 zaken is tevens onderzocht in hoeverre de strafeis afwijkt van de richtlijn van het OM en welke motivering hieraan ten grondslag ligt. Ook is onderzocht in hoeverre de straffen die door de rechter worden opgelegd, afwijken van de strafeis van de officier van justitie en de strafvorderingsrichtlijnen die het OM hanteert. Tevens is onderzocht hoe de strafbedreigingen en opgelegde straffen inzake seksueel misbruik van minderjarigen in Nederland zich verhouden tot die in Duitsland, Zwitserland, Ierland en Schotland. Ten slotte is onderzocht wat de kenmerken van daders van jeugdprostitutie (art. 248b Sr) in Nederlandse strafzaken zijn en hoe de strafeisen en opgelegde straffen in dergelijke zaken luiden. Hiertoe zijn de strafdossiers van 60 veroordeelde daders van betaald seksueel misbruik met een 16- of 17-jarige bestudeerd. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. Literatuuronderzoek: Seksueel misbruik van minderjarigen, 4. Strafvordering en straftoemeting bij seksueel misbruik van minderjarigen, 5. Rechtsvergelijking, 6. Betaalde seks met minderjarigen, 7. Conclusie en discussie
    • De beheerslast van vreemdelingen in bewaring in detentiecentrum Rotterdam - Beschrijving en duiding van de periode 2015-2019

      Zebel, S.; Stel, M.; Haandrikman, M.; Hadaschik, J.; Giebels, E. (Universiteit Twente, 2021-12-30)
      Dit onderzoek heeft tot doel duidelijk te maken of de beheerslast van vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld in het DC Rotterdam is toegenomen in de periode 2015-2019. Indien dit het geval blijkt, wordt achterhaald hoe deze toename kan worden verklaard. Blijkt er geen toename te zijn geweest in de beheerslast, dan dient dit onderzoek duidelijk te maken hoe de indicaties van de toename kunnen worden verklaard. Dat leidt tot de volgende onderzoeksvragen voor het huidige onderzoek: 1. Is de beheerslast van ingesloten vreemdelingen in het DC Rotterdam toegenomen in de periode 2015 tot en met 2019? 2. Zo ja (op vraag 1): Wat zijn de mogelijke verklaringen voor deze toename? Zo nee (op vraag 1): Hoe kunnen de indicaties van de toename van de beheerslast worden verklaard? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methoden van onderzoek, 3. Operationalisatie van beheerslast, 4. Beantwoording onderzoeksvraag 1: Is de beheerslast in het DCR toegenomen in de periode 2015-2019?, 5. Beantwoording onderzoeksvraag 2: Mogelijke verklaringen voor de toegenomen beheerslast in het DCR in de periode 2015-2019, 6. Conclusie en discussie.
    • Evaluatie van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie - Een empirisch-juridisch onderzoek naar de toepassing van artikel 80a Wet RO door de Hoge Raad in de sectoren civiel recht, belastingrecht en strafrecht in de periode 2012-2019

      Kristen, F.G.H.; Bijlsma, J.; Verkerk, R.R.; Jong, E.R. de; Boekema, I.M.; Giesen, I. (Universiteit Utrecht - Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging, 2021-12-30)
      Het onderzoek strekt tot evaluatie van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet versterking cassatierechtspraak op 1 juli 2012 ingevoerd voor de civiele kamer, belastingkamer en strafkamer van de Hoge Raad. Artikel 80a Wet RO biedt de Hoge Raad de bevoegdheid om bepaalde categorieën van zaken via een vereenvoudigde en snellere procedure af te doen door deze zaken niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe kent de regeling twee gronden: 1) degene die het cassatieberoep instelt, heeft daarbij ‘klaarblijkelijk onvoldoende belang’, en 2) de ‘klachten [kunnen] klaarblijkelijk niet tot cassatie […] leiden.’ Bij de parlementaire behandeling van de Wet versterking cassatierechtspraak is een evaluatie van artikel 80a Wet RO toegezegd. Dit onderzoek beoogt daarin te voorzien door een totaalbeeld te geven van de toepassing van artikel 80a Wet RO over de periode 2012-2019 voor de sectoren civiel recht, belastingrecht en strafrecht. De centrale onderzoeksvraag luidt dan ook: ‘Hoe is het totaalbeeld van de toepassing van artikel 80a Wet RO over de periode 2012-2019?’ INHOUD: 1. Aanleiding en onderzoeksvragen, 2. Methodologie, 3. Doelen van artikel 80a Wet RO, 4. Civiele kamer: bespreking procedure en ontwikkelingen in rechtspraak en literatuur, 5. Belastingkamer: bespreking procedure en ontwikkelingen in rechtspraak en literatuur, 6. Strafkamer: bespreking procedure en ontwikkelingen in rechtspraak en literatuur, 7. Cijfers over afdoeningen, 8. Sector civiel recht: ervaringen met artikel 80a Wet RO, 9. Sector belastingrecht: ervaringen met artikel 80a Wet RO, 10. Sector strafrecht: ervaringen met artikel 80a Wet RO, 11. Bevindingen, conclusies en aanbevelingen.
    • Wat kunnen we leren over de preventie van woninginbraken?

      Piepers, N.; Soomeren, P. van; Pluijm, M.; Struick, I. (medew.) (DSP-groep, 2021-12-30)
      Het aantal woninginbraken in Nederland is fors teruggelopen de laatste jaren. In 2012 werden er nog zo’n 92.000 inbraken gemeld, in 2019 waren dat er nog 40.000. Ten tijde van Corona daalde dit aantal in 2020 naar 30.000. De impact van woninginbraken is groot en de kosten zijn aanzienlijk. De ervaring leert dat een daling van de woninginbraken op termijn soms weer gevolgd wordt door een stijging. Daarbij komt dat het aantal woninginbraken landelijk weliswaar afneemt, maar die afname blijft in bepaalde situaties achter waardoor er nog steeds zorgwekkende concentraties zijn. In dit literatuuronderzoek staan drie onderzoeksvragen centraal: 1. Welke ontwikkelingen zijn er op het gebied van woninginbraak om te bepalen waar en op wie preventieve maatregelen het beste ingezet kunnen worden? 2. Zijn er preventieve maatregelen in het buitenland die we in Nederland nog niet kennen? 3. Wat kunnen we in Nederland - op basis van buitenlandse literatuur - beter en anders doen bij de inzet van preventieve maatregelen die we reeds toepassen tegen woninginbraak? INHOUD: 1. Inleiding 2. Woninginbraken in perspectief 3. Nieuwe maatregelen, zijn die er wel? 4. Verbetermogelijkheden voor Nederland 5. Conclusie
    • Gescheiden plaatsing van broers en zussen bij gezamenlijke uithuisplaatsing - Onderzoek naar de prevalentie ven onderliggende oorzaken

      Stolwijk, I.J.; Put, C.E. van der; Defoe, I.N. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen, 2021-12-30)
      ls het thuis in een gezin niet goed gaat, kan een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen nodig zijn. Uithuisplaatsing is een ingrijpend laatste redmiddel om ervoor te zorgen dat het kind veilig is en zich goed kan ontwikkelen, of om een kind een behandeling te geven die anders niet mogelijk is. In de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming wordt geadviseerd om broers en zussen waar mogelijk samen te plaatsen tenzij dat om bepaalde redenen niet mogelijk of wenselijk is. Het doel van het huidige onderzoek was om tot een valide en betrouwbare schatting te komen van het percentage broers en zussen dat na gezamenlijke uithuisplaatsing gescheiden wordt geplaatst, en om te achterhalen welke redenen hieraan ten grondslag liggen. Voor beantwoording van de onderzoeksvraag is gebruik gemaakt van een multi-method, multi-informant onderzoek bestaande uit dossieronderzoek en interviews.
    • Vrijheidsbeneming op maat - Opzet en haalbaarheid monitor

      Buysse, W.; Piepers, N.; Pluijm, M. (medew.); Dijk, B. van (medew.) (DSP-groep, 2021-12-30)
      Met Vrijheidsbeneming op Maat (VOM) wordt beoogd dat het verblijf in detentie – de vrijheidsbeneming – beter aansluit op de behoeften van jongeren door het bieden van een passende behandeling, beveiliging en nazorg tijdens detentie. Meer maatwerk moet leiden tot een vermindering van de recidive. Hiervoor worden drie bouwstenen ingezet: 1. Een efficiënt en effectief proces van plaatsing en screening, en diagnostiek (maatwerk in zorg en beveiliging) dat gericht is op het opstellen van een integraal plan van aanpak voor de jongere. 2. Kleinschalige voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ’s): lokale en/of regionale plaatsen waar jongeren zo dicht mogelijk bij het eigen leefsysteem verblijven tijdens een periode van vrijheidsbeneming met een laag beveiligingsniveau. 3. Forensische Zorgcentra (FCJ’s): een hoog beveiligde setting waarin jongeren met een specifiek zorgprofiel specialistische zorg en beveiliging krijgen. De probleemstelling van het onderzoek was: Op welke wijze kan de stelselwijziging Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd worden gemonitord? Wat is de uitgangspositie ten aanzien van de stelselwijziging in 2020? De probleemstelling van het onderzoek is vertaald in onderzoeksvragen die in te delen zijn naar drie onderdelen: 1. opstellen van de beleidslogica achter de onderdelen van de stelselwijziging of met andere woorden van de vrijheidsbeneming op maat; 2. opstellen van indicatoren ten behoeve van monitoring; 3. haalbaarheidsonderzoek en 0-meting van de indicatoren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidslogica 3. Empirische onderbouwing beleidslogica 4. Indicatoren en haalbaarheidsonderzoek 5. Implementatie en stand van zaken VOM 6. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
    • Tweede verkennende studie Liquidaties

      Gestel, B. van; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2021-12-30)
      Hoewel liquidaties geen nieuw fenomeen zijn in Nederland, bleek uit een verkennende studie van het WODC uit 2017 dat de werkwijze bij deze moordaanslagen aan verandering onderhevig is (zie link hiernaast). Uit de studie kwam onder andere naar voren dat de beschikbaarheid van nieuwe groepen schutters en nieuwe middelen leidt tot een aantal stijlaanpassingen. Enerzijds werd een proces van professionalisering gesignaleerd bij de voorbereiding van liquidaties, waarbij gebruik werd gemaakt van nieuwe technologische middelen. Anderzijds werd een ruwere werkwijze gesignaleerd bij de uitvoering van liquidaties, die werd toegeschreven aan een ruime beschikbaarheid van zware vuurwapens in Nederland en aan een ruime beschikbaarheid van een nieuwe onervaren schutters. De centrale probleemstelling luidt: Welke recente ontwikkelingen doen zich voor ten aanzien van het fenomeen liquidaties, volgens sleutelinformanten van politie en justitie? Bij recente ontwikkelingen is gekeken naar achtergrond, motieven, betrokken actoren en de uitvoering (modus operandi) van liquidaties. 1. Inleiding 2. Definities 3. Achtergrond en criminele context 4. Aantal liquidaties 5. Verbreding van excessief geweld 6. Taakverdeling, aansturing en gevolgen van nieuwe technologie 7. Slotbeschouwing
    • Pilots Innovatiewet Strafvordering - Beleidstheorie, indicatoren & nulmeting

      Knapp, M.; Grootelaar, H.; Folmer, T. (Andersson Elffers Felix, 2021-12-30)
      Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (WvSv), zullen organisaties werkzaam in de strafrechtpraktijk zoals de politie, het OM en de Rechtspraak met een aantal onderwerpen experimenteren om hier in de praktijk ervaring mee op te doen. Hiervoor gaat in 2022 een vijftal pilotprojecten van start op basis van de Innovatiewet Strafvordering die het huidige wetboek op enkele onderdelen aanpast. Dit onderzoek geeft een feitelijke inventarisatie van de vijf pilots. Deze inventarisatie dient als basis voor de evaluatie van de pilots. Voor alle pilotprojecten is in ieder geval de bedoeling dat uiteindelijk wordt nagegaan of de voorgenomen wettelijke regeling in het nieuwe WvSv volstaat of dat bijstelling dan wel aanvulling nodig is. Het onderzoek valt uiteen in twee fasen. In de eerste fase is de beleidslogica die aan iedere pilot ten grondslag ligt gereconstrueerd. In de tweede fase is per pilot gekeken voor welke indicatoren al een nulmeting kon worden uitgevoerd. INHOUD: PIlot 1 - Prejudiciële procedure, Pilot 2 - Gegevens na inbeslagneming, Pilot 3 - AVR, Pilot 4 - Hulpofficier van Justitie, Pilot 5 - Mediation
    • Voorspelling naar inrichting

      Tollenaar, N.; Weijters, G.M. (WODC, 2021-12-30)
      In dit onderzoek is voor de casus van justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) onderzocht onder welke condities het haalbaar is om te komen tot een onvertekende (valide) en stabiele (betrouwbare) schatting van het relatieve effect van de JJI’s op recidive. Hiervoor is gekeken naar gegevens over de periode 2004 tot en met 2013. Ook is bekeken of er een standaardwerkwijze voor modellering ontwikkeld kan worden.
    • Notoire klagers bij pro Justitia onderzoek - Definitief eindrapport

      Piepers, N.; Nauta, O.; Abraham, M. (medew.); Swami-Persaud, A. (medew.) (DSP-groep, 2021-12-30)
      Pro Justitia onderzoek is gedragskundig onderzoek naar de persoon van de justitiabele in opdracht van de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie of op verzoek van de verdediging. De gevolgen van een pro Justitia onderzoek kunnen voor een verdachte groot zijn, omdat iemand, bijvoorbeeld als hij (deels) ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, een tbs-maatregel opgelegd kan krijgen. Vanwege deze gevolgen is het des te belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Als een onderzochte meent dat het onderzoek niet naar behoren is uitgevoerd kan hij of zij bij verschillende instanties een klacht indienen. In dit onderzoek is gekeken naar klaaggedrag van volwassenen naar wie pro Justitia onderzoek is verricht in het kader van het strafrecht. De focus ligt daarbij op het aantal klachtenprocedures in de periode 2016 tot heden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Formeel kader 3. Aard en omvang klaaggedrag 4. Gevolgen klachtgedrag 5. Discussie 6. Conclusie
    • Informatieoverdracht COA - Eindrapportage

      Mack, A.; Klaver, J.; Ljujic, V.; Versteegt, I.; Thije, J.D. ten; Martina, K. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      Op 1 juli 1994 is de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (de Wet COA) in werking getreden. Bij deze wet is het COA opgericht en zijn de taken van het COA vastgelegd. Deze taken omvatten het bieden van onderdak, de begeleiding naar een toekomst in Nederland of daarbuiten, het verwerven en beheren van opvanglocaties, het handhaven van veiligheid en leefbaarheid binnen de opvanglocaties en het voorzien van asielzoekers van de noodzakelijke middelen. Het onderzoek richt zich op de informatieoverdracht vanuit het COA in de eerste fase van de opvang. Het doel van het onderzoek is om inzicht te bieden in: - hoe asielzoekers de informatieoverdracht ervaren die zij in de eerste fase van opvang van het COA krijgen, en; - aanknopingspunten voor eventuele verbeteringen in de informatieoverdracht vanuit het COA naar asielzoekers. INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Literatuurverkenning: informatieoverdracht aan asielzoekers 3. De inrichting van de informatievoorziening in de eerste opvangfase 4. Asielzoekers aan het woord: informatieoverdracht in de praktijk 5. Verbetermogelijkheden informatievoorziening 6. Samenvatting en conclusie 7. Summary and conclusions
    • De Nederlandse seksbranche - Een onderzoek naar de omvang, aard, beleid, toezicht en handhaving

      Bleeker, Y.; Braak, G. van den; Korf, W. (medew.); Leemans, A. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      In Nederland zijn gemeenten sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 verantwoordelijk voor het formuleren van prostitutiebeleid. Dat leidt tot verschillen tussen gemeenten. De mogelijk aankomende Wet regulering sekswerk (Wrs) beoogt, in grote lijnen, om toezicht en handhaving in gemeenten te uniformeren en beleidsverschillen tussen gemeenten te verkleinen. Om later de effecten van deze wetswijziging te kunnen achterhalen, is Regioplan gevraagd om een nulmeting uit te voeren. In dit onderzoek keken we ten eerste naar de omvang en aard van (delen van) de vergunde en onvergunde seksbranche. Ten tweede onderzochten we gemeentelijk beleid. Ten derde richtten we ons op de organisatie en resultaten van toezicht en handhaving. INHOUD: 1. Inleiding 2. Omvang en aard 3. Prostitutiebeleid 4. Toezicht en handhaving 5. Conclusies