Now showing items 21-40 of 3214

    • De effectiviteit van de BORG-training - Een vergelijkend recidiveonderzoek onder daders van partnergeweld

      Beijersbergen, K.A.; Piersma, T.W. (WODC, 2022-09-19)
      In dit onderzoek is onderzocht in hoeverre de BORG-training effectief is in het terugdringen van de (huiselijk gewelds)recidive bij daders van partnergeweld en wat mogelijk succesvolle en minder succesvolle aspecten van de training zijn. De volgende onderzoeksvragen stonden centraal: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep? a. Wat zijn de dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken (zoals leeftijd, type huiselijk geweld en aantal eerdere strafzaken) van de onderzoeksgroep en in hoeverre zijn deze vergelijkbaar met die van de controlegroep? b. In hoeverre voldoet de onderzoeksgroep aan de BORG-selectiecriteria? c. Wat zijn de uitvoeringskenmerken van de BORG-training (zoals aanwezigheids-percentage, individuele of groepstraining en training voltooid of voortijdig beëindigd) bij de onderzoeksgroep? Hoe effectief is de BORG-training in het terugdringen van recidive? Meer specifiek: hoe verhoudt de recidive van de onderzoeksgroep zich tot de recidive van de controlegroep? Welke uitvoeringskenmerken van de BORG-training hangen samen met de kans op recidive, indien er gecorrigeerd is voor verschillen in dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken? Hoe kijken ex-BORG-deelnemers terug op de BORG-training en wat zijn voor hen de succes- en faalfactoren van de training?
    • Ervaringen met elementen uit de tijdelijke COVID-19-wetgeving Justitie en Veiligheid

      Riddrbos-Hovingh, Ch.; Beukers, M.; Bergen, E. van; Krol, E.; Winter, H. (Pro Facto, 2022-09-14)
      Op 24 april 2020 trad de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (Tijdelijke wet) in wer-king.1 Deze spoedwet treft enkele voorzieningen op het terrein van Justitie en Veiligheid (JenV) die noodzakelijk geacht werden in verband met de uitbraak van corona. Daarna zijn er nog aanvullingen gekomen in de Verzamelspoedwet COVID-19, in de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en in de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV. In deze wetgeving worden voor alle rechtsgebieden (strafrecht, bestuursrecht, privaatrecht) voorzieningen getroffen, veelal voor het waarborgen van de continuïteit van het rechtsverkeer tijdens de coronacrisis. Deze tijdelijke voorzieningen gelden tot het vervallen van de wet. Dit was in beginsel op 1 september 2020, maar de wet bevat mogelijkheden om de werkingsduur (van onderdelen) om de twee maanden te verlengen. De hoofdvraag in dit onderzoek luidt als volgt: In hoeverre en onder welke (juridische en praktische) condities kunnen (onderdelen van) voorzieningen van de tijdelijke COVID-19-wetgeving JenV omgezet worden in permanente regelingen? Doel van het onderzoek is inzichtelijk maken in hoeverre het juridisch mogelijk en volgens betrokkenen wenselijk is om (onderdelen van) voorzieningen van de tijdelijke COVID-19-wetgeving JenV in de rechtspleging en het notariaat om te zetten in permanente regelingen. INHOUD: Inleiding Mondelinge digitale behandeling in burgerlijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures Elektronisch horen penitentiair beklag/beroep Mondelinge digitale behandeling in tuchtzaken Herstel verzuim hoger beroep in vreemdelingenzaken Verlenging termijn tenuitvoerlegging taakstraf Verlijden van akten Uitreiken van exploten Slotbeschouwing
    • Planevaluatie Wet forensische zorg - Reconstructie en evaluatie van de beleidstheorie

      Burger, A.M.; Kogel, C.H. de; Ree, J.J. van der (medew.) (WODC, 2022-09-13)
      Sinds 1 januari 2019 is de Wet forensische zorg (Wfz) van kracht. Artikel 2.3 van de Wfz, het zogeheten schakelartikel waarmee de strafrechter de mogelijkheid krijgt om een civiele machtiging af te geven, is gelijktijdig met de civiele zorgwetten de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd) op 1 januari 2020 in werking getreden. Met de Wfz beoogt de wetgever een kader te bieden voor de wijziging van het forensische zorgstelsel. Deze stelselwijziging werd reeds vanaf 2008 doorgevoerd. Ten behoeve van de evaluatie van de Wfz wordt in dit rapport de beleidstheorie van de Wfz gereconstrueerd en geëvalueerd. De nadruk bij deze reconstructie ligt op de door de wetgever beoogde doelstellingen en veronderstelde werkzame mechanismen van de Wfz. De onderzoeksvragen luiden: Binnen welke maatschappelijke en historische context is het wetsvoorstel voor de Wfz geïntroduceerd en door welke maatschappelijke veranderingen heeft het verder vorm gekregen? Hoe ziet de beleidstheorie van de Wfz eruit? a. Wat zijn de belangrijkste doelen van de Wfz? b. Wat zijn de veronderstelde werkzame mechanismen van waaruit de doelen van de Wfz behaald zouden moeten worden? Wat kan er gezegd worden over de onderbouwing van de beleidstheorie, de beschikbaarheid van benodigde randvoorwaarden en de afstemming met andere wetgeving? Welke concrete indicatoren kunnen uit de planevaluatie afgeleid worden die in de proces- en doelbereikingsevaluatie ingezet kunnen worden om inzicht te geven in de mate waarin (tussen)doelen van de Wfz worden bereikt? INHOUD: Inleiding en Methoden Beknopte wetsgeschiedenis Doelen en uitgangspunten van de Wet forensische zorg Patiënt op de juiste plek Voldoende forensische zorg Kwalitatief goede forensische zorg Verbetering aansluiting forensische en curatieve zorg Discussie en conclusie
    • Toepassing van de zorgmachtiging door de strafrechter - Een verkennend beeld uit de jurisprudentie januari 2020 tot juli 2021

      Oosterhuis, V.; Ree, J.J. van der; Burger, A.M.; Kogel, C.H. de (WODC, 2022-09-13)
      Artikel 2.3 Wet forensische zorg (Wfz) biedt de strafrechter de mogelijkheid een civiele machtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg af te geven. In deze factsheet onderzoeken wij hoe de strafrechter die mogelijkheid in strafzaken in eerste aanleg toepast en kijken daarbij met name naar kenmerken van personen bij wie het artikel wordt toegepast.
    • Terugkeer: verschillende belangen en perspectieven

      Verbaten, H.; Leerkes, A.; Mommers, Chr.; Cleton, L.; Breuls, L.; Strijbosch, K.; Nagtegaal, M.H. (WODC, 2022-09-12)
      ARTIKELEN: Huub Verbaten - 25 jaar terugkeerbeleid: fappez toujours. De fictie van een coherent terugkeerbeleid Arjan Leerkes - Terugkeer door legitimiteit? Alternatieven voor afschrikkingsbeleid ten aanzien van irreguliere migranten Christian Mommers - Eigen verantwoordelijkheid voor terugkeer: op zoek naar de grenzen Laura Cleton - Tussen dwang en drang. Hoe terugkeercounselors de 'vrijwillige terugkeer' van ongedocumenteerde migranten realiseren Lars Breuls - Werken aan terugkeer in vreemdelingenbewaring? Een blik op de werkpraktijken van terugkeerfunctionarissen en hun interacties met opgesloten personen Karlien Strijbosch - Slachtoffers, criminelen of helden? Mannelijke migranten in Senegal na terugkeer uit Europa. SAMENVATTING: De terugkeer van migranten zonder verblijfsrecht. Het is al lang een politiek gevoelig hot topic in de Europese Unie als geheel, maar ook in Nederland. Toch blijft het fenomeen ‘terugkeer’ voor veel mensen moeilijk te doorgronden. In dit themanummer wordt de terugkeerproblematiek vanuit verschillende perspectieven belicht. Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 heeft een persoon zonder recht op verblijf (‘vreemdeling’) de plicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Echter, de praktijk van terugkeer is weerbarstig. De bijdragen in dit themanummer raken aan verschillende aspecten van discussies rondom het thema van terugkeer en laten tegenstrijdige belangen zien tussen de verschillende bij terugkeer betrokken actoren, zoals de Nederlandse overheid en de migrant. We kijken terug op 25 jaar terugkeerbeleid en zoomen vervolgens in op de verschillen tussen instrumentele en normatieve modellen van wetsnaleving in het bewerkstelligen van terugkeer. Daarna volgt een kritische bespreking van de eigen verantwoordelijkheid van de migrant binnen het terugkeerbeleid, waarin wordt gepleit voor een meer begrensde opvatting van de eigen verantwoordelijkheid, die de grondrechten van de migrant en internationale wetgeving bovendien respecteert. Een volgend artikel is gewijd aan de uitvoeringspraktijk van ‘vrijwillige’ terugkeer dat laat zien hoe terugkeercounselors de tegengestelde belangen proberen te overbruggen van de Nederlandse overheid en die van migranten van wie verwacht wordt dat zij terugkeren naar hun land van herkomst. Ook worden in dit nummer Nederland en België vergeleken wat betreft beleid en organisatie van vreemdelingenbewaring en de invloed van verschillen hierin op de werkpraktijk en interacties tussen functionarissen en migranten. Tot slot krijgen we aan de hand van verhalen van twee migranten een inkijkje in PhD-onderzoek over mannelijke migranten die zijn teruggekeerd van Europa naar Senegal. Alle bijdragen belichten belangrijke aspecten van terugkeer. Gezamenlijk geven zij ons een veelzijdig beeld in de verschillende perspectieven van beleid, migrant en het land van herkomst. Dit themanummer maakt eens te meer duidelijk dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn voor het terugkeerprobleem en toont de enorme complexiteit ervan.
    • Differentiële effectiviteit maatregelen alcohol en verkeer

      Blom, M.; boschman, S.E.; Weijters, G. (WODC, 2022-09-12)
      Om de verkeersveiligheid te vergroten, kunnen in Nederland verschillende bestuursrechtelijke (rij)geschiktheidsmaatregelen worden opgelegd aan bestuurders van motorrijtuigen die zich schuldig hebben gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol. Het gaat hierbij om de LEMA (Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer), de EMA (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer) en – voor de zwaarste groep overtreders – het onderzoek alcohol (officieel: onderzoek naar de geschiktheid). Van december 2011 tot en met september 2014 kon in Nederland ook een alcoholslot-programma (ASP) worden opgelegd. Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden opgelegd naast de strafrechtelijke sanctie. In het onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de interventiegroepen van de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen (LEMA, EMA, ASP en onderzoek alcohol) en in hoeverre verschillen de interventiegroepen van de verschillende maatregelen van elkaar? 2 Wat is de samenhang tussen de achtergrondkenmerken van de interventiegroepen van de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen en rijden-onder-invloed recidive? 3 Welke (differentiële) effecten van doorverwijzing naar de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen op rijden-onder-invloedrecidive zijn er te vinden? INHOUD: Introductie Eerder onderzoek en hypotheses Data en methoden Verschillen in kenmerken van interventiegroepen Samenhang achtergrondkenmerken en rijden-onder-invloedrecidive voor interventiegroepen Differentiële effectiviteit LEMA Differentiële effectiviteit EMA Differentiële effectiviteit ASP Differentiële effectiviteit onderzoek alcohol Discussie en conclusie
    • Gebruik internationale DNA-databanken door geadopteerden n.a.v. interlandelijke adopties

      Velde, R. te; Kats, J.; Hanswijk, M.; Blom, T.; Zamorano, M.; Ondili, M.; Papakirykos, G.; Koops, B.-J. (medew.); Knijf, P. de (medew.) (Dialogic innovatie interactie, 2022-09-12)
      In deze studie is een afwegingskader opgesteld dat door het Expertisecentrum Interlandelijke Adoptie kan worden gebruikt om geadopteerden te ondersteunen bij de beslissing of zij gebruik willen maken van commerciële internationale DNA-databanken. In dit afwegingskader zijn alle relevante beoordelingscriteria op technisch, juridisch en sociaal gebied opgenomen die in overweging kunnen of moeten worden genomen bij het bepalen óf en welke DNA-databank gekozen zou moeten worden bij het gebruik van DNA-technologie in een rootszoektocht – de zoektocht naar (naaste) biologische verwanten door een geadopteerde. INHOUD: Introductie Gebruik van DNA-databanken in rootszoektochten Toelichting technische dimensies Toelichting juridische dimensies Toelichting sociale dimensies DNA-databanken vergeleken Conclusies en aanbevelingen
    • Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen - Nieuwe rechtsgronden in een haperend jeugdbeschermingsstelsel

      Bruning, M.R.; Zon, K.A.M. van der; Smeets, D.J.H.; Boven, H.J. van; Duivenvoorde, S.C.G.A. (medew.); Windt, I. van der (medew.) (Universiteit Leiden - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2022-09-07)
      In dit onderzoeksrapport wordt verslag gedaan van de eindevaluatie van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen. Op 1 januari 2015 is deze wet in werking getreden. Het hoofddoel van de wet was om te komen tot een effectievere en efficiëntere jeugdbescherming. Dat houdt in dat tijdig de juiste kinderbeschermingsmaatregel wordt getroffen waarbij het belang van het kind voorop moet staan. Daartoe is onder meer de regeling van de ondertoezichtstelling (OTS) op belangrijke punten aangepast en zijn de maatregelen van ontheffing van en ontzetting uit het gezag samengevoegd tot één nieuwe maatregel, de gezagsbeëindiging. De rechtsgronden voor de OTS en de maatregel van gezagsbeëindiging zijn aangepast tot een kindgerichte formulering zodat het eenvoudiger is om te kiezen voor de maatregel die het meest aansluit bij de omstandigheden waarin het kind zich bevindt. In deze eindevaluatie van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen staan de volgende vragen centraal: Zijn de doelstellingen van de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen behaald? Hierbij is in kaart gebracht hoe de situatie is ten aanzien van de door Regioplan ontwikkelde indicatoren vijf jaar na de invoering van de wet. Hoe verloopt de uitvoering van deze wet en zijn er in dat opzicht nog knel- of aandachtspunten? In hoeverre sluit deze wet aan bij de Jeugdwet en ontwikkelingen ten aanzien van de toepassing daarvan? INHOUD 1. Inleiding 2. De beschermingsbehoefte van het kind centraal 3. Het verbreden van de toegang tot een kinderbeschermingsmaatregel 4. Voorkomen oneigenlijk gebruik van de OTS 5. Een transparante en doelgerichte uitvoering van de ondertoezichtstelling 6. Waarborgen van stabiliteit en continuïteit bij beslissingen over wijziging verblijf van een minderjarige bij een OTS 7. Uitvoering van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen en contextfactoren 8. Conclusies en aanbevelingen.
    • Bescherming gegeven? - Evaluatie UAVG, meldplicht datalekken en de boetebevoegdheid

      Winter, H.; Drouen, T.; Eck, M. van; Kramer, L.; Geertsema, B.; Cazemier, J.; Ridderbos-Hovingh, C. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2022-09-06)
      De overkoepelende vraag die in het onderzoek centraal staat luidt als volgt: Hoe werden in de periode 2018 - 2020 de normen van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) nageleefd en in hoeverre heeft de UAVG bijgedragen aan een doelmatige en doeltreffende uitvoering en handhaving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)? Het onderzoek is uitgevoerd langs de lijnen van de volgende zestiental onderzoeksvragen: Hoe beoordelen juristen, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en verwerkers van persoonsgegevens de duidelijkheid en toegankelijkheid van de UAVG? In hoeverre worden de normen van de UAVG verduidelijkt door de AP en de jurisprudentie? Welke informatie wordt op welk moment aan de verschillende doelgroepen gegeven en op welke manier? Wat is de rol van de AP hierbij? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de uitvoerbaarheid van de UAVG? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de handhaafbaarheid van de UAVG? Hoe leven verwerkers van persoonsgegevens de bepalingen van de UAVG na? In welke mate wordt de meldplicht datalekken nageleefd door verwerkers van persoonsgegevens? Wat is de rol van de Functionaris voor Gegevensbescherming binnen organisaties, onder meer bij de naleving van de meldplicht? In hoeverre heeft de jurisprudentie preventieve werking voor de naleving van de bepalingen van de UAVG en de meldplicht datalekken en hoe zou deze kunnen worden vergroot? Hoe ziet de toezichtstrategie van de AP er uit? Hoe luidt het handhavingsbeleid van de AP? Op welke wijze vinden toezicht en handhaving door de AP in de praktijk plaats? Hoe worden bij het uitoefenen van de boetebevoegdheid door de AP de ernst van de normschending, de mate van verwijtbaarheid en een passende wijze van optreden bepaald? In hoeverre draagt de boetebevoegdheid en het toepassen daarvan door de AP bij aan een doelmatige en doeltreffende uitvoering en handhaving van de AVG? Is er aanleiding tot een wijziging van de toepassing van de bevoegdheden door de AP en zo ja, in welk opzicht? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de mate waarin de UAVG de ruimte heeft benut die de AVG laat voor nationale keuzes bij de uitvoering van de AVG? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. Jurisprudentieonderzoek, 4. Vragenlijstonderzoek en interviews: FG’s aan het woord, 5. De meldplicht datalekken en de bestuurlijke boete in de praktijk, 6. Het functioneren van de UAVG, 7. Conclusies en aanbevelingen.
    • Veilige toegang en verantwoord delen: psychologische determinanten van veilig wachtwoordgedrag en het veilig online delen van persoonsgegevens - Gedragsverandering ter voorkoming van slachtofferschap cybercriminaliteit

      Mors, E. ter; Noorderwier, M.; Vliet, A. van der; Hilgevoord, V.; Dijkstra, R.; Dijk, W. van; Lelieveld, G.-J. (Universiteit Leiden - Kenniscentrum Psychologie en Economisch Gedrag, 2022-09-05)
      In the current study, based on the protection motivation theory (PMT), the following psychological factors have been measured to investigate the extent to which they play a role in safe password behaviour and the safe sharing of personal data online: response cost, perceived vulnerability, perceived severity, perceived self-efficacy, and response efficacy. In addition to the PMT factors, we also investigated the role of responsibility in both target behaviours.
    • Strafmaat en strafdoelen in ernstige jeugd- en adolescentenstrafzaken - Opvattingen van magistraten over de sanctionering van 16- tot 23-jarige daders van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven

      Huls, E.; Asscher, J.; Brink, Y. van den; Creemers, H.; Liefaard, T.; Rap, S. (Vrije Universiteit, 2022-08-15)
      De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: “In hoeverre ervaren magistraten, zowel staand als zittend, dat het huidige wettelijke jeugdsanctiestelsel het mogelijk maakt om bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven gepleegd door 16- tot 23-jarigen een sanctie op te leggen die is afgestemd op de ernst van het misdrijf (vergelding) en op de overige in acht te nemen factoren en strafdoelen, maken deze ervaringen aanpassing van het wettelijke kader wenselijk, en zo ja, op welke wijze?” Deze onderzoeksvraag is beantwoord aan de hand van zes deelvragen. Voor de beantwoording hiervan is, naast juridisch-theoretisch onderzoek, gebruik gemaakt van twee empirische onderzoeksmethoden (1) een survey-onderzoek onder leden van het Openbaar Ministerie (OM) en de rechterlijke macht (ZM) die (jeugd)strafzaken en strafzaken tegen adolescenten behandelen, gevolgd door (2) verdiepende interviews. De bevindingen zijn vervolgens tijdens een focusgroep-bijeenkomst met vertegenwoordigers van het OM en de ZM uitgebreid besproken. INHOUD: Inleiding, Sanctioneren in het (jeugd)strafrecht, Ervaringen van magistraten - een surveyonderzoek, Ervaringen van magistraten - een interviewstudie, Conclusies, implicaties en aandachtspunten.
    • Indicatoren drugscriminaliteit - Verkenningsstudie naar een monitor drugscriminaliteit en daarop gerichte overheidsinterventies

      Abraham, M.; Nauta, O.; Hofstra, D.; Pluijm, M. (DSP-groep, 2022-07-13)
      Dit onderzoek laat zien dat in potentie een relevante basisset aan drugscriminaliteit-indicatoren beschikbaar is. Een deel van de indicatoren wordt bovendien al verzameld ten behoeve de Nationale Drug Monitor (NDM). Winst zit – naast allereerst het systematisch bijeen brengen van de aangemerkte indicatoren – vooral in het verbeteren van de kwaliteit van brondata van de indicatoren in deze basisset, voor verschillende drugsmarkten. Wel zal een mogelijke toekomstige monitor altijd gepaard dienen te gaan met flankerend kwalitatief onderzoek. Niet alles is immers meetbaar. Drugscriminaliteit is een complex fenomeen dat zich niet eenvoudig in cijfers laat vatten, en zich bovendien sneller ontwikkelt dan de data die daarover rapporteren. Daarbij typeert drugscriminaliteit zich als een mondiaal fenomeen waarvan Nederland slechts een onderdeel is. INHOUD: 1. Inleiding en aanpak, 2. Totstandkoming selectie indicatoren, 3. Een voorstel voor monitoring, 4. Conclusie.
    • Quickscan wetgeving kindersekspoppen en kinderseksrobots

      Loibl, E.; Aa, S. van der; Lundh, M.; Niemark, R.; Well, C. van (Universiteit Maastricht, 2022-07-07)
      testing
    • Normering en actualisering van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) en beschrijving van de actuele populatie Halt-deelnemers

      Put, C.E. van der; Stolwijk, I.J. (Universiteit van Amsterdam, 2022-07-06)
      De Halt-afdoening is begin jaren tachtig ontwikkeld als een buitenstrafrechtelijke interventie, om jongeren die door de politie worden opgepakt voor een strafbaar feit, in de gelegenheid te stellen een strafblad te ontlopen. Het doel van de Halt-afdoening is om jongeren bewust te maken van hun gedrag en om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. Het doel van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) is inzicht te verkrijgen in: (a) de hoogte van het recidiverisico, (b) de aanwezige dynamische risicofactoren ten aanzien van (herhaling van) het strafbare gedrag van de jongere, en (c) signalen van achterliggende psychosociale problematiek en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van de uitkomsten van het Halt-SI wordt de verdere invulling van de Halt-afdoening vormgegeven en wordt bepaald of doorverwijzing naar hulpverlening en/of een melding bij Veilig Thuis nodig is. Sinds de ontwikkeling van het Halt-SI in 2009 is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de psychometrische eigenschappen ervan en daarom werd in de huidige studie de predictieve validiteit van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) onderzocht met betrekking tot het voorspellen van hernieuwd delictgedrag (onderzoeksdoel 1). Daarnaast werd onderzocht hoe het Halt-SI zou kunnen worden geactualiseerd met betrekking tot risico- en behoeftetaxatie, toeleiding naar modules en leeropdrachten, en het signaleren van psychosociale problemen en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling (onderzoeksdoel 2). Het derde doel was de samenstelling van de actuele populatie Halt-deelnemers in kaart te brengen om meer inzicht te verkrijgen in de achtergrondproblematiek van Halt-deelnemers en in de zwaarte van de delicten waarvoor jongeren naar Halt worden verwezen.
    • Het vestigingsklimaat voor drugscriminaliteit in Nederland

      Spapens, T.; Mheen, D. van de; Kuijpers, E. (medew.); Blatter, I. (medew.); Bourdoud, L. (medew.); Dijcks, V. (medew.) (Tilburg University, 2022-07-06)
      Uit zowel nationale als internationale onderzoeken en dreigingsanalyses komt al meerdere decennia het beeld naar voren dat in Nederland gebaseerde criminele netwerken een belangrijke rol spelen in de internationale handel in verdovende middelen en in de productie van synthetische drugs en cannabis. Dit roept de vraag op waarom drugscriminaliteit zich juist in Nederland heeft kunnen ontwikkelen tot een, naar breed wordt aangenomen, zeer grootschalige omvang. De vraag die in dit rapport wordt onderzocht is of Nederland een gunstig ‘vestigingsklimaat’ voor drugscriminaliteit heeft. Het gaat daarbij om de vragen welke factoren dit vestigingsklimaat bepalen, hoe deze kunnen worden gemeten en beïnvloed, en hoe deze factoren in onderlinge samenhang kunnen worden gevisualiseerd in een conceptueel model. Dit rapport vormt de weerslag van een literatuuronderzoek, aangevuld met een beperkt aantal interviews met academici en praktijkexperts. INHOUD: 1. Algemene inleiding 2. Analysemodel en theoretisch kader 3. Misdaadondernemers: keuzes en motivatie (micro) 4. Het criminele bedrijfsproces (meso) 5. Bestedingen van misdaadgeld (meso) 6. Systematische factoren (macro) 7. Conceptueel model 8. Meetbaarheid en beïnvloedbaarheid 9. Conclusie
    • De (on)mogelijkheden van het meten van klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen - Een verkenning met handreikingen voor kwantitatief vervolgonderzoek

      Netten, C.P.M.; Braak, S.W. van den; Latenko, A.; Vink, M.E.; Nagtegaal, M.H. (WODC, 2022-07-06)
      Het doel van deze studie was om de haalbaarheid van het kwantificeren van klassenjustitie in kaart te brengen en nadrukkelijk niet om klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen daadwerkelijk kwantitatief aan te tonen. Het gaat hier enkel om een verkenning. Dit rapport bevat om deze redenen ook geen kwantitatieve resultaten en geeft geen antwoord op de vraag of en in welke mate klassenjustitie in Nederland voorkomt. Aan de hand van de bevindingen van de verkenning worden wel aanbevelingen gedaan over hoe toekomstige kwantitatieve analyses aangepakt kunnen worden. De hoofdvraag van deze verkenning luidt als volgt: In hoeverre kan klassenjustitie in kaart gebracht worden met behulp van kwantitatieve analysetechnieken? Om bovenstaande vraag te beantwoorden, is de verkenning in drie delen onderverdeeld: 1 meetbaarheid van het begrip klassenjustitie; 2 beschikbare data; 3 kwantitatieve methoden en technieken. INHOUD: 1. Inleiding 2. De meetbaarheid van klassenjustitie in de strafrechtketen 3. Data en beschikbare bronnen 4. Meten van selectiviteit in de strafrechtketen 5. Conclusie en aanbevelingen
    • Griffierecht bij beklag in detentie

      Cazemier, J.; Bergen, E. van; Woestenburg, N.; Wolf, M. van der; Winter, H. (Pro Facto, 2022-07-05)
      De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, afdeling advisering (RSJ) constateert in het advies ‘Spanning in detentie’ dat het aantal beklag- en beroepszaken van gedetineerden gestaag toeneemt. De RSJ heeft aanbevolen een pilot uit te voeren met griffierecht bij beklag in detentie. In de beleidsreactie op het advies van de RSJ heeft de minister voor Rechtsbescherming aangegeven te willen laten verkennen of het heffen van een griffierecht van toegevoegde waarde kan zijn ‘om de instroom van (futiele) zaken in het dichtgeslibde stelsel van beklag en beroep te doen verminderen.’ In dit onderzoek wordt gekeken of het heffen van een griffierecht mogelijk is en wat de te verwachten positieve en/of negatieve effecten van het invoeren van deze financiële prikkel zijn. INHOUD: Inleiding 2. Achtergrond beklagrecht 3. Invoering van griffierecht in het buitenland 4. Vergelijking griffierecht in het tuchtrecht 5. Mogelijkheden voor het invoeren van een griffierecht 6. Analyse en conclusie
    • Capaciteitsbehoefte Justitiële Ketens t/m 2027 - Beleidsneutrale ramingen

      Molenaar, D.E.G.; Tims, B.; Kriege, A.G.; Pol, B. van der (WODC, 2022-06-29)
      Dit rapport beschrijft de ramingen van de capaciteitsbehoefte van de justitiële ketens tot en met 2027. Het gaat daarbij om ramingen van de instroom en uitstroom van diverse ketenpartners binnen de justitiële ketens (aantallen te behandelen zaken e.d.) en de capaciteitsbehoefte bij intramurale voorzieningen (aantal plaatsen in justitiële inrichtingen). De ramingen voor de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtspraak zijn de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en de Raad voor de rechtspraak. De ramingen voor forensisch-psychiatrische centra (voorheen tbs-klinieken) zijn de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het WODC en de Dienst Justitiële Inrichtingen. Voor de overige ramingen is het WODC verantwoordelijk. De ramingen zijn ‘beleidsneutraal’. Dat wil zeggen dat de ramingen uitgaan van gelijk-blijvend beleid. De ramingen zijn gemaakt met het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ). Het PMJ bestaat uit twee onderdelen, namelijk een model voor de veiligheidsketen en een model voor het civiel- en bestuursrechtelijke deel van de justitiële keten.
    • De ontwikkeling van het geweten

      Schalkwijk, F.; Wied, M. de; Heynen, E.; Vugt, E. van; Assink, M.; Stams, G.J.; Tiemersma, J.; Oploo, L. van (WODC, 2022-06-28)
      ARTIKELEN: Inleiding, Frans Schalkwijk - De relatie tussen een vloeibaar geweten en een stabiele identiteit, Minet de Wied - Over empathie en disruptieve gedragsstoornissen, Evelyn Heynen, Eveline van Vugt, Mark Assink en Geert-Jan Stams - De effectiviteit van morele gedragsinterventies bij jeugdige delinquenten: Een overzichtsstudie, Julia Tiemersma - Het perspectief van de expert en de diagnostiek van het geweten, Laura van Oploo - Etniciteit en cultuur in gedragsdeskundige adviezen aan de rechter. SAMENVATTING: Het geweten en de ontwikkeling daarvan. Wat is het geweten nu precies? En wat verstaan we dan onder ‘gewetensontwikkeling’? Er bestaan vele definities en vele invalshoeken, van waaruit het geweten wordt bekeken. De ontwikkeling ervan en de aspecten die hiervoor van belang zijn, worden vervolgens vanuit veel disciplines ook weer net anders bekeken en benoemd. Het belang is groot om hier nader op in te zoomen en onderzoek naar te doen. Zo blijken jeugdige delinquenten bij sociaalpsychiatrische screenings vaak gediagnosticeerd te worden als kampend met een ‘gebrekkige gewetensontwikkeling’. Een onderzoek van de GGD Amsterdam komt zelfs tot de conclusie dat die diagnose voor vrijwel de gehele onderzochte groep jongvolwassenen in de zogeheten Top600-criminelen geldt. Bij bijna een derde van die groep werd hun geweten als ‘ernstig verstoord’ aangemerkt. De gewetensfunctie blijkt in de rechtbank een belangrijk aspect. Niet alleen bij de bepaling van een vonnis, maar ook voor de mate waarin over behandeling beslist wordt. Dit themanummer van Justitiële verkenningen zoomt in 5 artikelen in op verschillend wetenschappelijk onderzoek naar het geweten. Wat weten we inmiddels? Wat zijn de functies van het geweten, en welke domeinen kunnen worden onderscheiden? Is ontwikkeling ervan mogelijk? Welke aspecten zijn daarbij van belang? En, wat weten we over de relatie tussen de ontwikkeling van het geweten en delinquent gedrag van jeugdigen? Ook wordt de andere kant van de medaille belicht: de diagnostische praktijk. Hoe wordt beoordeeld in welke mate een jeugdige delinquent een ontwikkeld geweten heeft? Ten slotte richten we onze blik op strafrechtzaken en is onderzocht in hoeverre etnische en culturele aspecten meewegen bij rechtspraak van jonge verdachten.
    • Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa's)

      Lakerveld, J. van; Lindeboom, G.-J. (Universiteit Leiden - Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO), 2022-06-23)
      In toenemende mate zijn naast de politie ook gemeentelijke handhavers zichtbaar in de openbare ruimte. Deze handhavers opereren als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en zijn bevoegd op te treden op een pakket van toezichts- en handhavingstaken. In de laatste jaren wordt daarbij in toenemende mate aandacht gevraagd voor de veiligheid van boa’s bij uitoefening van hun taken. Een van de aspecten die daarbij op de agenda staan betreft het verruimen van de mogelijkheden tot het aanvragen van een korte wapenstok. Hiertoe overweegt het Ministerie van Justitie en Veiligheid een nieuwe afzonderlijke regeling op te stellen voor de bewapening en uitrusting boa’s. In dit kader is gedurende 2021 aan tien gemeenten de mogelijkheid geboden om bij wijze van pilot boa’s uit te rusten volgens de uitgangspunten van de voorgenomen toekomstige regeling. Per gemeente is aan maximaal 20 boa’s toestemming verleend tot het dragen van de korte wapenstok. In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (WODC) is een evaluatie van deze pilot uitgevoerd. Hiervoor is gekozen voor een procesevaluatie om zo de ervaringen van de tien pilotgemeenten systematisch in kaart te brengen. Deze ervaringen zijn verzameld op vier verschillende niveaus: de ervaringen op het systeemniveau, op het niveau van boa-werkgevers, op dat van incidenten, en tot slot op het individueel niveau van boa’s. Op basis daarvan richtte de evaluatie zich op de beantwoording van de volgende hoofdvraag, waarvoor tevens meer specifieke deelvragen zijn geformuleerd (zie hiervoor de bespreking van onderzoeksresultaten): • Welke lering kan op grond van de resultaten van de pilot worden getrokken met betrekking tot de op te stellen afzonderlijke regeling bewapening en uitrusting boa’s? INHOUD: 1. Achtergrond, aanleiding voor het onderzoek 2. Onderzoeksopzet 3. Onderzoeksresultaten op systeemniveau 4. Onderzoeksresultaten op organisatieniveau 5. Onderzoeksresultaten van inzet van de wapenstok bij incidenten 6. Onderzoeksresultaten op individueel niveau 7. Conclusies