Now showing items 21-40 of 3063

    • Tussenevaluatie - Handhaving van coronagedragsregels in de periode maart tot en met november 2020

      Bouwmeester, J.; Doeschot, F. ten; Noort, L. van; Straaten, G. van; Vlaanderen, A. (I&O Research, 2021-05)
      Sinds het uitbreken van de coronacrisis heeft de Nederlandse overheid maatregelen ingevoerd om de verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan. Naast dringende adviezen om geen handen meer te schudden en zoveel mogelijk thuis werken, werden er gedragsregels ingesteld die gevolgen hadden voor de persoonlijke vrijheden van de Nederlanders, zoals verplicht 1,5 meter afstand houden tot elkaar en een verbod op groepsvorming in de openbare ruimte. Sommige maatregelen werden zonder veel commotie opgenomen in het maatschappelijk verkeer. Over andere maatregelen werd een maatschappelijke discussie gevoerd. Ook was sprake van overtreding van de gedragsregels. Politieagenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) hadden er, in het handhaven van de coronagedragsregels, vanaf maart 2020 ineens een taak bij. De minister van Justitie en Veiligheid verzocht een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de handhaving van de coronagedragsregels in de eerste negen maanden na het van kracht worden van die gedragsregels. Het onderzoek gaat in op het handhavingsbeleid, de aansturing en uitvoering van de handhaving, de praktijkervaringen van handhavers, de naleving door burgers, en het draagvlak bij burgers voor handhaving en de eigen ervaringen die zij met handhavend optreden hadden. In het kader van het onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: deskresearch naar handhavingsbeleid en oriënterende interviews, analyse van geregistreerde bekeuringen en waarschuwingen voor overtreding van de coronagedragsregels, en een empirisch deel bestaande uit enquêtes onder 955 handhavers en 1.637 burgers, analyse van reeds uitgevoerde en lopende nalevingsonderzoeken en een media-analyse. INHOUD: 1. Inleiding 2. Handhavingsbeleid 3. Uitvoering handhaving 4. Ervaringen van handhavers 5. Ervaringen van burgers.
    • Meldingsbereid door tip- en beloningsgelden? - Een verkenning

      Brinkhoff, S.; Kolthof, E.; Mensink, J.W.; Malsch, M. (Open Universiteit - Faculteit Rechtswetenschappen, 2021-05)
      Het doel van dit verkennende onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in de meldingsbereidheid van burgers in relatie tot (de hoogte van) tip- en beloningsgelden. Het voorgaande mondt dan ook uit in de volgende hoofdvraag: Wat is er, op basis van (inter)nationale literatuur en interviews met een aantal deskundigen, bekend over de invloed van tip- en beloningsgelden op de bereidheid van burgers tot het geven van tips aan opsporingsdiensten in Nederland en in (enkele) andere landen (Australië, België en Duitsland)? Welke zijn de meest relevante onderwerpen om te bespreken in een expertmeeting en met wie? INHOUD: 1. Inleiding 2. Tip- en beloningsgelden; procedures en praktijken 3. Meldingsbereidheid in Nederland: gedragswetenschappelij ke literatuur, interviews en expertmeeting 4. Bevindingen verkennend onderzoek Australië, België en Duitsland 5. Conclusie.
    • Bescherming van persoonsgegevens in het justitiële domein - Richtlijnen voor Statistical Disclosure Control - Project Privacy Utility Tools 2.0

      Bargh, M.S.; Latenko, A.; Braak, S. van den; Vink, M.; Meijer, R. (WODC, 2021-05)
      Er bestaan verschillende technologieën om persoonsgegevens in een dataset te beschermen. SDC-technologieën (Statistical Disclosure Control) zijn daar een onderdeel van. Deze technologieën zijn ontwikkeld om de hoeveelheid persoonsgegevens in een dataset te beperken en tegelijk de bruikbaarheid van de gegevens te behouden. SDC-technologieën kunnen worden toegepast op zowel microdatasets als geaggregeerde datasets. Microdatasets, die (zeer) omvangrijk kunnen zijn, bestaan uit gestructureerde tabellen met een aantal rijen, die staan voor personen, en een aantal kolommen, die staan voor de kenmerken (attributen) van die personen (zoals hun leeftijd, geslacht en beroep). Geaggregeerde datasets zijn opgebouwd uit microdata. Een geaggregeerde dataset bevat een of meer tabellen met een aantal rijen en kolommen, die corresponderen met een aantal groepskenmerken, die weer een subset zijn van de kenmerken in de betreffende microdata. Het hoofddoel van ons onderzoeksproject is het vergroten van de kennis binnen de Nederlandse overheid, en meer in het bijzonder het ministerie van Justitie en Veiligheid, over SDC-technologie, en de mogelijkheden, de beperkingen en het gebruik daarvan. In navolging van eerdere publicaties (Bargh et al., 2018, 2020) zetten we in dit rapport een volgende stap naar de ingebruikname van SDC-technologie binnen overheidsinstanties door enkele initiële richtlijnen te ontwikkelen voor het gebruik van SDC-technologie in de praktijk. We verwachten dat SDC-technologie op die manier toegankelijker wordt voor data stewards die verantwoordelijk zijn voor het op verantwoorde wijze delen of openstellen van datasets. INHOUD: 1. Introduction, 2. On adopting SDC technology for protecting personal data, 3. Generic guidelines, 4. Microdata specific guidelines, 5. Tabular data specific guidelines, 6. Conclusion.
    • Met beleid van start - Over de rol van beleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van Syrische statushouders

      Huijnk, W.; Dagevos, J.; Djundeva, M.; Schans, D.; Uiters, E.; Ruijsbroek, A.; Mooij, M. de (Sociaal en Cultureel Planbureau (CPB), 2021-04)
      Het project ‘Longitudinaal cohortonderzoek asielzoekers en statushouders’ heeft als doel om de positie en de leefsituatie van statushouders te onderzoeken en veranderingen in kaart te brengen. Dit is de vierde kwantitatieve studie binnen dat project. Deze studie is verklarend van aard en richt zich primair op Syrische statushouders. Zij maken verreweg het grootste deel uit van de groep statushouders die in de afgelopen jaren in Nederland is komen wonen. De studie gaat na welke factoren van invloed zijn op veranderingen in de positie en de leefsituatie van Syrische statushouders, met een sterke focus op de rol van beleidsfactoren. Hiermee pogen we beter zicht te krijgen op cruciale factoren die een goede start faciliteren. Wat werkt (niet)? INHOUD: 1. Inleiding: de leefsituatie verklaard - Willem Huijnk en Jaco Dagevos (SCP) 2. De rol van psychische en fysieke gezondheid bij succesvol inburgeren in Nederland - Ellen Uiters en Annemarie Ruijsbroek (RIVM), met medewerking van drs. Evert Bloemen 3. Taal met beleid. Factoren achter de taalverbetering van Syrische statushouders - Linda Bakker (Signi cant Public), Jaco Dagevos (SCP) en Maja Djundeva (SCP) 4. Arbeidsdeelname van statushouders en hun dynamiek op de arbeidsmarkt - Dion Dieleman, Corina Huisman, Stephan Verschuren (CBS) 5. Wat werkt? Over de invloed van beleid op de start van de arbeidsloopbaan van Syrische statushouders - Roxy Damen, Willem Huijnk en Maja Djundeva (SCP) 6. Een goed begin is het halve werk? - Mieke Maliepaard, Sanne Noyon en Djamila Schans (WODC)
    • Werken aan werk - Een evaluatie van penitentiaire arbeid

      Kuppens, J.; Esseveldt, J. van; Wijk, A. van (Bureau Beke, 2021-04)
      In Nederland is sinds 2013 vanuit de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aandacht voor (de effecten van) arbeid door gedetineerden. De achterliggende gedachte is om via deze arbeid de kansen op een baan na detentie te verhogen, vooral vanuit de gedachte dat de aandacht voor arbeid leidt tot een gunstiger toekomstperspectief voor gedetineerden. DJI wil na een aantal jaar In-Made weten wat de effecten van de inspanningen zijn en heeft daarom het initiatief genomen tot het laten uitvoeren van een evaluatieonderzoek. De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt: welke bijdrage levert de arbeid aan een stimulerend leef- en werkklimaat en wat zijn de effecten van de (diverse vormen van) penitentiaire arbeid voor het toekomstperspectief van (ex-)gedetineerden op het terrein van (on)betaald werk na detentie? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksvragen en -activiteiten 3. Recidive en arbeid onder ex-gedetineerden 4. Gedetineerden aan het woord over In-Made 5. Werkmeesters aan het woord over In-Made 6. Hoofden arbeid aan het woord over In-Made 7. Ex-Made 8. Analyse CBS-data gedetineerden 9. Beantwoording onderzoeksvragen en beschouwing
    • Analyse beoordelingsstelsel VOG NP

      Nauta, O.; Piepers, N.; Buysse, W.; Nijboer, R. (medew.); Koopmans, C. (DSP-groep, 2021-04)
      Nederland kent de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). De VOG is een preventief bestuursrechtelijk instrument dat bedoeld is om te voorkomen dat personen met een relevant justitieel verleden kwetsbare functies of bevoegdheden in de samenleving vervullen of uitoefenen. Met het aanvragen van een VOG wordt het justitiële verleden van de aanvrager afgewogen tegen het doel waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Met die afweging worden twee doelen verenigd: het beschermen van de maatschappij tegen herhaald crimineel gedrag enerzijds en de re-integratie van justitiabelen anderzijds. De VOG heeft een lange geschiedenis en wordt op steeds meer terreinen en steeds vaker ingezet als integriteits-instrument. Het vergroten van het toepassingsbereik van de VOG heeft er onder meer voor gezorgd dat de beoordeling van de VOG-aanvraag steeds verder gedifferentieerd is naar de uiteenlopende VOG-doelen. De huidige criteria voor wel of niet afgeven en de wijze van beoordelen van een VOG-aanvraag zijn vastgelegd in de zogenaamde ‘Beleidsregels VOG NP RP 2018’ . Dit beoordelingsstelsel is ronduit complex. Vanwege de uitgebreide doorontwikkeling is ondertussen ook de vraag actueel of het stelsel nog wel consistent is en niet té complex is geworden. Doel van de analyse is de consistentie en complexiteit van het huidige VOG-beoordelingsstelsel te beoordelen. Nevendoel van het onderzoek is vast te stellen of een onbeperkte terugkijktermijn mogelijk is voor mensen die veroordeeld zijn voor kindermishandeling. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beoordelingsstelsel VOG NP, 3. Uitvoeringspraktijk, 4. Beoordeling: consistentie en complexiteit, 5. Beoordeling in breder perspectief, 6. Verbetermogelijkheden, 7. Onbeperkte terugkijktermijn plegers kindermishandeling, 8. Conclusie
    • Effecten van preventie - Een compacte literatuursynthese

      Snippe, J.; Muijnck, J.A. de; Kamperman, M.; Pieper, R. (Breuer & Intraval, 2021-04)
      Het doel van het literatuuronderzoek is om op basis van sleutelpublicaties en overzichtsartikelen een beeld te schetsen van wat over de effecten van criminaliteitspreventie op kernthema’s bekend is. Om dit te onderzoeken is de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke conclusies kunnen op basis van bestaande (nationale en internationale) overzichtsartikelen of sleutelpublicaties getrokken worden over de effecten van preventie? Secundair aan deze probleemstelling is gekeken of er inzicht verkregen kan worden in de financiële kosten en baten van preventie. Voor vier thema’s zijn de uitkomsten van de aangetroffen internationale onderzoeken vertaald naar de Nederlandse beleidscontext. Deze vier thema’s zijn: woninginbraken, betrekken van burgers bij preventie (met hierbinnen: jeugdcriminaliteit), uitgaansgeweld en georganiseerde criminaliteit. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Thema's criminaliteitspreventie, 3. Thema's literatuursynthese, 4. Conclusies.
    • Nationale Drug Monitor - Jaarbericht 2020

      Laar, M.W. van (red.); Beenakkers, E.M.T. (red.); Cruts, A.A.N. (red.); Ketelaars, A.P.M. (red.); Kuin, M.C. (red.); Meijer, R.F. (red.); Miltenburg, C.J.A. van (red.); Mujcic, A. (red.); Strada, L. (red.) (Trimbos-Instituut, 2021-03)
      De Nationale Drug Monitor (NDM) is in 1999 opgericht op initiatief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het NDM-jaarbericht als geheel wordt geproduceerd door het Programma Drug Monitoring van het Trimbos-instituut. Drugsbeleid kent echter niet alleen volksgezondheidsaspecten, maar ook aspecten van criminaliteit en overlast. Sinds 2002 ondersteunt ook het WODC de NDM. In de NDM handelen drie hoofdstukken over onderwerpen die op het terrein van het ministerie van JenV liggen, namelijk een hoofdstuk over wetgeving en beleid op JenV-terrein, een hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs en een hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Voor het Jaarbericht 2020 van de NDM besteedt het WODC het opstellen van twee van de drie hoofdstukken extern uit: het hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs, en het hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Het onderzoek moet ook enige informatie bieden, op basis van dezelfde databronnen die gebruikt worden voor de NDM, voor het Nederlandse hoofdstuk in het European Drug Report van de European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA). INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wetgeving & beleid, 3. Cannabis, 4. Cocaïne, 5. Opiaten, 6. Ecstasy, 7. Amfetamine, 8. Nieuwe psychoactieve stoffen, 9. GHB, 10. Slaap- en kalmeringsmiddelen, 11. Alcohol, 12. Tabak, 13a. Lachgas, 13b. Ketamine, 13c, Ritalin, 14. Illegale handel, bezit en productie, 15. Criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers
    • Evaluatie Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 fase 1 - Analyse en meetbaarheid beleidsmaatregelen

      Woestenburg, N.; Winter, H.; Diekema, M.; Roest, S.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2021-03)
      Bij (de uitvoering van) het contraterrorismebeleid (CT-beleid) zijn veel verschillende instanties en organisaties betrokken. Lokale, nationale en internationale overheden werken samenwerken met maatschappelijke organisaties, bedrijven en sleutelfiguren om preventieve en repressieve maatregelen te nemen. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) vervult vanaf 1 januari 2005 de coördinerende taak bij terrorismebestrijding. De NCTV beschrijft de gemeenschappelijke aanpak van terrorismebestrijding voor het eerst in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015. Aan de contraterrorismemaatregelen in de periode 2001-2010 lag geen overkoepelende strategie ten grondslag. De Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 (CT-strategie) is de opvolger van de CT-strategie 2011-2015. Het doel van de CT-strategie is het bieden van een strategisch kader aan overheidspartners voor het tegengaan van de terroristische en extremistische dreiging tegen Nederland. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek is: Wat zijn de doelen en de beleidsmaatregelen van de Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020, de verwachte bijdrage van de beleidsmaatregelen aan de doelrealisatie en bij welke maatregelen is het meten van de bijdrage die beleidsmaatregelen leveren aan de doelstellingen van de CT-strategie kansrijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nationaal Contraterrorismebeleid 3. Analyse beleidsmaatregelen 4. Het identificeren van meetbare beleidsmaatregelen 5. Handreikingen fase 2 van de evaluatie 6. Beantwoording deelvragen
    • Tussenevaluatie pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen - Samen werken aan bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang

      Hermens, N.; Kahman, M.; Treeck, J. van; Out, M.; Gruijter, M. de (Verwey-Jonker Instituut, 2021-03)
      Het doel van het programma LVV is het ontwikkelen van een landelijk dekkend netwerk van LVV’s. In de LVV’s werken lokale maatschappelijke organisaties en de landelijke ketenpartners onder regie van de gemeente samen aan het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Met bestendige oplossingen wordt bedoeld: terugkeer naar het land van herkomst, doormigratie naar een derde land waar permanent verblijf gewaarborgd is, en, indien dit tot de mogelijkheden behoort, legalisering van verblijf in Nederland. Sinds medio 2019 zijn in de vijf gemeenten LVV pilots gestart om de juiste aanpak, structuur en wijze van samenwerken binnen de LVV’s te ontwikkelen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Aanpak van dit onderzoek, 3. De LVV populatie, 4. Bevindingen uit de pilots, 5. Conclusie
    • Herstelrecht bij de politie - Een inventarisatie van initiatieven en werkwijzen

      Hoekstra, M.S.; Beenakkers, E.M.T. (medew.) (WODC, 2021-03)
      Herstelrechtvoorzieningen kunnen in alle fasen van het strafproces worden ingezet. Het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces beschrijft welke herstelrechtvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer een zaak wordt afgedaan door het Openbaar Ministerie of wordt behandeld door een rechter. Dit onderzoek heeft tot doel een eerste inventarisatie te maken van herstelrechtvoorzieningen in het traject dat hieraan voorafgaat: van melding, aangifte of ambtshalve vervolging tot en met de eventuele doorzending van een zaak naar het Openbaar Ministerie (OM). In deze politiefase is sprake van een grote diversiteit aan op herstel gerichte initiatieven. Het is echter niet duidelijk welke dit precies zijn en wat deze voorzieningen inhouden, hoe en wanneer ze worden ingezet en hoe professionals tegen deze voorzieningen aankijken. Dit rapport biedt een eerste inventarisatie van herstelrechtvoorzieningen in de politiefase en brengt de ervaringen met deze voorzieningen in kaart. INHOUD: 1. Inleiding 2. Literatuuroverzicht 3. Herstelrechtvoorzieningen in de politiefase 4. Perspectieven op herstelrecht bij de politie 5. Conclusie en slotbeschouwing
    • Dataveiligheid en privacy bij het gebruik van fysiologische wearables in de justitiële context - Een casusonderzoek met de Empatica E4

      Braak, S.W. van den; Platje, E.; Kogel, C.H. de (WODC, 2021-03)
      Onderzoek laat zien dat technologische zelfmeetmethoden de potentie hebben om behandeling te personaliseren, veiligheid in detentie te verbeteren, reclasseringstoezicht te verrijken en zelfredzaamheid van justitiabelen te vergroten. Niettemin zijn er ook serieuze aandachtspunten en risico’s verbonden aan het gebruik van technologische zelfmeetmethoden. Voordat technologische zelfmeetmethoden op grotere schaal in de justitiële context gebruikt kunnen worden, is het daarom van belang te onderzoeken hoe het gesteld is met de dataveiligheid bij dergelijke methoden en wat binnen de justitiële context eventueel zou kunnen worden gedaan om de veiligheid van verzamelde gegevens en daarmee de privacy van de betrokkenen te waarborgen. In dit rapport beschrijven we een casusonderzoek hiernaar waarbij we ons specifiek gericht hebben op fysiologische wearables. Dit zijn draagbare apparaatjes die om de pols of op het lichaam gedragen worden en waarmee door middel van sensoren fysiologische gegevens verzameld kunnen worden. Dit casusonderzoek is verricht aan de hand van één specifieke wearable: de Empatica E4. De volgende deelvragen staan centraal: 1. Wat gebeurt er met de fysiologische gegevens van de Empatica E4 nadat deze verzameld zijn door de gebruiker met betrekking tot: gegevensopslag, gegevenstransport en toegang tot de gegevens door derden? 2. Wat zijn de risico’s daarbij voor de veiligheid van de gegevens en voor de privacy van de drager? En hoe zien de risico’s en de geboden functionaliteit eruit in vergelijking met andere wearables? 3. Welke kennis, ervaringen en zorgen hebben professionele gebruikers van de Empatica E4 met betrekking tot gegevensopslag, toegang tot gegevens door derden en privacy? 4. Wat betekenen de antwoorden op de deelvragen voor het gebruik van de Empatica E4 en andere fysiologische wearables in de justitiële context? INHOUD: 1. Inleiding en methoden, 2. De Empatica E4, 3. Dataveiligheid en privacy bij gebruik van de Empatica E4, Vergelijking: functionaliteit, dataveiligheid en privacy van andere wearables geschikt voor onderzoek, behandeling en toezicht, 5. Ervaringen van gebruikers, 6. Discussie.
    • Alimentatie van nu - Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen

      Kolkman, W.D.; Verstappen, L.C.A.; Visser, I.; Ibili, F. (medew.); Oost, S. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen, 2021)
      Dit onderzoek concentreert zich rond de probleemstelling of het wenselijk is de huidige regelingen van partner- en kinderalimentatie ‘bij de tijd’ te brengen. In dit kader komen drie facetten van alimentatie aan de orde: acceptatie door justitiabelen,aansluiting bij de huidige maatschappij en mogelijke aanpassingen van wet- en regelgeving, waaronder begrepen de Tremanormen. Deze facetten zijn onderling sterk met elkaar verbonden. Zo kan een aanpassing van de rekenmethodiek leiden tot een betere aansluiting bij de samenleving, waardoor betrokkenen sneller geneigd zullen zijn de regeling te aanvaarden. Uit de probleemstelling vloeien de volgende vier onderzoeksvragen voort: 1. Acceptatie door justitiabelen. Welke elementen van het systeem van partner- en kinderalimentatie dragen bij of doen afbreuk aan de acceptatie van de onderhoudsverplichting? In het verlengde hiervan rijst de vraag of er een verband is tussen de mate van acceptatie van de onderhoudsverplichtingen enerzijds en het aantal gerechtelijke procedures en invorderingsprocedures door het LBIO anderzijds. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 2. Aanpassing berekeningssysteem. Welke aanpassingen aan het bestaande berekeningssysteem van partneralimentatie kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie? In het bijzonder zal hierbij aandacht bestaan voor de vraag of een meer forfaitair stelsel de vergroting van de acceptatie bevordert. Ook stellen wij de vraag of een stelsel met een clean break tot een vergroting van de acceptatie van de onderhoudsverplichting leidt en een vermindering van het aantal procedures. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5. 3. Aansluiting bij maatschappij – algemeen. Sluit het stelsel van de onderhoudsverplichtingen aan bij de inrichting van de huidige maatschappij? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 4. Aansluiting bij maatschappij – informele samenlevers. Bij de maatschappelijke aansluiting speelt niet alleen de algemene vraag of het hedendaagse alimentatierecht nog wel ‘compatibel’ is, ook een specifieke vraag doemt hier op: dienen onderhoudsverplichtingen zich ook uit te strekken over de almaar groeiende groep ‘informele samenlevers’? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 7. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Huidige stand van zaken wetgeving, jurisprudentie en literatuur, 3. Ontwikkelingen in (opvattingen over) relaties, gezinnen, kinderen en scheidingen, 4. Acceptatie door justitiabelen, 5. Aanpassing berekeningssysteem, 6. Aansluiting bij de maatschappij - algemeen, 7. Aansluiting bij de maatschappij- informeel samenlevenden, 8. Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen
    • Voorwaardelijke beleidssepots bij daders van huiselijk geweld - Een onderzoek naar de opleggingspraktijk en effectiviteit in termen van recidive

      Beijersbergen, K.A.; Kros, M. (WODC, 2021)
      In de onderhavige studie is in kaart gebracht hoe de oplegging van voorwaardelijke beleidssepots bij huiselijk gewelddaders in de praktijk vorm krijgt en in hoeverre voorwaardelijke beleidssepots effectief zijn in het terugdringen van (huiselijk gewelds)recidive onder huiselijk gewelddaders. De studie maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksprogramma naar de recidive onder huiselijk gewelddaders. De volgend onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1. Bij hoeveel daders van huiselijk geweld met een voorwaardelijk beleidssepot heeft de reclassering een advies uitgebracht over hoe de zaak af te doen en wat was het advies? 2. Wat zijn de kenmerken van de voorwaardelijk beleidssepots die zijn opgelegd bij daders van huiselijk geweld? a. Wat zijn de sepotgronden? b. Bij welk deel van de daders zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en welke bijzondere voorwaarden zijn opgelegd? 3. Welke afwegingen maken reclasseringsmedewerkers en officieren van justitie in huiselijk geweldstrafzaken bij het respectievelijk adviseren en opleggen van een voorwaardelijk beleidssepot en de voorwaarden? 4. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot (onderzoeksgroep) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een onvoorwaardelijk beleidssepot (controlegroep)? 5. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot met bijzondere voorwaarden (onderzoeksgroep A) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot zonder bijzondere voorwaarden en dus enkel de algemene voorwaarde (onderzoeksgroep B)?
    • Trends in kunstcriminaliteit

      Charney, N.; Rausch, Chr.; Bouwknegt, L.; Hufnagel, S.; Bronswijk, R.; Beurden, J. van; Kila, J.; Assendelft, F.; Duijsens, J. (WODC, 2021)
      ARTIKELEN: 1. Noah Charney - Kenmerken van kunstcriminaliteit 2.Christoph Rausch, Léonie Bouwknegt, Jeroen Duijsens en Frank Assendelft - ‘Dirty money, pretty art’. Witwassen en ondermijning in tijden van financialisering van kunst 3. Saskia Hufnagel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Europa 4. Richard Bronswijk en Fons van Gessel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Nederland 5. Jos van Beurden Dubieuze verwervingen en het Advies over de omgang met koloniale collecties 6. Joris Kila - De terugkeer van de beeldenstorm. Over iconoclasme, cultuurgoed en identiteit. SAMENVATTING: Met enige regelmaat worden in Nederland bekende kunstwerken geroofd, veelal schilderijen uit musea. De laatste keer was in augustus 2020, toen uit het museum Hofje van Mevrouw Van Aerden in Leerdam een schilderij van Frans Hals werd gestolen. Opmerkelijk genoeg werd dit doek, getiteld Twee lachende jongens, al twee keer eerder gestolen en ook weer teruggevonden. Eerder in 2020 was een schilderij van Vincent van Gogh het doelwit van kunstrovers. Zij gingen ervandoor met het werk Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar, dat in bruikleen was bij het Singer Museum in Laren. Dit type kunstcriminaliteit spreekt tot de verbeelding en is niet voor niets onderwerp van veel boeken, films en televisieprogramma’s. Kunstcriminaliteit heeft echter veel meer verschijningsvormen dan enkel kunstroof. Traditioneel vallen fraude, vervalsing en vandalisme daar ook onder, maar daarnaast zijn er vormen van criminaliteit die aan kunst gerelateerd zijn, zoals witwassen, belastingmisdrijven, gijzeling en afpersing. Ook worden met de verkoopopbrengst van gestolen kunst of cultuurgoederen andere illegale activiteiten gefinancierd, zoals de aankoop van wapens ten behoeve van terrorisme. De activiteiten van kunstcriminelen, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad en de opsporing en vervolging van kunstcriminaliteit komen ruimschoots aan bod in deze aflevering van Justitiële verkenningen over ‘Trends in kunstcriminaliteit’. In dit themanummer verstaan we onder kunst ook antiek en cultureel erfgoed, ‘cultuurgoederen’. Aan sommige kunst en cultuurgoederen afkomstig uit voormalige Nederlandse koloniale gebieden kleeft een smet. Ook daar is aandacht voor, met een artikel over teruggave van deze objecten aan de landen van herkomst. Daarnaast komt een verschijnsel aan de orde dat eind jaren negentig in een themanummer van Justitiële verkenningen nog werd aangeduid als ‘kunstvandalisme’. In het afgelopen decennium heeft dit een nieuwe dimensie gekregen. Agressie tegen cultuurgoederen (iconoclasme) is nu vaak politiek, ideologisch gemotiveerd, zoals recente aanvallen op standbeelden van bijvoorbeeld koloniale gezagsdragers laten zien. Ook de vernietiging door Islamitische Staat (IS) van eeuwenoude bouwwerken in Irak en Syrië in 2015-2016 doet de vraag rijzen of we kunnen spreken van een terugkeer van het fenomeen beeldenstorm.
    • Wet straffen en beschermen en Visie 'Recht doen, kansen bieden' - Tussenrapport beleidslogica en kader voor evaluatie/monitoring

      Homburg, G.; Verbeek, E.; Grift, M. van de; Kuin, M. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2020-12-31)
      Op 17 juni 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming, minister Dekker, het visiedocument ‘Recht doen, kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Het visie-document gaat over de wijze waarop gevangenisstraffen worden uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Het is een uitwerking van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ uit 2017. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb), waarin veel elementen uit het visiedocument een plaats hebben gekregen, wordt op 1 mei 2021 van kracht. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidslogica, 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visie
    • Criminele gebouwen - De faciliterende rol van woningen en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland en vier EU-landen

      Kruize, P.; Gruter, P.; Suchtelen, T. van (medew.) (Ateno, 2020-12-31)
      Aanleiding voor dit onderzoek is een Kamermotie waarin de regering wordt gevraagd te bezien langs welke weg particuliere eigenaren en woningcorporaties kunnen worden gewaarschuwd voor criminele intenties van potentiële gebruikers/huurders van hun onroerend goed bezit. Het streven is gemeenten, woningbouwcorporaties en bonafide private partijen instrumenten ter hand te stellen voor de preventie en aanpak van ondermijnende criminele activiteiten. Met dit doel voor ogen is er een toenemende behoefte aan meer kennis over en inzicht in de aard en omvang van de criminaliteit faciliterende functie van woon- en bedrijfsruimten in Nederland, en inzicht in welke instrumenten hiervoor worden ingezet in andere EU-landen. Deze doelstelling is vertaald in acht onderzoeksvragen. Nederlandse situatie: 1. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in Nederland? 2. Wat is (naar schatting) de omvang van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? 3. In welke mate bestaan er verschillen in aard en omvang hiervan tussen regio’s in Nederland? 4. Welke in de literatuur genoemde indicatoren wijzen op de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? En zijn dezelfde indicatoren van toepassing binnen stedelijke en landelijke regio’s? Internationale vergelijking: 5. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in met Nederland vergelijkbare landen en welke indicatoren hiervoor zijn in die landen bekend? 6. Welke instrumenten, zowel preventief als repressief, worden in de bij dit onderzoek betrokken landen ingezet bij het tegengaan hiervan en wat is het juridisch kader waarbinnen deze instrumenten worden ingezet? 7. Wat zijn, in de bij dit onderzoek betrokken landen, de positieve en negatieve ervaringen bij de bestrijding van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit en welke voor- en nadelen worden bij de inzet van de verschillende instrumenten ervaren? 8. Welke instrumenten, uit de bij dit onderzoek betrokken landen, zouden nader bestudeerd kunnen worden voor de aanpak (zowel preventief als repressief) van dit fenomeen in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit, 3. Geregistreerde en geschatte omvang, 4. Preventieve, repressieve en criminogene indicatoren, 5. De faciliterende rol van onroerend goed bij ondermijnende criminaliteit in vier EU-landen, 6. Conclusie
    • Van beroep in bezwaar - Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM

      Snippe, J.; Woestenburg, N.; Muijnck, J.A. de; Geertsema, B.; Roest, S.; Pieper, R. (Breuer & Intraval, 2020-12-31)
      Dit onderzoek is gericht op twee wetsterreinen: de Waardering Onroerende Zaken (WOZ) en de Belasting van Personenauto’s en Motorrijtuigen (BPM). Op beide terreinen is een stijging geconstateerd van het aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften, een stijging van het aandeel door ncnp-bedrijven ingediende bezwaren en beroepen hierbinnen, en een stijging van de proceskostenvergoedingen en uitvoeringskosten voor de overheidsorganen die deze bezwaren en beroepen behandelen. Hierop zegde minister Dekker voor Rechtsbescherming, mede namens de staatssecretaris van Financiën, toe een onderzoek uit te laten voeren naar de werkwijze en het verdienmodel van ncnp-bedrijven. Om dit te onderzoeken is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is de werkwijze en het verdienmodel van bedrijven die op basis van no cure no pay voor belastingplichtigen bezwaar- en beroepsprocedures starten bij WOZ- beschikkingen en BPM-aangiftes? Wat is de aard en omvang van dit soort procedures en hoe verhoudt het financieel belang van belastingplichtigen en de opbrengsten voor deze bedrijven zich tot de kosten die door de overheid worden gemaakt? Welke oplossingen kiezen gemeenten en de Belastingdienst om de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures zo efficiënt mogelijk in te richten? INHOUD: Samenvatting, Summary, 1. Inleiding, 2. Onderzoeksopzet, 3. Context van juridische procedures WOZ en BPM, 4. Omvang bezwaren en uitvoeringslasten, 5. Ervaringen bezwaarmakers WOZ, 6. Werkwijze en verdienmodel, 7. Conclusies.
    • Recidive tijdens en na reclasseringstoezicht - Een onderzoek naar de uitvoering van reclasseringstoezicht en de samenhang met recidive

      Verweij, S.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-31)
      In het huidige onderzoek is nagegaan in hoeverre gerecidiveerd wordt tijdens het toezicht en hoe zich dat verhoudt tot de recidive na het toezicht. Recidive wordt in het huidige onderzoek geoperationaliseerd als ‘een delict dat leidt tot een nieuwe strafzaak behandeld door het Openbaar Ministerie (OM) of door de rechter’. Voorts is er in vergelijking met de standaard recidivemeting meer aandacht besteed aan de samenhang van recidive tijdens en na het toezicht met verschillende uitvoerings-kenmerken van het toezicht. De volgende uitvoeringskenmerken zijn in het onder-zoek betrokken: het niveau van toezicht (intensiteit), de duur van het toezicht, de opgelegde bijzondere voorwaarden naast de meldplicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie of het uitvoeren van een werkstraf gelijktijdig met het toezicht. In het huidige onderzoek zijn onderstaande onderzoeksvragen beantwoord: 1 Wat zijn de kenmerken van het toezicht van reclassenten waarvan het toezicht in 2013 is gestart? 2 In hoeverre wordt er gerecidiveerd tijdens en na de periode van toezicht? a. In welke mate is er sprake van algemene en zeer ernstige recidive tijdens en na de periode van toezicht? b. Van welk soort delicten is sprake tijdens en na de periode van toezicht? c. Hoe ontwikkelt de kans op algemene of zeer ernstige recidive tijdens en na het toezicht zich over de tijd? d. Is er een grotere kans op algemene of zeer ernstige recidive na het toezicht als er ook sprake was van algemene of zeer ernstige recidive tijdens het toezicht? 3 Welke uitvoeringskenmerken van het toezicht hangen samen met recidive tijdens en na toezicht?
    • Recidive na het CBR-onderzoek alcohol

      Blom, M.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-31)
      Het onderzoek alcohol is primair bedoeld om vast te stellen of bij de betrokkene sprake is van problematisch alcoholgebruik. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek alcohol – ‘geschikt’ of ‘ongeschikt’ – volgt respectievelijk het opleggen van een EMA-cursus of een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Door middel van educatie (EMA) of door incapacitatie (ongeldigverklaring) wordt gepoogd om rijden-onder-invloedrecidive te voorkomen. Het WODC is door Rijkswaterstaat (RWS) – namens het ministerie van Infrastruc-tuur en Waterstaat (IenW) – gevraagd om na te gaan in hoeverre het onderzoek alcohol en de maatregelen die daarop volgen, bijdragen aan het verminderen van de rijden-onder-invloedrecidive. De onderzoeksvragen luiden als volgt: 1. Wat zijn de achtergrondkenmerken van deelnemers aan het onderzoek alcohol uit 2015? 2. Draagt deelname aan het onderzoek alcohol bij aan het verminderen van de rijden-onder-invloed-recidive in haar doelgroep?