Now showing items 1-20 of 3182

    • Indicatoren drugscriminaliteit - Verkenningsstudie naar een monitor drugscriminaliteit en daarop gerichte overheidsinterventies

      Abraham, M.; Nauta, O.; Hofstra, D.; Pluijm, M. (DSP-groep, 2022-07-13)
      Dit onderzoek laat zien dat in potentie een relevante basisset aan drugscriminaliteit-indicatoren beschikbaar is. Een deel van de indicatoren wordt bovendien al verzameld ten behoeve de Nationale Drug Monitor (NDM). Winst zit – naast allereerst het systematisch bijeen brengen van de aangemerkte indicatoren – vooral in het verbeteren van de kwaliteit van brondata van de indicatoren in deze basisset, voor verschillende drugsmarkten. Wel zal een mogelijke toekomstige monitor altijd gepaard dienen te gaan met flankerend kwalitatief onderzoek. Niet alles is immers meetbaar. Drugscriminaliteit is een complex fenomeen dat zich niet eenvoudig in cijfers laat vatten, en zich bovendien sneller ontwikkelt dan de data die daarover rapporteren. Daarbij typeert drugscriminaliteit zich als een mondiaal fenomeen waarvan Nederland slechts een onderdeel is. INHOUD: 1. Inleiding en aanpak, 2. Totstandkoming selectie indicatoren, 3. Een voorstel voor monitoring, 4. Conclusie.
    • Quickscan wetgeving kindersekspoppen en kinderseksrobots

      Loibl, E.; Aa, S. van der; Lundh, M.; Niemark, R.; Well, C. van (Universiteit Maastricht, 2022-07-07)
      Dit onderzoek beoogt antwoord te geven op de vraag naar de wenselijkheid en mogelijkheid van een verbod op kindersekspoppen. Gezien het feit dat inmiddels ook in Nederland kindersekspoppen worden aangetroffen en gezien de controverse omtrent de vraag of kindersekspoppen überhaupt verboden moeten worden, wordt het tijd het onderwerp nader te onderzoeken. Dit onderzoek heeft vijf centrale doelstellingen: 1. Creëren van een definitie van kindersekspoppen en kinderseksrobots, 2. Inventariseren van eventuele internationale en Europese ontwikkelingen die van belang zijn voor de vraag of kindersekspoppen strafbaar zouden moeten worden gesteld, 3. Onderzoeken welke mogelijkheden de Nederlandse wet reeds biedt om kindersekspoppen tegen te gaan, 4. Inzicht bieden in de wetgeving omtrent kindersekspoppen in andere landen en de achterliggende motivatie voor de wetgeving, 5. Structureren en analyseren van alle voor- en tegenargumenten inzake de strafbaarstelling van kindersekspoppen met behulp van de criteria voor strafbaarstelling. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Internationaal en Europees Recht, 3. Huidige ervaringen en wet- en regelgeving in Nederland, 4. Kindersekspoppen in het buitenland, 5. Criteria voor strafbaarstelling toegepast op kindersekspoppen, 6. Conclusie.
    • Normering en actualisering van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) en beschrijving van de actuele populatie Halt-deelnemers

      Put, C.E. van der; Stolwijk, I.J. (Universiteit van Amsterdam, 2022-07-06)
      De Halt-afdoening is begin jaren tachtig ontwikkeld als een buitenstrafrechtelijke interventie, om jongeren die door de politie worden opgepakt voor een strafbaar feit, in de gelegenheid te stellen een strafblad te ontlopen. Het doel van de Halt-afdoening is om jongeren bewust te maken van hun gedrag en om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. Het doel van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) is inzicht te verkrijgen in: (a) de hoogte van het recidiverisico, (b) de aanwezige dynamische risicofactoren ten aanzien van (herhaling van) het strafbare gedrag van de jongere, en (c) signalen van achterliggende psychosociale problematiek en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van de uitkomsten van het Halt-SI wordt de verdere invulling van de Halt-afdoening vormgegeven en wordt bepaald of doorverwijzing naar hulpverlening en/of een melding bij Veilig Thuis nodig is. Sinds de ontwikkeling van het Halt-SI in 2009 is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de psychometrische eigenschappen ervan en daarom werd in de huidige studie de predictieve validiteit van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) onderzocht met betrekking tot het voorspellen van hernieuwd delictgedrag (onderzoeksdoel 1). Daarnaast werd onderzocht hoe het Halt-SI zou kunnen worden geactualiseerd met betrekking tot risico- en behoeftetaxatie, toeleiding naar modules en leeropdrachten, en het signaleren van psychosociale problemen en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling (onderzoeksdoel 2). Het derde doel was de samenstelling van de actuele populatie Halt-deelnemers in kaart te brengen om meer inzicht te verkrijgen in de achtergrondproblematiek van Halt-deelnemers en in de zwaarte van de delicten waarvoor jongeren naar Halt worden verwezen.
    • Het vestigingsklimaat voor drugscriminaliteit in Nederland

      Spapens, T.; Mheen, D. van de; Kuijpers, E. (medew.); Blatter, I. (medew.); Bourdoud, L. (medew.); Dijcks, V. (medew.) (Tilburg University, 2022-07-06)
      Uit zowel nationale als internationale onderzoeken en dreigingsanalyses komt al meerdere decennia het beeld naar voren dat in Nederland gebaseerde criminele netwerken een belangrijke rol spelen in de internationale handel in verdovende middelen en in de productie van synthetische drugs en cannabis. Dit roept de vraag op waarom drugscriminaliteit zich juist in Nederland heeft kunnen ontwikkelen tot een, naar breed wordt aangenomen, zeer grootschalige omvang. De vraag die in dit rapport wordt onderzocht is of Nederland een gunstig ‘vestigingsklimaat’ voor drugscriminaliteit heeft. Het gaat daarbij om de vragen welke factoren dit vestigingsklimaat bepalen, hoe deze kunnen worden gemeten en beïnvloed, en hoe deze factoren in onderlinge samenhang kunnen worden gevisualiseerd in een conceptueel model. Dit rapport vormt de weerslag van een literatuuronderzoek, aangevuld met een beperkt aantal interviews met academici en praktijkexperts. INHOUD: 1. Algemene inleiding 2. Analysemodel en theoretisch kader 3. Misdaadondernemers: keuzes en motivatie (micro) 4. Het criminele bedrijfsproces (meso) 5. Bestedingen van misdaadgeld (meso) 6. Systematische factoren (macro) 7. Conceptueel model 8. Meetbaarheid en beïnvloedbaarheid 9. Conclusie
    • De (on)mogelijkheden van het meten van klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen - Een verkenning met handreikingen voor kwantitatief vervolgonderzoek

      Netten, C.P.M.; Braak, S.W. van den; Latenko, A.; Vink, M.E.; Nagtegaal, M.H. (WODC, 2022-07-06)
      Het doel van deze studie was om de haalbaarheid van het kwantificeren van klassenjustitie in kaart te brengen en nadrukkelijk niet om klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen daadwerkelijk kwantitatief aan te tonen. Het gaat hier enkel om een verkenning. Dit rapport bevat om deze redenen ook geen kwantitatieve resultaten en geeft geen antwoord op de vraag of en in welke mate klassenjustitie in Nederland voorkomt. Aan de hand van de bevindingen van de verkenning worden wel aanbevelingen gedaan over hoe toekomstige kwantitatieve analyses aangepakt kunnen worden. De hoofdvraag van deze verkenning luidt als volgt: In hoeverre kan klassenjustitie in kaart gebracht worden met behulp van kwantitatieve analysetechnieken? Om bovenstaande vraag te beantwoorden, is de verkenning in drie delen onderverdeeld: 1 meetbaarheid van het begrip klassenjustitie; 2 beschikbare data; 3 kwantitatieve methoden en technieken. INHOUD: 1. Inleiding 2. De meetbaarheid van klassenjustitie in de strafrechtketen 3. Data en beschikbare bronnen 4. Meten van selectiviteit in de strafrechtketen 5. Conclusie en aanbevelingen
    • Griffierecht bij beklag in detentie

      Cazemier, J.; Bergen, E. van; Woestenburg, N.; Wolf, M. van der; Winter, H. (Pro Facto, 2022-07-05)
      De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, afdeling advisering (RSJ) constateert in het advies ‘Spanning in detentie’ dat het aantal beklag- en beroepszaken van gedetineerden gestaag toeneemt. De RSJ heeft aanbevolen een pilot uit te voeren met griffierecht bij beklag in detentie. In de beleidsreactie op het advies van de RSJ heeft de minister voor Rechtsbescherming aangegeven te willen laten verkennen of het heffen van een griffierecht van toegevoegde waarde kan zijn ‘om de instroom van (futiele) zaken in het dichtgeslibde stelsel van beklag en beroep te doen verminderen.’ In dit onderzoek wordt gekeken of het heffen van een griffierecht mogelijk is en wat de te verwachten positieve en/of negatieve effecten van het invoeren van deze financiële prikkel zijn. INHOUD: Inleiding 2. Achtergrond beklagrecht 3. Invoering van griffierecht in het buitenland 4. Vergelijking griffierecht in het tuchtrecht 5. Mogelijkheden voor het invoeren van een griffierecht 6. Analyse en conclusie
    • Capaciteitsbehoefte Justitiële Ketens t/m 2027 - Beleidsneutrale ramingen

      Molenaar, D.E.G.; Tims, B.; Kriege, A.G.; Pol, B. van der (WODC, 2022-06-29)
      Dit rapport beschrijft de ramingen van de capaciteitsbehoefte van de justitiële ketens tot en met 2027. Het gaat daarbij om ramingen van de instroom en uitstroom van diverse ketenpartners binnen de justitiële ketens (aantallen te behandelen zaken e.d.) en de capaciteitsbehoefte bij intramurale voorzieningen (aantal plaatsen in justitiële inrichtingen). De ramingen voor de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtspraak zijn de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en de Raad voor de rechtspraak. De ramingen voor forensisch-psychiatrische centra (voorheen tbs-klinieken) zijn de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het WODC en de Dienst Justitiële Inrichtingen. Voor de overige ramingen is het WODC verantwoordelijk. De ramingen zijn ‘beleidsneutraal’. Dat wil zeggen dat de ramingen uitgaan van gelijk-blijvend beleid. De ramingen zijn gemaakt met het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ). Het PMJ bestaat uit twee onderdelen, namelijk een model voor de veiligheidsketen en een model voor het civiel- en bestuursrechtelijke deel van de justitiële keten.
    • De ontwikkeling van het geweten

      Schalkwijk, F.; Wied, M. de; Heynen, E.; Vugt, E. van; Assink, M.; Stams, G.J.; Tiemersma, J.; Oploo, L. van (WODC, 2022-06-28)
      Test
    • Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa's)

      Lakerveld, J. van; Lindeboom, G.-J. (Universiteit Leiden - Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO), 2022-06-23)
      In toenemende mate zijn naast de politie ook gemeentelijke handhavers zichtbaar in de openbare ruimte. Deze handhavers opereren als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en zijn bevoegd op te treden op een pakket van toezichts- en handhavingstaken. In de laatste jaren wordt daarbij in toenemende mate aandacht gevraagd voor de veiligheid van boa’s bij uitoefening van hun taken. Een van de aspecten die daarbij op de agenda staan betreft het verruimen van de mogelijkheden tot het aanvragen van een korte wapenstok. Hiertoe overweegt het Ministerie van Justitie en Veiligheid een nieuwe afzonderlijke regeling op te stellen voor de bewapening en uitrusting boa’s. In dit kader is gedurende 2021 aan tien gemeenten de mogelijkheid geboden om bij wijze van pilot boa’s uit te rusten volgens de uitgangspunten van de voorgenomen toekomstige regeling. Per gemeente is aan maximaal 20 boa’s toestemming verleend tot het dragen van de korte wapenstok. In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (WODC) is een evaluatie van deze pilot uitgevoerd. Hiervoor is gekozen voor een procesevaluatie om zo de ervaringen van de tien pilotgemeenten systematisch in kaart te brengen. Deze ervaringen zijn verzameld op vier verschillende niveaus: de ervaringen op het systeemniveau, op het niveau van boa-werkgevers, op dat van incidenten, en tot slot op het individueel niveau van boa’s. Op basis daarvan richtte de evaluatie zich op de beantwoording van de volgende hoofdvraag, waarvoor tevens meer specifieke deelvragen zijn geformuleerd (zie hiervoor de bespreking van onderzoeksresultaten): • Welke lering kan op grond van de resultaten van de pilot worden getrokken met betrekking tot de op te stellen afzonderlijke regeling bewapening en uitrusting boa’s? INHOUD: 1. Achtergrond, aanleiding voor het onderzoek 2. Onderzoeksopzet 3. Onderzoeksresultaten op systeemniveau 4. Onderzoeksresultaten op organisatieniveau 5. Onderzoeksresultaten van inzet van de wapenstok bij incidenten 6. Onderzoeksresultaten op individueel niveau 7. Conclusies
    • Incidenten en misdrijven door COA-bewoners 2017-2021

      Noyon, S.M.; Latenko, A.; Vink, M.E.; Braak, S.W. van den (WODC, 2022-06-22)
      Tot en met 2020 werd deze publicatie verzorgd door de Analyse-proeftuin Migratieketen (APM) van de directie Regie Migratieketen, onderdeel van het Directoraat-Generaal Migratie (DGM) van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het onderhavige rapport is het eerste dat onder WODC-vlag verschijnt. Vanaf deze editie zal het WODC de rapportage jaarlijks uitbrengen. In de komende jaren zal dit product bovendien verder verfijnd worden. Bij dit rapport dient opgemerkt te worden dat het nadrukkelijk het karakter van een monitor heeft. Een monitor kenmerkt zich door een beschrijvend karakter, waarmee een algemeen beeld wordt geschetst. Door over de jaren eenzelfde opzet aan te houden, kunnen opeenvolgende publicaties vergeleken worden. Aanvullende analyses zullen onderwerp zijn van (toekomstige) verdiepende studies en vallen buiten de scope van dit rapport. Het doel van de onderhavige rapportage is tweeledig. Ten eerste worden incidenten op COA-locaties (in relatie tot de totale groep COA-bewoners) beschreven en wordt daarmee een algemeen beeld geschetst van de situatie op COA-locaties. Daarnaast geeft het een overzicht van de misdrijven waarvan bewoners tijdens hun verblijf op COA-locaties verdacht werden. Om deze cijfers in perspectief te kunnen plaatsen, worden waar mogelijk vergelijkingen gemaakt met criminaliteitscijfers over de algemene Nederlandse bevolking. Door een rapportageperiode van vijf jaar aan te houden, kunnen bovendien ontwikkelingen over de tijd in kaart gebracht worden. Hoewel deze en toekomstige edities vergelijkbaar zullen zijn van jaar tot jaar, heeft het WODC een andere werkwijze gehanteerd dan APM. Dit betekent dat de hier gerapporteerde cijfers en trends niet zonder meer vergelijkbaar zijn met die uit eerdere edities. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidscontext, 3. Vreemdelingen op COA-locaties, 4. Incidenten waarbij COA-bewoners zijn betrokken, 5. Misdrijven waarvan COA-bewoners worden verdacht, 6. Conclusie en discussie.
    • Zeden- en geweldsdelinquenten onder langdurig toezicht - Opleggingen en kenmerken van de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel in 2020

      Nagtegaal, M.H.; Fechner, E.A.E. (medew.); Kool, J.K. (medew.); Varkevisser, T. (medew.) (WODC, 2022-06-21)
      Sinds 1 januari 2018 kan aan daders van een ernstig gewelds- of zedendelict een zelfstandige toezichtmaatregel worden opgelegd, de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM). Deze maatregel is geïntroduceerd met de Wet langdurig toezicht. In deze factsheet zijn de opleggingen van de GVM in 2020 beschreven. In dat jaar is de GVM 46 keer opgelegd. Dit is een flinke stijging ten opzichte van de 16 GVM’s die in de eerste twee jaren na de introductie van deze maatregel zijn opgelegd (2018-2019). De door de wetgever aangemerkte doelgroepen van de GVM zijn daarmee in 2020 ook vaker bereikt: personen veroordeeld voor een terroristisch misdrijf (6 keer), verdachten die het pro Justitia-onderzoek (deels) weigeren (13 keer) en potentieel uitreizende zedendelinquenten (10 keer). De GVM is het vaakst gecombineerd met de tbs met voorwaarden, hoewel een combinatie met andere tbs-modaliteiten en de combinatie met alleen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en/of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ook voorkomt. Het WODC monitort tevens de opleggingen van de GVM in 2021 en 2022, waarna een eindevaluatie volgt.
    • Evaluatie preventief fouilleren

      Winter, H.B.; Beukers, M.; Boxum, C.; Cazemier, J.; Vols, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2022-06-17)
      De volgende vraagstelling staat in het onderzoek centraal: In welke mate en met welke overwegingen wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot (spoedeisend) preventief fouilleren (artikel 151b en 174b Gemeentewet), wat zijn de ervaringen van betrokken professionals en van betrokkenen op wie het instrument wordt toegepast, in hoeverre worden de beoogde doelstellingen gerealiseerd en wat zijn de mogelijkheden om de toepassing van het instrument preventief fouilleren te verruimen of verder te optimaliseren? Deze centrale vraagstelling is onderverdeeld in vier onderzoeksthema’s. Het gaat: I. Beleidsreconstructie; II. Toepassing preventief fouilleren; III. Overwegingen en ervaringen; en IV. Werking en doelbereiking. INHOUD: 1. Inleiding; 2. Juridisch kader; 3. Toepassing in aantallen; 4. Overwegingen voor de inzet en besluitvorming; 5. Uitvoeringspraktijk; 6. Werking en doelbereiking; en 7. Conclusie
    • De politie-reprimande voor minderjarige first offenders van lichte feiten - Evaluatie van de landelijke Pilot Reprimande

      Beijerse, J. uit; Fischer, T.; Guldener, C. van; Postma, L.; Weerman, F.; Gorter, F. (medew.) (Erasmus School of Law, 2022-05-30)
      Op 1 oktober 2020 werd de landelijke Pilot Reprimande gestart, op initiatief van de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en Halt, en met betrokkenheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid (MJenV). Tijdens de pilot werd een nieuwe werkwijze gehanteerd voor op heterdaad aangehouden minderjarige first offenders van een licht feit. Die nieuwe werkwijze houdt in dat deze aangehouden minderjarigen niet langer worden overgebracht naar het politiebureau om daar te worden voorgeleid aan de hulpofficier van justitie (hOvJ), maar dat dit ter plaatse telefonisch gebeurt. Als de hOvj vindt dat de minderjarige in aanmerking komt voor een reprimande, wordt deze in vrijheid gesteld en zal kort daarna een reprimandegesprek plaatsvinden, waarbij ook de ouders worden betrokken. Het onderzoek bestaat uit drie deelevaluaties: een plan‐, proces‐ en outputevaluatie. Daarnaast is aanvullend juridisch en criminologisch literatuuronderzoek verricht. INHOUD: 1. Inleiding 2. De beoogde doelen, doelgroep en opzet van de nieuwe werkwijze 3. Het doelbereik van de nieuwe werkwijze: landelijke cijfers 4. De uitvoering van de nieuwe werkwijze in drie politie-eenheden 5. De uitvoering van de werkwijze in relatie tot de beoogde doelen 6. De reprimande in een breder juridisch en criminologisch perspectief 7. Conclusies en aanbevelingen
    • Naar meer evidence-based beleid binnen JenV

      Torenvlied, R.; Boer, H.F de; Couwenberg, S.; Linnenbank, J.H.M.; Meulen, B.J.R. van der (Universiteit Twente, 2022-05-10)
      Het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ziet kennis als een onmisbaar kompas voor een goed onderbouwd en effectief beleid. Een betere kennisbenutting leidt tot de verbetering van bestaand en nieuw beleid. In 2017 wordt daarom op het ministerie van JenV aangegeven dat de strategische kennisfunctie bij het ministerie zou moeten worden versterkt. De boodschap is helder: kennismanagement en kennisinnovatie, sturen op kennisbenutting en kennisontwikkeling, moeten (meer) aandacht krijgen binnen het ministerie van JenV. Het doel van het onderhavige onderzoek is om een beeld te krijgen in welke mate het werken en het beleid binnen JenV ‘evidence-based’ en/of ‘evidence-informed’ is. De hoofdvraag van het onderzoek luidt: in hoeverre kan het werken en beleid binnen het ministerie van JenV worden gekarakteriseerd als ‘evidence-based’ en welke institutionele- en contextfactoren zijn hierop van invloed? INHOUD: 1. Aanleiding, doel en vraagstelling van het onderzoek 2. Institutionele inbedding 3. Wat is 'evidence-based' werken en -beleid 4. Daadwerkelijk gebruik van kennis en beleid 5. Motieven en belemmeringen bij 'evidence-based' werken en -beleid 6. Conclusies en aanbevelingen
    • Binnen beeld buiten - Een evaluatie van zorgconferenties bij langverblijvers (15+) in de tbs

      Wolf, M.J.F. van der; Reef, J.; Gunnink, L.; Hertzberger, J.; Doekhie, J.V.O.R. (Universiteit Leiden - Instituut voor Strafrecht en Criminologie, 2022-05-06)
      Dit onderzoek heeft als doel de gehouden zorgconferenties in het kader van het Project 15-plus, als veelbelovende oplossing voor het ervaren probleem van langverblijvers in de tbs, te evalueren. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Kenmerken van langverblijvers – verslag van een dossierstudie, 3. Waardering van betrokkenen – verslag van een interviewstudie, 4. Buitenlandse inzichten – verslag van een vergelijkend onderzoek, 5. Beleidsimplicaties en vroegsignalering – verslag van expertmeetings, 6. Conclusies, discussie en aanbevelingen.
    • Kansen en risico's van de toepassing van neurotechnologie in het strafrecht

      Bijlsma, J.; Geukes, S.H.; Meynen, G.; Raemaekers, M.A.H.; Ramsey, N.F.; Simon Thomas, M.A.; Toor, D.A.G. van; Vansteensel, M.J. (Universiteit Utrecht - Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, 2022-05-04)
      De laatste jaren is er veel aandacht voor neurotechnologie. Het gaat hierbij om technieken die bijdragen aan kennis over de hersenen en/of die interacteren met de hersenen. De aandacht voor neurotechnologie wordt onder andere veroorzaakt door de voortdurende technologische vooruitgang. Omdat neurotechnologie (ook) potentie heeft voor toepassing binnen het justitie- en veiligheidsdomein heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de kansen en risico’s van dergelijke toepassing van neurotechnologie. Dit rapport is het resultaat van dat onderzoek. In dit rapport staat de volgende onderzoeksvraag centraal: ‘Welke kansen en bedreigingen kunnen worden verwacht van neurotechnologie voor het domein van ministerie van Justitie en Veiligheid en welke impact (juridisch, ethisch en maatschappelijk) kan neurotechnologie hebben voor beleid?’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Interactie en beeldvorming 4. Neurotechnologieën 5. Neurotechnologie in de justitie- en veiligheidsdomeinen 6. Mogelijke toekomstige doorontwikkelingen 7. Besluit sectie 1 8. Opsporing en waarheidsvinding 9. Risicotaxatie 10. Interventie 11. Ethiek
    • Schijnwerpers op straat - Over de lessen van de aanpak van de Van Wougroep en andere criminele jeugdgroepen

      Peeters, T.; Dongen, T. van; Koster, N. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2022-05-04)
      In dit onderzoek hebben we de integrale aanpak van de Van Wougroep uit de Amsterdamse Diamantbuurt bestudeerd. Daarnaast hebben we – om de keuzes die binnen de Van Wou-aanpak zijn gemaakt in een breder perspectief te kunnen plaatsen – gekeken naar twee andere integrale aanpakken van criminele jeugdgroepen, te weten de Utrechtse Kopstukkenaanpak en de Tilburgse aanpak Mate(n) van de straat. We deden dit met in het achterhoofd dat criminele jeugdgroepen een belangrijke kweekvijver zijn voor de georganiseerde misdaad. En met de verwachting dat ons onderzoek ten goede zou kunnen komen aan aanpakken van criminele jeugdgroepen in de toekomst. De vraag die centraal heeft gestaan is: Welke lessen volgen uit de toepassing in de afgelopen tien à vijftien jaar van integrale aanpakken van criminele jeugdgroepen, en in het bijzonder de aanpak van de Van Wougroep, en wat betekenen deze lessen voor de huidige en toekomstige aanpak? INHOUD: 1. Introductie 2. Stoppen met criminaliteit 3. De Van Wougroep 4. De Van Wou-aanpak 5. De uitvoering 6. Een voormalig Van Woujongere aan het woord 7. De resultaten van de aanpak 8. De lessen van de aanpak
    • Evaluatie Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen - Voor de publieke waarde van informatie

      Struiksma, N.; Cazemier, J.; Diekema, M.; Floor, T.; Ridder, J. de (Pro Facto, 2022-04-26)
      Sinds 1 april 2000 heeft Nederland als eerste EU-lidstaat een Nationaal Irapporteur op het gebied van mensenhandel. Op grond van art. 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (wet van 15 november 2013) en daaraan voorafgaande regelingen dient het instituut elke vier jaar geëvalueerd te worden. Dit evaluatieonderzoek heeft vier hoofdvragen: 1. Hoe heeft de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 zijn taken uitgevoerd? 2. Welke financiële middelen had de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 beschikbaar en hoe zijn die besteed? Hoe verhoudt zich dat tot de middelen en besteding daarvan door de nationaal rapporteurs in drie andere EU-lidstaten? 3. Wat was de externe waardering voor de taakuitvoering van de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020? 4. In hoeverre is – de antwoorden op de eerste drie hoofdvragen en de deelvragen overziend – een wijziging van de taken, werkwijze en/of bevoegdheden van de Nationaal rapporteur gewenst en hoe kijkt de Nationaal rapporteur aan tegen deze eventuele wijzigingen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. De taak van de Nationaal rapporteur 4. Bestuurlijke inbedding 5. Organisatie en financiën 6. Taakopvatting Nationaal rapporteur 7. Activiteiten 2017-2020 8. Externe waardering 9. Landenvergelijking 10. Integrale analyse
    • Evaluatie Veiligheidswet BES

      Woestenburg, N.; Beukers, M.; Oldenboom, J.; Simmons-de Jong, G.; Struiksma, N.; Marchena-Slot, A.; Winter, H. (Pro Facto, 2022-04-25)
      De Veiligheidswet BES is op 10-10-’10 ingevoerd toen de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden werd gewijzigd en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel zijn gaan uitmaken van het land Nederland. De Veiligheidswet BES regelt de taak en samenstelling van het politiekorps en de inrichting en organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening in Caribisch Nederland. De volgende onderzoeksvraag stond in het onderzoek centraal: Hoe functioneert de Veiligheidswet BES gelet op de per 10-10-’10 geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen, welke knelpunten zijn te onderscheiden en in hoeverre is de wet toekomstbestendig, mede gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het veiligheidsdomein en de bevindingen van de eind 2020 geëvalueerde Wet veiligheidsregio’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen en uitgangspunten van de wet 3. Beleid, uitvoering, financiering en toezicht 4. Samenwerking onderling en in de regio 5. Toekomstbestendigheid en verhouding tot de Wet veiligheidsregio's 6. Conclusie
    • Verbetering BIJ-regeling

      Homburg, G.; Mulder, E.; Zoetelief, I. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2022-04-21)
      Rond de terugkeer van (ex-)gedetineerden in de maatschappij zijn in de afgelopen decennia verschillende informatiestromen ingericht. Eén daarvan is de Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen (BIJ). De BIJ-regeling voorziet sinds 2009 in het informeren van het bestuursorgaan burgemeester over de terugkeer van een justitiabele die onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel voor een zeden- of ernstig geweldsmisdrijf, of tot een tbs-maatregel met dwangverpleging of een verlengbare PIJ-maatregel. De BIJ-regeling is bedoeld om burgemeesters in staat te stellen om zich voor te bereiden op verstoringen van de openbare orde, die bij de terugkeer van sommige ex-gedetineerden zouden kunnen optreden – en daartegen zo nodig en mogelijk maatregelen te kunnen nemen. Deze informatiestroom is gescheiden van (bijvoorbeeld) de informatievoorziening in het kader van de nazorg, vanwege de privacygevoeligheid van de delictinformatie. In het onderzoek staan zeven mogelijke aanpassingen centraal: 1. het doen van BIJ-meldingen bij nog niet-onherroepelijke veroordelingen; 2. de mogelijkheid om bepaalde veroordeelden te kunnen ‘vlaggen’ (d.w.z. dat het bestuursorgaan burgemeester kan aangeven over een specifieke veroordeelde melding(en) te willen ontvangen door een ‘vlag’ te plaatsen in het registratiesysteem bij een specifieke veroordeelde); 3. het intensiveren van het aantal meldingen; 4. het terugtrekken van de Landelijke Eenheid van de politie uit het proces; 5. zorg dragen dat er ook meldingen komen over terugkeer van in het buitenland veroordeelde Nederlanders; 6. het doen van meldingen ten aanzien van terrorisme, stalking (‘belaging’) en brandstichting; 7. het doen van meldingen aan burgemeesters van meer gemeenten als daartoe aanleiding is. INHOUD: 1. Inleiding 2. Huidige BIJ-regeling 3. De aanpassingen beoordeeld 4. Conclusie