Now showing items 1-20 of 3213

    • Eindevaluatie Landelijke Vreemdelingenvoorziening

      Mack, A.; Buimer, L.; Rog, J.; Witvliet, M.; Pluijm, M. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2022-11-25)
      Eind 2018 hebben het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het realiseren van een landelijk netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen voor migranten zonder recht op verblijf of Rijksopvang. Het doel van deze Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) is te komen tot een bestendige oplossing en perspectief voor de betrokkenen in de vorm van vertrek uit Nederland of – indien voldaan aan de juiste voorwaarden – legaliseren van verblijf of doormigratie. Er is gekozen voor een gezamenlijk ontwikkeltraject tussen Rijk en gemeenten, waarbij gestart is met een pilot in de vijf gemeenten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Utrecht. De LVV wordt vanuit de praktijk ontwikkeld, eerder opgedane ervaringen met het bieden van onderdak en begeleiding door gemeenten worden versterkt met de inzet van organisaties uit de vreemdelingenketen. De pilotperiode van de LVV loopt eind 2022 ten einde. Dit geeft aanleiding voor de eindevaluatie over deze periode. Het doel van deze eindevaluatie is om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de pilot LVV en daaruit lessen te trekken voor de toekomst. Om effectiviteit te kunnen bepalen is gekeken naar welke resultaten zijn behaald in termen van gerealiseerde in- en uitstroom en naar andere maatschappelijke effecten die ervaren worden sinds de invoering van de LVV. Behalve zicht op effecten gaat deze eindevaluatie ook in op werkzame elementen (gebaseerd op de eerder opgestelde beleidstheorie) en op geleerde lessen voor de landelijke uitrol van de LVV en voor de asiel- en/of terugkeerprocedure rondom de LVV. INHOUD Inleiding Bevindingen tussentijdse evaluaties Populatie Ervaringen met de samenwerking Ervaringen met de opvang en begeleiding Resultaten en effectiviteit Conclusie
    • Toeleiding naar gedragsinterventies in de jeugdstrafrechtketen - Het landelijk instrumentarium en de persoonsgerichte aanpak

      Buysse, W.; Petersen, A.; Nauta, O. (DSP-groep, 2022-11-22)
      Het belangrijkste doel van het jeugdstrafrecht is het terugdringen van recidive door het bevorderen van gedragsverandering. Om die gedragsverandering te bereiken en recidive te voorkomen is een bij de persoon passende interventie nodig volgens de principes van het Risk Need Responsivity (RNR)-model. De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) adviseert op basis van een strafonderzoek aan de Officier van Justitie (OvJ) en de rechter welke straf en welke gedragsinterventie binnen die straf passend is om recidive te voorkomen. Om de kenmerken van jongeren in kaart te brengen, wordt in de jeugdstrafrechtketen het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ) gebruikt. Om duidelijkheid te verschaffen over hoe de toeleiding naar gedragsinterventies met behulp van het LIJ in de praktijk gebeurt, is het volgende door de DSP-groep onderzocht: In hoeverre sluiten de vanuit het LIJ gesuggereerde gedragsinterventies aan bij het risicoprofiel van jeugdige delinquenten? In hoeverre worden deze suggesties door de RvdK in zijn advisering overgenomen? In hoeverre worden de adviezen van de RvdK vervolgens bij het afdoen van strafzaken gevolgd door het Openbaar Ministerie (OM) en de rechter? INHOUD Inleiding Methodische verantwoording Van LIJ-suggestie naar raadsadvies Van advies naar eis en oplegging Persoonsgerichte aanpak Conclusie en discussie
    • Working papers binnenlandse afstand en adoptie

      Klein, M. van der; Bultman, S.; Rusch, I.; Walhout, E. (medew.); Jonker, L. (medew.); Schoonen, A. (medew.); Stunt, N. (medew.); Meijers, R. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2022-11-22)
      Vijf working papers over binnenlandse afstand en adoptie Deze working papers zijn de vruchten van het onderzoek waaraan het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van het WODC in de zomer van 2019 begon en dat in november 2021 voortijdig werd stopgezet (zie nieuwsbericht). Verslag van het archiefonderzoek bij Moederheil, Breda 1956-1972: Working paper Verslag van het archiefonderzoek bij Ons Tehuis 1956-1984, Utrrecht: Working paper Verslag van het archiefonderzoek bij Tehuis Annette 1956-1984, Amsterdam: Working paper Verslag van het kranten- en literatuuronderzoek: Persoonlijke ervaringen met binnenlandse afstand en adoptie: Working paper Verslag van archief- en literatuuronderzoek rond regels en toezichthouders bij binnenlandse afstand en adoptie, 1956-1984: Working paper
    • Bezetting van het gevangeniswezen - ontwikkelingen 2015-2019

      Moolenaar, D.E.G.; Braak, F. ter (WODC, 2022-11-17)
      Na jarenlange daling van de bezetting in het gevangeniswezen is sinds 2017 weer een stijging te zien. Het is onduidelijk waar deze stijging vandaan komt, omdat de geregistreerde criminaliteit tot en met 2018 daalde en pas sinds 2019 weer een stijging vertoont. De vraag waarom de bezetting stijgt of daalt, en meer in het algemeen of straffen wel of niet strenger worden, is een regelmatig terugkerende vraag, die tot nu toe moeilijk te beantwoorden is. Dit onderzoek moet dan ook niet worden gezien als een éénmalig project, maar als een eerste stap in de richting van een mogelijk meer structurele oplossing voor het beantwoorden van soortgelijke vragen. De hoofdvraag is wat mogelijke oorzaken zijn van de waargenomen stijging van de bezetting in het gevangeniswezen. De bezetting in dit onderzoek is gedefinieerd als het aantal bedden in het gevangeniswezen dat op een peildatum bezet is, dus exclusief extramuraal geplaatsten. Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden is gebruikgemaakt van gegevens over de verblijfsduur van mannelijke gedetineerden in het gevangeniswezen in de periode 2015-2019. De gegevens zijn afkomstig van de Dienst Justitiële Inrichtingen. INHOUD Inleiding Achtergronden Data en definities Tijdreeksanalyse Resultaten
    • Woon- en pleegbuurten van geregistreerde jeugdcriminaliteit - De samenhang met buurtkenmerken en de veranderingen die zich daarin voordoen over de tijd

      Tollenaar, N.; Broere, J.; Laan, A.M. van der (WODC, 2022-11-15)
      In dit onderzoek is onderzocht of en waar op buurtniveau de door de politie geregistreerde jeugdcriminaliteit zich concentreert, welke veranderingen zich daarin voordoen over de tijd en welke buurtkenmerken samenhangen met een dergelijke concentratie. Het gaat hierbij zowel om de buurten waar delicten door jongeren worden gepleegd, als de buurten waar jeugdige verdachten wonen. Onderzoek op buurtniveau sluit het dichtst aan bij wat in de criminologie bekend staat als analyses van hotspots. Er is specifiek ingegaan op de buurten in Nederland waar de geregistreerde jeugdcriminaliteit het meest voorkomt, namelijk de top-1% van buurten waar jeugdcriminaliteit zich concentreert. Tevens is onderzocht welke buurtkenmerken samenhangen met verschillen tussen buurten in geregistreerde jeugdcriminaliteit en jeugdige verdachten. Ook is nagegaan welke samenhang er is met veranderingen in buurtkenmerken die zich over de tijd voordoen. Het onderzoek richt zich op 12- tot en met 22-jarigen. Dit is de leeftijdsgroep waarop ook het jeugdstrafrecht van toepassing kan zijn (regulier voor 12 tot 18 jaar en conditioneel volgens artikel 77c Sr. voor 18 tot 23 jaar). INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methode, 3. Resultaten, 4. Slot.
    • Terugkeer en re-integratie van ex-Syriëgangers

      Kats, R.; Graaf, B. de; Jacobs, P.; Cuyckens, H.; Buruma, T.; Dölle, F.; Rodermond, E.; Sandelowsky-Bosman, Chr.; Liefaard, T. (WODC, 2022-11-14)
      ARIKELEN: Inleiding Ruth Kats, Beatrice de Graaf en Pauline Jacobs - Terroristen in detentie. Een overzicht van de ontwikkeling en discussie over de terroristenafdelingen in Nederland, 2004-2022 Ruth Kats, Beatrice de Graaf en Pauline Jacobs - Terroristen voor de rechter. Hoe strafrechters een verblijf op de terroristenafdeling meenemen in hun beslissingen (of niet) Hanne Cuyckens - De repatriëring van Nederlandse Syriëgangers. Een verplichting voor de staat van oorsprong? Tamara Buruma en Frederieke Dölle - Vrouwelijke terugkeerders uit Syrië. Het perspectief van de verdediging Elanie Rodermond - Het leven na een terroristisch misdrijf. Recidive en re-integratie van extremistische ex-gedetineerden Chrisje Sandelowsky-Bosman en Ton Liefaard - Waarom Nederland zijn uitreizigers en hun kinderen in Noord-Syrië moet ophalen SAMENVATTING: Twintig jaar nadat het debat over terrorisme in Nederland juridische gevolgen kreeg in wet- en regelgeving, is het tijd om de balans op te maken. Hoe hebben het recht, de rechtspraak en de omgang met terrorismeverdachten in Nederland zich ontwikkeld? Waar staan we als het gaat om de berechting en detentie van terrorismeverdachten en geradicaliseerden? In dit themanummer van Justitiële verkenningen worden diverse aspecten van dit juridische complex aangesneden. De vraag van dit themanummer is inventariserend (waar staan we?), beschrijvend (hoe zijn de ontwikkelingen verlopen?), analyserend (wat is het effect van detentie?) en gedeeltelijk ook wel normatief/proscriptief (wat zou de wenselijke richting zijn van de ontwikkelingen?). De artikelen behandelen het vraagstuk van detentie, strafmaat, recidive, repatriëring, resocialisatie en rehabilitatie van terrorismeverdachten en -veroordeelden en denken kritisch mee met de doorontwikkeling van deze praktijken. Een rode draad in dit themanummer is, dat er wordt gepleit voor meer maatvoering, minder boude, politiek gekleurde en algemene maatregelen (‘het is nu eenmaal terrorisme’), en voor een perspectief op terrorisme dat boven het strikt strafrechtelijke uitstijgt. Terrorisme is – omdat het vaak over nog niet begane strafdaden, over preventie en risico gaat – een categorie dreiging die soms moeilijk in het binaire koppel van schuldig-onschuldig te vangen is. Terrorisme – en zeker radicalisering – is ook een psychologisch, pedagogisch, en soms sociaaleconomisch fenomeen, dat meer in die bredere context en minder als een strikt strafrechtelijke kwestie kan en moet worden afgedaan.
    • Virtuele valuta - Handelingsperspectieven voor data-gedreven opsporing

      Schrama, V.; Laarschot, J. van; Volten, C.; Wegberg, R. van (Technische Universiteit Delft, 2022-11-10)
      Dit onderzoek exploreert de mogelijkheden voor het opsporen van criminele gelden middels de nieuwe, virtuele geldstromen. Hiertoe worden verschillende modi operandi geïdentificeerd in de zogeheten last mile – het deel van de criminele waardeketen waar transacties met de ‘eindgebruiker’ plaatsvinden, zoals de afwikkeling van online handel in drugs of cybercrime gereedschap. Deze focus zorgt ervoor dat een breed palet aan modi operandi waar virtuele valuta een rol in spelen, kan worden onderzocht. INHOUD Inleiding Onderzoeksopzet Analytische lens Virtuele valuta en criminaliteit Ondergrondse economie Duiding data-analyse Opsporingspraktijk Handelingsperspectieven
    • Zicht op aanpak ongeoorloofd schoolverzuim - De toepassing van de Methodische Aanpak Schoolverzuim in de praktijk

      Boekhoorn, P.; Eimers, T.; Eimers, A. (medew.); Beurskens, K. (medew.); Daniels, L. (medew.) (BBSO, 2022-11-07)
      De methodische aanpak schoolverzuim (MAS) is na de eerste introductie in het werkveld in 2017 bijgesteld en vervolgens ook geëvalueerd. Deze eerste evaluatie wees uit dat de methodiek over het algemeen door gebruikers (i.c. Leerplicht en ketenpartners) als positief werd beoordeeld. Dit onderzoek heeft als vervolg hierop tot doel na te gaan hoe ongeoorloofd schoolverzuim van jongeren door leerplichtambtenaren in samenwerking met ketenpartners wordt aangepakt in gemeenten die de MAS toepassen - en hoe daarbij invulling wordt gegeven aan de MAS - en welke eventuele verbeteringen in de aanpak mogelijk zijn. De twee hoofdvragen van het onderzoek zijn: Hoe verloopt de methodische aanpak van schoolverzuim bij 12- tot 18-jarigen? Wat zijn eventuele mogelijkheden voor verbetering van de MAS? INHOUD: Inleiding Doel en aanpak van het onderzoek Toepassing van de MAS in dossiers van Leerplichtzaken Ervaringen met de toepassing van de MAS Conclusies en aanbevelingen
    • Handreiking ex ante evaluatie Contraterrorismebeleid - Instrumentarium voor de beleidsambtenaar

      Matthys, J.; Schuurman, B.; Pattyn, V. (Universiteit Leiden - Institute of Security and Global Affairs (ISGA), 2022-11-03)
      De centrale twee problemen die de aanleiding vormen van dit onderzoek zijn: Er is behoefte aan verduidelijking over het doel, de opzet en de uitvoering van verschillende vormen van evaluatieonderzoek. Er is behoefte aan een handreiking inzake de voorbereiding van het evalueren van beleid en wetgeving, aan de hand van de geïdentificeerde vormen van evaluatieonderzoek. Dit onderzoek beantwoordt drie onderzoeksvragen. De eerste is een preliminaire vraag die het mogelijk maakt om de handreiking vorm te geven. De tweede en derde onderzoeksvraag vormen samen de inhoud van de handreiking. Wat is de huidige kennis over de verschillende vormen van beleidsevaluaties? Hoe kunnen ex ante evaluaties vorm gegeven worden zodat zij het meest geschikt zijn voor de evaluatie van (voorgenomen) beleid en wetgeving binnen het NCTV-domein contraterrorisme? Op welke wijze kunnen binnen het contraterrorisme domein doelstellingen worden geoperationaliseerd, beoogde mechanismen worden geïdentificeerd en indicatoren worden onderscheiden? INHOUD Inleiding Vraag 1 IAK: Wat is de aanleiding Vraag 2 IAK: Wat is het probleem? Vraag 3 IAK: Wat rechtvaardigt overheidsinterventie? Vraag 4 IAK: Wie zijn betrokken? Vraag 5 IAK: Wat is het doel? Vraag 6 IAK: Wat is het beste instrument? Vraag 7 IAK: Wat zijn de gevolgen? Vervolgstappen: voorbereiding op latere evaluaties in de beleidscyclus Referenties Annex methoden en techtnieken Annex voorbeelden
    • Intergovernmental relations and return - Part 3: Beyond return frameworks - An exploration of Dutch and Norwegian intergovernmental strategies to implement enforced return to Afghanistan, Iran, and Iraq

      Leerkes, A.; Meer, M. van der; Paasche, E.; Brekke, J.-P. (WODC, 2022-10-25)
      Each year the Member States of the European Union issue around 500,000 return decisions to persons who do not, or no longer, have legal stay. A return decision requires the person to leave the territory of the state issuing the return decision and to go to a country where he/she does have legal stay, usually his/her country of citizenship. If persons do not leave themselves, they risk being returned by force. The implementation of assisted and forced return often requires cooperation by the countries of citizenship of the person receiving the return decision, and thus partially depends on the intergovernmental relations between EU+ (EU Member States plus Norway, Switzerland, and the United Kingdom) and non-EU+ countries. The WODC has conducted three interrelated studies on the influence of these relations on return. this study explores whether or not the Netherlands and Norway can learn from the experiences and strategies of one another by comparing the experiences and strategies of the two countries in relation to enforced return to Afghanistan3, Iran, and Iraq. Such comparisons may lead to useful new insights as different EU+ countries – despite the EU’s attempts at harmonisation – have developed somewhat different approaches to enforced return (cf. Leerkes & Van Houte, 2020). This raises the question of how different EU+ states strive to accomplish enforced return to the same origin states, and with what ‘quantitative’ and ‘qualitative’ outcomes (e.g., what rates of enforced return do they achieve, and do states enforce returns within the norms that matter in liberal democracies, including migrants’ fundamental rights and a commitment to accepted principles of sound administration?). This exploratory study was thus guided by two research questions: What are the experiences of the Netherlands and Norway with regards to enforced return (forced and assisted return) to Afghanistan, Iran, and Iraq? What (inter)governmental strategies have the Netherlands and Norway developed with a view to effecting enforced return to Afghanistan, Iran, and Iraq? CONTENT Introduction Enforced return from the Netherlands Enforced return from Norway Conclusion See External links for Part 1 and 2 of this reserch.
    • Intergovernmental relations and return - Part 1: Measuring enforced return to Europe - An assessment of the validity and reliability of EU data on orders to leave and the return of third country nationals

      Maliepaard, M.; Meer, M. van der; Leerkes, A.; Ramdin, M. (WODC, 2022-10-25)
      Each year the Member States of the European Union issue around 500,000 return decisions to persons who do not, or no longer, have legal stay. A return decision requires the person to leave the territory of the state issuing the return decision and to go to a country where he/she does have legal stay, usually his/her country of citizenship. If persons do not leave themselves, they risk being returned by force. The implementation of assisted and forced return often requires cooperation by the countries of citizenship of the person receiving the return decision, and thus partially depends on the intergovernmental relations between EU+ (EU Member States plus Norway, Switzerland, and the United Kingdom) and non-EU+ countries. The WODC has conducted three interrelated studies on the influence of these relations on return. In Part 1 of the study, the results of which are reported here, we explore the validity and reliability of Eurostat return data. The aim is to investigate whether and how Eurostat return data can be used to answer research questions on factors influencing return rates across EU Member States and across third countries. We pose two research questions: What can be said about the validity and reliability of the EU data on returns and return decisions? If there are issues pertaining to the validity and reliability of EU data on returns and return decisions, what methodologies are suitable to research the effects of return frameworks on return outcomes and/or to identify differences between comparable corridors in the level and/or type (e.g., forced vs. voluntary) of return? CONTENT Introduction Return frameworks and plausible effects on enforced return Methods Results Conclusion See External links for Part 2 and 3 of this reserch.
    • Intergovernmental relations and return - Part 2: From paper to practice? - EU-wide and bilateral return frameworks between EU+ and non EU+ countries and their effects on enforced return

      Leerkes, A.; Maliepaard, M.; Meer, M. van der (WODC, 2022-10-25)
      Each year the Member States of the European Union issue around 500,000 return decisions to persons who do not, or no longer, have legal stay. A return decision requires the person to leave the territory of the state issuing the return decision and to go to a country where he/she does have legal stay, usually his/her country of citizenship. If persons do not leave themselves, they risk being returned by force. The implementation of assisted and forced return often requires cooperation by the countries of citizenship of the person receiving the return decision, and thus partially depends on the intergovernmental relations between EU+ (EU Member States plus Norway, Switzerland, and the United Kingdom) and non-EU+ countries. The WODC has conducted three interrelated studies on the influence of these relations on return. Having developed a fitting analytical strategy, and with awareness of the data’s limitations, Part 2 (Leerkes, Maliepaard and Van der Meer, 2022) set about answering the main research questions of the project. We employed advanced quantitative analysis to estimate the effects of different intergovernmental return frameworks on the rate of enforced return from EU+ countries to non-EU+ countries. The term intergovernmental return framework pertains to all texts in which states describe how they will cooperate on enforced return (examples are ‘Readmission Agreement’, ‘Memorandum of Understanding’, ‘Mobility Partnership’, ‘Exchange of letters’, and so forth). CONTENT Introduction Return frameworks and plausible effects on enforced return Methods Results Conclusion See External links for Part 1 and 3 of this reserch.
    • Strafvorderlijke gegevensverwerking - Een verkennende studie naar de relevante gezichtspunten bij de normering van het verwerken van persoonsgegevens voor strafvorderlijke doeleinden

      Fedorova, M.I.; Molder, R.M. te; Dubelaar, M.J.; Lestrade, S.M.A.; Walree, T.F. (Radboud Universiteit Nijmegen - Onderzoekcentrum voor Staat & Recht (STeR), 2022-10-25)
      De wetgever is voornemens de wettelijke regeling inzake de bevoegdheden ter gegevensverwerking in het Wetboek van Strafvordering (WvSv) en de Wet politiegegevens (Wpg) te herschikken en waar nodig aan te passen. Met het doel bij te dragen aan het nader doordenken van de wijze van normeren van het onderzoek van gegevens voor strafvorderlijke doeleinden, stelt deze studie drie vragen centraal: Waar liggen de juridische knelpunten in het huidige wettelijke kader ter zake van het doen van onderzoek aan vergaarde (persoons)gegevens voor strafvorderlijke doeleinden? Welke eisen en waarborgen stellen relevante Europeesrechtelijke rechtsbronnen aan de normering van het verwerken van (persoons)gegevens voor strafvorderlijke doeleinden? Welke voor deze normering relevante gezichtspunten kunnen worden ontleend aan de Wiv 2017 en het recht in België, Duitsland en Noorwegen? INHOUD Inleiding Het huidige en het gemoderniseerde wettelijke kader voor onderzoek aan gegevens voor strafvorderlijke doeleinden Europeesrechtelijk kader Verzameling en verwerking van gegevens onder de Wiv 2017 Een blik over de grens: gegevensverwerking voor strafvorderlijke doeleinden in België, Duitsland en Noorwegen Conclusie Dit is de gecorrigeerde tweede versie (2022-11). van dit onderzoek.
    • Scheidingen 2020-2021 - Gerechtelijke procedures en gesubsidieerde rechtsbijstand

      Geurts, T. (WODC, 2022-10-21)
      In 2021 hebben rechters ongeveer 27.000 scheidingsprocedures afgehandeld; ruim 4.500 minder dan in 2020 en ruim 7.000 minder dan in 2019. Bij 14% is een verweerschrift ingediend. Bij 2.800 scheidingsverzoeken werden voorlopige voorzieningen aangevraagd; dit is minder dan in 2020 en 2019. In 2020 waren bij 15.600 echtscheidingen een of meer minderjarige kinderen betrokken; in totaal ging het om 28.200 kinderen (in 2019 29.200). De meeste scheidingsgerelateerde procedures, zoals afzonderlijke procedures omtrent levensonderhoud, gezag en omgang, en verdeling gemeenschap, blijven in aantal ongeveer gelijk of laten een daling zien ten opzichte van 2019, behalve omgangsregelingen en verdeling gemeenschap. Daar is sprake van een stijging. Het totale aantal hoger beroepsprocedures in scheidingsprocedures en scheidingsgerelateerde procedures is ten opzichte van 2019 met bijna 100 zaken gestegen en bedraagt in 2021 bijna 3.200 zaken. Het aantal familierechtzaken dat via de rechtspraak naar mediation is verwezen laat, na een daling in 2019/2020, nu weer een lichte stijging zien. In 2021 zijn bijna 1.200 zaken verwezen. Bij 56% van de afgeronde mediations is (gedeeltelijke) overeenstemming bereikt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in 2021 voor circa 4.850 kinderen een Gezag- en Omgangonderzoek uitgevoerd: 200 minder dan in 2019. In 2021 is het onderzoek bij 24% van de kinderen uitgebreid tot een beschermingsonderzoek en voor 17% is een ondertoezichtstelling (ots) gevraagd. Het totale aantal toevoegingen dat in 2021 is vastgesteld voor rechtsbijstand bij zaken rond scheidingen, alimentatie, omgang, gezag en boedel is ten opzichte van 2019 met bijna 10.300 toevoegingen gedaald. Een deel van die daling betreft de mediationtoevoegingen voor scheidingen en scheidingsgerelateerde zaken.
    • 'Bijzonder ingewikkeld om aan papieren te komen' - Een verkennend onderzoek naar de nationaliteit en verblijfspositie van Roma in Nederland

      Smits van Waesberghe, E.; Hoogenbosch, A.; Mesic, A. (medew.); Out, M. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2022-10-18)
      Het doel van dit onderzoek was om een beschrijving te geven van de achtergronden van de in Nederland verblijvende staatloze Roma en Roma van wie de nationaliteit onbekend is en om na te gaan wat hun verblijfspositie is. Daarnaast is gekeken naar mogelijke oplossingsrichtingen voor staatloosheid en nationaliteit onbekend en mogelijke verblijfsproblematiek. De centrale probleemstelling voor dit onderzoek was aanvankelijk als volgt: Wat zijn de kenmerken en achtergronden van de in Nederland verblijvende staatloze Roma en de in Nederland verblijvende Roma van wie de nationaliteit onbekend is, en wat zijn geschikte oplossingsrichtingen voor het verhelpen van de verblijfsproblematiek waar zij mee te maken hebben? Deze hoofdvraag bleek tijdens het onderzoek lastig te beantwoorden, aangezien Roma staatloosheid verschillend interpreteren. Ook bleek, naarmate het onderzoek vorderde, dat naast staatloosheid vooral verblijfsrecht een belangrijke rol speelt, zeker als bij Roma specifiek gevraagd werd naar de gevolgen van het ontbreken van verblijfsrecht. INHOUD: Inleiding Rechtmatig verblijf en staatloosheid 'Staatloosheid' onder respondenten Respondenten en hun verblijf in Nederland Proces om in Nederland te verblijven of Nederlander te worden Gevolgen van 'onrechtmatig verblijf', ontbreken nationaliteit en mogelijke oplossingsrichtingen Conclusies en oplossingsrichtingen
    • Criminaliteit en rechtshandhaving 2021 - Ontwikkelingen en samenhangen

      Meijer, R.F. (eindred.); Moolenaar, D.E.G. (eindred.); Choenni, R. (eindred.); Braak, S.W. van den (eindred.); Jongste, W.M. de; Akkermans, M.M.P.; Moons, E.A.L.M.G.; Schirm, W.; Kessels, R.J.; Netten, C.P.M.; et al. (WODC, 2022-10-13)
      C&R 2021 betreft de twintigste editie in de reeks. De inhoud van C&R 2021 is groten-deels vergelijkbaar met de voorgaande uitgave. De hoofdstukken zijn kort en bondig en bestaan uit teksten, kerncijfers en enkele figuren. Daarnaast zijn aparte Excel-tabellen met de onderliggende cijfers beschikbaar bij deze publicatie. De publicatie richt zich op de ontwikkelingen op hoofdlijnen en betreft de periode 2011 tot en met 2021. C&R 2021 omvat de strafrechtsketencijfers inclusief het eerste en tweede jaar van de COVID-19-pandemie, 2020 en 2021. COVID-19 en de maatregelen om COVID-19 te beheersen hadden voor het eerst in 2020 en ook in het daaropvolgende jaar grote maatschappelijke impact, en daarmee ook gevolgen voor de strafrechtsketen. De in C&R 2021 gepresenteerde cijfers over 2020 en 2021 moeten dus worden bezien tegen de achtergrond van de COVID-19-maatregelen. Deze worden hier onderscheiden in algemene maatregelen (zoals de 1,5 meter afstandsregel, zoveel mogelijk thuiswerken en lockdown) en de gevolgen van deze maatregelen specifiek voor de strafrechtsketen (zoals opschorting van de handhaving van de leerplichtwet, tijdelijke gedeeltelijke sluiting van de gerechtsgebouwen, ontstaan van voorraden op diverse plaatsen in de strafrechtsketen door de sluitingen, beperkingen en opschortingen). Een uitgebreid overzicht van algemene COVID-19-maatregelen is opgenomen in bijlage 8. Paragraaf 1.4 geeft het overzicht van de belangrijkste gevolgen voor de strafrechtsketen. C&R beschrijft de ontwikkelingen in de vorm van jaarcijfers, die slechts beperkt zicht geven op mogelijke COVID-19-effecten. Wat zich qua ontwikkelingen afspeelt in de afzonderlijke maanden binnen het jaar blijft daarmee buiten beeld. Mogelijke verbanden met COVID-19 komen alleen aan de orde, voorzover daar op basis van andere bronnen voldoende aanwijzingen voor zijn. Een aparte publicatie die parallel aan de vorige editie – C&R 2020 – is verschenen gaat meer in detail in op het effect van de COVID-19-pandemie op de criminaliteit en de strafrechtsketen in dat jaar. Een link naar die publicatie kunt u vinden onder het kopje Externe Link, in de linker marge van deze pagina. INHOUD: Inleiding Het Nederlandse strafrechtsysteem Criminaliteit en slachtofferschap Misdrijven en opsporing Vervolging Berechting Tenuitvoerlegging van sancties De strafrechtsketen voor misdrijven in samenhang Overtredingen Uitgaven aan sociale veiligheid
    • Fenomenen van seksueel geweld in Nederland - Secundaire analyses op data van de Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld 2020

      Joemmanbaks, F.; Graaf, H. de (Rutgers Expertisecentrum seksualiteit, 2022-09-21)
      In 2020 voerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld (PHGSG) uit in opdracht van het WODC. Het doel hiervan was om inzicht te krijgen in de aard en omvang van slachtofferschap van o.a. seksuele intimidatie en seksueel geweld. Hieruit bleek dat 11 procent van de bevolking van 16 jaar en ouder (omgerekend 1,6 miljoen personen) in de afgelopen 12 maanden slachtoffer werd van seksueel geweld. De rapportage van de PHGSG bevat jaarprevalentiecijfers voor verschillende vormen van seksueel geweld, namelijk niet-fysieke seksuele intimidatie, fysiek seksueel geweld en online seksuele intimidatie. Wat hierin echter ontbrak waren meer inhoudelijke analyses van vormen van seksuele grensoverschrijding, waarin variabelen betekenisvol aan elkaar gerelateerd werden. Om die reden zijn aanvullende secundaire analyses uitgevoerd met als doel om belangrijke fenomenen met betrekking tot seksuele grensoverschrijding te onderscheiden en slachtoffer-pleger relaties beter in kaart te brengen.
    • De hackbevoegdheid in de praktijk - Een empirisch onderzoek naar de uitvoering van de hackbevoegdheid (artikelen 126nba, 126uba, 126zpa Sv)

      Uden, A. van; Eeden, C.A.J. van den; Berkel, J.J. van (medew.); Morgenstern, Veerle (WODC, 2022-09-19)
      In dit rapport is het proces geëvalueerd rondom de uitvoering van de hackbevoegdheid in de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III (Wet CCIII). Aan het einde van 2024 volgt een rapport over het tweede deel van de evaluatie waarin de uitvoering van de volledige Wet CCIII centraal zal staan. De hoofdvraag in het huidige onderzoek was: Op welke wijze wordt in de praktijk uitvoering gegeven aan de hackbevoegdheid en welke eventuele knelpunten doen zich daarbij voor in de opsporingspraktijk? Om de onderzoeksvraag te beantwoorden is een combinatie van onderzoeksmethoden gebruikt: documentanalyse, interviewen en dossieranalyse. INHOUD: Inleiding Wettelijk kader van de hackbevoegdheid Voorbereiden en verkenning inzet hackbevoegdheid Binnendringen en onderzoekshandelingen Waarborgen voor controle Afronden inzet en vervolgstappen Conclusie
    • Verkenning risicofactoren ransomware-aanvallen

      Brennenraedts, R.; Vorst, T. van der; Kats, J.; Rieback, M.; Vos, A.; Jelicic, N.; Jansen, R.; Blom, T.; Sambeek, N. van (Dialogic, 2022-09-19)
      Dit onderzoek heeft als doel het in kaart brengen en kwantificeren van factoren die ransomware-aanvallen beïnvloeden. Een tweede doelstelling is het bieden van inzicht in de mogelijkheden tot bewustwording onder bestuurders van middelgrote en kleine organisaties, zowel in de publieke als private sector. Het onderzoek beantwoordt de volgende onderzoeksvragen: Welke risico’s brengen ransomware-aanvallen met zich mee? Hoe zien ransomware-aanvallen er tegenwoordig uit en welke instrumenten worden hierbij ingezet? Welke soorten partijen zijn bij deze aanvallen betrokken? Welke interne en externe factoren dragen bij aan ransomware-risico’s voor een organisatie? In hoeverre zijn deze factoren kwantificeerbaar? Met welk instrument kunnen beleidsmakers in middelgrote en kleine organisaties bewust worden gemaakt maken van de risico’s van ransomware? Wat zijn belangrijke factoren voor bedrijven en organisaties om met het instrument aan de slag te gaan? Voor de uitvoering van dit onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende methoden: literatuuronderzoek, verkenning van bestaande risicotaxatiemodellen, verkenning van cybersecurityverzekeringen, interviews, casestudies van getroffen organisaties in Nederland en validatiesessies. In dit onderzoek wordt getracht de meest actuele situatie te schetsen van de vraagstukken die hier spelen. INHOUD: Introductie Impact van ransomware-aanvallen Opzet van ransomware-aanvallen Betrokken actoren bij ransomware-aanvallen Risicofactoren voor ransomware-aanvallen Beleidsopties om risico's te verkleinen.
    • De effectiviteit van de BORG-training - Een vergelijkend recidiveonderzoek onder daders van partnergeweld

      Beijersbergen, K.A.; Piersma, T.W. (WODC, 2022-09-19)
      In dit onderzoek is onderzocht in hoeverre de BORG-training effectief is in het terugdringen van de (huiselijk gewelds)recidive bij daders van partnergeweld en wat mogelijk succesvolle en minder succesvolle aspecten van de training zijn. De volgende onderzoeksvragen stonden centraal: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep? a. Wat zijn de dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken (zoals leeftijd, type huiselijk geweld en aantal eerdere strafzaken) van de onderzoeksgroep en in hoeverre zijn deze vergelijkbaar met die van de controlegroep? b. In hoeverre voldoet de onderzoeksgroep aan de BORG-selectiecriteria? c. Wat zijn de uitvoeringskenmerken van de BORG-training (zoals aanwezigheids-percentage, individuele of groepstraining en training voltooid of voortijdig beëindigd) bij de onderzoeksgroep? Hoe effectief is de BORG-training in het terugdringen van recidive? Meer specifiek: hoe verhoudt de recidive van de onderzoeksgroep zich tot de recidive van de controlegroep? Welke uitvoeringskenmerken van de BORG-training hangen samen met de kans op recidive, indien er gecorrigeerd is voor verschillen in dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken? Hoe kijken ex-BORG-deelnemers terug op de BORG-training en wat zijn voor hen de succes- en faalfactoren van de training?