Now showing items 1-20 of 3335

    • Nationale Drug Monitor - update 2023

      Deppe, K. (Trimbos-instituut, 2024-02-13)
      FACTSHEET ontwikkelingen in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag Op basis van de meest recente update van de Nationale Drug Monitor besteedt deze factsheet aandacht aan nieuwe cijfers over drie ontwikkelingen in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag van de afgelopen jaren. Deze ontwikkelingen en andere trends in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag staan in de update van de NDM (Nationale Drug Monitor) van het Trimbos-instituut en het WODC. Deze update is uitgevoerd door Regioplan. NDM 2023 De Nationale Drug Monitor (NDM) is alleen digitaal te raadplegen op de website van het Trimbos-instituut (zie link hiernaast). INHOUD NDM Middelen per soort (Cannabis, Cocaïne, Opioïden, Ecstasy, Amfetamine, NPS, GHB, Psychedelica, Slaap- en kalmeringsmiddelen, Lachgas, Ketamine, ADHD-medicatie, Alcohol, Tabak) Wetgeving, beleid en preventie Drugscriminaliteit Middelengebruik en strafbaar gedrag
    • Vroegtijdig ingrijpen op antisociaal gedrag 0-15-jarigen - Wat als je het de praktijk vraagt?

      Hanrath, J.; Herberg, E. van der; Donker, A. (Hogeschool Utrecht, 2023-12-31)
      Hoewel er sprake is van een dalende trend in de jeugdcriminaliteit zijn er momenteel zorgen over jonge minderjarigen die betrokken zijn bij vermogensdelicten, drugs- en wapendelicten en ernstige feiten als doodslag en zware mishandeling. De vrees bestaat dat jong starten en recidiveren leidt tot ‘ingroei’ in de criminaliteit en ‘doorgroei’ naar de positie van regisseur die nieuwe, jonge plegers rekruteert voor het plegen van delicten. De zorgen sluiten aan bij prospectieve longitudinale studies waaruit blijkt dat frequente plegers van ernstige delicten vaker een langere criminele carrière hebben, meer verschillende typen delicten plegen en op jongere leeftijd beginnen met het plegen van delicten. Het doel van dit onderzoek is aanknopingspunten te identificeren voor interventies die gericht zijn op het voorkomen dat kinderen in hun vroege adolescentie (9-15 jaar) bij deze ernstige delicten betrokken raken. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke aanknopingspunten zijn er om de kans op de ontwikkeling van antisociaal gedrag van kinderen in de leeftijd 0-15 te verkleinen en om delictgedrag in de vroege adolescentie bij te sturen of om te buigen? INHOUD Aanleiding en achtergrond onderzoek Kennis over risicofactoren Kennis over interventies Interventies in Nederland Methode van het Delphi-onderzoek Resultaten van het Delphi-onderzoek Conclusie
    • Weerbaarheid becijferd - Een methode om weerbaarheid tegen dreigingen voor de nationale veiligheid inzichtelijk te maken

      Nederveen, F.; Hoorens, S.; Frinking, E.; Soest, H. van (Rand Europe, 2023-12-30)
      In de context van nationale en internationale veiligheid is weerbaarheid een veelgebruikte term. Ook in Nederland zet het Rijk zich in om de weerbaarheid van de samenleving te versterken tegen dreigingen voor de nationale veiligheid. Het is echter niet eenvoudig om de mate van weerbaarheid noch wijzigingen daarin vast te stellen. Dit onderzoek is gericht op het ontwikkelen van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in relatie tot de nationale veiligheid. De centrale doelstelling van dit onderzoek is het ontwikkelen van een flexibele methode waarmee de overheid de mate van weerbaarheid kan bepalen tegen het volledige spectrum van actuele en toekomstige dreigingen en risico’s op het gebied van de nationale veiligheid, zoals vastgelegd in de Rijksbrede risicoanalyse (RbRA) 2022. Binnen deze centrale doelstelling kunnen vervolgens drie subdoelstellingen worden onderscheiden: Het verkennen en definiëren van het begrip weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid; Het ontwikkelen en uitwerken van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in de context van de nationale veiligheid; Het testen van de methode op actuele dreigingen uit de Rijksbrede risicoanalyse.INHOUD Inleiding Definiëren van weerbaarheid Bestaande methode voor het meten van weerbaarheid Uitwerken van een methode om weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid meetbaar te maken Reflectie op de toepassen van de weerbaarheidsmatrix
    • Evaluatiekader en nulmeting Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS)

      Driesse, M.; Moor, G. de; Blom, T.; Deppe, K.; Brennenraedts, R. (Dialogic, 2023-12-30)
      De Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) heeft een beleidshistorie van meer dan tien jaar. Om de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten heeft de Rijksoverheid in 2018 in samenwerking met publieke en private partijen, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA) vastgesteld. De NCSA bouwde voort op de effecten die gerealiseerd waren bij de eerdere Nationale Cybersecurity strategieën uit 2011 en 2013. De NCSA bevatte zeven ambities die bijdroegen aan de volgende doelstelling: “Nederland is in staat om op een veilige wijze de economische en maatschappelijke kansen van digitalisering te verzilveren en de nationale veiligheid in het digitale domein te beschermen.” In 2021 voerde Dialogic een planevaluatie uit van deze agenda. Gegeven de lessen vanuit de NSCA, de gekozen opzet van de NLCS (combinatie van meerjarenstrategie en adaptief actieplan) en voorgaande observaties ten aanzien van de startsituatie en monitoringsmogelijkheden is aan Dialogic gevraagd om te komen tot een evaluatiekader en nulmeting van de NLCS. INHOUD Introductie De NLCS en het Actieplan Pijler 1: Digitale weerbaarheid van de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties Pijler 2: Veilige en innovatieve digitale producten en diensten Pijler 3: Tegengaan van cybersecuritydreigingen van staten en criminelen Pijler 4: Cybersecurity-arbeidsmarkt, onderwijs en digitale weerbaarheid van burgers Monitoringskader Conclusies en aanbevelingen
    • Samen verder leren: een zaak van prioriteren, faciliteren en institutionaliseren - Lerende evaluatie voor de doorontwikkeling bedrijfsvoering politie

      Schiffelers, M.-J.; Douglas, S.; Himpers, J.-E. (medew.); Noordegraaf, M. (medew.); Overman, S. (medew.); Overmans, T. (medew.) (Universiteit Utrecht - USBO advies, 2023-12-30)
      De Politiewet 2012 heeft geleid tot een landelijk politiekorps. Doel hiervan was om de politie efficiënter en effectiever te maken. De verwachting was dat met name rondom de bedrijfsvoering, zoals taken rond ICT, informatievoorziening, inkoop en HRM, veel schaalvoordelen te behalen waren. De Commissie Kuijken concludeerde in 2017 echter dat het toewerken naar een gecentraliseerde bedrijfsvoering taai is gebleken. Sindsdien heeft de politie ingezet op een veranderbeweging richting een meer zelflerende bedrijfsvoering, onder meer via projecten van het Politiedienstencentrum (PDC) als PDC Next Level. De centrale vraagstelling van deze lerende evaluatie is: Welke veranderbeweging is er binnen de politie vanaf 2017/2018 op gang gekomen gericht op het verbeteren van de bedrijfsvoering en op een (meer) lerende en toekomstgerichte organisatie, welke versterkende of juist belemmerende mechanismen hebben daar een rol in gespeeld en wat is er nodig om de veranderbeweging door te ontwikkelen? INHOUD Deel I: De veranderbeweging Inleiding Analysekader veranderbeweging Analyse casussen Conclusies en lessen voor de toekomstDeel II: De veranderbeweging in vijf casussen Casus Robotic Process Automation (RPA) Casus NP Introductie Programma (NPIP) Causus Blue Portaal (BP) Casus Stroomstootwapen Casus decentrale activiteiten bewaken en beveiligen (B&B)
    • Behoeften slachtoffers grootschalige incidenten

      Bruijn, S.; Doeschot, F. ten; Straaten, G. van; Thijsen, R.; Zebel, S. (I&O Research, 2023-12-30)
      De onderzoeksvraag die in dit rapport centraal staat is wat de behoeften zijn van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre deze verschillen van de behoeften van slachtoffers van kleinschalige criminaliteit met grote impact voor het slachtoffer. In het verlengde daarvan is de vraag of het huidige palet aan slachtofferondersteuning voldoende is toegesneden op slachtoffers van grootschalige incidenten, of dat er nog aanvullende voorzieningen nodig zijn. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: Wat zijn de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre verschillen deze behoeften van die van andere slachtoffers? In welke mate komt het huidige slachtofferbeleid tegemoet aan de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten? In hoeverre is aanvullend beleid noodzakelijk?INHOUD Inleiding Slachtofferrechten Hulpverlening en bijstand aan slachtoffers Behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten naar fase Verschil van behoeften tussen typen grootschalige incidenten Verschil in behoeften tussen grootschalige incidenten en kleinschalige criminaliteit Waardering Invulling van behoeften Conclusie en slotbeschouwing
    • Evaluatie Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding

      Ansem, N. van; Verbeek, E.; Vaan, K. de; Nicolai, E.; Janssen, J. (Regioplan beleidsonderzoek, 2023-12-29)
      Per 1 januari 2018 is een wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden, te weten de inwerkingtreding van de Wet clausuleren recht op contact of omgang na partnerdoding. Het recht op contact of omgang van de ouder met zijn kind is een fundamenteel recht. Van contact wordt gesproken als de ouder het gezag heeft over het kind; omgang ziet op de situatie dat de ouder geen gezag heeft over het kind. Ook indien de ene ouder de andere ouder heeft gedood, heeft deze ouder in beginsel recht op contact of omgang met zijn kind. De wetswijziging heeft geregeld dat in het geval van (vermoedelijke) partnerdoding de kinderrechter altijd oordeelt of contact of omgang in het belang van het kind is, en dit doet op basis van een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De wetswijziging had als doel om de zorgvuldigheid bij besluiten inzake omgang in partnerdodingszaken te waarborgen, en daarbij de behartiging van de belangen van het kind goed te borgen. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de effecten van deze wetswijziging. De probleemstelling die hieruit voortvloeit, behelst de volgende vier hoofdvragen: Is de wet uitgevoerd, en zo ja hoe, zo nee waarom niet? Hoe is de verhouding van de wet tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Zijn er neveneffecten opgetreden met de toepassing van de wet? Is het belang van het kind met de (toepassing van de) wetswijziging voldoende gediend?INHOUD Inleiding Uitvoering van de wet Plaatsing van de wet in een verdragsrechtelijk kader Het belang van het kind Conclusie
    • Evaluatie Wet homologatie onderhands akkoord

      Verstijlen, F.M.J.; Vriesendorp, R.D.; Adriaanse, J.A.A.; Broekema, M.J.R.; Karapetian, A.; Koster, H.; Pool, J.M.W.; Verheul, E.F. (Rijksuniversiteit Groningen, 2023-12-29)
      De totstandkoming van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) was onderdeel van de tweede pijler – versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven – en is op 1 januari 2021 in werking getreden. Doel van de WHOA is, kort gezegd, te voorkomen dat ondernemingen die op zichzelf levensvatbaar zijn, door een te hoge schuldenlast of door te hoge structurele schulden failliet gaan. Dat geschiedt – zoals de naam al zegt – door homologatie, dat wil zeggen goedkeuring of bekrachtiging door de rechter van een onderhands akkoord tussen een schuldenaar en (een deel van) diens schuldeisers en/of aandeelhouders dat voorziet in de wijziging van hun rechten en dat ook schuldeisers en aandeelhouders kan binden die daarmee niet instemmen. Doel van dit onderzoek is om in aansluiting op artikel IIA van de Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord) antwoord te geven op de vraag of, en zo ja in hoeverre, de doelen van de WHOA in de (prille) praktijk worden gerealiseerd, en wat in de praktijk de ervaringen en (overige) resultaten zijn van de invoering van deze wet. INHOUD Inleiding en onderzoeksopzet Reconstructie beleidslogica Jurisprudentieonderzoek Expertmeeting Casestudies Survey Synthese: Eerste ervaringen met en opbrengsten van de WHOA Conclusies en aanbevelingen
    • Casestudie verloop traject uitgeplaatste en niet-uitgeplaatste gedetineerden - Na een zeden- of ernstig geweldsdelict naar aanleiding van de maatregelen Michael P.

      Eil, L. van; Jongebreur, W.; Zoutenbier, M. (Significant APE, 2023-12-28)
      Na de veroordeling van Michael P. voor de ontvoering, verkrachting en om het leven brengen van Anne Faber hebben de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzoek gedaan naar het detentieverloop van P. en de verleende zorg. Op basis van deze resultaten heeft de minister voor Rechtsbescherming in 2019 een aantal maatregelen getroffen die zich onder andere specifiek richten op uitplaatsingen van ernstige gewelds- en zedendelinquenten in het kader van artikel 15.4 (voorheen 15.5) en artikel 43.4 (voorheen 43.3) van de Penitentiaire beginselen wet. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het detentieverloop, het behandeltraject en de voorbereiding op terugkeer voor uitgeplaatste en niet-uitgeplaatste gedetineerden. De nadruk ligt daarbij op het ongewenste effect dat een gedetineerde die aan alle voorwaarden voldoet, niet wordt uitgeplaatst. De hoofdvraag van dit onderzoek is daarom: Hoe hebben de maatregelen de beslissing om wel of niet uit te plaatsen veranderd en welke gevolgen heeft dit voor de gedetineerden? Om de hoofdvraag te beantwoorden, worden uitplaatsingen van voor en na de invoering van de maatregelen onderzocht. De laatste onderzoeksvraag betreft: Welke conclusies kunnen worden getrokken als de verschillende casussen (wel/niet-uitplaatsing, voor en na invoering van de verbetermaatregelen) met elkaar worden vergeleken? INHOUD Inleiding Wettelijk kader en maatregelen Proces van uitplaatsing Overzicht uitplaatsingen en doelgroep Ervaringen met uitplaatsing vóót en na de maatregelen Conclusies
    • Waarom komen ze niet? - Meldingsbereidheid onder veroordeelden met een zelfmeldstatus

      Blom, T.; Velde, R. te; Geest, J. van der; Lindhout, E. (Dialogic, 2023-12-28)
      De probleemstelling van dit onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de oorzaken van de geringe meldingsbereidheid van de gestraften in de zelfmeldprocedure (‘veroordeelden met zelfmeldstatus’)? Het uiteindelijke doel van dit onderzoek (dat wil zeggen, waaraan de resultaten volgens ons zouden moeten bijdragen) is om het aantal zelfmelders te verhogen. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich te melden bij de PI (zelfmelder)? Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich niet te melden bij de PI (niet-zelfmelder)? Komen er uit pilots met zelfmelders inzichten voor het verhogen van de meldingsbereidheid van veroordeelden met een zelfmeldstatus? Welke oplossingsrichtingen kunnen bedacht worden om de meldingsbereidheid (van veroordeelden met een zelfmeldstatus) te verhogen?INHOUD Introductie De zelfmeldprocedure: theorie en praktijk Theoretisch kader: Het COM-B gedragsmodel Methode onderzoek Data-analyse: Zelfmelders in cijfers Veldwerk: Interviews in PI's Mogelijke oplossingsrichtingen Conclusies Reflecties
    • Evaluatie fraudehelpdesk

      Winter, H.; Veen, C.; Bartlema, C.; Cazemier, J. (Pro Facto, 2023-12-27)
      Ons land kent verschillende informatie- en meldpunten waar burgers en bedrijven informatie kunnen inwinnen over (nieuwe) vormen van horizontale fraude, waarbij burgers en bedrijven worden benadeeld en waar fraude en oplichting kunnen worden gemeld. De Fraudehelpdesk is één van die meldpunten en richt zich op alle vormen van fraude. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is op dit moment de enige subsidieverstrekker. Deze evaluatie beoogt de besluitvorming over de subsidiëring, de hoogte van de toe te kennen subsidie, de doelen van de subsidie en daarbij te stellen voorwaarden te ondersteunen. De volgende hoofdvragen staan centraal: In hoeverre kunnen de doelen die de Fraudehelpdesk nastreeft in theorie via de geldende subsidievoorwaarden en het inrichtingsplan van de Fraudehelpdesk worden bereikt? In welke mate volstaat de praktische invulling van het inrichtingsplan van de Fraudehelpdesk in het bereikbaar maken van deze doelen? Welke bijdrage heeft de Fraudehelpdesk geleverd aan de preventie en bestrijding van horizontale fraude? Welke positie bekleedt de Fraudehelpdesk in het veld van de Nederlandse fraudepreventie en -bestrijding? Hoe zou de toekomstige doelbereiking van de Fraudehelpdesk (verder) kunnen worden verbeterd? Zijn er structurele of procesmatige aanpassingen nodig om de toekomstige bijdrage van de Fraudehelpdesk aan fraudepreventie en -bestrijding in Nederland te verbeteren? INHOUD Inleiding Beleidsreconstructie Organisatie, financiën en activiteiten Bekendheid Fraudehelpdesk Waardering van de Fraudehelpdesk Landschapf van fraudemeldpunten Synthese en conclusie
    • Langdurige(r) detentie na recidive van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven

      Meijer, S.; Meeteren, M. van; Achten, I.; Immink, C. (Radboud Universiteit - Onderzoekscentrum Staat & Recht (SteR), 2023-12-27)
      Het doel van het onderzoek is na te gaan of recidive bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven leidt tot het daadwerkelijk opleggen van een zwaardere straf door strafrechters, met name of dit leidt tot een langdurige(r) detentie. Hoofdvraag: In hoeverre leggen strafrechters zwaardere straffen op na constatering van (meervoudige) recidive bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (in vergelijking met first offenders); waaruit bestaat de strafvermeerdering en in hoeverre leidt dit tot langdurige(r) detentie? INHOUD Inleiding Juridisch Kader Analyse van jurisprudentie Dossieranalyse Focusgroepen Conclusie
    • Vooronderzoek Evaluatie Wet kansspelen op afstand

      Kruize, A.; Snippe, J.; Baljet, W. (Breuer & Intraval onderzoek en advies, 2023-12-21)
      De Wet Kansspelen op afstand (Wet Koa) is op 1 april 2021 in werking getreden. Een half jaar later ging de markt voor online kansspelen open en sindsdien kunnen vergunninghouders onder voorwaarden legaal online kansspelen aanbieden. In het Besluit Koa zijn bepalingen opgenomen voor de uitvoering van de Wet Koa. In het besluit is het vergunningenstelsel voor kansspelen op afstand nader uitgewerkt en er zijn regels gesteld die betrekking hebben op het voorkomen van kansspelverslaving, de bescherming van de consument en de bestrijding van criminaliteit. De invoering van de Wet Koa heeft onder meer geleid tot aanpassingen van de regelgeving omtrent werving- en reclame-uitingen en verslavingspreventie. Vanwege de complexiteit is een vooronderzoek uitgevoerd dat zich richt op het ontwerpen van een evaluatiekader. Dit evaluatiekader biedt inzicht op onderwerpen waar de evaluatie op zou kunnen toezien, welke gegevens daarvoor gewenst zijn, en worden voorstellen gedaan over hoe en bij welke partijen deze gegevens verzameld kunnen worden. Daarnaast komen in dit vooronderzoek tevens enkele beslis- en aandachtspunten aan de orde waarmee bij de opzet van de evaluatie rekening kan worden gehouden. Er wordt in dit vooronderzoek nadrukkelijk geen blauwdruk voor de aanpak van de evaluatie gegeven. De voorstellen die we doen kunnen als input worden gebruikt voor het ontwerpen van een onderzoeksopzet voor de evaluatie van de Wet Koa. INHOUD Inleiding Beleidslogica Indicatoren Suggesties mogelijke onderzoeksmethoden Conclusies
    • Speellimieten bij online kansspelen - Een onderzoek naar ervaringen en behoeften van spelers

      Miltenburg, Ch. van; Hollander, D.; Klein Kranenburg, L.; Bouwmeester, J. (I&O Research, 2023-12-21)
      Op 1 april 2021 werd het Besluit kansspelen op afstand van kracht, waardoor het voor volwassenen (18 jaar en ouder) mogelijk werd om legaal online te gokken bij aanbieders die in het bezit zijn van een vergunning van de Kansspelautoriteit. Met de invoering van de wet zijn maatregelen genomen ter preventie van kansspelverslaving, onmatig gokgedrag en schade door online gokken. Eén van deze maatregelen is dat spelers speellimieten moeten instellen voordat zij toegang krijgen tot een platform voor online kansspelen. De doelstelling van het onderzoek is het bieden van inzicht in: hoe deelnemers aan online kansspelen de huidige praktijk van het instellen van speellimieten ervaren en benutten; de wensen en behoeften van deelnemers aan online kansspelen bij het instellen en bewaken van speellimieten; de waardering van deelnemers aan online kansspelen ten aanzien van bestaande ideeën voor aanpassing van de huidige praktijk rond het instellen en bewaken van speellimieten. INHOUD Inleiding Achtergrond: doelen en beoogde werking van speellimieten Het instellen van speellimieten Omgang met speellimieten Houding en perceptie van effectiviteit Behoefte aan informatie en ondersteuning Profiel van online kansspelers
    • Deelrapportage Gedragsinzichten bij het instellen van speellimieten - Customer Journey Analyse en Adviezen

      Baaren, R. van (Bureau Dijksterhuis en Van Baaren, 2023-12-21)
      De Wet KOA verplicht kansspelaanbieders om consumenten die online willen gokken, bij aanmelding op een kansspelwebsite limieten in te laten stellen (tijdslimiet, stortingslimiet, en saldolimiet). Ondanks het instellen van deze limieten, blijkt dat er consumenten zijn die veel geld verliezen met online gokken, mede doordat zij hun limieten (te) hoog instellen. Een mogelijke oorzaak hiervan kan zijn dat consumenten tijdens het registratieproces beïnvloedingstechnieken tegenkomen, waardoor zij hogere limieten instellen dan wanneer zij deze niet zouden tegenkomen. Om gokproblemen te voorkomen is het belangrijk dat de vormgeving van de limietenpagina's vrij is van dit soort beïnvloeding. In kaart gebracht is welke beïnvloeding consumenten op dit moment tegen kunnen komen bij het instellen van de limieten en een lijst van voorstellen en verbeteringen aan te leveren die ervoor zorgen dat consumenten passendere limieten instellen. INHOUD Leeswijzer Over het onderzoek Aanleiding en achtergrond Focus van het huidige onderzoek Onderzoeksopzet/Aanpak Bevindingen Adviezen en aanbevelingen
    • Kennisbericht alleenstaande minderjarige asielzoekers naar Nederland - Het verhaal achter de cijfers

      Kulu-Glasgow, I.; Schans, J.M.D. (WODC, 2023-12-21)
      Dit kennisbericht gaat over het toegenomen aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) dat in Nederland asiel aanvraagt. In 2022 en in 2023 lag dat aantal hoger dan in de voorgaande jaren (respectievelijk 4.205 en 4.803 (tot en met oktober). Vanuit beleid werd de wens geuit te onderzoeken waarom deze aantallen stijgen, aangezien deze verhoogde instroom veel druk legt op de opvangcapaciteit en uitvoerende instanties als COA en NIDOS. De centrale vragen van dit onderzoek zijn: Wat kan er gezegd worden over de redenen van de recente toename in de instroom van AMV’s en de veranderingen in de samenstelling van de groep? Wat zijn de redenen voor AMV’s om in Nederland terecht te komen? Is het aannemelijk dat deze redenen anders zijn voor de huidige piek dan die voor in 2015? Dit vooronderzoek is gebaseerd op inzichten uit een quick-scan van de recente literatuur en een kennistafel. INHOUD Inleiding Fluctuaties in het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen in Nederland en veranderingen in de samenstelling Mogelijke redenen waarom alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar Nederland komen Conclusies
    • Evaluatie Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit

      Kuin, M.; Raaijmakers, N.; Berg, B. van den; Nelemans, M. (medew.) (Regioplan beleidsonderzoek, 2023-12-18)
      Financieel-economische criminaliteit wordt gekenmerkt door een combinatie van relatief hoge winsten, een geringe pakkans en verhoudingsgewijs lage straffen. Om de aanpak van financieel-economische criminaliteit te intensiveren, zijn sinds 2010 meermaals gelden vanuit de overheid beschikbaar gesteld. Daarnaast is op 1 januari 2015 de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (hierna Wet Finec) in werking getreden. In de Wet Finec zijn wetswijzigingen opgenomen om de mogelijkheden tot opsporing, vervolging en preventie van financieel-economische criminaliteit te verruimen. De hoofddoelstelling van de Wet Finec is de vermindering van de maatschappelijke schade van financieel-economische criminaliteit door het beperken van de (veronderstelde) aantrekkingskracht die uitgaat van deze vorm van criminaliteit. Meer concreet is dit vertaald in drie subdoelen: Verminderen van de winsten van verschillende vormen van financieel-economische criminaliteit. Vergroten van de pakkans door verbeteren van de opsporingsbevoegdheden voor verschillende vormen van financieel-economische criminaliteit. Adequater (zwaarder) straffen door de maximumstraffen te verhogen en de strafbaarstelling van verschillende vormen van financieel-economische criminaliteit te verruimen.Om de subdoelen te bereiken is een wijziging in tien onderdelen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op economische delicten (WED) doorgevoerd. Tezamen worden deze verruimingen aangeduid als de Wet Finec: snellere beklagprocedure tegen inbeslagneming; beperking kostenaftrek; actualisatie en verzwaring strafmaat ambtelijke corruptie; strafmaatverzwaring niet-ambtelijke corruptie; verruiming strafbaarstelling niet-ambtelijke corruptie; strafmaatverzwaring witwassen; strafbaarstelling witwassen in uitvoering van beroep of bedrijf; invoering flexibel boeteplafond; verzwaring van het gewoonte maken van het overtreden van WED-strafbepalingen; strafbaarstelling misbruik van gemeenschapsgeld.INHOUD Inleiding Beleidstheorie Uitvoeringspraktijk Ontwikkeling en verruiming Samenvatting en conclusieDit onderzoek sluit aan op de nulmeting (zie link hiernaast) wetswijziging bestrijding financieel-economische criminaliteit die in 2017/2018 is uitgevoerd.
    • Update liquidaties 2022

      Meijer, R.; Liebregts, N.; Gestel, B. van (WODC, 2023-12-18)
      In het rapport Tweede verkennende studie liquidaties (zie link hiernaast) is verslag gedaan van het aantal liquidaties in Nederland van het jaar 2000 tot en met 2020 (Van Gestel & Kouwenberg, 2021). Deze notitie bevat een update van die aantallen voor het jaar 2022. We kijken in hoeverre de aantallen uit 2022 aansluiten bij het eerder geschetste beeld. Naast het aantal liquidaties, worden in deze notitie ook enkele andere kenmerken van gepleegde liquidaties beschreven zoals pleegplaats (regio) en leeftijd van slachtoffers en de relatie met drugscriminaliteit.
    • Een verkennend onderzoek naar uitsluiting van ex-leden door religieuze gemeenschappen

      Schaik, B.M. van; Janssen, J.H.J.L.; Devriendt, S.; Timmers, R.W.; Zoethout, C.M.; Abels, D.; Kolthoff, E.W. (Open Universiteit, 2023-12-14)
      Het onderzoek kent een sociaalwetenschappelijk aspect – onderzoek naar het fenomeen uitsluiting door religieuze gemeenschappen, en een juridisch aspect – verkenning van (buitenlandse) wet- en regelgeving om uitsluiting te voorkomen of anderszins ermee om te gaan. Het doel van het onderzoek is: Zicht krijgen op het fenomeen 'uitsluiting' Zicht krijgen op maatregelen tegen uitsluiting door religieuze gemeenschappen in Nederland en in andere landen Het is hierbij van belang om zicht te krijgen op het uitsluitbeleid van religieuze gemeenschappen in het algemeen en niet van specifieke religieuze gemeenschappen. Deze hoofdvragen zijn geformuleerd: Bestaat sociale uitsluiting van ex-leden van religieuze gemeenschappen? Zo ja, welke vormen van uitsluiting zijn er en hoe worden deze geformaliseerd en in de praktijk uitgevoerd? Welke gevolgen heeft uitsluiting voor diegenen die uitsluiten en diegenen die uitgesloten worden? Welke hulpbehoefte is er vanuit beide groepen? Welke (juridische) mogelijkheden zijn er in Nederland om met uitsluiting om te gaan dan wel uitsluiting te voorkomen? Welke maatregelen worden in andere landen genomen om om te gaan met uitsluiting van ex-leden dan wel uitsluiting te voorkomen? Inhoudsopgave Inleiding Het sociaalwetenschappelijk perspectief Het juridische perspectief Maatregelen inzake sociale uitsluitingsgedragingen in het buitenland Conclusie
    • Ambtelijk-bestuurlijke integriteit in Caribisch Nederland

      Abraham, M.; Girigorie, Th.; Nauta, O.; Petersen, A,; Egmond, P. van (medew.) (DSP-groep, 2023-12-14)
      In 2015 publiceerde de Raad voor de Rechtshandhaving (hierna: de Raad) een onderzoeksrapport over de infrastructuur voor corruptiebestrijding op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de BES-eilanden). Aanleiding voor dit onderzoek waren serieuze signalen van corruptie in Caribisch Nederland1, met name op Bonaire. Het rapport constateerde dat er stevige aanwijzingen zijn voor een toename van het aantal gevallen, maar dat een concreet beeld over de precieze aard en omvang van ambtelijke corruptie ontbreekt omdat dat dat buiten de scope van het raadsonderzoek viel. Eén van de centrale aanbevelingen van de Raad aan de minister van Justitie en Veiligheid (JenV) was dan ook om corruptie op de BES-eilanden beter in beeld te brengen zodat concrete acties kunnen worden geformuleerd ter bestrijding ervan. De centrale vraagstelling van dit onderzoek luidt: Welke vormen van ambtelijk-bestuurlijke integriteitsschendingen komen voor op de BES-eilanden? Welke factoren hangen samen met deze schendingen? Hoe wordt beleid ter bestrijding van integriteitsschendingen vormgegeven en welke mogelijkheden bestaan er voor verdere ontwikkeling van het beleidsinstrumentarium? INHOUD Inleiding Methodologische verantwoording Ambtelijk-bestuurlijke integriteitsschendingen: aard en risicofactoren Ambtelijk-bestuurlijke integriteitsschendingen in Caribisch Nederland Risicofactoren Infrastructuur integriteit Doorontwikkeling infrastructuur integriteit Conclusies