Now showing items 1-20 of 3122

    • Nieuwe meting modernisering kansspelbeleid

      Kruize, A.; Snippe, J.; Muijnck, J. de (Breuer & Intraval, 2021-12)
      De wet Kansspelen op afstand (Wet Koa) is op 1 april 2021 in werking getreden. Een half jaar na de inwerkingtreding van de wet, op 1 oktober 2021, gaat de onlinemarkt open. De doelstellingen van het kansspelbeleid zijn onveranderd, het gaat nog steeds om: voorkomen van kansspelverslaving, het tegengaan van fraude, witwassen en overige criminaliteit en het beschermen van consumenten. Met de invoering van de Wet Koa zijn aan het toegestane aanbod strikte(re) regels en voorwaarden gesteld – met name ten aanzien van kansspelverslaving -, terwijl op de naleving daarvan effectief toezicht kan worden gehouden. Spelers dienen zo veel mogelijk naar dit gereguleerde aanbod te worden geleid (kanalisatie). De komende jaren wil het kabinet de gevolgen van de openstelling van de onlinemarkt voor de doelstellingen van het kansspelbeleid evalueren. De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt: ‘Wat is in 2020 de omvang van de deelname aan (legale en illegale) kansspelen in Nederland en de stand van de indicatoren voor de drie beleidsdoelen, in totaal (de gehele Nederlandse bevolking) en voor specifieke groepen daarbinnen?’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Deelname en speelgedrag 3. Vergunninghouders casinospelen 4 Vergunninghouders speelautomaten 5. Loterijen en sportweddenschappen 6. Kansspelen op afstand 7. Doelrealisatie kansspelbeleid
    • Afzonderlijke behandeling vordering benadeelde partij - Financiële consequenties voor de Staat van toepassing Voorschotregeling

      Dantzig, L.A. van; Kuipers, J.P.; Rij, J.C. van; Akkermans, A.J. (medew.) (Cebeon, 2021-12)
      Het beoogde nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat de mogelijkheid om complexe vorderingen tot schadevergoeding van slachtoffers van een gewelds- of zedenmisdrijf als benadeelde partijen af te splitsen van de hoofdzaak en in een afzonderlijke procedure in het strafrecht te behandelen.1 Aanleiding hiervoor is dat in de huidige situatie de strafrechter een civiele vordering van de benadeelde partij niet behandelt, als dit naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij krijgt in dat geval geen schadevergoeding toegewezen in het strafproces. Weliswaar staat de weg naar de civiele rechter dan nog open, maar een civiele procedure kent drempels die er in de strafprocedure niet zijn.2 Afzonderlijke behandeling in een aparte schadevergoedingskamer zou behandeling in het strafproces alsnog mogelijk moeten maken, waardoor de voordelen voor het slachtoffer van strafrechtelijke behandeling blijven bestaan. De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat zijn, volgens een beredeneerde schatting, de jaarlijkse publieke kosten van het toevoegen van de voor-schotregeling aan de afzonderlijke behandeling vordering benadeelde partij, zoals opgenomen in het concept nieuwe Wetboek van Strafvordering? INHOUD: 1. Inleiding 2. Problematiek niet-ontvankelijke vorderingen 3. Huidige praktijk: voeging en ontvankelijkheid 4. Toekomst: afzonderlijke behandeling 5. Voorschotregeling
    • Het Civil Resolution Tribunal - Een eerste verkenning

      Geurts, T.; Teeuwen, G. (WODC, 2021-11-29)
      Het Civil Resolution Tribunal (CRT) is een geschilbeslechtingsinstantie voor burgers en bedrijven in Brits-Columbia, een provincie van Canada. Het betreft een door de overheid ingestelde voorziening in het civielrechtelijke domein voor het behandelen van wat we in Nederland ‘handelszaken’ zouden noemen. De procedure verloopt in principe volledig digitaal en vervangt de procedure bij de rechtbank. De gedachte achter de instantie is dat het de toegang tot professionele geschilbeslechting eenvoudiger maakt. Daarnaast zouden geschillen sneller, voordeliger, informeler en flexibeler kunnen worden opgelost door middel van een overeenkomst tussen partijen en, waar nodig, een beslissing van het tribunaal. De meerwaarde van dit systeem voor de Nederlandse context is echter niet zonder meer duidelijk. Het onderhavige onderzoek beoogt inzicht te geven in de ontstaansgeschiedenis van dit geschilbeslechtingstribunaal en in kaart te brengen wat de mogelijke voor- en nadelen zijn van invoering van een soortgelijk systeem in Nederland. De volgende vier onderzoeksvragen staan in dit onderzoek centraal: 1. Wat is de ontstaansgeschiedenis van het CRT-systeem? 2. Wat zijn de kenmerken van het CRT-systeem? 3. Welke voor- en nadelen van (elementen van) het CRT-systeem worden in de rechtswetenschappelijke literatuur genoemd in de periode 2012 tot en met medio 2020? 4. Hoe verhoudt het CRT-systeem zich tot de Nederlandse context? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Ontstaansgeschiedenis van het CRT, 3. Kenmerken van het CRT-systeem, 4. Voor- en nadelen van het CRT-systeem, 5. Vergelijking met Nederland, 6. Samenvatting en conclusie.
    • Multiple Systems Estimation Slachtoffers Mensenhandel Nederland 2016-2019

      Dijk, J. van; Cruyff, M.; Heijden, P. van der (Tilburg University, 2021-11-29)
      De probleemstelling van het onderzoek is in de opdrachtverlening als volgt omschreven: 1. ‘Schat het aantal slachtoffers van mensenhandel in Nederland in de jaren 2016 tot en met 2019, uitgesplitst naar type mensenhandel, sekse, minderjarige of meerderjarige leeftijd en herkomst uit Nederland of daarbuiten. 2. Maak daarbij gebruik van de Multiple Systems Estimation methode en de databronnen die ook bij de eerdere mensenhandel schattingen uit 2017 zijn toegepast. Geef aan welke onzekerheden aan de schattingen zijn verbonden en ga in op eventuele mogelijkheden voor verbetering van de schatting. 3. Breng door vergelijking van de nieuwe schattingen met de eerdere schattingen de ontwikkeling van het slachtofferschap van mensenhandel in beeld. Probeer het verloop van de schattingen over de jaren 2010-2019 te verklaren en een indicatie te geven van de te verwachten ontwikkeling.’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Het CoMensha-bestand 3. De MSE-analyse 4. Uitkomsten: de geschatte aantallen slachtoffers mensenhandel 5. Discussie en aanbevelingen
    • Op koers of kansen gemist?

      Woestenburg, N.; Geertsema, B.; Roest, S.; Struiksma, N.; Struijk, S. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2021-11-19)
      Het programma Koers en Kansen is gestart in 2015 met een toekomstverkenning voor de sanctie-uitvoering met als doel een visie voor deze uitvoering in brede zin, waarbij de doelen van vergelding en resocialisatie centraal staan. Het overkoepelend doel van het programma Koers en Kansen is om tot effectieve sancties te komen, nu en in de toekomst. Binnen het programma Koers en Kansen voldoen vijf projecten aan deze definitie en daarom worden in deze procesevaluatie de volgende projecten meegenomen: I Wijkrechtbank Eindhoven, II Vonnisvoorstel en versnelde rechterlijke interventie. III Verbinding Proeftuin Ruwaard, IV Omgevingsadvies Jeugd, V Toezichtrechter OM. Het project Toezichtrechter bleek bij de uitvoering van dit onderzoek nog niet gestart en kon om die reden niet mee worden genomen. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Wat zijn op lokaal, regionaal en landelijk niveau de ervaringen van ketenpartners inzake de projecten binnen Koers en Kansen die zijn gericht op de behandeling en afdoening van strafzaken? Wat beschouwen de betrokken ketenpartners als de werkzame elementen en mechanismen van de projecten en welke impact ervaren zij hiervan?
    • LHBTI's, bekeerlingen en religieverlaters in de asielopvang

      Berg, M. van den; Dinmohamed, S.; Ganzevoort, R.; Klaver, J.; Mack, A. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-11-19)
      Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van asielzoekers en probeert voor alle vreemdelingen die op een COA-locatie verblijven een goede leefomgeving te creëren. Voor sommige kwetsbare groepen in de opvang is extra aandacht in de begeleiding, waaronder LHBTI’s, bekeerlingen en religieverlaters. In de afgelopen jaren zijn met enige regelmaat signalen gekomen van intimidatie en geweld tegen LHBTI en bekeerlingasielzoekers op de opvangcentra. Om de opvang en begeleiding van deze groepen te verbeteren, willen het ministerie van Justitie en Veiligheid en het COA inzicht krijgen in wat er beter kan voor deze groepen. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: hoe is de huidige COA-opvang en -begeleiding van LHBTI’s en bekeerlingen en religieverlaters ingericht, hoe verloopt de uitvoering, wat zijn de ervaringen van diverse betrokkenen en waar liggen mogelijkheden tot verbetering?
    • De rol en positie van het openbaar ministerie als justitiële autoriteit in Europees strafrecht - Een verkennende studie naar een toekomstbestendige vormgeving van de rol en de positie van het openbaar ministerie in de EU-brede justitiële samenwerking in strafzaken

      Ouwerkerk, J.W.; Lestrade, S.M.A.; Pitcher, K.M.; Crijns, J.H.; Voorde, J.M. (Universiteit Leiden - Instituut voor Strafrecht & Criminologie, 2021-11-16)
      In dit onderzoek beantwoorden we de volgende onderzoeksvraag: Welke verschillende opties kunnen worden onderscheiden om de rol en positie van het openbaar ministerie als bevoegde autoriteit bij de uitvaardiging en uitvoering van verzoeken tot strafrechtelijke samenwerking in EU-verband (in het bijzonder Europees aanhoudingsbevel en Europees onderzoeksbevel) in overeenstemming te doen zijn met de vereisten die voortvloeien uit relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, en hoe moet elke optie afzonderlijk worden gewaardeerd in het licht van zowel inhoudelijke als praktische consequenties?
    • Webharvesting

      Senftleben, M.R.F.; Gompel, S.J. van; Helmond, A.; Schumacher, L.D.; Ausloos, J.; Hoboken, J.V.J. van; Quintais, J.P. (Universiteit van Amsterdam - Instituut voor Informatierecht (IVIR), 2021-11-11)
      Aan het volgende onderzoeksrapport ligt de doelstelling ten grondslag om te inventariseren wat juridisch, beleidsmatig en technisch nodig is om webharvesting mogelijk te maken, onder meer in de vorm van een zogenaamde nationale “domeincrawl”: het systematische kopiëren en archiveren van webpagina’s die een afspiegeling vormen van de Nederlandse sociale, culturele, economische, juridische, politieke en wetenschappelijke geschiedenis online. INHOUD: 1. Inleiding: probleemstelling en onderzoeksopzet 2. Nationale domeincrawl: harvestingplannen 3. Juridisch kader voor webharvesting in Nederland 4. Juridisch kader voor webharvesting in het buitenland 5. Overzicht van beleidsopties 6. English summary
    • Evaluatie PNR-Wet

      Irion, K.; Es, R. van; Meeren, K. van der; Dijkman, D. (Universiteit van Amsterdam - Instituut voor Informatierecht (IViR), 2021-11-09)
      Op 18 juni 2019 is de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (PNR-wet) in werking getreden. Deze wet verplicht de luchtvaartmaatschappijen om passagiersgegevens van elke vlucht die in Nederland vertrekt of aankomt te verstrekken aan de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). De Pi-NL mag krachtens deze wet verzamelde passagiersgegevens uitsluitend verwerken voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit. Met de aanname van de PNR-wet voldoet de Nederlandse wetgever aan zijn plicht om de EU-richtlijn 2016/681 (PNR-richtlijn) te implementeren. Dit onderzoek vervult de verplichting uit artikel 25 van de PNR-wet dat twee jaar na de inwerkingtreding van de wet een evaluatie dient plaats te vinden van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Deze evaluatie is ook gericht op de naleving van de privacywaarborgen en op de verwerking van passagiersgegevens van intra-EU-vluchten. De periode waarop deze evaluatie betrekking heeft, loopt van de inwerkingtreding van de wet op 18 juni 2019 tot 5 juli 2021. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het wettelijk kader met betrekking tot PNR-gegevens 3. Het gebruik van de PNR-wet in cijfers 4. De rol van de passagiersgegevens in het werk van de opsporingsdiensten 5. Compliance met geldende privacynormen PNR-wet 6. Doeltreffendheid, noodzakelijkheid en evenredigheid verzameling intra-EU-passagiersgegevens 7. Bevindingen
    • Toepassingen van de Wet langdurig toezicht in 2017-2020 - Een eerste verkenning

      Nagtegaal, M.H.; Kool, J.K. (medew.); Fechner, E.A.E. (medew.) (WODC, 2021-10-29)
      Sinds 2018 is de Wet langdurig toezicht (Wlt) volledig in werking getreden, waarmee langer toezicht kan worden gehouden op (ex-)veroordeelden (Staatsblad, 2015, 2016). Het doel hiervan is het voorkomen van recidive van zeden- en zware geweldsdelinquenten met een gevangenisstraf en/of een maatregel terbeschikkingstelling (tbs). Hiervoor zijn drie wetswijzigingen doorgevoerd. Dit rapport laat de resultaten van de eerste monitor-ronde zien, met daarin een analyse van de toepassingen van de Wlt in 2017-2020. Het doel van de monitoring is om de werking van de Wlt in kaart te brengen en om eventuele wijzigingen aan te brengen, mocht dat nodig zijn. De wet omvat zoals gezegd drie onderdelen.1 Het eerste is het vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging (VB) van het bevel tot verpleging van overheidswege bij de tbs-maatregel. Het tweede onderdeel van de Wlt betreft twee wijzigingen in de proeftijd van de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van veroordeelden tot een gevangenisstraf. Het derde onderdeel van de Wlt is de introductie van een zelfstandige toezichtmaatregel, de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel. Dit is een toezichtmaatregel waarbij voorwaarden worden opgelegd aan de betrokkenen, zoals het verplicht volgen van een behandeling, of een locatie- of gebiedsverbod. INHOUD: 1. Inleiding 2. Voorwaardelijke beëindiging van de tbs-maatregel 3. Voorwaardelijke invrijheidstelling 4. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel 5. Slot
    • Wet langdurig toezicht - Procesevaluatie

      Buysse, W.; Piepers, N.; Swami-Persaud, A.; Meijer, S. (medew.) (DSP-groep, 2021-10-29)
      Een nieuwe wet die langdurig toezicht, behandeling en monitoring van ex-gedetineerden en tbs-gestelden regelt – de Wet langdurig toezicht trad op 1 januari 2018 volledig in werking. Een deel van de Wlt was al in 2017 in werking getreden. Het doel van de Wlt is het terugdringen van recidive en het vergroten van de maatschappelijke veiligheid door effectiever toezicht te houden op zeden- en zware geweldsdelinquenten en tbs-gestelden (Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3, p. 1) . Met effectiever toezicht wil de wetgever bijdragen aan de belangrijkste doelen van het nieuwe stelsel van forensische zorg, namelijk herstel van de patiënt en de verdere vermindering van recidive ten behoeve van de veiligheid van de maatschappij (Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p.10). In deze procesevaluatie staat de volgende onderzoeksvraag centraal: Hoe is de implementatie van de Wlt verlopen, hoe verloopt de uitvoering van onderdelen van de Wlt en hoe ervaren de betrokkenen (ketenpartners en gedetineerden) de nieuwe mogelijkheden/ instrumenten die de wet biedt? INHOUD: 1. Inleiding 2. Implementatie 3. Ongemaximeerde 'voorwaardelijke beëindiging' in de praktijk 4. Proeftijd 'voorwaardelijke invrijheidstelling' in de praktijk 5. Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende maatregel in de praktijk 6. Conclusies en aanbevelingen
    • Effect van COVID-19 op de strafrechtketen

      Moolenaar, D.; Choenni, S. (WODC, 2021-10-18)
      Hoewel het verleidelijk is om de hele afname van de productie en de voorraadproblematiek aan COVID-19 te wijten, is de vraag of dit terecht is. De hoofdvraag van dit rapport is dan ook wat het netto-effect van COVID-19 op de strafrechtketen is geweest? In dit rapport beoordelen we het effect van de COVID-19-maatregelen op de criminaliteit en de strafrechtketen. Ten eerste wordt het effect van COVID-19 op criminaliteit ingeschat door middel van een tijdreeksanalyse op criminaliteitsgegevens, resulterend in een aantal geschatte tijdreeksmodellen. Ten tweede wordt met de geschatte modellen een voorspelling zonder COVID-19-effecten gemaakt, die vervolgens wordt afgezet tegen de werkelijke criminaliteit in 2020 en 2021. Tot slot worden met het Prognosemodel Justitiële Ketens de langetermijneffecten van het kleinere aantal verdachten, verschuivingen binnen delictcategorieën, het inhalen van de achterstanden bij de rechtbanken en de gewijzigde economische ontwikkelingen op de rest van de strafrechtketen bepaald.
    • Criminaliteit en rechtshandhaving 2020 - Ontwikkelingen en samenhangen

      Meijer, R.F. (red.); Moolenaar, D.E.G. (red.); Choenni, R. (red.); Braak, S.W. van den (red.) (WODC, 2021-10-18)
      De publicatie Criminaliteit en rechtshandhaving brengt ontwikkelingen in en samenhangen tussen criminaliteit en rechtshandhaving in kaart. Deze 19e editie richt zich daarbij met name op de periode 2010 tot en met 2020. Deze editie staat weer boordevol informatie over de aard en omvang van de criminaliteit in Nederland, welk deel hiervan wordt opgespoord, de strafrechtelijke reactie die justitie hierop heeft, de tenuitvoerlegging van opgelegde sancties en ontwikkelingen die zich hierin hebben voorgedaan. Verder worden de uitgaven gemoeid met sociale veiligheid beschreven. Ten slotte is er aandacht voor de ontwikkelingen in internationaal perspectief. C&R is oorspronkelijk door WODC en CBS opgezet. Sinds 2011 werkt de Raad voor de rechtspraak aan deze publicatie mee en in de onderhavige editie C&R 2020 ook de politie en het Openbaar Ministerie, waardoor de expertise verder is verbreed. C&R 2020 omvat de strafrechtsketencijfers inclusief het eerste jaar van de COVID-19-pandemie. C&R beschrijft de ontwikkelingen in de vorm van jaarcijfers. Wat zich qua ontwikkelingen afspeelt in de afzonderlijke maanden binnen het jaar blijft daarmee buiten beeld. Mogelijke verbanden met COVID-19 komen alleen aan de orde voor zover daar voldoende aanwijzingen voor zijn. Een parallel aan deze editie te verschijnen WODC-publicatie (zie: link hiernaast) gaat meer in detail in op het effect van de COVID-19-pandemie op de criminaliteit en de strafrechtsketen. De publicatie 'Criminaliteit en rechtshandhaving 2020' is ook terug te vinden op de websites van het CBS en de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast is de publicatie beschikbaar op het digitale platform www.criminaliteitinbeeld.nl, een initiatief gedragen door het WODC, het CBS, de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie. Een overzicht van vorige edities van C&R is te vinden op de speciale webpagina 'Criminaliteit en rechtshandhaving' (zie: link hiernaast). INHOUD: 1. Inleiding 2. Het Nederlandse strafrechtsysteem 3. Criminaliteit en slachtofferschap 4. Misdrijven en opsporing 5. Vervolging 6. Berechting 7. Tenuitvoerlegging van sancties 8. De strafrechtsketen in samenhang 9. Overtredingen 10. Uitgaven aan sociale veiligheid 11. Nederland in internationaal perspectief
    • Opsporen, vervolgen en tegenhouden van cybercriminaliteit

      Eeden, C.A.J. van den; Berkel, J.J. van; Lankhaar, C.C.; Poot, C.J. de (WODC, 2021-10-18)
      Het doel van dit onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de aanpak van geavanceerde vormen van cybercriminaliteit door politie en OM. Daarnaast is gekeken in hoeverre het opsporingsonderzoek bijdroeg aan een betere informatiepositie jegens (in het online domein vaak anonieme) verdachten en hun modus operandi en hoe deze informatie kon worden gebruikt om acties te verrichten, die niet alleen gericht zijn op opsporing en vervolging van verdachten maar ook op het tegenhouden van illegale online activiteiten. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. De integrale aanpak van cybercriminaliteit door politie en OM, 4. Opsporingsonderzoeken naar cybercriminaliteit, 5. Publiek-private samenwerking, 6. Dilemma’s bij de aanpak van cybercriminaliteit, 7. Slotbeschouwing.
    • State-of-the-art onderzoek Statelijke Dreigingen - Eindrapport

      Frerks, G.; Eckeveld, M. van; Koeleman, S.; Kool, M.; Palm, T.; Sanders, D.; Vane, E. (War Studies Research Center – Faculteit Militaire Wetenschappen, Nederlandse Defensie Academie, 2021-10-14)
      De doelstelling van het onderhavige onderzoek is om een eerste literatuurscan te maken van het wetenschappelijke onderzoeksveld van statelijke dreigingen, de onderwerpen die daarbinnen aan de orde komen, de onderbelichte onderwerpen waarvan wordt gesuggereerd dat zij meer aandacht verdienen en de status van de literatuur (omvang en zo mogelijk kwaliteit). In dit onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 1. Welke onderwerpen op het gebied van statelijke dreigingen zijn volgens de onderzoekers in welke mate van belang, in welke mate onderzocht, en met welke kwaliteit? 2. Vallen deze onderwerpen binnen het aandachtsgebied van de NCTV? 3. Hoe kunnen deze onderwerpen in fase 2 worden onderzocht? 4. Welke onderzoeksvragen voor fase 2 komen naar voren? Het onderzoek in uitgevoerd in drie stappen: selectie, screening en analyse van de literatuur. In totaal zijn 2905 wetenschappelijke artikelen afkomstig uit 19 tijdschriften en 29 special issues gescreend hetgeen 1000 artikelen opleverde die relevante informatie over statelijke dreigingen bevatten. Deze artikelen zijn verder geanalyseerd op dreigingssubject, -object en -mechanisme. INHOUD: 1. Inleiding, probleemstelling en onderzoeksvragen 2. Methode van onderzoek en werkwijze 3. Hoofdbevindingen 4. Beantwoording van de onderzoeksvragen 5. Deelstudies Dreigingsmechanismen
    • Jeugd(beschermings)recht en vreemdelingenrecht - Een juridisch-empirische analyse

      Nissen, L.L.M.; Sportel, I.D.A.; Huijer, J.; Terlouw, A.B.; Zwaan, K.; Butter, T.; Glasgow, Y. (Radboud Universiteit Nijmegen - Centrum voor Migratierecht (CMR), 2021-10-13)
      Aanleiding voor dit onderzoek vormden spanningen die kunnen bestaan tussen het (jeugd)beschermingsrecht en het vreemdelingenrecht, zoals deze bijvoorbeeld naar voren zijn gekomen in de gebeurtenissen omtrent de casus van de Armeense kinderen.1 Het onderzoek bestond uit twee delen 1) de algemene wettelijke kaders en beleidskaders; 2) de knelpunten in de praktijk, met een nadere uitwerking van wettelijke en beleidsnormen in (een selectie van) deze knelpunten. Het onderzoek had als doel inzicht te bieden in (de combinatie van) het jeugd(beschermings)recht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen. Er is onderzocht waar spanningen of knelpunten tussen beide rechtsgebieden optreden, zowel op het niveau van wet- en regelgeving als in de uitvoeringspraktijk. Daarbij is onder meer bekeken of, en zo ja in hoeverre, rechtsnormen uit het ene rechtsgebied prevaleren over rechtsnormen uit het andere rechtsgebied. Waar het prevaleren van rechtsnormen niet op heldere wijze uit de wet- en regelgeving voortvloeit, zijn andere (praktijkgerichte) oplossingsrichtingen verkend. De probleemstelling van het onderzoek luidt: Welke zijn de (potentieel) conflicterende en/of spanningsvolle onderdelen of aspecten in de wet- en regelgeving voor het jeugdbeschermingsrecht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen, zowel op het niveau van de wet- en regelgeving als voor de uitvoering in de praktijk en in hoeverre blijkt uit de wet- en regelgeving welk recht prevaleert? Hoe kunnen de (ervaren) spanningen en conflicten worden opgelost in situaties waarin niet uit de wet- en regelgeving blijkt welk recht prevaleert en wat is hiervoor nodig? INHOUD: 1. Introductie 2. Jeugd(beschermings)recht: relevante regelgeving en de rol van jeugdrechtelijke instanties 3. De positie van het kind in het vreemdelingenrecht 4. Kernbevoegdheden en taken van gecertificeerde instellingen, RvdK, IND en DT&V 5. Tussenconclusies en beantwoording van deelvragen 6. De uiteenlopende juridische posities van kinderen die wel, en kinderen die niet onder toezicht zijn gesteld 7. Duurzame oplossingen voor uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen: adequate opvang, buitenschuld en de rolverdeling tussen de betrokken actoren 8. Conclusies
    • Kosten en bereik van het waarschuwings- en alarmeringssysteem - Een analyse van het WAS vanuit het denkkader van een MKBA

      Korf, W.; Nijhof, W.; Rij, C. van (Cebeon, 2021-10-13)
      De overheid heeft de plicht om, in geval van een ramp of crisis, de burger informatie te verschaffen over de oorsprong, de omvang en de gevolgen van de ramp of crisis die een gebied bedreigt of treft, alsmede over de daarbij te volgen gedragslijn. Om aan deze verplichting te voldoen, is het noodzakelijk zoveel mogelijk burgers te alarmeren en informeren. Op dit moment kunnen twee landelijke systemen worden ingezet in het geval van een ramp of crisis: het WAS (Waarschuwings- en Alarmeringssysteem) en NL-Alert. Daarnaast heeft het lokale/regionale gezag nog andere crisiscommunicatiemiddelen tot haar beschikking, zoals lokale/regionale rampenzenders op radio en tv, het publieksinformatienummer 0800–1351, www.crisis.nl, eigen websites, sociale media en/of geluidswagens. De minister van Justitie en Veiligheid is sinds 2014 voornemens het WAS uit te faseren. De minister heeft hiervoor twee redenen aangegeven1. Ten eerste heeft het WAS slechts een beperkte operationele waarde, aangezien er geen informatie over de situatie of alternatief handelingsperspectief kan worden verstrekt. Ten tweede is het bereik van NL-Alert hoger dan het bereik van het WAS. De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat is de toegevoegde waarde van het WAS in verhouding tot de lasten ervan en in vergelijking met de baten en lasten van andere crisiscommunicatiemiddelen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nulalternatief en beleidsalternatieven 3. Bouwstenen voor inschatting kosten 4. Inschatting baten: bereik van WAS en NL-Alert 5. Overzicht van kosten en baten (beantwoording onderzoeksvragen)
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Verslag over de periode 2008-2020

      Verweij, S.; Tollenaar, N.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2021-10-11)
      Het WODC brengt periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten gepleegd in Nederland waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende onderzoeksgroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende onderzoeksgroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2008 tot en met 2017 een strafzaak is afgedaan met een geldige afdoening. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassenenstrafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van personen die van 2008 tot en met 2017 zijn vrijgekomen uit een PI of JJI. Voorts wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2012 tot en met 2017 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of die een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Nieuw in deze rapportage is dat er ook specifiek gekeken wordt naar volwassen daders die onder meer een financiële sanctie opgelegd hebben gekregen van het OM of de rechter. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: 1. 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld, zijn vrijgekomen uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? 2. Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen over de tijd: - welk deel kwam binnen twee jaar opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per recidivist per jaar (frequentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per 100 daders per jaar (omvang)? - welke typen recidivedelicten werden gepleegd binnen twee jaar (soort recidive)? 3. Hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de geschiedenis? 4. Welke financiële sancties werden in 2017 aan volwassen daders opgelegd: - welk deel van de daders kreeg te maken met financiële sancties en om welke typen financiële sancties ging het daarbij? - met welke straffen werden deze financiële sancties gecombineerd? 5. Wat is het recidivebeeld na geldboetes (opgelegd door het OM of de rechter) of de transactie geldsom bij volwassen daders: - welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie) en in hoeverre komt dit overeen met de voorspelde recidive op basis van achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? - hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie.
    • Evaluatie ANPR-wetgeving 126jj Wetboek van Strafvordering - De wet 'vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie' geëvalueerd

      Berkel, J.J. van; Uden, A. van; Poot, C.J. de; Eeden, C.A. van den (medew.) (WODC, 2021-10)
      Op 1 januari 2019 is de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ in werking getreden. Op basis van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (in de rest van het rapport aangeduid als 126jj) is het voor de politie mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s kentekengegevens van passerende voertuigen te registreren en op te slaan voor een periode van 28 dagen. Deze gegevens kunnen gedurende deze periode worden ingezien ten behoeve van de opsporing van een misdrijf of van voortvluchtige personen. De wet bevat een evaluatie- en horizonbepaling. De bevoegdheid is in beginsel voor drie jaar van kracht, tenzij bij Koninklijk Besluit anders wordt besloten. Mede op basis van de onderhavige evaluatie wordt bepaald of de bevoegdheid zal worden gehandhaafd. De evaluatie is gebaseerd op twee monitorrapportages. Het eerste monitorrapport verscheen in 2020 (zie: link hiernaast) en het tweede monitorrapport is gelijktijdig met de onderhavige evaluatie verschenen (zie: link hiernaast). De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Op welke wijze wordt bij de opsporing van strafbare feiten gebruikgemaakt van kentekens die op basis van de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ worden opgeslagen en welke rol spelen deze gegevens in de opsporing? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond van de wet 3. Plaatsing en inzet van camera's 4. Vastlegging, raadpleging en verstrekking gegevens 5. Effecten van de wet 6. Conclusie.
    • Tweede monitorronde evaluatie ANPR-wetgeving 126jj Wetboek van Strafvordering - De wet 'vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie' twee jaar in werking

      Berkel, J.J. van; Uden, A. van; Poot, C.J. de; Eeden, C.A. van den (medew.); Lankhaar, C.C. (medew.) (WODC, 2021-10)
      Op 1 januari 2019 is de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’1 in werking getreden. Op basis van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (in de rest van het rapport aangeduid als 126jj) is het voor de politie mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s kentekengegevens van passerende voertuigen te registreren en op te slaan voor een periode van 28 dagen. Deze gegevens kunnen gedurende deze periode worden ingezien ten behoeve van de opsporing van een misdrijf of van voortvluchtige personen. De wet bevat een evaluatie- en horizonbepaling. De bevoegdheid is in beginsel voor drie jaar van kracht, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt besloten. Op basis van de evaluatie wordt bepaald of de bevoegdheid zal worden gehandhaafd. De uiteindelijke evaluatie (zie: link hiernaast) is gebaseerd op twee monitorrapportages. Het onderhavige onderzoek betreft het tweede monitorrapport en richt zich vooral op nieuwe elementen die in het eerste monitorjaar niet waren belicht zoals de uitvoering van de wet door de Koninklijke Marechaussee (KMar), de afhandeling van internationale verzoeken en een nieuwe selectie van opsporingszaken waarin gebruik is gemaakt van 126jj. Het eerste monitorrapport verscheen in 2020 (zie: link hiernaast). De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt: Op welke wijze wordt in de opsporing gebruikgemaakt van kentekens die op basis van de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ worden opgeslagen en welke rol spelen deze gegevens in de opsporing? INHOUD: 1. Inleiding 2. ANPR-camera's in het kader van 126jj 3. 126jj in de praktijk 4. Opsporingsproces 5. Conclusie