Now showing items 1-20 of 3095

    • Verkenning naar aanpak bestrijding van veelplegers van faillissementsfraude

      Beke, M.; Swart, L. de; Hoog, G. op 't; Ritmeester, Y.; Kabki, A.; Ortiz Aldana, F.; Bollen, W. (Ecorys, 2021-09-27)
      Om beter inzicht te verkrijgen in de aard en omvang van de groep van veelplegers in de faillissementsfraude en hun modus operandi, is onderzoek uitgevoerd naar deze groep. Tevens heeft deze studie tot doel om inzichtelijk te maken op welke wijze veelplegers van faillissementsfraude momenteel door de verschillende actoren betrokken in de aanpak worden bestreden en hoe die aanpak kan worden verbeterd. Hierbij wordt met name aandacht besteed aan de (on)mogelijkheden van proactief signaleren en volgen van individuele veelplegers binnen de kaders van de rechtstaat. Hiertoe staan de volgende twee hoofdvragen centraal: Hoofdvraag 1 : In hoeverre zijn er mogelijkheden om beroepsfraudeurs c.q. veelplegers in de faillissementsfraude te detecteren en het risico op recidive vroegtijdig te kunnen signaleren? Hoofdvraag 2: Hoe kan de huidige aanpak van veelplegers van faillissementsfraude worden verbeterd als het gaat om detectie, interventies, samenwerking, informatiedeling en wetgeving? INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridisch kader en beleidstheorie 3. Veelplegers van faillissementsfraude 4. Omvang van de groep veelplegers van faillissementsfraude 5. Actoren en hun rol in de aanpak 6. Conclusie
    • Een onzekere toekomst - Kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van afgewezen (ex-)alleenstaande minderjarige vreemdelingen en opvangouders met toekomstige begeleiding

      Kulu-Glasgow, I.; Meer, M. van der; Smit, M.; Noyon, S.M. (WODC, 2021-09-24)
      In 2016 werd een nieuw opvangmodel voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) van kracht. Het model wordt gekenmerkt door kleinschaligheid en begeleiding naar toekomstperspectief: jongeren van wie de asielaanvraag is ingewilligd en jongeren van wie deze is afgewezen worden, anders dan de situatie onder het oude model, apart opgevangen. Het onderhavige onderzoek had als doel meer zicht te krijgen op hoe AMV’s wier asielverzoek is afgewezen de begeleiding onder het nieuwe opvangmodel ervaren en wat hun ideeën zijn over de toekomst. De onderzoeksvragen luidden: 1. Wat zijn de ervaringen van jongeren van wie de asielaanvraag is afgewezen met de opvang en de (toekomstgerichte) begeleiding? 2. Past de begeleiding die ze krijgen bij hun behoeften? 3. Wat zijn hun ideeën over de toekomst (o.a. m.b.t verblijf in Nederland of terugkeer naar het land van herkomst)? INHOUD: 1. Inleiding, 2. AMV's en ex-AMV's over KWV's, mentoren en voogden, 3. Begeleiding in opvanggezinnen, 4. Conclusies
    • Halt voor jongvolwassenen - Evaluatie pilot Halt 18+

      Lünnemann, K.; Wildt, R. de; Anholt, R.; Compagner, M. (Verwey-Jonker Instituut, 2021-09-20)
      In de periode november 2019 - maart 2021 hebben 64 jongvolwassenen (bijna allemaal in de leeftijd van 18 of 19 jaar) een Halt-afdoening gekregen. Dit aantal is beneden de verwachtingen, (mogelijk) door coronamaatregelen en onbekendheid van de pilot bij politie en het Openbaar Ministerie. Uit het onderzoek blijkt dat betrokkenen bij de pilot voorstander zijn van de mogelijkheid van een Halt-afdoening (als pedagogische interventie) voor jongvolwassen delictplegers. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de Halt-interventie voor jongvolwassenen bij voortzetting doorontwikkeling behoeft. INHOUD: 1. Inleiding 2. Implementatie en uitvoering van de pilot 3. Jongvolwassenen en hun sociale context 4. Werkzame elementen interventies jongvolwassenen 5. Halt 18+ meer dan een pilot? 6. Samenvatting en conclusie 7. Summary 8. Literatuur
    • Evaluatie projecten 'Detentie lokaal en flexibel

      Kuin, M.; Verbeek, E.; Mulder, E.; Homburg, G. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-09-17)
      Het doel van dit onderzoek is om de vijf projecten, gericht op lokale en flexibele detentie, te evalueren en te ondersteunen in hun doorontwikkeling, en om een basis te leggen voor een toekomstige effect-evaluatie. Concreet biedt het onderzoek: - inzicht in de gestelde doelen, opzet en werkzame elementen van de vijf projecten; - (tussentijdse) suggesties ter verbetering en doorontwikkeling van de projecten; - indicatoren voor een toekomstige proces- en effectevaluatie van de projecten; - inzicht in de realisatie, knelpunten, succesfactoren en leerpunten van de projecten. Het onderzoek bestaat uit twee onderdelen: A. De planevaluaties en indicatoren voor toekomstige evaluaties. B. Evaluatie van de realisatie en leerpunten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Planevaluaties 3. Evaluatie realisatie en leerpunten 4. Samenvatting en conclusies
    • De positie van concurrente schuldeisers in faillissement - Een verkennend onderzoek naar de positie van concurrente (mkb-)schuldeisers in faillissement en de mogelijkheden deze te verbeteren

      Karapetian, A.; Lennarts, M.L.; Verstijlen, F.M.J. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2021-09-16)
      Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen wat de huidige positie van concurrente (mkb-)schuldeisers in faillissement is en wat denkbare maatregelen zijn om die positie te verbeteren. Het onderzoek beoogt niet om aanbevelingen te doen, maar strekt ertoe te analyseren welke voor- en nadelen kleven aan de verschillende denkbare maatregelen. In het onderzoek hebben de volgende vragen centraal gestaan: 1. Wat is de huidige positie van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en concurrente schuldeisers in faillissement? 2. Welke specifieke maatregelen kunnen worden getroffen om de positie van concurrente crediteuren en mkb-bedrijven te verbeteren in faillissement? Hierbij is ingegaan op gelijksoortige maatregelen die in Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk van kracht zijn of in het verleden zijn geweest. In elk van die rechtstelsels bestaat een variant van ten minste een van de maatregelen die de positie van de concurrente schuldeisers, waaronder mkb-bedrijven, kunnen verbeteren.
    • Voorbereiding evaluatie Wet straffen en beschermen

      Homburg, G.; Homburg, G. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-09-10)
      De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb) treedt op 1 juli 2021 in werking. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. Het onderzoek heeft vier onderdelen: • opstellen van de beleidslogica van het visiedocument en de wet, die een basis legt voor de vraagstelling van de latere evaluatie en waaruit de informatiebehoefte voor evaluatie en monitoring wordt afgeleid; • vooruitblikken op de opzet en de inhoud van de evaluatie van de Wet senb, met aandacht voor de gegevens die in de komende jaren over de uitvoering, de voortgang en de resultaten beschikbaar komen en die voor de evaluatie gebruikt kunnen worden; • afleiden van indicatoren voor het meten van de implementatie en de uitvoering van de maatregelen uit het visiedocument en de wet en de mate waarin (tussentijdse) doelen worden bereikt; • uitvoeren van een nulmeting aan de hand van de indicatoren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidslogica 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visie 4. Nulmeting 5. Samenvatting en conclusie
    • In uitvoering - Een analyse van het op statushouders gerichte beleid en wat er nodig is om dit beleid te verbeteren

      Dagevos, J.; Schans, D.; Uiters, E. (SCP, 2021-09-09)
      Deze policy brief is het sluitstuk van een meerjarig onderzoeksproject over de positie en leefsituatie van statushouders die vanaf 2014 naar Nederland zijn gekomen. Deze policy brief is gericht aan gemeenten omdat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Daarnaast richt de brief zich op de landelijke overheid, die verantwoordelijk is voor de vormgeving en financiële randvoorwaarden van het inburgerings- en opvangbeleid. (zie hiernaast: link naar de SCP-Policy brief)
    • Onderzoek toepassing artikel 13b Opiumwet

      Bruijn, L.M.; Vols, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid (COOV), 2021-09)
      In 1999 werd artikel 13b Opiumwet – ook wel de Wet Damocles genoemd – ingevoerd met als doel de burgemeester te voorzien in de mogelijkheid om op te treden tegen drugshandel in of nabij voor-publiek-toegankelijke lokalen. De wet bleek zo doelmatig dat het toepassingsbereik van de bevoegdheid in 2007 werd uitgebreid tot woningen. Sindsdien is de burgemeester bevoegd om ten aanzien van woningen en voor-het-publiek-toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een last onder bestuursdwang op te leggen indien soft- of harddrugs worden ‘verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig’ zijn. In de praktijk kan het toepassen van de bevoegdheid leiden tot de sluiting van een pand5 of perceel, een last onder dwangsom of een waarschuwing. De vier hoofdvragen van het onderzoek luiden als volgt: 1) Hoe wordt de bevoegdheid uit artikel 13b Opiumwet toegepast door burgemeesters? 2) Wat zijn de gevolgen van de toepassing? 3) Welke rechtsmiddelen worden hoe vaak aangewend tegen toepassing van de bevoegdheid? 4) Hoe oordelen rechters in (hoger) beroepszaken over de toepassing van de bevoegdheid in artikel 13b Opiumwet? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het beoordelingskader van de afdeling: rechterlijke toetsing van artikel 13b lid 1 onder A Opiumwet, 3. Het beoordelingskader van de afdeling: rechterlijke toetsing van artikel 13b lid 1 onder B Opiumwet, 4. Artikel 13b Opiumwet in cijfers: analyse van enquêtegegevens, 5. Artikel 13b Opiumwet in cijfers: analyse van de rechtspraak, 6. Artikel 13b Opiumwet in de praktijk: analyse van casestudies en interviews, 7. Conclusie
    • Pilot verplicht financieel toezicht jeugd - Evaluatiekader

      Goedvolk, M.; Kluft, S.; Onstenk, A. (Significant APE, 2021-09)
      Naar aanleiding van een motie van Nispen en Van Oosten is in Den Haag een pilot gestart waarbij jeugdigen verplicht financieel toezicht opgelegd kunnen krijgen. Dit toezicht bestaat uit twee vormen (ook wel modaliteiten): een training om de financiële vaardigheden te verbeteren en coaching met hetzelfde doel. Op basis van het onderzoek van de RvdK kan het OM of de rechter besluiten om een van de vormen op te leggen. De jeugdreclassering ziet vervolgens toe dat de opgelegde modaliteit ook daadwerkelijk wordt ingezet. De vraag of verplicht financieel toezicht kan bijdragen aan het verminderen van recidive leeft al langer. Daarom is bij de start van de pilot besloten om een evaluatiekader te ontwikkelen zodat de uitkomsten van de pilot kunnen worden gemeten. Aan de hand van literatuuronderzoek, interviews met betrokkenen bij de pilot en enkele wetenschappers is een theoretisch kader opgesteld. Dit heeft geresulteerd in een Theory of Change (ToC) waarin wij beschrijven hoe de pilot bij kan dragen aan het verminderen van recidive en een overzicht van randvoorwaarden waaraan de modaliteiten moeten voldoen om effectief te zijn. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksaanpak opstellen evaluatiekader, 3. Theory of change van de pilot, 4. Evaluatiekader pilot, 5. Samenvatting en beantwoording onderzoeksvragen.
    • Recidive tijdens forensische zorgtrajecten 2013-2017

      Drieschner, K.; Tollenaar, N. (WODC, 2021-09)
      Forensische zorg (FZ) is de aanduiding voor geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijke gehandicaptenzorg in een strafrechtelijk kader. Het primaire doel van de FZ is het risico op strafrechtelijke recidive van daders met een psychische stoornis te verminderen. Het onderzoek is gericht op de volgende vragen: 1 Hoe zien FZ-trajecten eruit in termen van typen FZ en afschaling dan wel opschaling van FZ? 2 Recidive tijdens FZ-trajecten: a Wat is de totale omvang en de aard van de recidive tijdens FZ-trajecten? b Welk percentage van de ontvangers van FZ recidiveert tijdens het FZ-traject? c Hoe hangt recidive tijdens FZ samen met demografische kenmerken, het strafrechtelijk verleden en kenmerken van de FZ? 3 Recidive tijdens verschillende typen FZ: a Welk percentage van de ontvangers van een bepaald type FZ recidiveert tijdens dat type FZ? b Welke achtergrondkenmerken (demografisch, strafrechtelijk, FZ-gerelateerd) hangen samen met recidive tijdens de verschillende typen FZ?
    • In dienst van het belang - Een verkennend onderzoek naar belangenconflicten na uitdiensttreding bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee

      Heres, L.; Loyens, K.; Borst, R.; Wilt, A. van der (Universiteit Utrecht - USBO Advies, 2021-08-31)
      In 2018 constateerde GRECO in een evaluatie van de preventie van corruptie en de versterking van integriteit bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee dat er weinig beperkingen bestaan voor medewerkers die de organisatie verlaten. Omdat juist in deze organisaties integriteitsschendingen grote maatschappelijke gevolgen kunnen hebben, adviseerde GRECO nader onderzoek te doen naar de risico’s van belangenconflicten en overige werkzaamheden van politieambtenaren en marechaussee nadat zij uit dienst treden. Het onderzoek waarvan dit rapport verslag doet geeft hieraan gehoor door meer inzicht te verschaffen in de betekenis en aard van belangenconflicten bij uitdiensttreding binnen de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee en de factoren die integriteitsrisico’s van dergelijke belangenconflicten vergroten of verkleinen. Ook wordt aandacht besteed aan de maatregelen die kunnen bijdragen aan de beheersing van belangenconflicten na uitdiensttreding. De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat wordt er verstaan onder belangenconflicten na uitdiensttreding, wat is de aard van de belangenconflicten die zich eventueel hebben voorgedaan onder ex-medewerkers van de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee, welke individuele, situationele en organisationele factoren kunnen de kans op geassocieerde integriteitsrisico’s vergroten of verkleinen en wat zijn preventieve en repressieve maatregelen die de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee (kunnen) ondernemen om deze risico’s te beheersen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Definities en conceptualisering, 3. De aard van belangenconflicten na uitdiensttreding, 4. Factoren die de integriteitsrisico's beïinvloeden, 5. Preventieve en repressieve maatregelen, 6. Conclusies.
    • Literature review labour migration - An exploratory study into the shortages of qualified personnel at the upper secondary vocational level and the possibilities and limitatations of employing migrants

      Cörvers, F.; Reinold, J.; Chakkar, S.; Bolzonella, F.; Ronda, V. (Maastricht University - Research Centre for Education and the Labour Market, 2021-08-30)
      Attracting and retaining migrants can have many benefits for the host country and its economy, for example to mitigate skills shortages. Regulating immigration may prevent several negative consequences of a shrinking and ageing population. However, research and policy often focus on the highly skilled or so-called knowledge migrants (kennismigranten) as a source of human capital, which can increase innovation and a country’s competitiveness. A group of labour migrants that receives significantly less attention from research and policy, are the medium-skilled migrant workers. Although it makes up a significant share of the migrant population, this group is rarely supported by specific migration policies. Therefore, in this report we would like to answer the following central research question: What is known in available literature about the opportunities and limitations of filling labour shortages through labour migration, especially in the middle segment of the labour market? CONTENT: 1. Introduction, 2. Methodology, 3. Shortages and skill requirements in the middle segment of the Dutch labour market, 4. Priority supply from EEA+ countries and beyond, 5. Migration as a solution to address shortages in the middle segment of the Dutch labour market, 6. Alternative solutions to staffing bottlenecks in the middle segment of the Dutch labour market, 7. Conclusions and directions for further research.
    • National risk assessment witwassen en terrorismefinanciering 2021 Bonaire, Sint Eustatius en Saba

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2021-08-26)
      In 2017 en 2019/2020 heeft het WODC een National Risk Assessment (NRA) op de terreinen witwassen en terrorismefinanciering uitgevoerd voor het Europese deel van Nederland. In 2017/2018 voerde het WODC voor Caribisch Nederland – Bonaire, Sint Eustatius en Saba (ofwel de BES-eilanden) – een afzonderlijke NRA op het terrein van witwassen en terrorismefinanciering uit. Voor Caribisch Nederland is nu een tweede NRA Witwassen en Terrorismefinanciering uitgevoerd, die als doel heeft de grootste risico’s op het terrein van witwassen en terrorismefinanciering in kaart te brengen. Het betreft de risico’s met de ‘grootste resterende potentiële impact’ ofwel de impact die overblijft nadat rekening is gehouden met de preventieve en/of mitigerende werking (de ‘weerbaarheid’ van de beleidsinstrumenten die op deze dreigingen zijn gericht. Daartoe zijn de dreigingen met de grootste potentiële impact geïdentificeerd, is een inschatting gemaakt van de impact die deze dreigingen kunnen hebben en is de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium bepaald.
    • Evaluatie Wet controle op rechtspersonen

      Homburg, G.; Zoetelief, I.; Ljujic, V. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-08-25)
      De Wet controle op rechtspersonen (Wcr) is op 1 juli 2011 in werking getreden. De wet heeft tot doel om met doorlopend toezicht de aanpak van misbruik van rechtspersonen te verbeteren. De uitvoering van de Wcr is belegd bij de afdeling Toezicht op Rechtspersonen, Analyse, Controle en Kennisgeving (TRACK) van Justis, de screeningsautoriteit van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). Het doel van de evaluatie van de Wcr is drieledig: 1. het bieden van inzicht in de mate waarin de inrichting van de Wcr kan bijdragen aan zijn doelstellin-gen (planevaluatie); 2. nagaan in welke mate de Wcr wordt uitgevoerd zoals beoogd (procesevaluatie); 3. onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor de verbetering van de huidige uitvoering van de Wcr en de benutting van de TRACK-producten. INHOUD: 1. Evaluatie Wcr: doel en vraagstelling, 2. De beleidslogica van de Wcr, 3. De uitvoering van de Wcr, 4. Kosten en tarieven, 5. Conclusie.
    • Criminele carrières van daders van high impact crimes

      Piersma, T.; Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-08-24)
      In de huidige studie, waarin crimineel gedrag van vroege adolescentie tot volwassenheid is bestudeerd, krijgen we inzicht in de kenmerken van criminele carrières van HIC-daders in Nederland, welke patronen van crimineel gedrag te ontwaren zijn, en in hoeverre het type delict en de leeftijd ten tijde van de eerste strafzaak van invloed zijn op de duur en omvang van de criminele carrière. Het onderzoek kan dan ook waardevol zijn in het bepalen van het type dader waar beleidsmaatregelen zich op moeten richten om het aantal HIC-daders met een lange en actieve criminele carrière terug te dringen. Onderzoeksvragen: 1 Wat zijn de kenmerken van de criminele carrière van HIC- en niet-HIC-daders in termen van de startleeftijd, eindleeftijd, duur, frequentie en specialisatie? 2a Welke dadertrajecten zijn er in termen van strafzaakfrequentie te ontwaren gedurende de criminele carrière onder de drie typen HIC-daders, en verschillen deze trajecten ten opzichte van niet-HIC-daders? 2b Zijn er verschillende dadertrajecten in termen van strafzaakfrequentie te ontwaren onder de drie typen HIC-daders aan de hand van de leeftijd waarop zij hun eerste strafzaak hebben? 3a Is het type delict in de eerste strafzaak gerelateerd aan de daaropvolgende strafzaakfrequentie? 3b Is de relatie tussen het type delict in de eerste strafzaak en daaropvolgende strafzaakfrequentie gerelateerd aan de leeftijd ten tijde van de eerste strafzaak?
    • Copycatgedrag bij terroristische aanslagen - Een verkenning

      Bos, K. van den; Hulst, L.; Sintemaartensdijk, I. van; Schuurman, B.; Stel, M.; Noppers, M.; Graaf, B. de (medew.); Jansma, A. (medew.); Spiegel, C. (medew.); Haandrikman, M. (medew.); et al. (Universiteit Utrecht, 2021-08-20)
      Dit verkennende rapport bestudeert copycatgedrag bij terroristische aanslagen. Dit betreft gedrag dat iemand intentioneel en gemotiveerd vertoont om een bepaalde voorganger na te apen, met name een andere persoon of groep die met een terroristische aanslag in (sociale) mediaberichten de aandacht heeft getrokken. Kenmerkend aan dergelijk copycatgedrag is dat het niet rechtstreeks door een bepaalde terroristische beweging wordt aangestuurd, maar dat mensen zelf besluiten een aanslagpleger na te gaan doen. Voor dit rapport werden interviews gehouden met acht nationale en internationale experts op het gebied van copycatgedrag en terrorisme. Tevens werden twee literatuurstudies uitgevoerd. De eerste literatuurstudie was gericht op copycatgedrag bij terroristische aanslagen. De tweede literatuurstudie was gericht op copycatgedrag in andere gebieden dan terrorisme, zoals zelfdoding en schietpartijen op scholen. INHOUD: 1. Het probleem van copycatgedrag 2. De definitie van copycatgedrag 3. Bewijs voor copycatgedrag 4. Het aanpakken van copycatgedrag 5. Conclusies en aanbevelingen.
    • Coffeeshops in Nederland 2020 - Aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid 1999-2020

      Mennes, R.; Pieper, R.; Bieleman, B. (Breuer & Intraval, 2021-08-16)
      Sinds 1999 wordt in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid (twee)jaarlijks het aantal coffeeshops en het gemeentelijke coffeeshopbeleid geïnventariseerd. In dit rapport wordt verslag gedaan van de huidige meting over 2020 en brengen we wederom de recente ontwikkelingen in het aantal coffeeshops en het bijbehorende beleid in kaart. Voor deze meting hebben we gemeenteambtenaren - die betrokken zijn bij het coffeeshopbeleid in hun gemeente - bevraagd over het aantal coffeeshops in hun gemeente en het gevoerde vestigings-, handhavings- en sanctiebeleid ten aanzien van coffeeshops. Ook zijn we nagegaan welke voornemens ten aanzien van hun coffeeshopbeleid gemeenten hebben voor de toekomst. Waar mogelijk worden vergelijkingen gemaakt met voorgaande metingen. Deze meting geeft inzicht in de beleidsmatige situatie eind 2020 en brengt de ontwikkelingen in het aantal coffeeshops in kaart voor de periode 1999 tot en met 2020. De centrale probleemstelling van de monitor luidt als volgt: Hoeveel coffeeshops zijn er in Nederland in 2019, 2020 en het voorjaar van 2021 en welk coffeeshopbeleid voeren Nederlandse gemeenten in 2020? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Aantallen coffeeshops in Nederland, 3 Gemeentelijk beleid, 4. Handhavingsbeleid, 5. Conclusies.
    • Regulering van immersieve technologieën

      Schermer, B.W.; Ham, J. van (Considerati, 2021-08)
      Net als vele andere digitale innovaties bieden immersieve technologieën grote kansen voor onze samenleving. Immersieve technologieën zoals virtual reality en augmented reality kunnen mensen op nieuwe manieren bij elkaar brengen, spelen een rol in de behandeling van ziekten en pijn, vullen de werkelijkheid aan met nuttige informatie en bieden nieuwe vormen van spel en entertainment. Tegelijkertijd brengen de ontwikkeling en het gebruik van immersieve technologieën ook nieuwe risico’s met zich mee. Dit roept de vraag op hoe wij de ontwikkeling en het gebruik van immersieve technologieën moeten reguleren. De probleemstelling voor dit onderzoek is daarom: Dient de verwachte doorbraak van immersieve technologie te leiden tot aanpassingen van de bestaande reguleringskaders en wettelijke voorschriften en zo ja, op welke wijze? Het valt te verwachten dat een brede adoptie van immersieve technologieën ongewenste effecten gaat hebben en maatschappelijke vragen oproept. Op basis van ons onderzoek komen wij tot de volgende categorisering van mogelijke vraagstukken / risico’s die een brede adoptie van immersieve technologieën met zich mee kan brengen: 1) schadelijke en illegale gedragingen in virtuele werelden; 2) schadelijke gevolgen door het gebruik van immersieve technologieën in de fysieke wereld; 3) schadelijke effecten ingegeven door het gebruik / misbruik van immersieve technologieën; 4) sociaal-maatschappelijke vraagstukken; en 5) misbruik van immersieve technologieën door derden.
    • Frankes Twee eeuwen gevangen: dertig jaar later

      Swaaningen, R. van; Molleman, T.; Boone, M.; Serrarens, J.; Beijerse, J. uit; Otten, Chr.; Fijnaut, C.; Ippel, P.; Nagtegaal, M. (WODC, 2021-07-28)
      ARTIKELEN: 1. Inleiding 2. René van Swaaningen - Civilisatie en emancipatie, maar van wie precies? Twee eeuwen gevangen dertig jaar later 3. Toon Molleman - Toen en nu: heeft het gevangeniswezen de middelen om zijn doelen te bereiken? 3. Miranda Boone - Van zelfdwang naar zachte macht. Civilisatie slokt emancipatie op 4. Judith Serrarens - Over emancipatie en de rechtspositie van gedetineerden. Levensomstandigheden in gevangenis ernstig verslechterd tijdens corona 5. Jolande uit Beijerse - Broze fundamenten en alarmerende signalen. Lessen uit het ‘cellulaire drama’ voor gesloten jeugdhulp 6. Christine Otten - In de roman kun je iedereen zijn. Over creatief schrijven in gevangenschap 7. Cyrille Fijnaut - De betekenis van Herman Frankes proefschrift in een internationaal vergelijkende context 8. Pieter Ippel - Macht, emancipatie, onmacht. Over de geschiedenis van het lijden van gedetineerden en gekken SAMENVATTING: Dit themanummer van Justitiële verkenningen (nr. 2/20021) is gewijd aan de recente heruitgave van Herman Frankes proefschrift Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland. De vermaarde criminoloog, die zich later zou ontwikkelen tot romanschrijver, leverde destijds, in 1990, een dissertatie van bijna duizend pagina’s af. Onder studenten werd het wel ‘de baksteen’ genoemd. Niettemin leest het boek als een roman. Met veel gevoel voor detail wordt een beeld geschetst van de praktijk van het straffen gedurende twee eeuwen, de veranderingen die daarin optraden, en de politieke en maatschappelijke discussies die erover werden gevoerd. Er verscheen ook een publieksversie en de verkorte Engelse uitgave werd door de American Society of Criminology bekroond als beste buitenlandse studie. Het theoretisch fundament voor de beschouwing van Franke vormt de civilisatietheorie van Norbert Elias. De verschuiving van externe naar interne dwang, zoals die zich in de hele samenleving voltrok, maakte in de gevangenis ruimte voor varianten van straf die een groter beroep deden op de zelfdiscipline van gedetineerden (verlof, voorwaardelijke straf en voorwaardelijke veroordeling). Franke zette zich af tegen op dat moment dominante theoretische perspectieven, zoals de disciplineringsthese van Foucault (1975) en de arbeidsmarkthypothese van Rusche en Kirchheimer (1939). Een van zijn belangrijkste bezwaren tegen deze verklaringen is dat ze het doen voorkomen of veranderingen het gevolg zijn van menselijke bedoelingen. Zijn analyse laat juist zien dat veranderingen niet worden gestuurd, maar ontstaan. Ze zijn veel meer het gevolg van toevalligheden en tekortkomingen van menselijke strevingen en ze zijn ingebed in grotere maatschappelijke processen. In deze aflevering van Justitiële verkenningen wordt in acht artikelen gereflecteerd op het hedendaagse gevangeniswezen vanuit de optiek van het boek. Aldus biedt dit themanummer handvatten om in publieke en wetenschappelijke discussies over straf en detentie boven de waan van de dag uit te stijgen en nieuwe ontwikkelingen te relateren aan de theoretische concepten die Franke heeft geïntroduceerd.
    • Advocaat bij politieverhoor 2017-2019

      Geurts, T.; Hoekstra, M.S.; Aidala, R. (medew.); Beenakkers, E.M.Th. (medew.); Lierop, L.E.H.P. van (medew.); Teeuwen, G. (medew.) (WODC, 2021-07-12)
      In deze rapportage wordt voortgebouwd op eerder onderzoek van Klein Haarhuis (2018). In dit eerdere onderzoek stond de opstartfase van het nieuwe recht centraal (de periode van 1 maart 2016 - 1 maart 2017) en de stand van zaken werd vooral beschreven vanuit de politieorganisatie. Bovendien konden zwaardere zaken maar beperkt worden meegenomen. Het onderhavige onderzoek belicht het nieuwe recht opnieuw, maar dan vooral vanuit het advocatenperspectief en één tot drie jaar na de invoering van het recht. Een wijziging in onderzoeksmethodiek zorgde ervoor dat we ditmaal meer van de zwaarste zaken in de analyse konden betrekken. Daarnaast is nog gekeken naar twee wijzigingen die gelijktijdig met de wettelijke verankering werden doorgevoerd, te weten de beperkte uitbreiding van bevoegdheden van de advocaat en de verlenging van de ophoudtermijn bij ernstigere strafbare feiten van zes naar maximaal negen uur. Het onderhavige onderzoek richt zich op verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Vooral voor deze onderzoeksonderwerpen bestaan er beleidsmatig gezien relevante kennislacunes. Onder verhoorbijstand rekenen we de door advocaten verleende bijstand tijdens het politiële verdachtenverhoor en het verhoor voor de inverzekeringstelling (ivs-verhoor). De volgende vier onderzoeksvragen staan in deze rapportage centraal: 1. Hoe verloopt de invoering van de Implementatiewet in termen van organisatie en werkprocessen? 2. Hoe pakt de implementatie van het recht op verhoorbijstand in de praktijk uit? 3. Welke rol heeft de advocaat tijdens het verhoor? 4. Hoe hebben de uitgaven aan (piket)vergoedingen voor consultatie- en verhoor-bijstand zich ontwikkeld? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergronden bij het onderzoek, 3. Organisatie en werkprocessen, 4. Effectuering van het recht, 5. Invulling van de advocatenrol, 6. Conclusie