Now showing items 1-20 of 3029

    • Alimentatie van nu - Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen

      Kolkman, W.D.; Verstappen, L.C.A.; Visser, I.; Ibili, F. (medew.); Oost, S. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen, 2021)
      Dit onderzoek concentreert zich rond de probleemstelling of het wenselijk is de huidige regelingen van partner- en kinderalimentatie ‘bij de tijd’ te brengen. In dit kader komen drie facetten van alimentatie aan de orde: acceptatie door justitiabelen,aansluiting bij de huidige maatschappij en mogelijke aanpassingen van wet- en regelgeving, waaronder begrepen de Tremanormen. Deze facetten zijn onderling sterk met elkaar verbonden. Zo kan een aanpassing van de rekenmethodiek leiden tot een betere aansluiting bij de samenleving, waardoor betrokkenen sneller geneigd zullen zijn de regeling te aanvaarden. Uit de probleemstelling vloeien de volgende vier onderzoeksvragen voort: 1. Acceptatie door justitiabelen. Welke elementen van het systeem van partner- en kinderalimentatie dragen bij of doen afbreuk aan de acceptatie van de onderhoudsverplichting? In het verlengde hiervan rijst de vraag of er een verband is tussen de mate van acceptatie van de onderhoudsverplichtingen enerzijds en het aantal gerechtelijke procedures en invorderingsprocedures door het LBIO anderzijds. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 2. Aanpassing berekeningssysteem. Welke aanpassingen aan het bestaande berekeningssysteem van partneralimentatie kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie? In het bijzonder zal hierbij aandacht bestaan voor de vraag of een meer forfaitair stelsel de vergroting van de acceptatie bevordert. Ook stellen wij de vraag of een stelsel met een clean break tot een vergroting van de acceptatie van de onderhoudsverplichting leidt en een vermindering van het aantal procedures. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5. 3. Aansluiting bij maatschappij – algemeen. Sluit het stelsel van de onderhoudsverplichtingen aan bij de inrichting van de huidige maatschappij? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 4. Aansluiting bij maatschappij – informele samenlevers. Bij de maatschappelijke aansluiting speelt niet alleen de algemene vraag of het hedendaagse alimentatierecht nog wel ‘compatibel’ is, ook een specifieke vraag doemt hier op: dienen onderhoudsverplichtingen zich ook uit te strekken over de almaar groeiende groep ‘informele samenlevers’? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 7. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Huidige stand van zaken wetgeving, jurisprudentie en literatuur, 3. Ontwikkelingen in (opvattingen over) relaties, gezinnen, kinderen en scheidingen, 4. Acceptatie door justitiabelen, 5. Aanpassing berekeningssysteem, 6. Aansluiting bij de maatschappij - algemeen, 7. Aansluiting bij de maatschappij- informeel samenlevenden, 8. Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen
    • Trends in kunstcriminaliteit

      Charney, N.; Rausch, Chr.; Bouwknegt, L.; Hufnagel, S.; Bronswijk, R.; Gessel, F.; Beurden, J. van; Kila, J.; Scheepmaker, M. (red.) (WODC, 2021)
      ARTIKELEN: 1. Noah Charney - Kenmerken van kunstcriminaliteit 2.Christoph Rausch, Léonie Bouwknegt, Jeroen Duijsens en Frank Assendelft - ‘Dirty money, pretty art’. Witwassen en ondermijning in tijden van financialisering van kunst 3. Saskia Hufnagel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Europa 4. Richard Bronswijk en Fons van Gessel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Nederland 5. Jos van Beurden Dubieuze verwervingen en het Advies over de omgang met koloniale collecties 6. Joris Kila - De terugkeer van de beeldenstorm. Over iconoclasme, cultuurgoed en identiteit. Met enige regelmaat worden in Nederland bekende kunstwerken geroofd, veelal schilderijen uit musea. De laatste keer was in augustus 2020, toen uit het museum Hofje van Mevrouw Van Aerden in Leerdam een schilderij van Frans Hals werd gestolen. Opmerkelijk genoeg werd dit doek, getiteld Twee lachende jongens, al twee keer eerder gestolen en ook weer teruggevonden. Eerder in 2020 was een schilderij van Vincent van Gogh het doelwit van kunstrovers. Zij gingen ervandoor met het werk Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar, dat in bruikleen was bij het Singer Museum in Laren. Dit type kunstcriminaliteit spreekt tot de verbeelding en is niet voor niets onderwerp van veel boeken, films en televisieprogramma’s. Kunstcriminaliteit heeft echter veel meer verschijningsvormen dan enkel kunstroof. Traditioneel vallen fraude, vervalsing en vandalisme daar ook onder, maar daarnaast zijn er vormen van criminaliteit die aan kunst gerelateerd zijn, zoals witwassen, belastingmisdrijven, gijzeling en afpersing. Ook worden met de verkoopopbrengst van gestolen kunst of cultuurgoederen andere illegale activiteiten gefinancierd, zoals de aankoop van wapens ten behoeve van terrorisme. De activiteiten van kunstcriminelen, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad en de opsporing en vervolging van kunstcriminaliteit komen ruimschoots aan bod in deze aflevering van Justitiële verkenningen over ‘Trends in kunstcriminaliteit’. In dit themanummer verstaan we onder kunst ook antiek en cultureel erfgoed, ‘cultuurgoederen’. Aan sommige kunst en cultuurgoederen afkomstig uit voormalige Nederlandse koloniale gebieden kleeft een smet. Ook daar is aandacht voor, met een artikel over teruggave van deze objecten aan de landen van herkomst. Daarnaast komt een verschijnsel aan de orde dat eind jaren negentig in een themanummer van Justitiële verkenningen nog werd aangeduid als ‘kunstvandalisme’. In het afgelopen decennium heeft dit een nieuwe dimensie gekregen. Agressie tegen cultuurgoederen (iconoclasme) is nu vaak politiek, ideologisch gemotiveerd, zoals recente aanvallen op standbeelden van bijvoorbeeld koloniale gezagsdragers laten zien. Ook de vernietiging door Islamitische Staat (IS) van eeuwenoude bouwwerken in Irak en Syrië in 2015-2016 doet de vraag rijzen of we kunnen spreken van een terugkeer van het fenomeen beeldenstorm.
    • Voorwaardelijke beleidssepots bij daders van huiselijk geweld - Een onderzoek naar de opleggingspraktijk en effectiviteit in termen van recidive

      Beijersbergen, K.A.; Kros, M. (WODC, 2021)
      In de onderhavige studie is in kaart gebracht hoe de oplegging van voorwaardelijke beleidssepots bij huiselijk gewelddaders in de praktijk vorm krijgt en in hoeverre voorwaardelijke beleidssepots effectief zijn in het terugdringen van (huiselijk gewelds)recidive onder huiselijk gewelddaders. De studie maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksprogramma naar de recidive onder huiselijk gewelddaders. De volgend onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1. Bij hoeveel daders van huiselijk geweld met een voorwaardelijk beleidssepot heeft de reclassering een advies uitgebracht over hoe de zaak af te doen en wat was het advies? 2. Wat zijn de kenmerken van de voorwaardelijk beleidssepots die zijn opgelegd bij daders van huiselijk geweld? a. Wat zijn de sepotgronden? b. Bij welk deel van de daders zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en welke bijzondere voorwaarden zijn opgelegd? 3. Welke afwegingen maken reclasseringsmedewerkers en officieren van justitie in huiselijk geweldstrafzaken bij het respectievelijk adviseren en opleggen van een voorwaardelijk beleidssepot en de voorwaarden? 4. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot (onderzoeksgroep) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een onvoorwaardelijk beleidssepot (controlegroep)? 5. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot met bijzondere voorwaarden (onderzoeksgroep A) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot zonder bijzondere voorwaarden en dus enkel de algemene voorwaarde (onderzoeksgroep B)?
    • Wet straffen en beschermen en Visie 'Recht doen, kansen bieden' - Tussenrapport beleidslogica en kader voor evaluatie/monitoring

      Homburg, G.; Verbeek, E.; Grift, M. van de; Kuin, M. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2020-12-31)
      Op 17 juni 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming, minister Dekker, het visiedocument ‘Recht doen, kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Het visie-document gaat over de wijze waarop gevangenisstraffen worden uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Het is een uitwerking van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ uit 2017. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb), waarin veel elementen uit het visiedocument een plaats hebben gekregen, wordt op 1 mei 2021 van kracht. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidslogica, 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visie
    • Criminele gebouwen - De faciliterende rol van woningen en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland en vier EU-landen

      Kruize, P.; Gruter, P.; Suchtelen, T. van (medew.) (Ateno, 2020-12-31)
      Aanleiding voor dit onderzoek is een Kamermotie waarin de regering wordt gevraagd te bezien langs welke weg particuliere eigenaren en woningcorporaties kunnen worden gewaarschuwd voor criminele intenties van potentiële gebruikers/huurders van hun onroerend goed bezit. Het streven is gemeenten, woningbouwcorporaties en bonafide private partijen instrumenten ter hand te stellen voor de preventie en aanpak van ondermijnende criminele activiteiten. Met dit doel voor ogen is er een toenemende behoefte aan meer kennis over en inzicht in de aard en omvang van de criminaliteit faciliterende functie van woon- en bedrijfsruimten in Nederland, en inzicht in welke instrumenten hiervoor worden ingezet in andere EU-landen. Deze doelstelling is vertaald in acht onderzoeksvragen. Nederlandse situatie: 1. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in Nederland? 2. Wat is (naar schatting) de omvang van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? 3. In welke mate bestaan er verschillen in aard en omvang hiervan tussen regio’s in Nederland? 4. Welke in de literatuur genoemde indicatoren wijzen op de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? En zijn dezelfde indicatoren van toepassing binnen stedelijke en landelijke regio’s? Internationale vergelijking: 5. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in met Nederland vergelijkbare landen en welke indicatoren hiervoor zijn in die landen bekend? 6. Welke instrumenten, zowel preventief als repressief, worden in de bij dit onderzoek betrokken landen ingezet bij het tegengaan hiervan en wat is het juridisch kader waarbinnen deze instrumenten worden ingezet? 7. Wat zijn, in de bij dit onderzoek betrokken landen, de positieve en negatieve ervaringen bij de bestrijding van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit en welke voor- en nadelen worden bij de inzet van de verschillende instrumenten ervaren? 8. Welke instrumenten, uit de bij dit onderzoek betrokken landen, zouden nader bestudeerd kunnen worden voor de aanpak (zowel preventief als repressief) van dit fenomeen in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit, 3. Geregistreerde en geschatte omvang, 4. Preventieve, repressieve en criminogene indicatoren, 5. De faciliterende rol van onroerend goed bij ondermijnende criminaliteit in vier EU-landen, 6. Conclusie
    • Van beroep in bezwaar - Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM

      Snippe, J.; Woestenburg, N.; Muijnck, J.A. de; Geertsema, B.; Roest, S.; Pieper, R. (Breuer & Intraval, 2020-12-31)
      Dit onderzoek is gericht op twee wetsterreinen: de Waardering Onroerende Zaken (WOZ) en de Belasting van Personenauto’s en Motorrijtuigen (BPM). Op beide terreinen is een stijging geconstateerd van het aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften, een stijging van het aandeel door ncnp-bedrijven ingediende bezwaren en beroepen hierbinnen, en een stijging van de proceskostenvergoedingen en uitvoeringskosten voor de overheidsorganen die deze bezwaren en beroepen behandelen. Hierop zegde minister Dekker voor Rechtsbescherming, mede namens de staatssecretaris van Financiën, toe een onderzoek uit te laten voeren naar de werkwijze en het verdienmodel van ncnp-bedrijven. Om dit te onderzoeken is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is de werkwijze en het verdienmodel van bedrijven die op basis van no cure no pay voor belastingplichtigen bezwaar- en beroepsprocedures starten bij WOZ- beschikkingen en BPM-aangiftes? Wat is de aard en omvang van dit soort procedures en hoe verhoudt het financieel belang van belastingplichtigen en de opbrengsten voor deze bedrijven zich tot de kosten die door de overheid worden gemaakt? Welke oplossingen kiezen gemeenten en de Belastingdienst om de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures zo efficiënt mogelijk in te richten? INHOUD: Samenvatting, Summary, 1. Inleiding, 2. Onderzoeksopzet, 3. Context van juridische procedures WOZ en BPM, 4. Omvang bezwaren en uitvoeringslasten, 5. Ervaringen bezwaarmakers WOZ, 6. Werkwijze en verdienmodel, 7. Conclusies.
    • Recidive tijdens en na reclasseringstoezicht - Een onderzoek naar de uitvoering van reclasseringstoezicht en de samenhang met recidive

      Verweij, S.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-31)
      In het huidige onderzoek is nagegaan in hoeverre gerecidiveerd wordt tijdens het toezicht en hoe zich dat verhoudt tot de recidive na het toezicht. Recidive wordt in het huidige onderzoek geoperationaliseerd als ‘een delict dat leidt tot een nieuwe strafzaak behandeld door het Openbaar Ministerie (OM) of door de rechter’. Voorts is er in vergelijking met de standaard recidivemeting meer aandacht besteed aan de samenhang van recidive tijdens en na het toezicht met verschillende uitvoerings-kenmerken van het toezicht. De volgende uitvoeringskenmerken zijn in het onder-zoek betrokken: het niveau van toezicht (intensiteit), de duur van het toezicht, de opgelegde bijzondere voorwaarden naast de meldplicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie of het uitvoeren van een werkstraf gelijktijdig met het toezicht. In het huidige onderzoek zijn onderstaande onderzoeksvragen beantwoord: 1 Wat zijn de kenmerken van het toezicht van reclassenten waarvan het toezicht in 2013 is gestart? 2 In hoeverre wordt er gerecidiveerd tijdens en na de periode van toezicht? a. In welke mate is er sprake van algemene en zeer ernstige recidive tijdens en na de periode van toezicht? b. Van welk soort delicten is sprake tijdens en na de periode van toezicht? c. Hoe ontwikkelt de kans op algemene of zeer ernstige recidive tijdens en na het toezicht zich over de tijd? d. Is er een grotere kans op algemene of zeer ernstige recidive na het toezicht als er ook sprake was van algemene of zeer ernstige recidive tijdens het toezicht? 3 Welke uitvoeringskenmerken van het toezicht hangen samen met recidive tijdens en na toezicht?
    • Governance Meerjaren Productie Prognose migratieketen

      Homburg, G.; Kuin, M.; Schols, H. (Regioplan beleidsonderzoek, 2020-12-30)
      De Meerjaren Productie Prognose (MPP) is een periodiek overzicht van ambtelijke prognoses voor de uitvoeringsdiensten in de migratieketen, waaronder de IND, het COA, de DT&V, de KMar en andere ketenpartners. De MPP wordt gebruikt voor de financiële cyclus en voorziet in jaarlijkse prognoses die elk halfjaar worden geüpdatet voor verschillende processen (zoals asiel, vreemdelingenbewaring of naturalisaties). De MPP wordt opgesteld door een werkgroep van ketenpartners en is dus een product van de migratieketen. Hierdoor kunnen vragen rijzen over de onafhankelijkheid en de mogelijkheid van oneigenlijke beïnvloeding. Om discussie hierover voor te zijn, heeft het WODC opdracht gegeven voor een onderzoek naar de voor- en nadelen die betrokkenen zien van de uitvoering van de MPP door een onderzoeksinstelling buiten de migratieketen. Het onderzoek is tussen juni en oktober 2020 uitgevoerd met documentstudie, interviews met ketenpartners en vertegenwoordigers van onafhankelijke onderzoeksinstellingen buiten de keten (met name Rijkskennisinstellingen) en een expertmeeting. INHOUD: 1. Aanleiding en doel onderzoek 2. Het MPP-proces, 3. Enkele andere prognoses: verkenning, 4. Voor- en nadelen, 5. Discussie en conclusie
    • Monitor nazorg ex-gedetineerden - 6e meting - Problemen op de basisvoorwaarden voor re-integratie en de relatie met recidive

      Boschman, S.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-30)
      In de jaren 2013 tot en met 2016 keerden jaarlijks ongeveer 20 duizend mensen na een detentie van meer dan twee weken terug in de Nederlandse maatschappij. Basisvoordwaarden voor succesvolle re-integratie zijn het bezit van een identiteitsbewijs, dagbesteding, inkomen en huisvesting hebben en geen schulden open hebben staan. Bij een deel van de ex-gedetineerden is dit niet op orde. Bij uitstroom uit detentie heeft 14% geen geldig identiteitsbewijs. In de maand na detentie heeft 85% geen dagbesteding in de vorm van werk of een opleiding en een derde geen inkomen uit werk, een uitkering of pensioen. Bijna een kwart staat na detentie niet ingeschreven op een adres. Meer dan een kwart van de re-integratiekandidaten staat (in het jaar na detentie) geregistreerd als wanbetaler van hun zorgverzekering, een indicatie dat zij (problematische) schulden hebben. Er zijn weinig verschillen tussen de uitstroomcohorten; re-integratiekandidaten die uitstromen in 2016 hebben de basisvoorwaarden niet beter (of minder) op orde ex-gedetineerden die in eerdere jaren zijn uitgestroomd. Het doel van het re-integratiebeleid is om tijdens detentie problemen die er zijn met de basisvoorwaarden op te lossen om re-integratie in de maatschappij te bevorderen en recidive te voorkomen. Dit onderzoek laat zien dat dit deels gebeurt: mensen die dat eerder niet hadden verkrijgen tijdens detentie een identiteitsbewijs, werk of een adres en mensen die voor detentie schulden bij hun zorgverzekeraar hadden, hebben die na detentie niet meer. Aan de andere kant zijn er ook veel mensen die hun woning of werk juist verliezen na een detentieperiode, of bij wie juist schulden ontstaan. Bijna de helft van de re-integratiekandidaten recidiveert binnen twee jaar. Mensen van wie de basisvoorwaarden voor re-integratie (identiteitsbewijs, dagbesteding, inkomen, huisvesting en geen schulden) op orde zijn hebben een significant kleinere recidivekans. Een identiteitsbewijs, werk, een uitkering, het volgen van een opleiding en huisvesting (met name bij een partner, ouders of anderen) hangen samen met een kleinere kans op recidive, ook wanneer rekening wordt gehouden met kenmerken zoals geslacht, leeftijd en strafrechtelijk verleden. Vooral werkende re-integratiekandidaten die langere tijd dezelfde baan behouden recidiveren minder. Verder hebben re-integratiekandidaten een grotere kans om te recidiveren in de maanden dat zij adresloos zijn dan in andere maanden. De basisvoorwaarden hebben ook weer invloed op elkaar. Het onderzoek laat zien dat een geldig identiteitsbewijs, een startkwalificatie en huisvesting (met name het wonen bij een partner, ouders of anderen) samenhangen met een grotere kans om na detentie werk te hebben. Aangezien vooral werk samenhangt met minder recidive, kan het op orde krijgen van de basisvoorwaarden huisvesting en identiteitsbewijs, via het vergroten van de kans op werk, dus mogelijk recidive voorkomen. Het onderzoek toont aan dat het van belang is om te blijven inzetten op het op orde krijgen van de basisvoorwaarden. Met name het stimuleren van dagbesteding (werken, een opleiding volgen, mogelijk ook andere dagbesteding zoals vrijwilligerswerk) en het organiseren van stabiele huisvesting kunnen bijdragen aan een succesvolle re-integratie. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Theorie en eerder onderzoek naar basisvoorwaarden voor succesvolle re-integratie, 3. Methoden, 4. Beschrijvende resultaten: situatie op de basisvoorwaarden, 5. Samenhang tussen situatie op basisvoorwaarden onderling en met recidive, 6. Conclusie en discussie
    • State of the art crisisbeheersing - fase 2

      Lakerveld, J. van; Wolbers, J.; Zonneveld, A.; Matthys, J.; Akerboom, M. (Universiteit Leiden - Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO), 2020-12-30)
      De NCTV laat state of the art onderzoeken uitvoeren op het gebied van cybersecurity, (contra) terrorisme en extremisme op het gebied van crisisbeheersing. Deze states of the arts zijn onderdeel van een programma dat zich richt op het realiseren van een NCTV-brede onderzoekagenda. PLATO en ISGA hebben in deze state of the art onderzoeken de eerste fase van het overkoepelende onderzoek naar crisisbeheersing uitgevoerd. In dit rapport staat het tweede fase onderzoek centraal waarin is voortgebouwd op de kennis en literatuurbestanden van het eerste fase onderzoek. Op grond van de conclusies van het eerste fase onderzoek is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is volgens de wetenschappelijk literatuur de laatste stand van zaken met betrekking tot het domein crisisbeheersing voortbouwend op de resultaten van het onderzoek state of the art crisisbeheersing fase 1 (Lakerveld & Matthys, 2019). Aan de hand van deze probleemstelling zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd. 1. Welke trends in soorten risico’s en crises en de omgang daarmee in het kader van crisisbeheersing kunnen worden vastgesteld? 2. Welke factoren bevorderen op meso-(organisatie) en micro-(individueel) niveau de effectiviteit en tijdigheid van crisisbeheersing? Op welke wijze zijn deze factoren te beïnvloeden? Wat betekent dit concreet voor de besluitvorming tijdens crisisbeheersing in de Nederlandse context? 3. Op welke wijze zijn factoren die bijdragen aan effectiviteit zo te beïnvloeden dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit (doelmatigheid en doeltreffendheid) van de crisisbeheersing/rampenbestrijding? INHOUD: 1. Samenvatting, 2. Inleiding, 3. Opzet van het onderzoek, 4. Het analyseren van crisismanagement, 5. Onderzoeksresultaten, 6. Conclusies, 7. Conclusies bezien in het licht van de Covid-19 crisis, 8. Literatuur, 9. Bijlagen, 10. Executive summary
    • Van persoonlijke krenking tot vertrouwensbreuk - Verhalen van burgers met gebrek aan vertrouwen in instituties

      Peeters, T.; smits van Waesberghe, E.; Mesic, A.; Wonderen, R. van; Jansen, M. (medew.); Lambregts, T. (medew.); Leijenhorst, A. (medew.); Pauels, M. (medew.); Zeeuw, A. de (medew.); Pieterse, J. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2020-12-30)
      In dit onderzoek hebben we het woord gelaten aan burgers met een gebrek aan vertrouwen in de democratische rechtsstaat en zijn instituties. Zij vertegenwoordigen een deel van de Nederlandse samenleving dat nog te weinig gehoord en begrepen is. Wie zijn het en wat voor een verhalen hebben ze te vertellen? Het zijn vragen die niet alleen theoretisch van belang zijn, maar ook maatschappelijk. Immers, de democratie werkt nooit voor iedereen even goed. Zij is als een machine die steeds bijgesteld moet worden, die nooit af is. Het betekent dat je van een democratie mag verwachten dat zij ontvankelijk is voor kritische geluiden. Daarnaast kan gebrek aan vertrouwen in sommige gevallen en onder sommige omstandigheden omslaan in gedrag dat de democratie of de rechtsstaat schaadt, bijvoorbeeld als dit zich vertaalt in geweld. De centrale probleemstelling voor dit onderzoek is: Wat zijn de kenmerken en verhalen van de (groepen) Nederlanders die geen of nauwelijks vertrouwen hebben in de democratische rechtsstaat en zijn instituties en welke consequenties heeft het inzicht hierin voor mogelijke handelingsperspectieven om dit vertrouwen te herstellen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Institutioneel vertrouwen onder de loep, 3. De narratieven over gebrek aan vertrouwen, 4. Naar een proces-gedreven benadering van gebrek aan vertrouwen, 5. Handelingsperspectieven, 6. Conclusie
    • Verkenning MKBA-werkwijzer Justitie en Veiligheid

      Koopmans, C. (SEO Economisch onderzoek, 2020-12-30)
      Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) wordt de afgelopen twintig jaar steeds vaker toegepast bij beleidsafwegingen. Er is een Algemene MKBA-leidraad opgesteld en er zijn MKBAwerkwijzers voor diverse beleidsterreinen. Ook voor het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) worden af en toe MKBA’s uitgevoerd. Voor het JenV-beleid is er echter nog geen werkwijzer. MKBA’s zorgen voor een beter beeld van de merites van beleid en helpen om de besluitvorming beter te informeren. Een MKBA kan worden gebruikt om het Integraal Afwegingskader (IAK) in te vullen, als onderbouwing van beleidsplannen en wetgevingsvoorstellen. MKBA’s sluiten ook aan bij het streven van de operatie “Inzicht in kwaliteit” die gericht is op beter inzicht in de resultaten van beleid en het benutten van deze inzichten om de maatschappelijke waarde van beleid te vergroten. Tegen deze achtergrond zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Is een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein nodig? 2. Welke vervolgstappen zijn nodig om tot een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein te komen (of het bestaande MKBA-instrumentarium beter toe te snijden op het JenV-domein)? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wenselijkheid van een JenV-werkwijzer, 3. Vervolgstappen, 4. Conclusies
    • De strafmaat voor jeugdige daders van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven in internationaal perspectief

      Asscher, J.J.; Brink, Y.N. van den; Creemers, H.E.; Huls, E.; Logchem, E.K. van; Lynch, N.; Rap, S.E. (Universiteit Utrecht, 2020-12-30)
      In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van onderzoek dat is verricht vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines naar de sanctionering van jeugdige daders van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven. Dit onderzoek is uitgevoerd tegen de achtergrond van de huidige politieke discussie over de maximale jeugddetentieduur in Nederland. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verschaffen in de sanctietoemeting voor jeugdigen in verschillende Europese jurisdicties, alsook te verkennen in hoeverre de bevindingen aanleiding geven tot aanpassing van de Nederlandse strafrechtelijke aanpak van jeugdigen die worden veroordeeld voor een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf. In dit onderzoek is een inventarisatie gemaakt van de wettelijke kaders en praktijken in Nederland en vijf andere Europese landen, namelijk België (Vlaanderen), Duitsland, Engeland en Wales, Ierland en Zweden, met betrekking tot de sanctionering van jeugdige daders (12-23 jaar) van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven. Daarnaast is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd naar effecten van sancties bij jeugdige daders van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven en is getracht om voor de geselecteerde landen inzicht te krijgen in de effectiviteit van opgelegde sancties, in het bijzonder met betrekking tot recidive. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: Welke sancties hanteren Nederland en andere Europese landen voor jeugdigen van 12 tot 23 jaar die een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf hebben gepleegd, wat is de effectiviteit hiervan en hoe verhouden deze sancties zich tot internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het internationale en Europese kinder- en mensenrechtenkader, 3. Jeugdsanctierecht in vergelijking: grondslagen en wettelijke kaders in zes Europese landen, 4. Jeugdsanctietoemeting bij ernstige misdrijven in de praktijk vanuit rechtsvergelijkend perspectief, 5. Wat is er bekend over de effectiviteit van opgelegde sancties aan jeugdige daders van ernstige gewelds- en/of zedenmisdrijven, in het bijzonder met betrekking tot recidive? 6. Conclusies, implicaties en aandachtspunten
    • Beleidsinstrumenten en extremistische wereldbeelden - Een verkennend rapport

      Koning, M. de; Vliek, M. (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, 2020-12-30)
      Dit beleidsonderzoek gaat over hoe verschillende extremistische groepen of individuen beleidsinstrumenten van de overheid percipiëren, hoe zij daarop reageren en de relatie van dit overheidsbeleid met hun zelfidentificatie. Daarmee onderzoekt het de paradox van de moderne democratie: Hoe gaat een democratische samenleving om met de ondemocratische elementen in haar midden? Of het gaat om de inzet van repressieve middelen bij demonstraties, of om de re-integratieprogramma’s voor terugkerende Syriëgangers, de overheid is te allen tijde actief betrokken bij de ‘governance’ van eventueel ondemocratische elementen. Omgekeerd reageren extremistische groepen op hun beurt weer op dit overheidsbeleid; een kernaspect van al dan niet extremistisch politiek activisme is het uitdagen van de status quo. Het is deze wisselwerking tussen overheid en extremistische groepen en individuen over de verschillende beleidsinstrumenten gericht op de betrokkenen die we in dit rapport beschrijven en analyseren. Om deze wisselwerking te onderzoeken is in samenspraak met het WODC de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke werking beoogt de overheid met beleidsinstrumenten die zijn gericht op in overheidsbeleid als zodanig benoemde religieus gemotiveerde extremisten in vergelijking met andere extremistische groepen? Hoe percipiëren deze groepen dergelijke beleidsinstrumenten en hoe verhoudt zich dat tot hun handelen en zelfidentificatie? INHOUD: Inleiding, 1. Groepen in het veld: definities en plaatsing, 2. Beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, 3. Actierepertoires, 4. Alternatieve kennisbronnen, 5. Identiteiten en subjectiviteiten, 6. Conclusie
    • Wet langdurig toezicht - Reconstructie van de beleidstheorie, eerste evidentie en nadere onderzoeksthema's

      Nagtegaal, M. (WODC, 2020-12-29)
      Er is een nieuwe wet die langdurig toezicht, behandeling en monitoring van ex-gedetineerden en (ex-)terbeschikkinggestelden (tbs) regelt, de Wet langdurig toezicht (Wlt). Het doel van de Wlt is het voorkomen van herhaling van zeden- en zware geweldsdelicten. Door effectiever toezicht te houden op ex-gedetineerden en (ex-)tbs-gestelden wordt beoogd bij te dragen aan de belangrijkste doelen van het nieuwe stelsel van forensische zorg, namelijk herstel van de patiënt en de verdere vermindering van recidive ten behoeve van de maatschappij. Het huidige onderzoek kent als doel het expliciteren en analyseren van de beleids-theorie achter de Wlt. Hiertoe zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Wat zijn de plannen achter en verwachtingen en doelen van de Wlt? 2. Op welke doelgroepen richten de verschillende onderdelen van de Wlt zich? 3. Welke veronderstelde werkzame mechanismen liggen ten grondslag aan de Wlt? 4. Op welke termijnen zijn effecten van de verschillende onderdelen van de Wlt te verwachten? Inhoud: 1. Inleiding en methode, 2. Analyse en beleidstheorie, 3. Toezicht in perspectief, 4. Slothoofdstuk en conclusie
    • Evaluatie Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012

      Kruize, P.; Harms, K. (medew.); Huisman, S. (medew.); Spek, M. van der (medew.) (Ateno, 2020-12-29)
      In 2006 is de verjaring afgeschaft voor misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld. Mede naar aanleiding van het bekend worden van grootschalig misbruik binnen kerkelijke instellingen werd in 2011 een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de wijziging van de regeling van de vervolgingsverjaring ingediend bij de Tweede Kamer. Dit heeft geresulteerd in de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012, die in werking is getreden op 1 april 2013 (verder aangeduid met: wetswijziging van 2013). Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de resultaten van de wetswijziging van 2013. Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vier vragen: 1. Hoeveel van de bij het Openbaar Ministerie ingestroomde strafbare feiten zouden vermoedelijk zijn verjaard zonder de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012? 2. In hoeverre gaat het bij de in onderzoeksvraag 1 genoemde strafbare feiten om feiten waarvan de verjaringstermijn is verlengd dan wel is afgeschaft en om welke strafbare feiten gaat het daarbij precies? 3. Op welke wijze zijn deze feiten door het Openbaar Ministerie afgedaan? Hoeveel feiten zijn geseponeerd en hoeveel feiten zijn aan de rechter voorgelegd? 4. Wat is het vonnis van de rechter in eerste aanleg? Voor hoeveel feiten worden verdachten schuldig bevonden dan wel vrijgesproken door de rechtbank? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Vervolgingsverjaring nader bezien, 3. Onderzoeksmethoden, 4. Verjaring na twintig jaar, 5. Geen verjaring, 6. Verjaring bij zedenmisdrijven, 7. Conclusies
    • Beroepen op het professioneel verschoningsrecht - Doorlooptijden en gevolgen voor strafrechtelijke onderzoek

      Berk, V. de; Jongebreur, W.; Kluft, S. (Significant APE, 2020-12-29)
      Het professioneel verschoningsrecht dient het hoger algemeen belang van de vertrouwensrelatie tussen uitoefenaars van specifieke geheimhoudingsberoepen en hun cliënten. Geheimhoudingsberoepen zijn artsen, geestelijken, advocaten en notarissen. Een vertrouwensrelatie is noodzakelijk voor de uitoefening van deze beroepen en voor het goed functioneren van de rechtsstaat. Uitoefenaars van geheimhoudingsberoepen kunnen zich daarom in voorkomende situaties beroepen op het professioneel verschoningsrecht. Wanneer er verschoningsgerechtigd materiaal in beslag wordt genomen in het kader van strafrechtelijk onderzoek, kan een geheimhouder zich beroepen op zijn verschoningsrecht, waarmee hij verklaart dat deze stukken niet ingezien mogen worden door de opsporingsdiensten. Diverse bij de opsporing betrokken partijen alsmede de rechtspraak, signaleren een probleem in de lange doorlooptijden van de procedure bij inbeslagneming van (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal. Het is daarom van belang te onderzoeken wat de aard, de omvang en de doorlooptijden van de beroepen op het professioneel verschoningsrecht zijn, alsook wat de gevolgen van substantiële doorlooptijden zijn voor strafrechtelijk onderzoek. De centrale probleemstelling van het onderzoek is: Wat is de aard en omvang en wat zijn de gevolgen van beroepen op het professioneel verschoningsrecht voor doorlooptijden van strafrechtelijk onderzoek? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Proces van het professioneel verschoningsrecht, 3. Verschoningsrecht in de praktijk, 4. Conclusies
    • De verwerking van politiegegevens in vijf Europese landen - Verkennend onderzoek

      Winter, H.B.; Bekkering, J.; Floor, T.; Geertsema, B.; Roest, S.; Smits, J. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro facto, 2020-12-29)
      Dit verkennende onderzoek is in opdracht van het WODC uitgevoerd en behelst een inventarisatie van de verschillende mogelijkheden om de verwerking van politiegegevens in wetgeving te regelen. Het doel van het onderzoek is inzichtelijk te maken hoe het juridisch kader voor de verwerking van politiegegevens in een vijftal andere Europese landen (België, Denemarken, Duitsland-Nordrhein-Westfalen, Finland en Ierland) is vormgegeven en hoe dat kader zich verhoudt tot de Europese basisprincipes. De bevindingen uit dit onderzoek kunnen als input dienen voor de herziening van de Wet politie gegevens (Wpg). In dit onderzoek staan de volgende twee hoofdvragen centraal: 1. Wat is de huidige stand van zaken in Nederland wat betreft de wet- en regelgeving voor het verwerken van politiegegevens, in hoeverre zijn de eerder geconstateerde knelpunten hierbij opgelost en welke knelpunten bestaan nog? Hoe heeft Nederland invulling gegeven aan het Europese kader voor de verwerking van gegevens door de politie? 2. Wat is geregeld in de wet- en regelgeving voor het verwerken van politiegegevens in andere Europese landen, hoe hebben deze landen de in Nederland bestaande en eventuele andere knelpunten ondervangen in wet- en regelgeving en hoe is hierin invulling gegeven aan het Europese kader voor de verwerking van gegevens door de politie? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het Europese kader, 3. Nederland, 4. Landenvergelijking, 5. Slotbeschouwing
    • Financieel toezicht binnen het (jeugd)strafrecht - Een onderzoek naar het verloop, de resultaten en mogelijke uitbreiding van verplicht financieel toezicht binnen het (jeugd)strafrecht

      Koenraadt, R.M.; Boone, M.M.; Rap, S.E.; Kappert, S. (Universiteit Leiden - sectie Strafrecht & Criminologie en Jeugdrecht, 2020-12-29)
      In opdracht van het Ministerie voor Justitie en Veiligheid is onderzoek uitgevoerd naar het verloop, de resultaten en uitbreiding van financieel toezicht. Doel van het huidige onderzoek is het verkrijgen van inzicht in het verloop van de huidige vormen van financieel toezicht en het in kaart brengen van de eventuele uitbreidingsmogelijkheden en verbeterpunten. In dit onderzoek wordt antwoord gegeven volgende centrale onderzoeksvraag: Hoe verlopen de huidige financiële maatregelen binnen het (jeugd)strafrecht en op welke manier kan het financieel toezicht verbeterd worden? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methoden, 3. Financieel toezicht: juridische mogelijkheden, 4. Aard en omvang financieel toezicht in Nederland, 5. Verloop en resultaten financieel toezicht, 6. Verbeterpunten en aanbevelingen financieel toezicht, 7. Conclusie en discussie
    • Update liquidaties 2020

      Gestel, B. van; Kouwenberg, R.F.; Hoekstra, M.S. (WODC, 2020-12)
      In de ‘Verkennende voorstudie liquidaties’ uit 2017 en de ‘Update liquidaties 2019’ is verslag gedaan van het aantal liquidaties in Nederland van het jaar 2000 tot en met 2018 (Van Gestel, 2017; Van Gestel & Kouwenberg, 2019). Deze notitie bevat een update van de aantallen voor het jaar 2019. We kijken in hoeverre de aantallen uit 2019 aansluiten bij het beeld dat reeds bestond. Naast het aantal liquidaties, worden in deze notitie ook enkele andere kenmerken van gepleegde liquidaties beschreven zoals pleegplaats (regio), aantal slachtoffers en leeftijd van de slachtoffers.