Now showing items 1-20 of 3063

    • Vrijheid blijheid? - Een plan- en procesevaluatie van tien Koers en kansenpilots die zijn gericht op de re-integratie van ex-gedetineerden

      Jacobs, M.J.G.; Reijden, L.S. van der; Moors, J.A. (EMMA, 2021-06-15)
      In 2015 startte het ministerie van Justitie en Veiligheid het programma Koers en kansen voor de sanctie-uitvoering. Met het programma wil het ministerie de sanctie-uitvoering robuust én flexibel maken. Maar bovenal gaat het erom de recidive van ex-gedetineerden omlaag te krijgen. Het programma wil vernieuwende projecten uit de lokale praktijk stimuleren, leerervaringen verzamelen, en de succesvolle projecten of onderdelen daarvan benoemen, behouden en verder implementeren. In het kader van het programma is een plan- en een procesevaluatie gedaan van in totaal tien pilotprojecten. Deze tien projecten zijn specifiek gericht op re-integratie en daarmee op het voorkomen van recidive van ex-gedetineerden. In dit rapport wordt verslag gedaan van deze plan- en procesevaluatie. Het doel van het onderzoek is: Inzicht krijgen in de ervaringen met en de ervaren impact van een selectie van projecten/interventies die in het programma Koers en kansen zijn opgenomen, gericht op (i) de re-integratie van (ex-) gedetineerden en (ii) de samenwerking tussen gemeenten, zorg en de overige netwerkpartners in het justitiedomein. INHOUD: 1. Inleiding en achtergrond 2. Re-integratie en recidivebeperking: effectieve interventies 3. Programmalogica van tien Koers en kansen-pilotprojecten 4. Planevaluatie van de pilotprojecten 5. Planevaluatie: beantwoording onderzoeksvragen 6. Procesevaluatie: inleiding en werkwijze 7. De uitvoeringspraktijken in de onderzochte pilots 8. Procesevaluatie: beantwoording onderzoeksvragen
    • Evidence-based interventies tijdens detentie

      Ljujic, V.; Homburg, G.; Zoetelief, I. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-06-15)
      Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in het aanbod van effectieve (bij voorkeur evi-dence-based) justitiële interventies voor het verbeteren van de basisvoorwaarden voor succesvolle re-integratie en het terugdringen van recidive onder volwassen gedetineerden. De centrale vraag is: welke evidence-based interventies worden in Nederlandse penitentiaire instellingen ingezet (of zouden inge-zet kunnen worden) tijdens detentie en wat zijn de randvoorwaarden voor een effectieve uitvoering? Evidence-based geldt als een strenge eis en daarom richt het onderzoek zich ook op interventies die niet evidence-based zijn, maar wel een goede onderbouwing hebben met wetenschappelijke of praktijkken-nis en waarnaar bij voorkeur procesevaluaties zijn uitgevoerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Afbakening en methode van onderzoek 3. Inventarisatie 4. Uitvoering en randvoorwaarden 5. Conclusie.
    • Evaluatie van de opbouw en meetbaarheid van de Nederlandse Cybersecurity Agenda

      Brennenraedts, R.; Hanswijk, M.; Jansen, R.; Kats, J.; Sahebali, W.; Hermanussen, L. (Dialogic innovatie interactie, 2021-06-10)
      Veiligheid in het digitale domein is voor het kabinet een topprioriteit, en zodoende is door verschillende departementen in samenwerking met publieke en private partijen en de wetenschap in 2018 de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA) geschreven. Met de NCSA heeft het kabinet de koers voor de aanpak van cybersecurity in de komende jaren uitgezet. Er bestaat dan ook grote behoefte om zicht te krijgen op de uitvoering en het effect van de NCSA. Het onderhavige onderzoek is één van de stappen die worden gezet om dit te bereiken en betreft een planevaluatie van de beleidsmaatregelen. Het onderzoek dient onder meer als voorbereiding op een mogelijke proces- en effectevaluatie. De onderzoeksvragen van dit onderzoek zijn als volgt: A. Opbouw NCSA - 1. Wat waren de doelen van de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA)? 2. Welke beleidsmaatregelen vallen onder de NCSA? 3. Wat kan voor iedere beleidsmaatregel – op beknopte wijze - worden gezegd over: a) De onderbouwing van (de keuze voor) de maatregel? b) De vooraf verwachte bijdrage van de maatregel aan de realisatie van de strategiedoelen? c) De doelen van de maatregel? d) De vooraf veronderstelde wijze waarop de doelen gerealiseerd moeten worden? e) De beleidsinstrumenten die onder de maatregel vallen? f) De bij de maatregel betrokken organisaties? B. Meetbaarheid NCSA -4. Bij welke beleidsmaatregelen is het meten van het doelbereik al dan niet ‘kansrijk’? Welke aspecten bemoeilijken het meten van het doelbereik? 5. Welke beleidsmaatregelen zijn – uitgaande van de antwoorden op bovenstaande onderzoeksvragen – mogelijk geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken? Om welke redenen zijn deze mogelijk geschikt? En (voor zover mogelijk): waarom zijn de andere maatregelen niet geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken?
    • Ontwikkeling zwaarte misdrijfzaken

      Homburg, G. (Cebeon, 2021-06-10)
      De geregistreerde criminaliteit is in de afgelopen twee decennia steeds verder gedaald. Dat is niet goed terug te zien in de prestaties van de strafrechtketen. In het bijzonder is het niet gelukt om doorlooptijden in de strafrechtketen terug te dringen. Partijen in de keten verklaren dat onder andere door een toename van de zaakzwaarte, die het gevolg is van maatschappelijke, juridische en technisch-inhoudelijke ontwikkelingen. Dit onderzoek is bedoeld om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de zaakzwaarte in de strafrechtketen en in de mogelijkheden om de zwaarte en de verzwaring van strafzaken te meten en te kwantificeren. De onderzoeksvragen luiden: 1. Welke definitie van zaakzwaarte kan worden gehanteerd? 2. Hoe kan de aldus gedefinieerde zaakzwaarte geoperationaliseerd worden: is het mogelijk zaakzwaarte te kwantificeren? 3. Zo ja, hoe heeft de zaakzwaarte van de sinds 2010 door politie, OM en rechter afgedane misdrijfzaken zich ontwikkeld? 4. Welke oorzaken van genoemde ontwikkelingen zijn aan te wijzen? 5. Zijn er verdere differentiaties bij de beantwoording van vraag 2 en 3 aan te geven, in termen van bepaalde tijdvakken, soorten zaken, kenmerken van zaken, fasen van het strafproces of regionale verschillen? 6. In hoeverre en in welke mate kunnen de bevindingen onder 3, 4 en 5 verklaren dat de zwaarte van misdrijfzaken af- of toeneemt?
    • Extremistisch denken en doen - Een systematische studie van empirische bevindingen over het radicaliseringsproces

      Nickolson, L.; Bergen, N. van; Feddes, A.; Mann, L.; Doosje, B. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen, 2021-06-10)
      Het ontstane wetenschappelijke beeld van radicalisering is dat van een zeer complex en dynamisch proces, waarbij maar moeilijk een algemene beschrijving of verklaring – laat staan een remedie – kan worden gevonden. Echter, er is er ook al het nodige empirische onderzoek verricht dat handvatten kan bieden om de fenomenen van radicalisering en de stap naar geweld en ander extremistisch handelen beter te begrijpen. Dit onderzoek wil deze aanknopingspunten in kaart brengen, door de bestaande wetenschappelijke inzichten gebaseerd op empirisch onderzoek te analyseren aan de hand van de volgende drie onderzoeksvragen: 1. Onder welke condities zijn personen ontvankelijk voor extremistische ideeën en groepen? 2. Onder welke condities gaan personen over tot extremistische handelingen? 3. Op welke momenten en op welke manier kan worden ingegrepen om de ontvankelijkheid voor extremistische ideeën te verminderen en extremistisch handelen te voorkomen?
    • Op zoek naar profielen van jeugdige verdachten - Een verkenning op basis van risico- en beschermende factoren uit het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen

      Mensink, K.; Hill, J.; Weijters, G. (WODC, 2021-06)
      Het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ) is een screenings- en risicotaxatie-instrument ontwikkeld voor 12- tot en met 17-jarigen die met politie in aanraking komen. Het LIJ wordt afgenomen in verschillende fasen. De eerste fase start op het moment dat een jongere als verdachte bij de politie binnenkomt. Dan wordt op geautomatiseerde wijze het recidiverisico van een jongere berekend op basis van een aantal statische factoren waarover de politie de beschikking heeft, de zogenoemde pre-select Recidive. Voor de jongere die volgens de pre-select Recidive een midden tot hoog recidiverisico heeft of waarbij sprake is van een ernstig delict en/of inverzekeringstelling, wordt door de Raad voor de Kinderbescherming instrument 2a ingevuld. Wanneer een jongere een hoog risicoprofiel heeft of een midden risicoprofiel en op minimaal één van de domeinen hoog scoort, start de raad met een uitgebreider onderzoek met behulp van instrument 2b. Met instrument 2b wordt aanvullende informatie verzameld over de domeinen waarover met instrument 2a reeds informatie verzameld is. De informatie verkregen uit instrument 2b wordt onder andere gebruikt om te bepalen welke strafrechtelijke aanpak en eventuele zorg een jongere nodig heeft. Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of de gegevens afkomstig uit de instru-menten 2a en 2b van het LIJ gebruikt kunnen worden voor het geven van beleids- en managementinformatie over de profielen van jongeren in de strafrechtketen en voor het beter kunnen duiden van ontwikkelingen in (herhaalde) criminaliteit onder jongeren.
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2017

      Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      Als onderdeel van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HIC-daders (2016-2021) wordt jaarlijks verslag gedaan van de achtergronden en reci-dive van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De huidige studie betreft een vervolg op drie eerdere recidivemetingen onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland in 2002-2013, 2002-2015, en 2002-2016, en de haalbaarheidsstudie naar regionale recidivecijfers onder veroordeelde HIC-daders. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders in 2017 in Nederland? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 2 Welk percentage van de HIC-daders veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van HIC-daders zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders in 2008 tot en met 2017, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? 4 Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders in 2015 tot en met 2017 uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, rekening houdend met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijke geweld veroordeeld in 2008-2017

      Piersma, T.W.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld voor een huiselijk-gewelddelict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan en medio 2021 afloopt. De huidige studie betreft de derde en laatste in de reeks recidivemetingen onder alle HG-daders in Nederland, na eerder de HG-daders tussen 2008 en 2013, en 2008 en 2015 in kaart te hebben gebracht. In deze studie wordt daarnaast, als uitbreiding op de eerdere recidivemetingen, ook gerapporteerd over specifieke groepen HG-daders en hun recidive (i.e., daders veroordeeld voor partnermishandeling, oudermishandeling en kindermishandeling). De volgende drie onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2017 in Nederland, en hoe verhouden deze kenmerken zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017 in Nederland? 2 Welk deel van de daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive onder veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2008 tot en met 2017 rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over tijd?
    • Ontwikkelingen in de recidive onder jeugdigen

      Hill, J.; Tollenaar, N.; Weijters, G. (WODC, 2021-06)
      In de recidivemetingen van het WODC werd na jaren van daling weer een stijging van de tweejarige recidive onder jeugdige daders en jongeren die vrijkwamen uit een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) waargenomen. Deze constatering leidt tot de vraag hoe deze stijging te duiden is. Zijn er verklaringen te geven voor de stijging van de recidive? In dezelfde periode liet ook de recidive onder deze dadergroepen een dalende ontwikkeling zien. Sinds het cohort 20121 is echter een einde aan deze daling in de recidiveprevalentie gekomen en is de recidive onder jeugdigen juist weer aan het stijgen. Om nader te onderzoeken hoe deze omslag naar een stijging te duiden is, is het WODC gevraagd onderzoek te doen naar mogelijke verklaringen voor deze ontwikkeling. Het onderzoek naar mogelijke verklaringen voor de stijging van de recidive is opgeknipt in twee delen. In het eerste deel, waarover in voorliggend rapport wordt gerapporteerd, wordt dieper ingegaan op de ontwikkeling van de recidive onder jeugdige daders en ex-JJI-pupillen. Hiertoe gaan we ten eerste na of deze stijging zich voortzet onder de jongeren die in 2016 veroordeeld zijn of vrijkwamen uit een JJI. Daarnaast gaan we in dit onderzoek na of de ontwikkelingen in de recidive verschillen per subgroep binnen de jeugdige dadergroep en de groep ex-JJI-pupillen. Hiervoor splitsen we de recidivecijfers uit naar een aantal statische factoren waarvan we weten dat ze samenhangen met recidive. Het gaat daarbij om sekse, leeftijd van de eerste strafzaak, de aanwezigheid van eerdere strafzaken of niet, het type delict van de uitgangszaak. Voor jeugdige daders splitsen we daarnaast uit naar de opgelegde afdoening, en voor ex-JJI-pupillen naar de strafrechtelijke titel waaronder men vast zat. In het vervolg op voorliggend onderzoek zal nagegaan worden of in Nederland ontwikkelingen in recidive verschillen tussen jongeren uit meer of minder welvarende gezinnen of buurten. Hiertoe wordt dan gekeken naar de sociaal-economische status van het gezin en de buurt.
    • Monitor Jeugdcriminaliteit 2020 - Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in de eerste twee decennia van deze eeuw

      Laan, A.M. van der; Beerthuizen, M.G.C.J.; Boot, N.C. (WODC, 2021-05-31)
      In de tweejaarlijkse Monitor Jeugdcriminaliteit (MJC) zijn de ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in de periode 2000 tot 2020 beschreven. Het doel van de MJC is een breed overzicht te geven van de ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in Nederland en omringende landen, waarbij de nadruk ligt op de jaren 2015 tot 2020. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van gegevens uit verschillende bronnen: naast gegevens van politie en justitie over jeugdige verdachten, veroordeelde daders en afdoeningen door politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de rechterlijke macht (ZM), bevat deze editie ook gegevens over zelfgerapporteerd daderschap op basis van een representatieve steekproef onder Nederlandse jongeren. De ontwikkelingen worden apart beschreven voor twaalfminners (10- tot 12-jarigen), minderjarigen (12- tot 18-jarigen) en jongvolwassenen (18- tot 23-jarigen), met de nadruk op de oudste twee leeftijdsgroepen. Naast ontwikkelingen in de traditionele criminaliteit worden ook ontwikkelingen in cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit beschreven. Daarnaast zijn over zelfgerapporteerd daderschap en geregistreerde verdachten enkele algemene gegevens over (een deel van) 2020 meegenomen, dat vanwege de COVID-19-maatregelen een bijzonder jaar was. Daarmee bestrijkt deze MJC hoofdzakelijk de ontwikkelingen in de periode 2000 tot 2020 met een eerste algemene doorkijk naar het jaar 2020.
    • Adolescentenstrafrecht - Effecten van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op resocialisatie en recidive

      Prop, L.J.C.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Laan, A.M. van der (WODC, 2021-05-25)
      Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in Nederland in werking getreden. Met het adolescentenstrafrecht wordt door de wetgever een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht bij 16- tot 23-jarigen beoogd. Het adolescenten-strafrecht is geen apart type strafrecht maar bestaat uit een aantal wijzigingen in het wetboek van Strafrecht en wetboek van Strafvordering. De nadruk ligt daarbij op de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen (artikel 77c Sr.) en de advisering ten behoeve van de berechting. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op recidive en resocialisatie. Dit onderzoek is zowel beschrijvend als evaluerend van aard. De volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: 1 a Wat zijn de kenmerken van opleiding, woonsituatie en werk (resocialisatie) van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? b Welke veranderingen doen zich voor in resocialisatie bij jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht na afronding van de sanctie in vergelijking met de situatie bij instroom bij het OM? c Wat is de recidive van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? d Wat is de relatie tussen veranderingen in resocialisatie en recidive? e Wat is de relatie tussen verschillende jeugdsancties (voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetenties en taakstraffen) en recidive? 2 a Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op de recidive twee jaar na afronding van de opgelegde sanctie? b Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op veranderingen in opleiding, woonsituatie en werk (als indicatoren van resocialisatie)?
    • Evaluatie van het adolescentenstrafrecht - Een multicriteria evaluatie

      Laan, A.M. van der; Zeijlmans, K.; Beerthuizen, M.G.J.C.; Prop, L.J.C. (medew.) (WODC, 2021-05-25)
      Zeven jaar na implementatie op 1 april 2014 is in deze overkoepelende studie van het WODC-onderzoeksprogramma Monitoren en Evalueren Adolescentenstrafrecht de werking van het adolescentenstrafrecht geëvalueerd. De focus ligt op de toe-passing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassen daders (18 tot 23 jaar) van een misdrijf. Is er evidentie voor de beleidslogica van het adolescentenstrafrecht? Hoe werkt het adolescentenstrafrecht in de praktijk voor deze doelgroep? Welke afwegingen vinden plaats in de selectie van jongvolwassenen? Is de aanpak in de praktijk effectief? Welke knelpunten zijn er? Om deze en andere vragen te beant-woorden zijn in de jaren 2015 tot en met 2020 deelstudies uitgevoerd vanuit het onderzoeksprogramma monitoren en evalueren adolescentenstrafrecht. Om de werking van het adolescentenstrafrecht overkoepelend te evalueren zijn meerdere evaluatiecriteria afkomstig uit de public policy evaluation gebruikt. Omdat het adolescentenstrafrecht ingrijpt bij jongvolwassenen die nog volop in ontwikkeling zijn, zijn ook enkele aan mensenrechten gerelateerde aspecten als transparantie en gelijkwaardigheid in de strafrechtelijke aanpak van jongvolwassenen aan de orde gekomen. Drie vragen stonden centraal in deze overkoepelende evaluatie: 1. Hoe werkt de aparte bejegening van jongvolwassenen volgens het jeugdstrafrecht in Nederland en hoe doeltreffend is deze aparte bejegening? 2. Wat zijn de mogelijkheden en knelpunten van de invoering van het adolescenten-strafrecht en in het bijzonder de toepassing van 77c Sr. bij 18- tot 23-jarigen? 3. Wat zijn de mogelijkheden voor de toekomst in de aanpak van jongvolwassen daders van een misdrijf?
    • Werken aan werk - De samenhang tussen deelname aan ESF-modules en werk, opleiding en strafrechtelijke recidive onder ex-gedetineerden en ex-JJI-pupillen

      Teerlink, M.; Boschman, S.; Weijters, G. (WODC, 2021-05)
      De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vraagt subsidie aan bij het Europees Sociaal Fonds (ESF) om tijdens detentie het re-integratieaanbod gericht op arbeidsmarktkansen aan justitiabelen te versterken. Voor ex-justitiabelen is het doel dat zij na uitstroom uit detentie werk vinden of een opleiding gaan (ver)volgen. 6% van de volwassen gedetineerden en 27% van de JJI-pupillen (met een geldig BSN-nummer en jonger dan 65 jaar) die in 2016 uitstromen uit detentie hebben tijdens hun detentie deelgenomen aan ESF-gefinancierde re-integratieactiviteiten. Justitiabelen in PI’s en JJI’s volgen (1) vakopleidingen, waarin ze worden opgeleid voor een specifiek beroep; ze volgen (2) (mbo-, middelbare school- of algemene) opleidingen; ze leren (3) algemene levensvaardigheden (hieronder vallen modules gericht op gedrag en cognitieve vaardigheden) en krijgen hulp bij het zoeken naar werk na detentie en worden (4) begeleid bij het werk tijdens detentie. Modules waarbij algemene levensvaardigheden worden aangeleerd worden het meest gevolgd in PI’s, terwijl de meeste tijd wordt besteed aan modules waarbij gedetineerden worden begeleid bij werken in de gevangenis. In JJI’s worden vakopleidingen het meest gevolgd en daar wordt ook de meeste tijd aan besteed. Volwassen ex-gedetineerde ESF-deelnemers hebben na detentie vaker werk dan niet deelnemers. Dit geldt voor volwassen deelnemers die modules gericht op opleidingen of algemene levensvaardigheden hebben gevolgd. In lijn met eerder onderzoek vinden we dat ex-gedetineerden die alleen begeleiding bij werk hebben gehad, niet vaker werk hebben dan niet ESF-deelnemers. Er zijn na detentie geen verschillen tussen volwassen ESF-deelnemers en niet deelnemers in de kans om een opleiding te volgen, een startkwalificatie te hebben en recidive. Onder ex-JJI-pupillen zijn er geen verschillen tussen ESF-deelnemers en niet deelnemers in de kans om te werken, een opleiding te volgen, een startkwalificatie te hebben en recidive. In dit onderzoek was het niet mogelijk om vast te stellen of ESF-deelname een causaal effect heeft op re-integratie-uitkomsten. Om in de toekomst inzicht te kunnen geven of ESF een causaal effect heeft op werk, opleiding en recidive na detentie is het belangrijk om 1) beter te registreren wie aan welke reguliere re-integratieactiviteiten deelneemt; 2) inzicht te verkrijgen in hoe wordt bepaald wie wel en wie niet aan ESF deelneemt; 3) extra re-integratieactiviteiten gefinancierd vanuit het ESF bovenop het reguliere aanbod aan te bieden aan een random geselecteerde groep, zodat deze groep vergeleken kan worden met een vergelijkbare groep niet deelnemers en 4) meer inzicht in en strakkere richtlijnen voor hoe interventies zijn ingericht. Volwassen ESF-deelnemers besteden nu de meeste tijd aan modules gericht op (begeleiding bij) werk, terwijl ex-deelnemers aan deze modules, in tegenstelling tot modules gericht op opleidingen of algemene levensvaardigheden, niet vaker werk hebben dan niet-deelnemers. In de toekomst kan zowel in PI’s als in JJI’s beter meer worden ingezet op modules gericht op opleidingen en vaardigheden, mogelijk kan dit re-integratie-uitkomsten verbeteren. INHOUD: 1. Inleiding, 2. ESF-modules, 3. Theorie en eerder onderzoek naar interventies gericht op arbeidstoeleiding tijdens detentie, 4. Methode, 5. Deelname aan ESF-modules, 6. Werk, opleiding en recidive van ESF-deelnemers die uitstromen uit PI's, 7. De samenhang tussen ESF-deelnemers en werk, opleiding en recidive voor volwassen ex-gedetineerden, 8. Werk, opleiding en recidive van ESF-deelnemers die uitstromen uit JJI's, 9. De samenhang tussen ESF-deelnemers en werk, opleiding en recidive voor ex=-JJI-pupillen, 10. Conclusie en discussie.
    • Evaluatie Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

      Winter, H.; Boxum, Chr.; Floor, T.; Krol, E.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro facto, 2021-05)
      Dit is de tweede evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO). De wet, ook wel bekend als de ‘Overlastwet’ of ‘Voetbalwet’, is in 2010 in werking getreden, in 2012 voor het eerst geëvalueerd en in 2015 mede naar aanleiding daarvan op een aantal punten gewijzigd. De hoofdvraag van de evaluatie was: In welke mate en met welke overwegingen worden de instrumenten van de wet toegepast, hoe wordt dat ervaren, in hoeverre worden de doelen van de wet gerealiseerd en op welke wijze kan de doelbereiking verder worden vergroot? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidsreconstructie, 3. Interventiestrategieën, 4. De Wet MBVEO in cijfers, 5. Casestudy's, 6. Toepassing Wet MBVEO door het OM, 7. Slotbeschouwing.
    • Insights from the Bin Laden Archive - Inventory of research and knowledge and initial assessment and characterisation of the Bin Laden Archive

      Bellasio, J.; Grand-Clement, S.; Iqbal, S.; Marcellino, W.; Lynch, A.; Golinski, T.R.; Cox, K.; Paoli, G.P. (Rand Corporation, 2021-05)
      Dit onderzoek biedt een overzicht van de huidige inzichten over Al Qa’ida en een eerste analyse en categorisering van het ‘Bin Laden-archief’ In 2017 openbaarde de Central Intelligence Agency (CIA) van de Verenigde Staten (VS) ongeveer 470.000 bestanden die waren gevonden tijdens de inval in de woning van Osama Bin Laden in Abbottabad (Pakistan) in 2011, het zogenaamde ‘Bin Laden-archief’. Volgens de gegevens op de website van de CIA bestaat het Bin Laden-archief uit een uitgebreide verzameling van originele bestanden afkomstig van apparaten die zijn meegenomen tijdens de inval in Abbottabad en die verondersteld worden te zijn geweest van Osama Bin Laden en andere bewoners van de woning.
    • Misdrijven in kinderschoenen - Een onderzoek naar de aanpak van 12- en 13-jarige misdrijfverdachten binnen en buiten het strafrecht

      Kuppens, J.; Boer, H. de; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2021-05)
      In 2017 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming het advies gegeven om de strafrechtelijke minimumleeftijd te verhogen van 12 naar 14 jaar (Raad voor de Strafrechtstoepassing, 2017). De minister voor Rechtsbescherming heeft aangeven aan de Tweede Kamer dat de strafrechtelijke minimumleeftijd niet verhoogd wordt, maar dat hij, indien noodzakelijk, bereid is om verder te investeren in de aanpak van 12- en 13-jarigen buiten het strafrecht. De aanname hierbij was, dat zaken van 12- en 13-jarige misdrijfverdachten in de meeste gevallen al buiten het strafrecht worden afgedaan. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de behoefte bij het ministerie van Justitie en Veiligheid om meer inzicht te krijgen in de aanpak voor deze doelgroep. De wens vertaalt zich in de volgende centrale onderzoeksvragen: Welke strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke1 aanpakken voor 12- en 13-jarige misdrijfverdachten bestonden er in 2017 en 2018 en hoe vaak werd voor elke aanpak gekozen? Waarom werd voor een bepaalde aanpak gekozen? Wat hielden de verschillende aanpakken in de praktijk in? Hoe effectief menen betrokken organisaties dat de verschillende aanpakken waren om recidive te voorkomen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Bevindingen uit de literatuur, 3. Analyse van misdrijven en aanpakken, 4. Effectiviteit en werkzame bestanddelen, 5. Alternatieve (niet-)strafrechtelijke aanpakken, 6. Aandachtspunten in de aanpak, 7. Beantwoording onderzoeksvragen en beschouwing.
    • Interpretatie en implementatie van de Terugkeerrichtlijn

      Klaassen, M.; Rodrigues, P. (Universiteit Leiden - Europa Instituut, 2021-05)
      Het onderzoek betreft een analyse van zowel de Europese regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot de Terugkeerrichtlijn, als de Nederlandse wetgeving en rechtspraak. Er tevens is een beschrijvende analyse van de beschikbare data van DT&V gemaakt. De hoofdvraag hierbij is welke invloed heeft de implementatie van de Terugkeerrichtlijn en de interpretatie van bijhorende jurisprudentie met focus op de inbewaringstelling van derdelanders in Nederland gehad? Daarnaast is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn in België, Denemarken, Duitsland, en Noorwegen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. De Terugkeerrichtlijn en de jurisprudentie van het HvJ, 3. Implementatie van de Terugkeerrichtlijn in het Nederlandse vreemdelingenrecht, 4. De data en de observaties van respondenten, 5. Implementatie van de Terugkeerrichtlijn in andere Europese staten, 6. Conclusies
    • Zelfredzaamheid en burgerhulp bij rampen en crises

      Bouwmeester, J.; Doeschot, F. ten; Mathurin, A.; Straaten, G. van; Stel, M.; Kuttschreuter, M.; Haandrikman, M. (Universiteit Twente, 2021-05)
      De overheid is verantwoordelijk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het is echter ook van belang dat burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties zich medeverantwoordelijk voelen om zichzelf en de samenleving veilig te houden tijdens rampen en crises. Een zelfredzame samenleving kan helpen crisissituaties te voorkomen of de impact ervan beperken. De overheid wil het vermogen van burgers om zichzelf te helpen in voorbereiding op, tijdens en na een crisis, faciliteren en versterken. Onderzoeksvragen: 1. In hoeverre zijn burgers zelfredzaam en verlenen zij burgerhulp? In welke mate en in welke situaties schiet zelfredzaamheid tekort en/of komt hulp niet op gang of was deze juist contraproductief? 2. Onder welke condities en op welke wijze kan de zelfredzaamheid en de hulpverlening door burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties in geval van een ramp of crisis door de overheid effectief en tijdig worden gefaciliteerd en bevorderd? Hierbij is aandacht voor de aard van de ramp of crisis, voor de wil, het vermogen en de gelegenheid van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties die worden aangesproken, voor de instrumenten die de overheid kan inzetten, evenals voor de ruimte of juist beperkingen die het juridisch kader geeft. 3. Hoe kan daarbij worden voorkomen dat zelfredzaamheid en hulpverlening door burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij een ramp of crisis leidt tot (te grote) ongewenste of zelfs averechtse neveneffecten in het domein van crisisbeheersing en rampenbestrijding? Inhoud: 1. Inleiding, 2. Literatuurstudie, 3. Ervaringen van burgers, 4. Ervaringen van professionals, 5. Zelfredzaamheid en burgerhulp tijdens de coronapandemie, 6. Mate van zelfredzaamheid en burgerhulp, 7. Bevordering zelfredzaamheid en burgerhulp, 8. Voorkomen van ongewenste effecten, 9. Conclusies en slotbeschouwing.
    • Doeltreffende risicocommunicatie - Een inventariserend onderzoek

      Kuttschreuter, M.; Stel, M.; Haandrikman, M.; Bouwmeester, J.; Doeschot, F. ten; Straaten, G. van; Andringa, W. (Universiteit Twente, 2021-05)
      Dit rapport bevat een verslag van een onderzoek naar de doeltreffendheid en toekomstbestendigheid van de manier waarop de Nederlandse overheid over risico’s communiceert. In deze context houdt doeltreffendheid in dat de communicatiedoelen bereikt worden, dat de communicatie aansluit bij de informatiebehoefte van de burger, dat de beoogde doelen consistent zijn met relevant beleid, en dat zij op een adequate en efficiënte manier worden bereikt. Het onderzoek richt zich dus zowel op de reacties van burgers op de communicatie als op de processen bij de overheid.
    • Continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak

      Koopmans, C.; Vlaanderen, M.; Rougoor, W.; Folmer, T.; Grootelaar, H.; Duijneveldt, I. van; Berg, P. van den (medew.); Hers, J. (medew.); Kruijf, J. de (medew.); Verheuvel, N. (SEO Economisch onderzoek, 2021-05)
      De afgelopen tien jaar hebben bezuinigingen en extra financiële middelen tot problemen geleid bij politie, openbaar ministerie en rechtspraak. Het is van belang dat de wijze van bekostiging blijft aansluiten bij de kostenstructuur en de rollen van de drie organisaties. De bekostiging kan zich meer dan nu richten op de strafrechtketen als geheel en op bredere maatschappelijke effecten zoals preventie van criminaliteit. Als vertrekpunt fungeerde een startnotitie van het WODC met de volgende probleemstelling: • “Wat zijn de hoofd- of basisafspraken omtrent de bekostigingssystematiek van politie, OM en de rechtspraak sedert 2010, in welke mate is daarin sprake van continuïteit en wat is de onderliggende beleidstheorie daaromtrent, en wat is daarin de rol van de bijzondere kenmerken van de betrokken organisaties: de politie als ‘sui-generis’ organisatie, de rechtsstatelijke positie van het OM en de onafhankelijkheid van de rechtspraak? Is er in deze hoofdafspraken ook aandacht voor afstemming ten opzichte van elkaar in de keten?” • “Welke fluctuaties (bezuinigingen en investeringen) hebben zich voorgedaan in de bekostiging van politie, OM en rechtspraak sedert 2010 en welke visie/doelstellingen/beleidsafwegingen lagen daaraan ten grondslag, wat kan gezegd worden over de realisatie daarvan, en wat waren de consequenties voor de organisaties en de ketensamenwerking?” • “Zijn er in de begrotingssystematiek op andere beleidsterreinen concrete voorbeelden te vinden die kunnen bijdragen aan vergroting van de continuïteit van de bekostiging? • Wat zijn de ervaringen met een tweetal ketenbrede programma’s in het strafrecht, te weten ZSM en de digitalisering van de keten? • Welke betekenis hebben de bevindingen, ook die onder twee en drie, voor de mogelijkheden om te komen tot het beter borgen in de toekomst van de continuïteit van beleid en bekostiging van deze organisaties, teneinde de rechtsstaat duurzaam te versterken?” INHOUD: 1. Inleiding 2. Economische theorie van bekostigings-systemen 3. Bekostiging politie, OM en Rechtspraak 2010-2020 4. Ketensamenwerking 5. Verkenning alternatieve bekostigingssystematieken 6. Bevindingen, conclusies en aanbevelingen.