‘Anders dan incidenteel’-criterium in de Wet tijdelijk huisverbod
| dc.contributor.author | Beijerse, J. uit | |
| dc.contributor.author | Turfboer, C.M. | |
| dc.contributor.author | Gastel, M. van (medew.) | |
| dc.coverage.spatial | Nederland | nl_NL |
| dc.date.accessioned | 2023-06-27T08:02:57Z | |
| dc.date.available | 2023-06-27T08:02:57Z | |
| dc.date.issued | 2023-06-27 | |
| dc.identifier.uri | http://hdl.handle.net/20.500.12832/3274 | |
| dc.description.abstract | Sinds 1 januari 2009 is de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) van kracht.1 Op basis van deze wet kan de burgemeester - of namens deze de hulpofficier van justitie - een tijdelijk huisverbod opleggen aan een volwassen persoon waarvan de aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen die met hem in de woning wonen of daarin ‘anders dan incidenteel’ verblijven of indien een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor 10 dagen en kan indien de dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan zich voortzet, door de burgemeester tot 4 weken worden verlengd (art. 2, eerste en tweede lid, Wth). De aanleiding voor dit onderzoek is dat in de praktijk onduidelijkheid blijkt te bestaan over wat moet worden verstaan onder personen die ‘anders dan incidenteel’ in de woning verblijven. Uit gesprekken tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en de G4-gemeenten bleek dat deze gemeenten ervaren dat er regionale verschillen bestaan in de toetsing van dit criterium door de rechter. Het zou gaan om verschillen met betrekking tot de omstandigheden die worden meegewogen, de eisen die worden gesteld aan de toepassing van het criterium bij ex-partners en een verschillende uitleg van de vraag op wie criterium betrekking heeft, de vermoedelijke pleger of het slachtoffer. Centrale vraagstelling: In hoeverre is sprake van verschillen bij de toetsing door de rechter van het ‘anders dan incidenteel’-criterium in de Wet tijdelijk huisverbod? In hoeverre is het mogelijk en wenselijk om harmonisatie te bevorderen? Deze vraagstelling is uitgewerkt in twee deelvragen met elk vier subvragen. De eerste deelvraag luidt: ‘Hoe beoordeelt de rechter het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij de volgende subvragen zijn geformuleerd: Op welke wijze toetst en onderbouwt de rechter of wordt voldaan aan het criterium ‘anders dan incidenteel’? Past de rechter het criterium toe op de vermoedelijke pleger of het slachtoffer? Worden er andere eisen aan het criterium gesteld bij specifieke slachtoffers of daders, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ex‐partners? Zijn er andere verschillen in de beoordeling van de rechters bij de toetsing van het ‘anders dan incidenteel’ criterium? De tweede deelvraag luidt: ‘Is sprake van regionale verschillen in de toepassing van het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij, in het geval er verschillen worden geconstateerd, moet worden onderzocht: om welke verschillen het gaat, hoe die kunnen worden verklaard, in hoeverre het nodig of wenselijk is deze verschillen te verkleinen, en op welke wijze dat kan worden bereikt. INHOUD Inleiding Het criterium in de context van de toepassingspraktijk De uitleg van het criterium in de rechtspraak Analyse, conclusies en aanbevelingen | |
| dc.description.abstract | According to the law, a temporary restraining order may be imposed on an adult if facts or circumstances show that his or her presence in the dwelling presents a serious and immediate danger to the safety of one or more persons living with him or staying in the residence ‘other than incidentally’ or if, based on facts or circumstances, there is a serious suspicion of such danger (art. 2, paragraphs 1 and 2, Temporary Restraining Order Act). The research laid down in this report was conducted because in practice there is a lack of clarity as to what should be understood by persons staying in the dwelling 'other than incidentally'. This study focuses on the following general research question: “To what extent are there differences in the court’s assessment of the ‘other than incidental’ criterion in the Temporary Restraining Order Act? To what extent is it possible and desirable to promote harmonization?” | |
| dc.publisher | Erasmus School of Law | nl_NL |
| dc.relation.ispartofseries | WODC Rapport 3391 | nl_NL |
| dc.relation.uri | https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2023/06/27/mogelijk-ongelijke-toepassing-tijdelijk-huisverbod-door-onduidelijkheden-over-wetsartikel | nl_NL |
| dc.subject | Besluitvorming | nl_NL |
| dc.subject | Straatverbod | nl_NL |
| dc.subject | Huiselijk geweld | nl_NL |
| dc.subject | Huisverbod | nl_NL |
| dc.subject | Jurisprudentie | nl_NL |
| dc.subject | Rechters | nl_NL |
| dc.subject | Slachtoffer/dader | nl_NL |
| dc.subject | Slachtoffers | nl_NL |
| dc.subject | Wet- en regelgeving | nl_NL |
| dc.title | ‘Anders dan incidenteel’-criterium in de Wet tijdelijk huisverbod | nl_NL |
| dc.title.alternative | De beroepsrechtspraak in de bredere context van de toepassingspraktijk | nl_NL |
| dc.type | Rapport | nl_NL |
| dc.identifier.project | 3391 | nl_NL |
| html.description.abstract | Sinds 1 januari 2009 is de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) van kracht.1 Op basis van deze wet kan de burgemeester - of namens deze de hulpofficier van justitie - een tijdelijk huisverbod opleggen aan een volwassen persoon waarvan de aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen die met hem in de woning wonen of daarin ‘anders dan incidenteel’ verblijven of indien een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor 10 dagen en kan indien de dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan zich voortzet, door de burgemeester tot 4 weken worden verlengd (art. 2, eerste en tweede lid, Wth).<BR><P></P> De aanleiding voor dit onderzoek is dat in de praktijk onduidelijkheid blijkt te bestaan over wat moet worden verstaan onder personen die ‘anders dan incidenteel’ in de woning verblijven. Uit gesprekken tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en de G4-gemeenten bleek dat deze gemeenten ervaren dat er regionale verschillen bestaan in de toetsing van dit criterium door de rechter. Het zou gaan om verschillen met betrekking tot de omstandigheden die worden meegewogen, de eisen die worden gesteld aan de toepassing van het criterium bij ex-partners en een verschillende uitleg van de vraag op wie criterium betrekking heeft, de vermoedelijke pleger of het slachtoffer.<BR><P></P> Centrale vraagstelling: In hoeverre is sprake van verschillen bij de toetsing door de rechter van het ‘anders dan incidenteel’-criterium in de Wet tijdelijk huisverbod? In hoeverre is het mogelijk en wenselijk om harmonisatie te bevorderen? Deze vraagstelling is uitgewerkt in twee deelvragen met elk vier subvragen. <I>De eerste deelvraag luidt</I>: ‘Hoe beoordeelt de rechter het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij de volgende subvragen zijn geformuleerd: <UL><LI>Op welke wijze toetst en onderbouwt de rechter of wordt voldaan aan het criterium ‘anders dan incidenteel’? <LI>Past de rechter het criterium toe op de vermoedelijke pleger of het slachtoffer? <LI>Worden er andere eisen aan het criterium gesteld bij specifieke slachtoffers of daders, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ex‐partners? <LI>Zijn er andere verschillen in de beoordeling van de rechters bij de toetsing van het ‘anders dan incidenteel’ criterium?</LI></UL> <I>De tweede deelvraag luidt</I>: ‘Is sprake van regionale verschillen in de toepassing van het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij, in het geval er verschillen worden geconstateerd, moet worden onderzocht: <UL><LI>om welke verschillen het gaat, <LI>hoe die kunnen worden verklaard, <LI>in hoeverre het nodig of wenselijk is deze verschillen te verkleinen, en <LI>op welke wijze dat kan worden bereikt.</UL></LI> <B>INHOUD</B> <OL><LI>Inleiding <LI>Het criterium in de context van de toepassingspraktijk <LI>De uitleg van het criterium in de rechtspraak <LI>Analyse, conclusies en aanbevelingen</LI></OL> | nl_NL |
| html.description.abstract | According to the law, a temporary restraining order may be imposed on an adult if facts or circumstances show that his or her presence in the dwelling presents a serious and immediate danger to the safety of one or more persons living with him or staying in the residence ‘other than incidentally’ or if, based on facts or circumstances, there is a serious suspicion of such danger (art. 2, paragraphs 1 and 2, Temporary Restraining Order Act). The research laid down in this report was conducted because in practice there is a lack of clarity as to what should be understood by persons staying in the dwelling 'other than incidentally'.<P></P>This study focuses on the following general research question:<BR> “To what extent are there differences in the court’s assessment of the ‘other than incidental’ criterion in the Temporary Restraining Order Act? To what extent is it possible and desirable to promote harmonization?” | en_GB |
| dc.contributor.institution | Erasmus School of Law | nl_NL |
| dc.contributor.institution | WODC | nl_NL |
| dc.source.city | Rotterdam | nl_NL |
| dc.title.english | 'Other than incidental' criterion in the Temporary Restraining Order Act - The appellate case law in the wider context of the application practice (full text only available in Dutch) | nl_NL |



