Now showing items 1-20 of 3344

    • Een passende plek voor statushouders? - Ervaringen met de woonomgeving en het huisvestingsbeleid van Syrische en Eritrese statushouders

      Meer, M. van der; Otten, K.; Noyon, S.M.; Hendriks, I.P.; Schans, J.M.D. (WODC, 2024-04-11)
      Het huidige onderzoek heeft het doel meer inzicht te bieden in welke aan huisvesting en de woonomgeving gerelateerde zaken voor mensen afkomstig uit Syrië en Eritrea belangrijk zijn geweest voor het opbouwen van hun leven in Nederland, nadat zij een woning in een gemeente toegewezen hebben gekregen. Daarnaast wordt beoogd meer kennis te verkrijgen over ervaringen met het huisvestingsproces en opvattingen over het huisvestingsbeleid. Daartoe zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Welke factoren gerelateerd aan huisvesting en de woonomgeving zijn volgens mensen gevlucht uit Syrië en Eritrea zelf van belang voor het opbouwen van hun leven in Nederland? a Verandert het belang van deze factoren over de tijd? Hoe hebben mensen gevlucht uit Syrië en Eritrea het huisvestingsproces ervaren? Hoe kijken mensen gevlucht uit Syrië en Eritrea aan tegen het huidige huisvestingsbeleid (in algemene zin)? INHOUD Inleiding Verkenning van de literatuur Methodologische verantwoording Belangrijke factoren voor het opbouwen van een leven in Nederland Ervaringen met het huisvestingsproces en opvattingen over het huisvestingsbeleid Conclusies en discussie
    • National Risk Assessment Witwassen 2023

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2024-04-03)
      Het Nederlandse beleid ter preventie en repressie van witwassen is gebaseerd op de aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en regelgeving van de Europese Unie (EU). Nederland is als lid van de FATF gebonden aan de aanbevelingen van dit intergouvernementeel orgaan gericht op het nemen van preventieve en repressieve maatregelen tegen witwassen en terrorismefinanciering, maatregelen ten aanzien van nationale rechtsstelsels en internationale samenwerking. Voor de EU-lidstaten is het grootste deel van de FATF-aanbevelingen omgezet naar verschillende opeenvolgende anti-witwasrichtlijnen. Op grond van deze richtlijnen dienen de EU-lidstaten risicogericht beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering te voeren en een National Risk Assessment (NRA) vast te stellen. Voor Nederland is de uitvoering van de NRA vastgelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De uitgevoerde risicoanalyse voor de NRA betreft de periode januari 20202 tot en met juni 2023. De NRA heeft een vijfledig doel: het identificeren van de witwasdreigingen met de grootste potentiële impact (ofwel de grootste witwasdreigingen); het vaststellen van de hoogte van de potentiële impact van de grootste witwasdreigingen; het bepalen van de hoogte van de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium ter preventie en/of repressie van de grootste witwasdreigingen; het bieden van inzicht in de aard en mechanismen van de grootste witwasdreigingen; en het bepalen van het risiconiveau van de grootste witwasdreigingen door de potentiële impact van de dreigingen af te zetten tegen de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium. INHOUD Inleiding Onderzoeksmethodiek Wat maakt Nederland kwetsbaar voor witwassen? Grootste witwasdreigingen Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium Nationale wet- en regelgeving Conclusies
    • National Risk Assessment Terrorismefinanciering 2023

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2024-04-03)
      Het Nederlandse beleid ter preventie en repressie van terrorismefinanciering is gebaseerd op de aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en regelgeving van de Europese Unie (EU). Nederland is als lid van de FATF gebonden aan de aanbevelingen van dit intergouvernementeel orgaan gericht op het nemen van preventieve en repressieve maatregelen gericht op witwassen en terrorismefinanciering, maatregelen ten aanzien van nationale rechtsstelsels en internationale samenwerking. Voor de EU-lidstaten is het grootste deel van de FATF-aanbevelingen omgezet naar verschillende opeenvolgende anti-witwasrichtlijnen. Op grond van deze richtlijnen dienen de EU-lidstaten risicogericht beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering te voeren en een National Risk Assessment (NRA) vast te stellen. Voor Nederland is de uitvoering van de NRA vastgelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De uitgevoerde risicoanalyse voor de NRA betreft de periode januari 20202 tot en met juni 2023. De NRA heeft een vijfledig doel: het identificeren van de terrorismefinanciering-dreigingen met de grootste potentiële impact (ofwel de grootste tf-dreigingen); het vaststellen van de hoogte van de potentiële impact van de grootste tf-dreigingen; het bepalen van de hoogte van de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium ter preventie en/of repressie van de grootste tf-dreigingen; het bieden van inzicht in de aard en mechanismen van de grootste tf-dreigingen; en het bepalen van het risiconiveau van de grootste tf-dreigingen door de potentiële impact van de dreigingen af te zetten tegen de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium.INHOUD Inleiding Onderzoeksmethode Wat maakt Nederland kwetsbaar voor terrorismefinanciering? Grootste dreigingen terrorismefinanciering Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium Conclusies
    • Richten op de regenboog - Een onderzoek naar daders en prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen

      Seidler, Y.; Wolff, R.; Woord, E. ter; Schans, K. van der (Erasmus Universiteit Rotterdam - Risbo, 2024-03-20)
      Dit onderzoek heeft als doel om een beeld te krijgen van a) de daders van geweld tegen LHBTQ-personen en b) de context waarbinnen deze incidenten plaatsvinden. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke kenmerken en motieven hebben daders van geweld gericht tegen LHBTQ-personen en wat is de aard en omvang van dit geweld? Om deze vraag te beantwoorden hebben wij ons gericht op de volgende deelvragen: Wat is er bekend over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland? Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld? In hoeverre doen LHBTQ-personen aangifte van verschillende geweldsincidenten en welke factoren zijn hierop van invloed? Welke regionale verschillen bestaan er met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen? Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven? Welke maatregelen zouden mogelijk effectief kunnen zijn in het voorkomen en bestrijden van geweld tegen LHBTQ-personen?INHOUD Inleiding Wat is er bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld? Onderzoeksmethoden en -verantwoording LHBTQ-discriminatie in politieregistraties Over de slachtoffers en context van de geweldsincidenten Over de daders Daderprofielen Reflectie van LBTIQ-belangenverenigingen en slachtoffers Conclusie
    • Veilige landen van herkomst - Een internationale vergelijking van de toepassing van het 'veilige landen van herkomst'-concept in asielbeleid

      Eekelschot, L.; Zürcher, E.; Nederveen, F.; Hochstrasser, F.; Hoorens, S. (Rand Europe, 2024-03-19)
      Dit onderzoek komt voort uit de wens van de Nederlandse overheid om in kaart te brengen hoe en op welke gronden andere EU-lidstaten een lijst van veilige landen van herkomst hanteren in hun asielbeleid. De onderzoeksvragen luiden als volgt: Hoe selecteren andere lidstaten de te beoordelen landen? Op grond van welke bronnen en criteria voeren andere lidstaten de eerste beoordeling uit en hoe is die procedure vormgegeven? Zijn de beoordelingen en herbeoordelingen openbaar? Op grond van welke bronnen en criteria voeren andere lidstaten de periodieke herbeoordeling uit en hoe vaak verrichten zij die? Worden er groepen en/of gebieden uitgezonderd binnen de aanwijzing veilig land van herkomst? Zo ja, op grond van welke criteria en is er een limiet aan het aantal uitzonderingsgroepen? Hoe ziet de asielprocedure eruit voor personen afkomstig uit een veilig land van herkomst? Veilige landen van herkomst Gelden er andere voorwaarden voor de opvang en terugkeer en hoe verloopt de terugkeer van asielzoekers uit veilige landen ten opzichte van die van andere afgewezen asielzoekers? Is er relevante jurisprudentie beschikbaar, houdt het beleid stand voor de rechter en wat zijn de kwetsbaarheden? Wat zijn de verschillen van deze lidstaten met Nederland waar het gaat om veilige landenbeleid?INHOUD Inleiding Nederland Duitsland Frankrijk Italië Oostenrijk Zweden Conclusie
    • Drugsgerelateerde corruptie op Schiphol en in de Rotterdamse haven - Een analyse van corruptiedreigingen, impact en beleidsinstrumenten op basis van de methodologie voor National Risk Assessment

      Zürcher, E.; Pardal, M.; Leussink, I.; Hoorens, S. (RAND Europe, 2024-03-18)
      Dit onderzoek richt zich specifiek op corruptie in relatie tot drugscriminaliteit en niet in relatie tot andere vormen van criminaliteit die kunnen worden bevorderd door corruptie, zoals fraude, witwassen en terrorisme. Er wordt vooral gericht op de corruptie die tot doel heeft drugshandel te faciliteren (bijvoorbeeld wat de waargenomen kwetsbaarheden zijn voor publieke en private actoren om te worden gecorrumpeerd om drugshandelactiviteiten te vergemakkelijken). Onderzoeksvragen: Welke kenmerken maken de luchthaven Schiphol en de Rotterdamse haven aantrekkelijk of juist onaantrekkelijk voor het optreden van ambtelijke en niet-ambtelijke corruptie in relatie tot drugsgerelateerde criminaliteit? Wat zijn de belangrijkste corruptiedreigingen in de mainports Schiphol en de Rotterdamse haven in relatie tot de drugsgerelateerde criminaliteit en de bedrijven of individuen die deze faciliteren? Hoe schatten experts de potentiële impact in van de grootste corruptiedreigingen voor de mainports Schiphol en de Rotterdamse haven? Waaruit bestaat het beleidsinstrumentarium voor de preventie en repressie van corruptie in de twee mainports? Hoe beoordelen experts de weerbaarheid van het beschikbare beleidsinstrumentarium ter preventie en repressie van de grootste corruptiedreigingen op de luchthaven Schiphol en in de Rotterdamse haven? En wat verwachten experts over de mate waarin het huidige beleidsinstrumentarium de mogelijke impact van deze dreigingen daadwerkelijk tegengaat? Missen zij bij de uitvoering van de opsporing, handhaving en toezicht ook beleidsinstrumenten? Welke risico’s ten aanzien van de mainports blijven er over wanneer de potentiële impact van de corruptiedreigingen wordt afgezet tegen de weerbaarheid van het in Nederland beschikbare beleidsinstrumentarium ter preventie en repressie van corruptie? Welke corruptierisico’s zijn in de twee mainports nog niet gesignaleerd maar zouden in de toekomst actueel kunnen worden? Welke nog niet geïmplementeerde beleidsinstrumenten zouden kunnen bijdragen aan de repressie van ambtelijke en niet-ambtelijke corruptie of van de corruptie die mogelijk in de nabije toekomst gaat spelen ten aanzien van drugsgerelateerde criminaliteit op de luchthaven Schiphol en in de Rotterdamse haven? Is er casuïstiek bekend van verschuivingen in corruptiedreigingen als gevolg van het optreden van een verplaatsingseffect (‘waterbedeffect’), waarbij een verhoogde weerbaarheid tegen een dreiging (door versterking van het beleidsinstrumentarium) heeft geleid tot het actueel worden van een andere dreiging? Wat kan worden geconcludeerd over de toepasbaarheid en de meerwaarde van de methodiek voor nationale risicobeoordeling (NRA) op het gebied van corruptiedreigingen op specifieke locaties zoals de twee onderzochte mainports? INHOUD Inleiding en achtergrond Methodologie Contextkenmerken die de twee mainports aantrekkelijk of juist onaantrekkelijk maken voor corruptie Bevindingen voor Schiphol Bevindingen voor de haven van Rotterdam Conclusies en discussie Bronnen
    • Onderzoek Experiment Gesloten Coffeeshopketen - Rapportage nulmeting 2021

      Mennes, R.; Laar, M. van; Monshouwer, K.; Andree, R.; Oomen, P.; Pardal, M.; Leenders, E.; Schoonbeek, I.; Lee, E. van; Rigter, S.; et al. (Rand Europe, 2024-03-14)
      In deze rapportage worden de gehanteerde methoden en resultaten van de nulmeting voor het onderzoek naar ‘Experiment gesloten coffeeshopketen’ (hierna: het experiment) beschreven. De nulmeting stelt, nog voor de start van het experiment, de stand van zaken vast op het gebied van het cannabisgebruik, de (gedoogde) verkoop van cannabis vanuit coffeeshops en de illegale verkoop van softdrugs in de aan het onderzoek deelnemende gemeenten. De nulmeting heeft betrekking op tien interventiegemeenten, waar legaal geteelde cannabis wordt geïntroduceerd, en tien vergelijkingsgemeenten, waar het reguliere aanbod blijft gelden. De interventiegemeenten zijn onderdeel van het experiment, de vergelijkingsgemeenten nemen als controlegroep aan het onderzoek deel. Na de start van het experiment worden vervolgmetingen verricht, waarmee de ontwikkelingen in de twee onderscheiden onderzoeksgroepen worden gemonitord. Door de resultaten van de vervolgmetingen te vergelijken met die van de nulmeting, kunnen conclusies worden getrokken over de gevolgen van het experiment wat betreft de drie onderzochte thema’s. De thema’s die centraal staan in deze nulmeting zijn: het aanbod en het gebruik van cannabis de daaraan gerelateerde overlast en criminaliteit de aan cannabisgebruik en -beleid gerelateerde volksgezondheid.INHOUD Inleiding Methoden Beleidstheorie Lokale situatie in de onderzoeksgemeenten Aanbod in de coffeeshops De coffeeshop en zijn bezoekers Leefbaarheid Illegale markt Conclusies
    • Nationale Drug Monitor - update 2023

      Deppe, K. (Trimbos-instituut, 2024-02-21)
      FACTSHEET ontwikkelingen in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag Op basis van de meest recente update van de Nationale Drug Monitor besteedt deze factsheet aandacht aan nieuwe cijfers over drie ontwikkelingen in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag van de afgelopen jaren. Deze ontwikkelingen en andere trends in drugscriminaliteit en middelengebruik en strafbaar gedrag staan in de update van de NDM (Nationale Drug Monitor) van het Trimbos-instituut en het WODC. Deze update is uitgevoerd door Regioplan. NDM 2023 De Nationale Drug Monitor (NDM) is alleen digitaal te raadplegen op de website van het Trimbos-instituut (zie link hiernaast). INHOUD NDM Middelen per soort (Cannabis, Cocaïne, Opioïden, Ecstasy, Amfetamine, NPS, GHB, Psychedelica, Slaap- en kalmeringsmiddelen, Lachgas, Ketamine, ADHD-medicatie, Alcohol, Tabak) Wetgeving, beleid en preventie Drugscriminaliteit Middelengebruik en strafbaar gedrag
    • In- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtsketen

      Ruiter, S.; Leuken, M. van; Ruitenburg, T. van; Schiks, J.; Leukfeldt, R. (Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), 2023-12-31)
      Onderhavig onderzoek is erop gericht meer zicht te bieden op de in- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen. Naast inzicht in de actuele in- en doorstroom biedt het onderzoek ook inzicht in mogelijke knelpunten binnen de strafrechtketen, good practices en verbetermogelijkheden. Het onderzoek beantwoordt de volgende onderzoeksvragen: Zijn er volgens de literatuur vormen van online criminaliteit waarvan verdachten niet of nauwelijks de strafrechtketen instromen? Zo ja, welke? Welke verklaringen worden er in de literatuur gegeven voor die lage instroom? Wat zijn de meest recente cijfers over 2018-2020 met betrekking tot de instroom en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen? Welke knelpunten kunnen geïdentificeerd worden binnen de in- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen? In hoeverre hebben andere landen ook te maken met de onder vraag 3 geconstateerde knelpunten? Welke ervaringen zijn er in andere landen met het oplossen van deze knelpunten? Welke verbeteringen kunnen per schakel van de strafrechtketen worden doorgevoerd om de strafrechtpleging bij online criminaliteit te bevorderen? INHOUD Inleiding Onderzoeksvragen en -methoden Wel slachtoffer, geen instroom In- en doorstroom in cijfers Knelpunten volgens de literatuur en volgens actoren in de strafrechtketen Verbeteringsmogelijkheden volgens de literatuur, actoren binnen de strafrechtketen en experts uit binnen- en buitenland
    • Vroegtijdig ingrijpen op antisociaal gedrag 0-15-jarigen - Wat als je het de praktijk vraagt?

      Hanrath, J.; Herberg, E. van der; Donker, A. (Hogeschool Utrecht, 2023-12-31)
      Hoewel er sprake is van een dalende trend in de jeugdcriminaliteit zijn er momenteel zorgen over jonge minderjarigen die betrokken zijn bij vermogensdelicten, drugs- en wapendelicten en ernstige feiten als doodslag en zware mishandeling. De vrees bestaat dat jong starten en recidiveren leidt tot ‘ingroei’ in de criminaliteit en ‘doorgroei’ naar de positie van regisseur die nieuwe, jonge plegers rekruteert voor het plegen van delicten. De zorgen sluiten aan bij prospectieve longitudinale studies waaruit blijkt dat frequente plegers van ernstige delicten vaker een langere criminele carrière hebben, meer verschillende typen delicten plegen en op jongere leeftijd beginnen met het plegen van delicten. Het doel van dit onderzoek is aanknopingspunten te identificeren voor interventies die gericht zijn op het voorkomen dat kinderen in hun vroege adolescentie (9-15 jaar) bij deze ernstige delicten betrokken raken. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke aanknopingspunten zijn er om de kans op de ontwikkeling van antisociaal gedrag van kinderen in de leeftijd 0-15 te verkleinen en om delictgedrag in de vroege adolescentie bij te sturen of om te buigen? INHOUD Aanleiding en achtergrond onderzoek Kennis over risicofactoren Kennis over interventies Interventies in Nederland Methode van het Delphi-onderzoek Resultaten van het Delphi-onderzoek Conclusie
    • Etnisch profileren door de politie - Een systematische literatuurstudie toegespitst op de Nederlandse context

      Meeteren, M. van; Woude, M. van der; Mutsaers, P.; Vries, I. de; Hageman, N.; Leun, J. van der; Terlouw, A. (Radboud Universiteit - Onderzoekscentrum Staat & Recht, 2023-12-31)
      Het doel van dit onderzoek was om een wetenschappelijke kennisbasis te ontwikkelen die relevant is voor de Nederlandse praktijk over etnisch profileren door de politie. Deze kennisbasis zal in de toekomst bijdragen aan verdere studies over dit onderwerp en fungeert als richtlijn voor nog ontbrekend onderzoek in Nederland. Daarnaast legt dit onderzoek een kennisbasis voor de beleidsontwikkeling in Nederland. Door dit fundament voor onderzoek én beleid te leggen, komt dit onderzoek tegemoet aan twee subdoelen: het opstellen van een overzicht van kennis over etnisch profileren op basis van bestaande literatuur, met een nadrukkelijke verwijzing naar de lacunes hierin het bieden van inzicht in strategieën om etnisch profileren door de politie aan te pakken en de risico's ervan te verminderen of weg te nemen. De centrale vraag in dit onderzoek was: Welke huidige wetenschappelijke kennis bestaat er over etnisch profileren door de politie en hoe is deze kennis toepasbaar in de huidige Nederlandse context? INHOUD Inleiding en onderzoeksvragen Methoden van onderzoek Resultaten verkennende literatuurstudie Resultaten verdiepende literatuurstudie Conclusie
    • Weerbaarheid becijferd - Een methode om weerbaarheid tegen dreigingen voor de nationale veiligheid inzichtelijk te maken

      Nederveen, F.; Hoorens, S.; Frinking, E.; Soest, H. van (Rand Europe, 2023-12-30)
      In de context van nationale en internationale veiligheid is weerbaarheid een veelgebruikte term. Ook in Nederland zet het Rijk zich in om de weerbaarheid van de samenleving te versterken tegen dreigingen voor de nationale veiligheid. Het is echter niet eenvoudig om de mate van weerbaarheid noch wijzigingen daarin vast te stellen. Dit onderzoek is gericht op het ontwikkelen van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in relatie tot de nationale veiligheid. De centrale doelstelling van dit onderzoek is het ontwikkelen van een flexibele methode waarmee de overheid de mate van weerbaarheid kan bepalen tegen het volledige spectrum van actuele en toekomstige dreigingen en risico’s op het gebied van de nationale veiligheid, zoals vastgelegd in de Rijksbrede risicoanalyse (RbRA) 2022. Binnen deze centrale doelstelling kunnen vervolgens drie subdoelstellingen worden onderscheiden: Het verkennen en definiëren van het begrip weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid; Het ontwikkelen en uitwerken van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in de context van de nationale veiligheid; Het testen van de methode op actuele dreigingen uit de Rijksbrede risicoanalyse.INHOUD Inleiding Definiëren van weerbaarheid Bestaande methode voor het meten van weerbaarheid Uitwerken van een methode om weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid meetbaar te maken Reflectie op de toepassen van de weerbaarheidsmatrix
    • Evaluatiekader en nulmeting Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS)

      Driesse, M.; Moor, G. de; Blom, T.; Deppe, K.; Brennenraedts, R. (Dialogic, 2023-12-30)
      De Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) heeft een beleidshistorie van meer dan tien jaar. Om de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten heeft de Rijksoverheid in 2018 in samenwerking met publieke en private partijen, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA) vastgesteld. De NCSA bouwde voort op de effecten die gerealiseerd waren bij de eerdere Nationale Cybersecurity strategieën uit 2011 en 2013. De NCSA bevatte zeven ambities die bijdroegen aan de volgende doelstelling: “Nederland is in staat om op een veilige wijze de economische en maatschappelijke kansen van digitalisering te verzilveren en de nationale veiligheid in het digitale domein te beschermen.” In 2021 voerde Dialogic een planevaluatie uit van deze agenda. Gegeven de lessen vanuit de NSCA, de gekozen opzet van de NLCS (combinatie van meerjarenstrategie en adaptief actieplan) en voorgaande observaties ten aanzien van de startsituatie en monitoringsmogelijkheden is aan Dialogic gevraagd om te komen tot een evaluatiekader en nulmeting van de NLCS. INHOUD Introductie De NLCS en het Actieplan Pijler 1: Digitale weerbaarheid van de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties Pijler 2: Veilige en innovatieve digitale producten en diensten Pijler 3: Tegengaan van cybersecuritydreigingen van staten en criminelen Pijler 4: Cybersecurity-arbeidsmarkt, onderwijs en digitale weerbaarheid van burgers Monitoringskader Conclusies en aanbevelingen
    • Samen verder leren: een zaak van prioriteren, faciliteren en institutionaliseren - Lerende evaluatie voor de doorontwikkeling bedrijfsvoering politie

      Schiffelers, M.-J.; Douglas, S.; Himpers, J.-E. (medew.); Noordegraaf, M. (medew.); Overman, S. (medew.); Overmans, T. (medew.) (Universiteit Utrecht - USBO advies, 2023-12-30)
      De Politiewet 2012 heeft geleid tot een landelijk politiekorps. Doel hiervan was om de politie efficiënter en effectiever te maken. De verwachting was dat met name rondom de bedrijfsvoering, zoals taken rond ICT, informatievoorziening, inkoop en HRM, veel schaalvoordelen te behalen waren. De Commissie Kuijken concludeerde in 2017 echter dat het toewerken naar een gecentraliseerde bedrijfsvoering taai is gebleken. Sindsdien heeft de politie ingezet op een veranderbeweging richting een meer zelflerende bedrijfsvoering, onder meer via projecten van het Politiedienstencentrum (PDC) als PDC Next Level. De centrale vraagstelling van deze lerende evaluatie is: Welke veranderbeweging is er binnen de politie vanaf 2017/2018 op gang gekomen gericht op het verbeteren van de bedrijfsvoering en op een (meer) lerende en toekomstgerichte organisatie, welke versterkende of juist belemmerende mechanismen hebben daar een rol in gespeeld en wat is er nodig om de veranderbeweging door te ontwikkelen? INHOUD Deel I: De veranderbeweging Inleiding Analysekader veranderbeweging Analyse casussen Conclusies en lessen voor de toekomstDeel II: De veranderbeweging in vijf casussen Casus Robotic Process Automation (RPA) Casus NP Introductie Programma (NPIP) Causus Blue Portaal (BP) Casus Stroomstootwapen Casus decentrale activiteiten bewaken en beveiligen (B&B)
    • Behoeften slachtoffers grootschalige incidenten

      Bruijn, S.; Doeschot, F. ten; Straaten, G. van; Thijsen, R.; Zebel, S. (I&O Research, 2023-12-30)
      De onderzoeksvraag die in dit rapport centraal staat is wat de behoeften zijn van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre deze verschillen van de behoeften van slachtoffers van kleinschalige criminaliteit met grote impact voor het slachtoffer. In het verlengde daarvan is de vraag of het huidige palet aan slachtofferondersteuning voldoende is toegesneden op slachtoffers van grootschalige incidenten, of dat er nog aanvullende voorzieningen nodig zijn. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: Wat zijn de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre verschillen deze behoeften van die van andere slachtoffers? In welke mate komt het huidige slachtofferbeleid tegemoet aan de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten? In hoeverre is aanvullend beleid noodzakelijk?INHOUD Inleiding Slachtofferrechten Hulpverlening en bijstand aan slachtoffers Behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten naar fase Verschil van behoeften tussen typen grootschalige incidenten Verschil in behoeften tussen grootschalige incidenten en kleinschalige criminaliteit Waardering Invulling van behoeften Conclusie en slotbeschouwing
    • Evaluatie Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding

      Ansem, N. van; Verbeek, E.; Vaan, K. de; Nicolai, E.; Janssen, J. (Regioplan beleidsonderzoek, 2023-12-29)
      Per 1 januari 2018 is een wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden, te weten de inwerkingtreding van de Wet clausuleren recht op contact of omgang na partnerdoding. Het recht op contact of omgang van de ouder met zijn kind is een fundamenteel recht. Van contact wordt gesproken als de ouder het gezag heeft over het kind; omgang ziet op de situatie dat de ouder geen gezag heeft over het kind. Ook indien de ene ouder de andere ouder heeft gedood, heeft deze ouder in beginsel recht op contact of omgang met zijn kind. De wetswijziging heeft geregeld dat in het geval van (vermoedelijke) partnerdoding de kinderrechter altijd oordeelt of contact of omgang in het belang van het kind is, en dit doet op basis van een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De wetswijziging had als doel om de zorgvuldigheid bij besluiten inzake omgang in partnerdodingszaken te waarborgen, en daarbij de behartiging van de belangen van het kind goed te borgen. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de effecten van deze wetswijziging. De probleemstelling die hieruit voortvloeit, behelst de volgende vier hoofdvragen: Is de wet uitgevoerd, en zo ja hoe, zo nee waarom niet? Hoe is de verhouding van de wet tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Zijn er neveneffecten opgetreden met de toepassing van de wet? Is het belang van het kind met de (toepassing van de) wetswijziging voldoende gediend?INHOUD Inleiding Uitvoering van de wet Plaatsing van de wet in een verdragsrechtelijk kader Het belang van het kind Conclusie
    • Evaluatie Wet homologatie onderhands akkoord

      Verstijlen, F.M.J.; Vriesendorp, R.D.; Adriaanse, J.A.A.; Broekema, M.J.R.; Karapetian, A.; Koster, H.; Pool, J.M.W.; Verheul, E.F. (Rijksuniversiteit Groningen, 2023-12-29)
      De totstandkoming van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) was onderdeel van de tweede pijler – versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven – en is op 1 januari 2021 in werking getreden. Doel van de WHOA is, kort gezegd, te voorkomen dat ondernemingen die op zichzelf levensvatbaar zijn, door een te hoge schuldenlast of door te hoge structurele schulden failliet gaan. Dat geschiedt – zoals de naam al zegt – door homologatie, dat wil zeggen goedkeuring of bekrachtiging door de rechter van een onderhands akkoord tussen een schuldenaar en (een deel van) diens schuldeisers en/of aandeelhouders dat voorziet in de wijziging van hun rechten en dat ook schuldeisers en aandeelhouders kan binden die daarmee niet instemmen. Doel van dit onderzoek is om in aansluiting op artikel IIA van de Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord) antwoord te geven op de vraag of, en zo ja in hoeverre, de doelen van de WHOA in de (prille) praktijk worden gerealiseerd, en wat in de praktijk de ervaringen en (overige) resultaten zijn van de invoering van deze wet. INHOUD Inleiding en onderzoeksopzet Reconstructie beleidslogica Jurisprudentieonderzoek Expertmeeting Casestudies Survey Synthese: Eerste ervaringen met en opbrengsten van de WHOA Conclusies en aanbevelingen
    • Casestudie verloop traject uitgeplaatste en niet-uitgeplaatste gedetineerden - Na een zeden- of ernstig geweldsdelict naar aanleiding van de maatregelen Michael P.

      Eil, L. van; Jongebreur, W.; Zoutenbier, M. (Significant APE, 2023-12-28)
      Na de veroordeling van Michael P. voor de ontvoering, verkrachting en om het leven brengen van Anne Faber hebben de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzoek gedaan naar het detentieverloop van P. en de verleende zorg. Op basis van deze resultaten heeft de minister voor Rechtsbescherming in 2019 een aantal maatregelen getroffen die zich onder andere specifiek richten op uitplaatsingen van ernstige gewelds- en zedendelinquenten in het kader van artikel 15.4 (voorheen 15.5) en artikel 43.4 (voorheen 43.3) van de Penitentiaire beginselen wet. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het detentieverloop, het behandeltraject en de voorbereiding op terugkeer voor uitgeplaatste en niet-uitgeplaatste gedetineerden. De nadruk ligt daarbij op het ongewenste effect dat een gedetineerde die aan alle voorwaarden voldoet, niet wordt uitgeplaatst. De hoofdvraag van dit onderzoek is daarom: Hoe hebben de maatregelen de beslissing om wel of niet uit te plaatsen veranderd en welke gevolgen heeft dit voor de gedetineerden? Om de hoofdvraag te beantwoorden, worden uitplaatsingen van voor en na de invoering van de maatregelen onderzocht. De laatste onderzoeksvraag betreft: Welke conclusies kunnen worden getrokken als de verschillende casussen (wel/niet-uitplaatsing, voor en na invoering van de verbetermaatregelen) met elkaar worden vergeleken? INHOUD Inleiding Wettelijk kader en maatregelen Proces van uitplaatsing Overzicht uitplaatsingen en doelgroep Ervaringen met uitplaatsing vóót en na de maatregelen Conclusies
    • Waarom komen ze niet? - Meldingsbereidheid onder veroordeelden met een zelfmeldstatus

      Blom, T.; Velde, R. te; Geest, J. van der; Lindhout, E. (Dialogic, 2023-12-28)
      De probleemstelling van dit onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de oorzaken van de geringe meldingsbereidheid van de gestraften in de zelfmeldprocedure (‘veroordeelden met zelfmeldstatus’)? Het uiteindelijke doel van dit onderzoek (dat wil zeggen, waaraan de resultaten volgens ons zouden moeten bijdragen) is om het aantal zelfmelders te verhogen. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich te melden bij de PI (zelfmelder)? Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich niet te melden bij de PI (niet-zelfmelder)? Komen er uit pilots met zelfmelders inzichten voor het verhogen van de meldingsbereidheid van veroordeelden met een zelfmeldstatus? Welke oplossingsrichtingen kunnen bedacht worden om de meldingsbereidheid (van veroordeelden met een zelfmeldstatus) te verhogen?INHOUD Introductie De zelfmeldprocedure: theorie en praktijk Theoretisch kader: Het COM-B gedragsmodel Methode onderzoek Data-analyse: Zelfmelders in cijfers Veldwerk: Interviews in PI's Mogelijke oplossingsrichtingen Conclusies Reflecties
    • Evaluatie fraudehelpdesk

      Winter, H.; Veen, C.; Bartlema, C.; Cazemier, J. (Pro Facto, 2023-12-27)
      Ons land kent verschillende informatie- en meldpunten waar burgers en bedrijven informatie kunnen inwinnen over (nieuwe) vormen van horizontale fraude, waarbij burgers en bedrijven worden benadeeld en waar fraude en oplichting kunnen worden gemeld. De Fraudehelpdesk is één van die meldpunten en richt zich op alle vormen van fraude. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is op dit moment de enige subsidieverstrekker. Deze evaluatie beoogt de besluitvorming over de subsidiëring, de hoogte van de toe te kennen subsidie, de doelen van de subsidie en daarbij te stellen voorwaarden te ondersteunen. De volgende hoofdvragen staan centraal: In hoeverre kunnen de doelen die de Fraudehelpdesk nastreeft in theorie via de geldende subsidievoorwaarden en het inrichtingsplan van de Fraudehelpdesk worden bereikt? In welke mate volstaat de praktische invulling van het inrichtingsplan van de Fraudehelpdesk in het bereikbaar maken van deze doelen? Welke bijdrage heeft de Fraudehelpdesk geleverd aan de preventie en bestrijding van horizontale fraude? Welke positie bekleedt de Fraudehelpdesk in het veld van de Nederlandse fraudepreventie en -bestrijding? Hoe zou de toekomstige doelbereiking van de Fraudehelpdesk (verder) kunnen worden verbeterd? Zijn er structurele of procesmatige aanpassingen nodig om de toekomstige bijdrage van de Fraudehelpdesk aan fraudepreventie en -bestrijding in Nederland te verbeteren? INHOUD Inleiding Beleidsreconstructie Organisatie, financiën en activiteiten Bekendheid Fraudehelpdesk Waardering van de Fraudehelpdesk Landschapf van fraudemeldpunten Synthese en conclusie