• De gekozen achternaam - Betekenis en gebruik van de wijziging van artikel 5 van het Burgerlijk Wetboek

      Klijn, A.; Beijers, G. (WODC, 2002)
      Sinds 1 januari 1998 kunnen ouders kiezen welke achternaam hun (toekomstige) kinderen zullen krijgen: die van vader of die van moeder. Die wet, een historische ingreep in ons napoleontisch naamstelsel, stamt uit een in 1978 verschenen rapport van de inmiddels opgeheven Emancipatiekommissie. Daarin werd de tenachterstelling van de vrouw op dit punt gesignaleerd. Toch, anders dan misschien op het eerste gezicht wordt gedacht, wordt met de wet niet een stimulans tot het doen van een bepaalde keuze beoogd. De overheid heeft geen intrinsiek belang bij de feitelijke keuze. Daarover gaat zij niet, dat is het belang van de ouders. De wet dient er slechts toe keuzevrijheid te bieden onder zo gunstig mogelijke voorwaarden voor een gelijkwaardig verlopend besluitvormingsproces. Dit onderzoek vormt een sociaal-wetenschappelijke evaluatie van de betekenis van de nieuwe wet. Na om en nabij vier jaar wordt een balans opgemaakt. Het huidige stelsel blijkt duidelijk aan te sluiten bij de gedurende het afgelopen decennium duidelijk gewijzigde opvatting van de Nederlandse bevolking; de individuele keuzevrijheid staat daarin centraal. Ook blijkt dat in het overgrote deel van de situaties de ouders snel, gemakkelijk en op een voor hen bevredigende wijze tot een keuze komen. Daarin ligt volgens de auteurs dan ook de betekenis van de wet; zonder het wegnemen van de wettelijke belemmering van het oude regime zou de huidige situatie onder grote spanning staan. Dat die keuze slechts voor een klein deel van de kinderen - geschat wordt vijf procent - resulteert in de moeders naam, is in zekere zin bijzaak. De hooggewaardeerde keuzevrijheid vormt echter tevens de basis voor kritiek op het geldende stelsel. Want waarom beperkt de overheid de keuze slechts tot het eerste kind door te bepalen dat binnen het gezin eenheid van achternaam moet bestaan? Daarnaast lijkt de wet ook geen voorwaarde te scheppen voor gelijkwaardig overleg daar waar de partners onoverbrugbare meningsverschillen hebben. INHOUD: 1. Vraagstelling en achtergrond 2. Naamgeving en naambeleving 3. De gemeente als kennisprovider 4. Gezamenlijk kiezen voor een naam 5. De naamwetgeving in terugblik