• Het toekennen van prioriteiten bij de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis

      Berghuis, A.C.; Essers, J.J.A. (WODC, 1985)
      Het geheel aan verrricht onderzoek kan worden onderscheiden in vier onderdelen: 1) een periodieke peiling naar het bestand aan voorlopig gehechten per arrondissement - aantallen en de onderverdeling naar insluitingsprioriteit; 2) een registratie per zaak waarin voorlopige hechtenis is bevolen over prioriteitstoekenning en enkele gegevens over de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis; 3) een dossierstudie; 4) een enquete onder o.a. OvJ's naar de ervaringen met de nieuwe werkwijze.
    • In beeld gebracht - Gebruik, beeld en effecten van de cursus Slachtoffer in Beeld als taakstraf voor minderjarigen

      Duipmans, D. (Bureau Duipmans, 1996)
      Het leerproject Slachtoffer in Beeld is een van de leerprojecten die aan jongeren kunnen worden opgelegd als (onderdeel van) taakstraf. De Landelijke Organisatie Slachtofferhulp heeft dit project op verzoek van het Bureau Taakstraffen te Arnhem ontwikkeld. Vanaf 1 juni 1988 is ermee geëxperimenteerd in de arrondissementen Arnhem, Dordrecht, Leeuwarden en Utrecht. Met ingang van 1 januari 1991 is het landelijk ingevoerd. De doelstelling van het project is jongeren inzicht te bieden in de gevolgen van delicten voor slachtoffers. Het onderzoek naar dit leerproject is aan de hand van de volgende vier hoofdvragen gestructureerd: Op welke wijze is aan Slachtoffers in Beeld gestalte gegeven? In welke mate wordt de cursus toegepast? Wat is de effectiviteit ervan? Hoe ervaren de verschillende betrokken partijen Slachtoffer in Beeld?
    • Kennis- en informatiepositie van het OM en de ZM met betrekking tot de tenuitvoerlegging en de doelgroep van de PIJ-maatregel

      Verberk, S.; Berge, M. ten (Erasmusuniversiteit Rotterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2010)
      Dit onderzoek richt zich op drie thema's: De (algemene) kennis van officieren van justitie en rechters van de tenuitvoerlegging en de doelgroep van de PIJ-maatregel; De wijze waarop in individuele zaken waarin een PIJ-maatregel mogelijk aan de orde is deze algemene kennis én zaakspecifieke informatie wordt gebruikt en hoe deze kennis en informatie wordt beoordeeld; De eventuele verbeterpunten met betrekking tot de bestaande kennis- en informatievoorziening. INHOUD: 1. De onderzoeksvragen 2. De thematiek verkend 3. Het enquêteonderzoek 4. Het besluitvormingsonderzoek 5. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Knelpunten bij de toepassing van dienstverlening? - Uitkomsten van een enquête onder rechters, officieren van justitie, advocaten en coördinatoren dienstverlening

      Kockelkorn, R.; Laan, P.H. van der; Meulenberg, C. (WODC, 1991)
      In september en oktober 1990 heeft het WODC op verzoek van de Overleg- en adviescommissie Alternatieve Sancties (OCAS) een schriftelijke enquete gehouden onder rechters, officieren van justitie, advocaten en coordinatoren dienstverlening. Doel van deze enquete was het achterhalen van eventuele knelpunten bij de toepassing van de Wet Straf van Onbetaalde Arbeid (dienstverlening). Bevat enqueteformulier. INHOUD: 1. Inleiding 2. Toepassing van de dienstverlening 3. Persoon van de dienstverlener 4. Organisatie van de dienstverlening 5. Niet naar behoren verrichte dienstverleningen 6. Knelpunten 7. Opvattingen over dienstverlening 8. Slotbeschouwing.
    • Mandaatregeling parketmedewerkers Openbaar Ministerie - Een onderzoek naar de inhoud en werking van de mandaatregeling in de praktijk

      Franssen, J.J.M.; Hartmann, A.R.; Mein, A.G. (WODC, 2007)
      Doel van dit onderzoek is het verzamelen van informatie over de inhoud en de praktijktoepassing van de regelingen van het OM, waarin de wettelijke bevoegdheden van de officier van Justitie respectievelijk de advocaat-generaal zijn gemandateerd aan medewerkers van het parket, dat wil zeggen dat de bevoegdheden op naam van leden van het openbaar ministerie worden uitgeoefend door bij het parket werkzame functionarissen. Het onderzoek is bedoeld om na te gaan hoe de verschillende mandaatregelingen eruit zien (aan wie en in welke vorm wordt gemandateerd) en of er behoefte is aan (nadere) regelgeving.
    • Mondiaal met man en macht - Een evaluatie van het opsporingsonderzoek 4M

      Nelen, H.; Barendse, E.; Schaaf, J. van der (WODC, 1998)
      In de afgelopen jaren is binnen het beleid en de opsporingspraktijk de overtuiging ontstaan dat evaluaties van grootschalige opsporingsonderzoeken ertoe bij kunnen dragen dat het leervermogen met betrekking tot de aanpak van dergelijke zaken wordt vergroot.De onderhavige studie beperkt zich tot het verloop van het rechercheproces in één specifieke zaak, te weten het 4M-onderzoek. De probleemstelling luidt als volgt: Welke leerpunten kunnen worden gedestilleerd uit het rechercheproces in de 4M-zaak, die bruikbaar zijn voor toekomstige rechercheonderzoeken van vergelijkbare aard?De evaluatie heeft plaatsgevonden met behulp van het instrument 'Leren door middel van het Evalueren van Grootschalige Opsporingsonderzoeken' (L.E.G.O.). Dit standaardinstrument is door het WODC ontwikkeld teneinde de bij de opsporing en vervolging van ernstige vormen van criminaliteit betrokken instanties in staat te stellen hun eigen inspanningen te evalueren.NB Dit onderzoeksrapport was niet eerder gepubliceerd. Het belangrijkste argument voor vertrouwelijkheid destijds was het risico op 'disclosure' van zowel de criminelen als van de ambtshalve betrokken personen. Dat risico is door publicaties nadien niet meer aanwezig waardoor het rapport nu wel openbaar kan worden.
    • Op doel? - evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

      Sibma, A.; Struiksma, N.; Beswerda, E.; Woestenburg, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2012)
      Op 1 september 2010 is de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO) in werking getreden, ook wel bekend als de Voetbalwet. Doel van de wet is het voorkomen van een herhaling van ernstig overlastgevend gedrag. De centrale vraag voor dit onderzoek luidt als volgt: Wanneer en onder welke omstandigheden wordt de Wet MBVEO succesvol toegepast en wanneer niet, waarom is dat het geval en kunnen op basis van die verklaringen - wat betreft de aanpak van voetbalvandalisme mede naar aanleiding van de ervaringen in Engeland en Wales - oplossingsrichtingen worden geformuleerd voor knelpunten bij de aanpak van ernstige overlast? INHOUD: 1. Onderzoeksvragen en -aanpak 2. Wet MBVEO 3. Overige bevoegdheden 4. Werking en praktijk 5. Engeland en Wales 6. Conclusies en oplossingsrichtingen
    • Opvattingen over de maatregel TBR - Verslag van een postenquête bij leden van de rechterlijke macht en medewerkers van de inrichtingen

      Emmerik, J.L. van (WODC, 1984)
      De vraagstelling van het onderzoek luidt: Welke opvattingen over en verwachtingen van de maatregel TBR hebben zittende en staande magistratuur, en medewerkers van TBR-inrichtingen? Aan deze vraag zijn de volgende deelvragen onderscheiden:Welke overwegingen spelen volgens de betrokken groeperingen een rol bij de oplegging, verlenging en beëindiging van de maatregel?Welke opvattingen hebben de betrokken groeperingen over de maatregel TBR als zodanig en de wijze waarop deze wordt tenuitvoergelegd?
    • Opvattingen over dienstverlening - Een peiling onder het Openbaar Ministerie, de reclassering en de advocatuur in de acht proefarrondissementen vóór aanvang van het experiment

      Hullu, J. de (WODC, 1981)
      Vanaf 1 februari 1981 wordt in acht arrondissementen bij wijze van experiment Dienstverlening toegepast. Dit experiment wordt onderzocht door het WODC. In de allereerste plaats is het WODC nagegaan welke opvattingen over Dienstverlening er leefde vóór de aanvang van het experiment. De resultaten van deze peiling worden hier beschreven.
    • Recherche

      Poot, C.J. de; Torre, E.J. van der; Muller, E.R.; Koppen, P.J. van; Tulder, F. van; Smit, P.; Siero, S.; Mac Lean, B.L.; Amelsvoort, A.G. van; Groenendaal, H.; et al. (WODC, 2004)
      ARTIKELEN: 1. C.J. de Poot - Dilemma's in de opsporing 2. E.J. van der Torre en E.R. Muller - Het recherchevak; een institutionele benadering 3. C.J.de Poot en P.J. van Koppen - Meten van recherchewerk 4. F. van Tulder, P. Smit en S. Siero - Ophelderingspercentages als maatsaf voor prestaties? 5. B.L. Mac Lean - Contact tussen O.M. en recherche door de jaren heen; de praktijk 6. A.G. van Amelsvoort, H. Groenendaal en J. van Manen - Werkwijze bij het onderzoek op de Plaats Delict (PD) 7. R.J. Bokhorst - De telefoontap in grote opsporingsonderzoeken 8. J. van der Schoor - Brains voor de recherche SAMENVATTING: In dit themanummer wordt een beeld geschetst van het veranderingsproces dat de recherche doormaakt. Er is voor gekozen  zowel wetenschappers als praktijkdeskundigen aan het woord te laten over hun visies op de organisatie en het dagelijks werk van de recherche.
    • Rechtsgelijkheid en sepotpraktijk - Verslag van een onderzoek naar het sepotbeleid in het Hofressort 's-Gravenhage

      Straelen, F.W.M. van; Dijk, J.J.M. van (WODC, 1981)
      Doel van dit onderzoek is een bijdrage te leveren tot het expliciet maken van het thans (1974) gevoerde sepotbeleid, teneinde indien nog nodig een bijstelling in de beleidscoördinatie mogelijk te maken. Tevens wordt van het onderzoek verwacht dat het materiaal levert om een toetsing van het beleid mogelijk te maken.
    • Slachtofferzorg bij het openbaar ministerie

      Hecke, T. van; Wemmers, J.; Junger, M. (WODC, 1990)
      Doel: In april 1987 werden de richtlijnen aan politie en O.M. t.a.v. de uitbreiding van het slachtofferbeleid gepubliceerd. Doel van het onderzoek is het nieuwe slachtofferbeleid in het arrondissement Rotterdam te evalueren. De nadruk valt hierbij op de uitvoering van het slachtofferbeleid door het O.M. Probleemstelling: De centrale onderzoeksvragen luiden: hoe is de slachtofferzorg in het arrondissement georganiseerd en wat zijn de consequenties van dit nieuwe slachtofferbeleid in termen van werkbelasting van de parketadministratie en van de leden van het O.M.? Daarnaast zal getracht worden een antwoord te vinden op de vraag wat het effect is van dit nieuwe slachtofferbeleid op slachtoffers en daders van misdrijven. Aan het eigenlijke onderzoek gaat een pilot-study vooraf. De opzet van het eigenlijke onderzoek zal in grote mate bepaald worden aan de hand van de resultaten van de pilot-study. Opzet: De gegevensverzameling voor dit voor-onderzoek gebeurt door middel van interviews, enquetes en een beperkte dossierstudie. INHOUD: 1. Inleiding 2. De uitvoering van de richtlijnen 3. Eerste resultaten van het slachtofferinformatiesysteem 4. Beschrijving van het netwerk met betrekking tot slachtofferzorg 5. Opvattingen van officieren van justitie en parketsecretarissen over slachtofferzorg 6. Conclusies
    • Straftoemetingsfactoren

      Unknown author (WODC, 1977)
      Het streven naar gelijkheid in de straftoemeting is een onderwerp dat zich in de regelmatig terugkerende belangstelling van rechtsplegers, wetenschappelijk onderzoekers en publiek mag verheugen. Oorzaak van deze belangstelling is het bestaan van al of niet gerechtvaardigde verschillen in opgelegde straffen, zoals daarvan blijkt uit empirisch onderzoek of uit een incidentele strafzaak. In het inleidend artikel van dit themanummer, dat werd geschreven door mr. J. J. van der Kaaden, wordt binnen de context van het functioneren van het Openbaar 3 Ministerie en de rechter ingegaan op de factoren, die voor deze verschillen verantwoordelijk zijn. In de slotbeschouwing ervan beziet de auteur op welke manieren het ideaal van de rechtsgelijkheid in de straftoemeting mogelijk beter nagestreefd kan worden. Naast het inleidende artikel zijn van een viertal buitenlandse artikelen verkorte weergaven opgenomen.
    • Varianummer

      Unknown author (WODC, 1976)
    • Verbaliseringsbeleid misdrijven

      Buikhuisen, W.; Dijk, J.J.M. van (WODC, 1976)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Probleemstelling 3. Hoe oordelen O.M., politie en publiek over de gepresenteerde delikten 4. Het relatieve ernsToordeel van O.M., politie en publiek 5. Verschillen in ernstoordeel binnen O.M., politie en publiek 6. Welke kriteria worden aangelegd bij het beoordelen van de ernst van een delikt 7. Hoe zwaar wegen de zeven kriteria voor de verschillende onderzoeksgroepen 8. Het simulatie-experiment 9. Slotbeschouwing SAMENVATTING: In opdracht van de Commissie Verbaliseringsbeleid Misdrijven heeft het WODC zich beziggehouden met een onderzoek waarin enerzijds de vraag aan de orde kwam hoe de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en het publiek denken over de ernst van diverse delikten, en anderzijds gekeken is naar de betekenis van een aantal faktoren waaronder de ernst van het delikt, voor het opsporings- en vervolgingsbeleid. De belangrijkste conclusies zijn: (1) Het oordeel van de diverse categorieën ondervraagden (politie, OM en publiek) over de ernst van de betreffende delikten vertoont duidelijke verschillen. Het publiek vindt het merendeel van de voorgelegde delikten ernstiger dan het OM; (2) Het OM oordeelt in zijn totaliteit zeer consistent. De opvattingen onder de politie daarentegen lopen nogal uiteen; (3) Ondanks al deze verschillen in oordeel over de afzonderlijke delikten blijkt niettemin dat er zeven ernstbepalende componenten kunnen worden onderscheiden die voor de verschillende onderzoekgroepen ongeveer hetzelfde relatieve gewicht hebben; en (4) Het oordeel over de ernst van een delikt blijkt van essentiële betekenis voor de beslissing verbaliseren of niet. Ten behoeve van dit onderzoek zijn twee bijlagenrapporten gepubliceerd:De ernst van delicten: mening en meting - C. Cozijn, J.J.M. van Dijk en V. Veldheer (bijlage A)Verbaliseringsgedrag : informatie en beslissing ; (de methode Wilkins) - C. Cozijn, J.J.M. van Dijk en V. Veldheer (bijlage B)
    • Verlenging van de bewaring (art. 64 Sv.) - Verslag van de resultaten van een onderzoek

      Werff, C. van der (WODC, 1978)
      Eerst komt aan de orde in hoeveel arrondissementen recentelijk 'gelijktijdige vorderingen' zijn gedaan en ingewilligd en hoe vaak dit gebeurde. Daarna volgt een overzicht van de door de officieren van justitie en de R.C.'s opgegeven redenen om gelijktijdige vorderingen in te dienen c.q. toe te wijzen. Vervolgens is het standpunt van de parketten ten aanzien van eventuele juridische en praktische veranderingen weergegeven. Dit standpunt is geplaatst naast het standpunt van de R.C.'s in deze. In de slotparagraaf wordt vastgesteld wat de omvang van het probleem is en welke suggesties door de geënqueteerden zijn gedaan voor een oplossing ervan.
    • Verslag van een enquete over voetbalvandalisme onder de leden van het Openbaar Ministerie

      Berghuis, A.C. (WODC, 1985)
      In drie hoofdstukken worden de resultaten van een enquête  weergegeven. Daarbij komen de volgende thema's aan de orde: het overleg in driehoeksverband, het aanhoudingsbeleid en het afdoeningsbeleid.
    • Vijftien jaar weigerende verdachten in het Pro Justitia onderzoek - Prevalentie, informatiebehoefte officieren van justitie en rechters, en afdoeningen door de rechter

      Nagtegaal, M.H.; Janssen, D.L. (medew.); Eltink, S.B.E. (medew.); Vries, J.J. de (medew.) (WODC, 2018)
      Het onderhavige onderzoek gaat over weigerende verdachten in het Pro Justitia (PJ-)onderzoek en beoogt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problematiek van de weigerende verdachten. Weigerende verdachten zijn personen die niet willen meewerken aan gedragskundig onderzoek, ook wel weigerende observandi genoemd. PJ-onderzoek is gedragskundig onderzoek door een psycholoog, psychiater of beiden in opdracht van de officier van justitie, de rechter-commissaris of de rechtbank. Verschillende aspecten van de weigerende verdachten zijn tot dusver onbekend gebleven, het onderhavige onderzoek heeft als doel deze te analyseren en vast te stellen. De doelstellingen van het onderzoek zijn: Zicht krijgen op de prevalentie van weigeren: het aantal verdachten dat medewerking weigert aan PJ-onderzoek (de weigerende verdachten) in de afgelopen vijftien jaar. Analyseren van de mate waarin weigeren doorwerkt op het beantwoorden van de PJ-vragen. In kaart brengen van de informatiebehoefte van officieren van justitie (OvJ’s) en rechters om in geval van een weigerende verdachte te kunnen komen tot een passende strafeis respectievelijk een passende beslissing. Bepalen welke afdoening, straf of maatregel, wordt opgelegd aan een weigerende verdachte. Onderzoeken van de motiveringen die de rechter gebruikt ter onderbouwing van zijn afdoening in zaken met een weigerende verdachte. INHOUD: 1. Inleiding 2. Prevalentie weigerende verdachten 3. Informatiebehoefte rechters en officieren 4. Afdoeningen door de rechter bij weigerende verdachten 5. Motivering van de rechter 6. Conclusies. Zie ook de link van het YouTube-Filmpje: Animatie Pro Justitia en het themanummer van het Tijdschrift Sancties (40e jrg., 2018, pp. 212-222) over de weigerende verdachten: Hierin is één hoofdstuk uit het rapport, over de afdoeningen door rechter bewerkt voor een artikel: Nagtegaal, M.H. & Janssen, D.L. (2018). Weigerende verdachten en afdoeningen door de rechter: Welke beslissing is gebruikelijk?