• Antisociaal gedrag van jongeren online

      Broek, T.C. van der; Weijters, G.; Laan, A.M. van der (WODC, 2014)
      Dit is het verslag van een deelstudie over de mate waarin jongeren in de leeftijd van 10 tot en met 17 jaar zelf online antisociaal gedrag rapporteren. Hieronder wordt verstaan het onbetaald downloaden van illegaal aangeboden software en muziek, het opzettelijk versturen van virussen en het bedreigen van iemand via sms, email of een chatprogramma. Het onderzoek is verricht op basis van gegevens uit de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (metingen 2005 en 2010). Het hoofdonderzoek is verricht door de Universiteit Twente (zie link bij: Meer informatie).
    • Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen

      Nabben, T.; Doekhie, J.; Korf, D.J. (Universiteit van Amsterdam - Criminologisch Instituut Bonger, 2010)
      In dit onderzoek staat de beleving van werkstraffen bij de jongeren centraal. In het bijzonder is onderzocht of de werkstraf als vernederend wordt ervaren. Het betreft dus niet onderzoek naar de effectiviteit van werkstraf in de buurt. INHOUD: 1. Inleiding 2. Theoretisch kader 3. Onderzoeksaanpak 4. Inventarisatie werkstraffen in de buurt 5. Profiel, intake en besluitvorming 6. De werkstraf 7. Groepsprocessen 8. Beleving van de werkstraf in de buurt 9. Buurt en omgeving 10. Wel of niet in de buurt? 11. Samenvatting en conclusie
    • Ben ik te min? - Aard, omvang en achtergronden van antisociaal gedrag aan het einde van de basisschool en het begin van het voortgezet onderwijs

      Soepboer, G.; Veenstra, R.; Verhulst, F.C. (WODC (subsidie), 2006)
      Dit onderzoek geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen:Wat is de prevalentie van antisociaal gedrag bij twaalfminners?In hoeverre is sprake van continuïteit en discontinuïteit van antisociaal gedrag over een periode van twee jaar, ongeveer van 11/12 jaar naar 13/14 jaar?Wat is de relatie van antisociaal gedrag bij twaalfminners met individuele en opvoedingskenmerken?Wordt een twaalfminner in de ene context als antisociaal, en in de andere context als prosociaal betiteld?
    • Beter dan zitten... - Jongeren over taakstraffen

      Eggermont, M.; Chorus, M. (medew.) (Onderzoeksburo Perspektief, 1997)
      In dit boek wordt verslag gedaan van een kwalitatief onderzoek waarin deze vragen centraal staan:Kunnen taakstraffen in pedagogisch opzicht als goede straf worden beschouwd?Hebben ze effect?Wat voor effect is dat?Daarvoor werden veertig jongeren aan wie zo'n taakstraf was opgelegd, gevolgd vanaf hun eerste gesprek met de strafcoördinator van de Raad voor de Kinderbescherming tot na de uitvoering van hun taakstraf. In halfgestructureerde interviews vertelden zij over hun ervaringen en belevenissen rondom de straf en alles wat daarmee voor hen verband hield. Zo ontstond een boeiend beeld van het perspectief van jongeren op de praktijk van de taakstraffen. Op basis daarvan wordt die praktijk in dit boek geëvalueerd, waarbij zowel het al of niet bereiken van de justitiële doelen als de effecten en het pedagogische karakter van de verschillende taakstraffen worden belicht.
    • Cashba - Een intensief dagprogramma voor jeugdige en jongvolwassen delinquenten

      Essers, A.A.M.; Laan, P. van der; Veer, P. van der (WODC, 1995)
      Cashba is een intensief dagprogramma van 13 weken bedoeld als alternatief voor ten minste twee maanden detentie. Doel van Cashba is het vergroten van de sociale competentie van de deelnemers, alsmede het bieden van een beter toekomstperspectief op onder meer het terrein van scholing en werk, zodat delinquent gedrag afneemt of zelfs ophoudt te bestaan. Op verzoek van de directie Jeugdbescherming en Reclassering van het Ministerie van Justitie heeft het WODC Cashba op effecten geëvalueerd. Eerder gebeurde dit ook al bij de Kwartaalcursus en bij DTC Eindhoven. Door bij de evaluatie van Cashba dezelfde benadering te volgen en grotendeels ook dezelfde onderzoeksinstrumenten te gebruiken is een vergelijking met de uitkomsten van eerdere onderzoeken mogelijk. Er wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: het project; de deelnemers; recidive; en leefsituatie.
    • Crime Prevention by Early Intervention

      Le Blanc, M.; Tremblay, R.E.; Craig, W.M.; Farrington, D.P.; Doreleijers, Th.A.H.; Moser, F.; Rollet, C.; Junger-Tas, J.; Tutt, N.; Ierland (WODC, 1997)
      ARTICLES: 1. Editorial 2. Marc Le Blanc - Identification of potential juvenile offenders 3. Richard E. Tremblay and Wendy M. Craig - Developmental juvenile delinquency prevention 4. David P. Farrington - Early prediction of violent and non-violent youthful offending 5. Françoise Moser and Theo A.H. Doreleijers - An explorative study of juvenile delinquents with attention-deficit/hyperactivity disorder 6. Catherine Rollet - The early intervention of juvenile crime: some historical landmarks 7. Josine Junger-Tas - The future of a preventive policy towards juveniles 8. Norman Tutt - Home and away: a new social policy for children in Ireland 9. Crime institute profile - WODC
    • Criminaliteit en leeftijd: Varianummer

      Unknown author (WODC, 1986)
      De Nederlandse bevolking wordt ouder. In hoeverre zal deze ontwikkeling ook haar weerslag hebben op het justitiele apparaat? Deze vraag hangt nauw samen met een andere, namelijk in hoeverre crimineel gedrag vooral is voorbehouden aan jongeren, ongeacht bepaalde maatschappelijke omstandigheden. Wanneer criminaliteit een typisch jeugdige aangelegenheid is, kan dit betekenen dat in de toekomst minder personen met justitie in aanraking zullen komen, met alle beleidsmatige consequenties van dien. Wanneer echter algemene maatschappelijke factoren een grotere rol spelen dan leeftijd, dan kan de strafrechtelijke pralctijk in de toekomst op meer oudere personen rekenen. In de VS wordt in dit verband reeds gesproken van de categorie 'bejaarde criminelen'. Hoe het ook zij, aanleiding genoeg voor de redactie van Justitiele Verkenningen om enkele artikelen te verzamelen, die deze problematiek vanuit verschillende invalshoeken belichten.
    • Criminele carrières van autochtone en allochtone jongeren - een cijfermatige verkenning op grond van een selectie uit bestaande gegevens

      Brouwers, M.; Laan, P. van der (WODC, 1997)
      Van autochtone jongeren is bekend dat verreweg de meesten het wat betreft het plegen van delicten ergens tussen hun twintigste en dertigste voor gezien houden. Is dat ook het geval bij allochtone jongeren? Of is er wellicht sprake van een verschuiving van betrokkenheid bij commune criminaliteit naar andere vormen van criminaliteit? In deze notitie wordt een eerste poging gedaan de criminele carrière van allochtone groepen in kaart te brengen aan de hand van informatie over ingestuurde processen-verbaal.
    • Criminogene en beschermende factoren bij jongeren die een basisonderzoek ondergaan - een verkennende inventarisatie van de mate van zorg en van risico- en beschermende factoren gesignaleerd door raadsonderzoekers

      Laan, A.M. van der; Schans, C.A. van der; Bogaerts, S.; Doreleijers, Th.A.H. (WODC, 2009)
      De volgende onderzoeksvragen worden in deze rapportage beantwoord:In welke mate signaleren raadsonderzoekers aanwijzingen voor mogelijke psychosociale problemen bij jongeren die een basisraadsonderzoek ondergaan omdat ze door de politie verdacht worden van een strafbaar feit?Welke specifieke risico- en beschermende factoren komen voor bij jongeren die een basisraadsonderzoek ondergaan omdat ze door de politie verdacht worden van een strafbaar feit?Welke aanwijzingen zijn er voor mogelijke psychosociale problemen en risico- en beschermende factoren bij jongeren die een basisraadsonderzoek ondergaan vanwege een overtreding van de Leerplichtwet? INHOUD: 1. Inleiding 2. Theoretisch perspectief 3. Methode van onderzoek 5. De mate van zorg 6. Risico- en beschermende componenten 7. Spijbelaars bij de Raad 8. Slot
    • Criminogene en beschermende factoren bij preventief gehechte jongens in een JJI

      Matkoski, S.; Vervaeke, G. (WODC, 2008)
      Dit rapport is opgebouwd uit twee delen: een literatuurstudie en een terreinverkenning. Deel I gaat in op de verschillende elementen uit onze titel, met name de aard van de criminogene en beschermende factoren bij preventief gehechte jongeren in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI). Deel II bevat de terreinverkenning.
    • Daders aan het woord

      Unknown author (WODC, 1991)
      Recentelijk lijkt er opnieuw een tendens te zijn in criminologisch onderzoek om daders te ondervragen. Deze keer gaat het niet zozeer om 'grote' criminologische theorievorming a la de Chicagoschool, maar veeleer om een beleidsmatig gestuurde belangstelling. Daders beschikken immers over informatie die interessant kan zijn om criminaliteit te voorkomen: waar, wanneer en hoe komen zij tot crimineel gedrag en waarom eigenlijk? In een dergelijke benadering wordt verondersteld dat criminele gebeurtenissen het resultaat zijn van min of meer rationele overwegingen die via vraaggesprekken te achterhalen zijn en uiteindelijk kunnen leiden tot preventieve maatregelen. Over een dergelijk 'preventief verhoor' van daders gaat het laatste nummer van deze jaargang van Justitiele Verkenningen.
    • De aparte bejegening van jongvolwassen daders in het (jeugd)strafrecht - Een internationale vergelijking

      Zeijlmans, K.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2019)
      De doelstelling van dit project is inzicht te krijgen in de aparte bejegening van jongvolwassen daders in het (jeugd)strafrecht (inclusief de interventies die deze jongvolwassenen krijgen) in vergelijking tot de Nederlandse situatie, waarbij specifiek wordt gefocust op een aantal voor Nederland relevante Europese landen. De doelstelling van het onderzoek is vertaald in de volgende onderzoeksvragen: In welke Europese landen is er sprake van een aparte bejegening van jongvolwassenen in het strafrecht? Wat houdt deze aparte bejegening van jongvolwassenen in de verschillende fasen in de praktijk van het strafproces (vervolging, berechting en sanctionering) in deze landen in? Onder welke voorwaarden en/of juridische condities is het mogelijk jongvolwassenen volgens het jeugdstrafrecht te sanctioneren in andere landen? Is dit bijvoorbeeld afhankelijk van het type delict, de persoon van de dader of anderszins? Welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen Nederland en andere landen in de aparte bejegening van jongvolwassenen in de verschillende fasen in de praktijk van het strafproces (vervolging, berechting, tenuitvoerlegging)? Wat is bekend over de mate waarin in de andere landen in de sanctionering van jongvolwassenen een aparte bejegening wordt toegepast (bijv. hoe vaak het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen wordt toegepast)?Welke type strafrechtelijke sancties, (maximale) strafmaten en interventies (kunnen of) worden toegepast bij jongvolwassen daders in de (selectie van) Europese landen waar sprake is van een aparte bejegening van jongvolwassen daders? Wat is bekend over de effectiviteit van deze strafrechtelijke sancties en interventies?
    • De daling van het aantal opleggingen van de PIJ-maatregel nader beschouwd

      Knoop, J. van der; Elzinga, H. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen - Dutch Group - Decide, 2011)
      Dit onderzoek richt zich op de vraag hoe de daling van het aantal jongeren dat een PIJ-maatregel kijgt opgelegd, kan worden verklaard. Meer specifiek richt het onderzoek zich op de vraag welke rol (een verandering in) het besluitvormingsproces hierbij een rol speelt dat aan de eventuele oplegging van de PIJ-maatregel vooraf gaat.
    • De jeugdpolitie: een observatieonderzoek - De politiële reactie op delinquent gedrag van autochtone en allochtone jeugdigen

      Hoeven, E. van der (WODC, 1986)
      Dit rapport is het laatste in een reeks van drie verslagen die zijn verschenen in het kader van het onderzoeksproject Contacten van de jeugdpolitie met allochtone jongeren. Dit derde rapport bevat een samenvatting van de belangrijkste resultaten uit het observatieonderzoek. Naar aanleiding van deze resultaten wordt hierin gepoogd een samenhangend geheel van conclusies en aanbevelingen te presenteren. De probleemstelling van het onderzoek is tweeledig:Hoe gaat de jeugdpolitie in de uitvoering van haar taak om met allochtone jongeren in vergelijking met Nederlandse jongeren?Welke beperkingen en mogelijkheden liggen er in deze politiecontacten met allochtone jongeren voor een optimale start van een hulpverlening? INHOUD: 1. Het onderzoek 2. Het optreden van de jeugdpolitie 3. Contacten van jeugdpolitie met allochtone jongeren 4. Aanbevelingen
    • De Kwartaalcursus en recidive - Een onderzoek naar de effecten van het experiment Kwartaalcursus

      Laan, P.H. van der; Essers, A.A.M. (WODC, 1990)
      Dit is het derde en laatste rapport van het evaluatie-onderzoek 'kwartaalkursus'. Het effectonderzoek heeft betrekking op 51 jongeren die in de periode november 1986 - augustus 1988 de Kwartaalkursus hebben bezocht. Daarnaast is een vergelijkingsgroep samengesteld, bestaande uit 86 jongeren die in die periode ten minste drie weken in voorlopige hechtenis hebben gezeten en niet naar de Kwartaalkursus zijn gestuurd.
    • De oplegging en uitvoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor delinquente jongeren - 531 dossiers (2008 t/m 2013) onder de loep genomen

      Plaisier, J.; Knijnenberg, M.; Lenssen, D.; Pollaert, H.; Straaten, I. van (Impact R&D, 2016)
      De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) is een maatregel voor jeugdige delinquenten die een ernstig delict plegen (of veel delicten plegen) en psychische problematiek hebben waarvoor ambulante behandeling nodig is. De maatregel is ingevoerd in 2008, maar wordt veel minder gebruikt dan oorspronkelijk werd verwacht: nog geen 1% van alle sancties voor jeugdigen per jaar bestaat uit een GBM. Er zijn al meerdere onderzoeken gedaan naar de redenen voor het feit dat de maatregel zo weinig wordt gebruikt. Er is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de vraag hoe het proces van advisering tot oplegging precies verloopt en hoe de maatregel wordt uitgevoerd bij de jongeren bij wie wel een GBM is opgelegd. Over deze vragen gaat dit onderzoeksrapport: Hoe vaak wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel geadviseerd, geëist en opgelegd en om welke redenen wordt een advies van de Raad voor de Kinderbescherming wel of niet overgenomen door het Openbaar Ministerie of de Zittende Magistratuur? Hoe verloopt de gedragsbeïnvloedende maatregel? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksvragen 3. Methode 4. Instroom: van advies tot oplegging 5. Het verloop van de GBM 6. Conclusie 7. Discussie
    • De overeenstemming tussen zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit en bij de politie bekende jeugdige verdachten

      Weijters, G.; Laan, A.M. van der; Kessels, R.J. (medew.) (WODC, 2016)
      In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre zelfrapportage van delinquent gedrag gemeten met de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) een aanvulling geeft op jeugdcriminaliteit gemeten met politieregistraties. Hiervoor is ten eerste gekeken naar de representativiteit van de MZJ wat betreft het voorkomen van jongeren in de politieregistraties. Vervolgens is meer inzicht willen verkregen in de overeenkomsten en verschillen tussen zelfgerapporteerde daders en door de politie geregistreerde verdachten. Zelfrapportage richt zich vooral op lichtere vormen van criminaliteit, terwijl in de politieregistraties vooral de meer ernstige delicten voorkomen. De algemene gedachte is dat de bronnen samen een completer beeld van de jeugdcriminaliteit geven. In dit onderzoek is gebruikgemaakt van de 2010 meting van de MZJ. De MZJ is een landelijk representatieve steekproef van jongeren in de leeftijd 10 tot en met 17 jaar. Het huidige onderzoek is beperkt tot de 12- tot en met 17-jarigen, omdat deze groep strafrechtelijk vervolgd kan worden en daardoor ook als verdachte worden geregistreerd. De jongeren zijn gevraagd of hun gegevens uit de MZJ gekoppeld mochten worden aan de politieregistraties. De tachtig jongeren die dit geweigerd hebben, zijn verder niet meegenomen in dit onderzoek. Zie ook deel I van dit onderzoek (projectnummer 2033). INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Vergelijking respons- en non-responsgroep wat betreft voorkomen in de politieregistratie 4. Voorkomen van zelfgerapporteerde daders in de politieregistratie 5. Voorkomen van door de politie geregistreerde verdachten in zelfrapportage 6. Conclusie en discussie
    • De pakkans vergroot - evaluatie van de pilot gepercipieerde pakkans jongeren in Tilburg

      Schreijenberg, A.; Schijndel, A. van; Vaan, K. de; Homburg, G. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2011)
      Dit rapport bevat de resultaten van de evaluatie van de pilot Verhogen Pakkans zoals die in Tilburg vorm heeft gekregen. Het doel van dit onderzoek is te achterhalen hoe de in Tilburg ingezette maatregelen bijdragen aan een verhoging van de (gepercipieerde) pakkans onder overlastgevende en criminele jongeren en of dat is gelukt. Tevens beoogt het onderzoek waardevolle kennis op te leveren voor de jongerenaanpak in andere gemeenten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Aanpak jeugdgroepen in Tilburg 3. Planevaluatie 4. Procesevaluatie 5. Conclusie
    • De psychometrische kenmerken van de MZJ-vragenlijst over gedigitaliseerde, cyber- en offlinedelicten bij jongeren - Schaalconstructen, afnamemodi en omvangschattingen

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Tollenaar, N.; Laan, A.M. van der (WODC, 2017)
      De Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) is een vijfjaarlijks onderzoek waarin Nederlandse jongeren in de leeftijd van 10 tot 23 jaar bevraagd worden over hun delictgedrag.Tijdens de laatste meting zijn een aantal veranderingen doorgevoerd, waar de belangrijkste van is de toevoeging van nieuwe gedigitaliseerde en cyber-delicten in de bevraging. In het huidig rapport worden de resultaten van een ver-diepingsonderzoek naar de MZJ gepresenteerd. De drie thema’s die aan bod komen zijn:De psychometrische kenmerken van de vragenlijst over gedigitaliseerde, cyber- en offlinedelicten, welke de kern vormt van de MZJ.De gevolgen van een overstap van een CAPI/CASI-afnamemodus (d.w.z., afname waarbij een interviewer aanwezig is) naar een CAWI-modus (d.w.z., een internet-afname) voor de rapportage en monitoring van zelfgerapporteerd delinquent gedrag.De mogelijkheden om de MZJ te gebruiken om een omvangschatting te maken van de door Nederlandse jeugdigen gepleegde gedigitaliseerde en cyberdelicten. Zie ook: de Tweede Kamerbrief rondom dit onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Psychometrische kenmerken, gedigitaliseerde, cyber- en offlinedelinquentie 4. CAPI/CASI- versus CAWI-modus 5. Omvangschatting cyber- en gedigitaliseerde delinquentie 6. Samenvatting en conclusie