• Evaluatie proces en doeltreffendheid Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC)

      Timmermans, M.; Witvliet, M.; Homburg, G.H.J. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2015)
      Onder verantwoordelijkheid van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering wordt Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC) ingezet ter vervanging of bekorting van gesloten behandeling in justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) en jeugdzorgplus- instellingen (Jz ). Jongeren kunnen zowel via een civielrechtelijke als strafrechtelijke weg geplaatst worden in MTFC. Het is een gedragsinterventie bedoeld voor jongens en meisjes in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar met ernstig antisociaal gedrag, al dan niet in combinatie met een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. De interventie houdt een intensieve begeleiding in binnen een opvoedgezin, waarbij jongeren worden getraind in sociaal gedrag. MTFC is in de VS ontwikkeld. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond MTFC 3. Onderzoeksmethode 4. Procesmeting: het verloop van MTFC 5. Resultaten deelnemers MTFC 6. Toegevoegde waarde MTFC 7. Conclusie
    • Evaluatie Terwee: slachtofferonderzoek Wet en Richtlijn Terwee - eindrapport

      Wemmers, J.M.; Rongen, R. van (medew.); Servais, P. (medew.) (WODC, 1994)
      Het slachtofferonderzoek is gericht op drie hoofdvragen:Op welke wijze worden slachtoffers door de politie en het openbaar ministerie bejegendWat zijn de effecten hiervan op hun attitudes tegen politie en justitieWat zijn de effecten hiervan op hun normovertredend gedrag.
    • Evaluatie Terwee: slachtofferonderzoek Wet en Richtlijn Terwee - deelrapport 1: onderzoek pre Terwee

      Wemmers, J.M.; Rongen, R. van (medew.) (WODC, 1994)
      Het slachtofferonderzoek is gericht op drie hoofdvragen:Op welke wijze worden slachtoffers door de politie en het openbaar ministerie bejegendWat zijn de effecten hiervan op hun attitudes tegen politie en justitieWat zijn de effecten hiervan op hun normovertredend gedrag.
    • Evaluatie-onderzoek

      Unknown author (WODC, 1975)
      Onderwerp van dit themanummer is het onderzoek, dat tot doel heeft de effectiviteit van overheidsmaatregelen vast te stellen. Dit betekent. dat gepoogd zâl worden aan te tonen, welke betekenis weten schappelijk evaluatie-onderzoek kan hebben. In de inleiding wordt gebruik gemaakt van een aantal voorbeelden op het terrein van de generale preventie. De acht verkort weergegeven buitenlands artikelen die daarna volgen, dienen in de eerste plaats om te laten zien op welke manieren dit onderzoek kan worden verricht. Tegelijkertijd bieden zij een aantal resultaten van onderzoek naar d werking van de generale preventie.
    • Film- en videogeweld

      Unknown author (WODC, 1997)
      De normen inzake toelaatbaarheid van filmgeweld zijn in de loop der tijd danig opgerekt. Onschuldige films als Public Enemy kregen in de jaren dertig zware kritiek vanwege de 'sensationele' moorden die er in plaatsvonden. Deze moorden waren overigens keurig aan het oog van de kijker onttrokken. Hedentendage reageert het publiek minder geshockeerd op dergelijke misdaadfilms. Maar filmproducenten doen verwoede pogingen het geweld op te voeren. Velen menen dat het aanbod van geweldsfilms deel uitmaakt van een bredere ontwikkeling van verharding, cynisme en ruwere omgangsvormen. Anderen zien de behoefte aan geweldsfilms als een compensatie voor het leven in cleane en saaie slaapsteden die van elke opwinding zijn verstoken. Geweld en porno vullen dat vacuiim op. De vraag is natuurlijk in hoeverre het vertoonde geweld op films, videobanden en computerspelletjes van invloed is op het daadwerkelijke gedrag van (jeugdige) kijkers. Hoewel moeilijk meetbaar, lijkt er onder onderzoekers consensus te zijn dat kijken naar geweld sporen in het gedrag kan nalaten (imitatie van geweld; angstgevoelens). In twee studies die in dit nummer zijn opgenomen - zie de bijdragen van Wiegman, Van Schie en Modde en van Groebel - concluderen de onderzoekers dat er een verband bestaat tussen kijken naar geweld en daadwerkelijk gebruik van geweld. Hoe dan ook, in de media wordt op bezorgde en vaak alarmerende toon over het aanbod van filmgeweld gesproken. Van de politiek worden strengere maatregelen verwacht.
    • Gezin, opvoeding en criminaliteit

      Unknown author (WODC, 1988)
      Dit themanummer over gezinsopvoeding en criminaliteit sluit een trits waarin Justitiële Verkenningen aandacht heeft besteed aan de drie socialisatieterreinen die over het algemeen worden onderscheiden: onderwijs (JV4, 1987), vrije tijd (JV5, 1988) en het gezin. In voorliggend nummer wordt met een justitiële blik gekeken naar het gezin. Vanzelfsprekend is een dergelijke justitiële interesse niet nieuw, de kinderbeschermingswetgeving vormt onder andere het resultaat van bezorgdheid over een 'crimineel' resultaat van een slechte opvoeding. In dit themanummer worden dan ook een historische en een pedagogische invalshoek ten aanzien van gezinsopvoeding gepresenteerd.
    • Het motiverende effect van normatieve en afschrikwekkende boodschappen - een stated preference-benadering

      Graaf, S. de; Putte, B. van den; Werff, S. van der (SEO Economisch onderzoek, 2011)
      Onderzocht is welke voorlichtingsboodschappen volgens burgers en leidinggevenden van bedrijven het meest motiveren om lichte overtredingen niet meer te begaan. Een centrale vraag is of handhavingscommunicatie zich vooral moet bedienen van afschrikwekkende boodschappen (pakkans, sancties) of juist van normatieve boodschappen of een combinatie van deze elementen. Moet benadrukt worden dat er wordt gecontroleerd, en/of dat er sancties staan op het niet naleven van de regels, of is het effectiever om te benadrukken dat het niet naleven van de regels een kwalijk effect heeft op de samenleving en/of dat regelovertreding afwijkend gedrag is? Hoe reageren niet-overtreders op de boodschappen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Theoretisch kader 3. Boodschappen: hoe onderzocht? 4. Burgers: sanctiekans meest motiverend 5. Bedrijven: boetehoogte meest motiverend 6. Conclusie en discussie
    • Hoe werken gedragsmaatregelen woonoverlast? - Evaluatie gedragsaanwijzing woonoverlast

      Homburg, G.; Oude Ophuis, R.; Smit, W. (Regioplan beleidsonderzoek, 2015)
      Door de bedenkers en aanjagers van de pilot gedragsaanwijzing woonoverlast wordt in een visiedocument de gedragsaanwijzing als volgt beschreven. Een huurrechtelijke gedragsaanwijzing is een voor een huurder die woonoverlast veroorzaakt geldend gebod of verbod. Een gebod is een verplichting voor de huurder tot het doen van iets, zoals het gebod om hulpverlening te aanvaarden. Een verbod houdt voor een huurder de verplichting in tot het nalaten van iets, zoals een verbod om ’s nachts harde muziek te draaien. Er kunnen twee soorten gedragsaanwijzingen worden onderscheiden: een vrijwillige en een onvrijwillige gedragsaanwijzing. De evaluatie van de pilot gedragsaanwijzing woonoverlast omvat twee onderdelen, namelijk een plan- en procesevaluatie. De doelstelling van de evaluatie is tweeledig: Het verkrijgen van inzicht in de theoretische en empirische onderbouwing die aan de ‘gedragsaanwijzing woonoverlast’ ten grondslag ligt. Het verkrijgen van kennis over hoe de ‘gedragsaanwijzing woonoverlast’ in de praktijk wordt opgelegd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Reconstructie van de beleidstheorie 3. Toetsen van de beleidstheorie 4. Aanpak procesevaluatie 5. Het verloop van een gedragsaanwijzing 6. Indicaties voor kosten en baten 7. De bevindingen nader beschouwd 8. Conclusie
    • Intelligentie en criminaliteit

      Moonen, X.; Kaal, H.; Oleson, J.C.; Siegel, D.; Platje, E.; Cornet, L.J.M.; Kogel, C.H. de; Jong, B.J. de; Kranendonk, P.R.; Teeuwen, M. (WODC, 2017)
      ARTIKELEN: 1. X. Moonen en H. Kaal - Jeugdigen en jongvolwassenen met licht verstandelijke beperkingen en criminaliteit 2. J.C. Oleson - Begaafdheid en crimineel gedrag 3. D. Siegel - ‘Slimme Don’: De intelligente maffiabaas van Rusland 4. E. Platje, L.J.M. Cornet en C.H. de Kogel - Intelligentie, executieve functies en licht verstandelijke beperking in justitiecontext 5. H. Kaal en B.J. de Jong - Het signaleren en registreren van LVB in het justitiële domein: Stof tot nadenken 6. P.R. Kranendonk - Verdachten met een LVB in het politieverhoor: De invloed van verhoormethoden op de inhoud van verklaringen 7. M. Teeuwen - LVB-jongeren in de ZSM-procedure: Over kwetsbaarheid en recidiverisico SAMENVATTING: In dit themanummer staat de relatie tussen intelligentie en criminaliteit (en/of antisociaal gedrag) centraal. Intelligentie wordt doorgaans gezien als een beschermende factor tegen een criminele levensloop. Lage intelligentie brengt een aantal risicofactoren met zich mee, zoals gemakkelijke beïnvloedbaarheid, impulsiviteit, onvermogen om behoeftebevrediging uit te stellen en dergelijke. Dit beeld wordt bevestigd door het lage IQ van een aanzienlijk deel van de populatie van penitentiaire inrichtingen.Toch valt er meer te zeggen over het verband tussen IQ en criminaliteit. Het lijkt verstandig om een onderscheid te maken tussen enerzijds ‘commune criminaliteit’ (diefstal, inbraak, geweld, straatovervallen, kleinschalige drugshandel, verstoring openbare orde) en anderzijds de witteboordencriminaliteit, georganiseerde criminaliteit en bepaalde typen cybercrime. Laatstgenoemde vormen van criminaliteit komen minder snel in het vizier van politie en justitie en worden juist overwegend gepleegd door slimme(re) daders. De oververtegenwoordiging van mensen met een laag IQ in de penitentiaire inrichtingen lijkt dan ook deels te verklaren door de moeilijk te vermijden eenzijdigheid in de opsporing.In dit themanummer gaat de meeste aandacht uit naar de oververtegenwoordiging van licht verstandelijk beperkten (LVB’ers) in de commune criminaliteit en als justitiabelen in de strafrechtketen. Wat moeten we met dit gegeven? Welke conclusies kunnen we hieraan verbinden? En wat valt er te zeggen over de maatschappelijke positie van LVB’ers? Wordt deze steeds benarder in een technologisch hoogontwikkelde samenleving?Daarnaast zijn er aanwijzingen dat LVB’ers, als ze eenmaal in een justitiële setting beland zijn, het moeilijker hebben dan andere gedetineerden of verdachten. In hoeverre zou er meer rekening moeten worden gehouden met hen in bijvoorbeeld verhoorsituaties, gevangenisregimes en programma’s voor behandeling en recidivepreventie, en hoe dan?Een ander onderwerp is de maat die voor intelligentie is ontwikkeld: IQ. Er is veel kritiek op de grote invloed die IQ-tests hebben op de verdere ontwikkeling van bijvoorbeeld schoolcarrières, maar ook op hulpverleningstrajecten waar mensen al dan niet toegang toe hebben. Ook zijn de meningen verdeeld over de vraag of intelligentie vooral afhankelijk is van genetische aanleg of dat ook de omgeving veel invloed heeft op de hoogte van het IQ. Voorts is er in dit themanummer in twee bijdragen aandacht voor de betrokkenheid van hoog intelligente personen bij criminaliteit.
    • Jeugdcriminaliteit in groepsverband ontrafeld - Tussen rondhangen en bendevorming

      Beke, B.M.W.A.; Wijk, A.Ph. van; Ferwerda, H.B. (Bureau Beke, 2000)
      Het doel van het onderzoek is inzicht te geven in diverse typen jeugdgroepen en daarnaast het ontwikkelen van een meetinstrument dat ingezet kan worden om de aard en de omvang van problematische jeugdgroepen in beeld te brengen. Er worden, in navolging van eerder onderzoek, drie soorten jeugdgroepen onderscheiden, die alle in de vijf steden voorkomen, in 'zwaarte' oplopend van hinderlijk (44 groepen), via overlastgevend (51 groepen) tot crimineel (18 groepen). Tussen de groepen worden drie scheidslijnen gesignaleerd. De hinderlijke groepen blijken vooral een probleem te vormen voor de openbare orde (waarbij de groep primair platform is voor sociale activiteiten). De overlastgevende groepen overstijgen dit niveau. Deze categorie is primair platform voor criminele activiteiten en vormt een opsporingsprobleem. In termen van actieradius blijkt dat hinderlijke jeugdgroepen vaker wijkgebonden zijn, terwijl overlastgevende en criminele groepen stadsgebonden zijn (soms zelfs regionaal opereren). In hinderlijke groepen lijkt een corrigerende werking uit te gaan van de groep op subgroepen die zich met criminaliteit bezighouden; de rest van de groep zal deze activiteiten niet snel accepteren. In criminele groepen treedt geen corrigerende werking op. De netwerkanalyses bevestigen dat er vaak sprake is van subgroepen, waarbij 'linking-pin'-personen bestaan die met diverse personen uit andere subgroepen criminele activiteiten plegen. Ook zijn er jongeren die deel uitmaken van verschillende jeugdgroepen. Er bestaat een samenhang tussen groepsdynamiek en het plegen van criminaliteit, in die zin dat jeugdgroepen die een hecht georganiseerde en hiërarchisch gesloten structuur hebben, een zwaarder criminaliteitspatroon vertonen. In het onderzoek is een 'shortlist groepscriminaliteit' ontwikkeld die kan worden gebruikt door politiefunctionarissen om jeugdgroepen in kaart te brengen. De onderzoekers concluderen overigens dat voor het in kaart brengen van problematische jeugdgroepen meer bronnen nodig zijn: de betreffende politiefunctionaris, diens collega's, jongerenwerkers en politiedatasystemen als BPS en/of HKS.
    • Jeugdigen in justitiële behandelinrichtingen - Een analyse in het kader van de motie Duykers

      Rietveld, M.; Hilhorst, N.; Dijk, B. van (Van Dijk, Van Soomeren en Partners (DSP-groep), 2000)
      Het onderzoek richt zich op de vraag of de kenmerken van strafrechtelijk en civielrechtelijk geplaatsten, verschillen vertonen en hoe de ontwikkeling sedert 1993 is geweest. Uit het onderzoek blijkt dat jeugdigen die geplaatst zijn met een civiele maatregel (OTS'ers) jonger zijn dan de jeugdigen met een strafrechtelijke maatregel (PIJ'ers). PIJ'ers hebben over het algemeen voor plaatsing meer delicten gepleegd; het verschil is het grootst bij gewelds-, vermogens- en vuurwapenmisdrijven. Verder staan de jongeren in dit onderzoek voor meer delicten geregistreerd dan in het onderzoek van Boendermaker uit 1993. De onderzoekers schrijven dit in het bijzonder toe aan de verbeterde HKS-registratie. Ook is het totaal van de problemen die de jongeren hebben, zwaarder dan ten tijde van het onderzoek van Boendermaker. In het algemeen gesproken zijn echter geen grote verschillen gevonden tussen beide groepen geplaatsten. De waardering van de beperkte verschillen bepaalt de eraan te verbinden beleidsgevolgen.
    • Jongeren en vrijheidsbeneming - een studie naar de wijze waarop jongeren in Justitiële Jeugdinrichtingen omgaan met vrijheidsbeneming

      Eichelsheim, V.I.; Laan, A.M. van der (WODC, 2011)
      Het WODC heeft op verzoek van DJJ in 2007-2008 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de verwerking van justitiële vrijheidsbeneming door jongeren (Van der Laan e.a., 2008). Die studie betrof een literatuurstudie en interviews met experts werkzaam in jeugdinrichtingen. Uit het onderzoek bleek dat er in Nederland nauwelijks empirische kennis is over de wijze waarop jongeren die worden gedetineerd verschillende aspecten van vrijheidsbeneming ervaren, welke relatie er is met gedrag in de inrichting en welke individuele verschillen er zijn tussen jongeren. In de brief aan de Tweede Kamer (TK 2007-2008 24 587 nr. 289) heeft de minister van Justitie toegezegd nader onderzoek te laten doen naar de wijze waarop jeugdigen hun vrijheidsbeneming ervaren en de individuele verschillen die daarbij optreden. Dit onderzoek betreft zowel een kwantitatief en kwalitatief onderzoek waarin naast de wijze waarop jeugdigen hun vrijheidsbeneming ervaren ook nader wordt ingegaan op de relatie tussen de ervaren vrijheidsbeneming, criminogene opvattingen en gedrag in de inrichting. De volgende drie probleemstellingen worden onderscheiden: Hoe ervaren jongeren die op basis van een voorlopige hechtenis of jeugddetentie in een justitiële jeugdinrichting zitten verschillende praktische, sociale en psychosociale aspecten van vrijheidsbeneming? Hoe zien de relaties tussen import- en deprivatiekenmerken enerzijds, en het omgaan met vrijheidsbeneming anderzijds eruit? Wat is de relatie tussen de houding jegens het plegen van delicten, het omgaan met vrijheidsbeneming en kenmerken van de vrijheidsbeneming? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Omgaan met vrijheidsbeneming: een beschrijving van de data 4. Ervaren veiligheid 5. Autonomie en gebrek aan controle 6. Ervaren welbevinden en stress 7. Psychosociaal functioneren 8. Gedrag in detentie 9. Houding jegens van het plegen van delicten, het gepleegde delict en de detentie 10. Slot
    • Kansen en risico's van de toepassing van neurotechnologie in het strafrecht

      Bijlsma, J.; Geukes, S.H.; Meynen, G.; Raemaekers, M.A.H.; Ramsey, N.F.; Simon Thomas, M.A.; Toor, D.A.G. van; Vansteensel, M.J. (Universiteit Utrecht - Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, 2022-05-04)
      De laatste jaren is er veel aandacht voor neurotechnologie. Het gaat hierbij om technieken die bijdragen aan kennis over de hersenen en/of die interacteren met de hersenen. De aandacht voor neurotechnologie wordt onder andere veroorzaakt door de voortdurende technologische vooruitgang. Omdat neurotechnologie (ook) potentie heeft voor toepassing binnen het justitie- en veiligheidsdomein heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de kansen en risico’s van dergelijke toepassing van neurotechnologie. Dit rapport is het resultaat van dat onderzoek. In dit rapport staat de volgende onderzoeksvraag centraal: ‘Welke kansen en bedreigingen kunnen worden verwacht van neurotechnologie voor het domein van ministerie van Justitie en Veiligheid en welke impact (juridisch, ethisch en maatschappelijk) kan neurotechnologie hebben voor beleid?’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Interactie en beeldvorming 4. Neurotechnologieën 5. Neurotechnologie in de justitie- en veiligheidsdomeinen 6. Mogelijke toekomstige doorontwikkelingen 7. Besluit sectie 1 8. Opsporing en waarheidsvinding 9. Risicotaxatie 10. Interventie 11. Ethiek
    • Kappen met asociaal gedrag - Evaluatie van de pilot FF Kappe in Rotterdam

      Winkels, J. (WODC, 2008)
      De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Wat zijn de veronderstelde werkzame mechanismen van de pilot 'FF Kappe', in welke context zouden deze werken en zijn er neveneffecten te benoemen? De doelgroep voor FF Kappe bestaat uit jongeren tussen de 12 en 24 jaar die bij herhaling voor grote overlast in de buurt zorgen. Het project is geïnspireerd door de Acceptable Behaviour Contracts (ABC) en Anti-Social Behaviour Orders (ASBO) in Engeland.
    • Kindbeelden

      Baggerman, A.; Dekker, R.; Brinkgreve, C.; Nijboer, J.A.; Koops, W.; Orobio de Castro, B.; Weijers, I.; Sikkema, P.; Nijnatten, C. van; Willems, J.C. M. (WODC, 2005)
      INHOUD: 1. A. Baggerman en R. Dekker - Verlichting, revolutie en kindbeeld in Nederland; de periode rond 1800 als keerpunt 2. C. Brinkgreve - De terugkeer van het angstaanjagende kind 3. J.A. Nijboer - Beeldvorming over criminele kinderen en het justitiebeleid 4. W. Koops en B. Orobio de Castro - Ontwikkelingspsychologen op zoek naar oorzaken van jeugddelinquentie; nieuwe trajecten naar kennis 5. I. Weijers - 'Mondige kinderen' 6. P. Sikkema - Het kind als consument 7. C. van Nijnatten - Het kind als communicatieve partner 8. J.C. M. Willems - Het kindbeeld in het Verdrag inzage de Rechten van het Kind 9. Internetsites kindbeelden SAMENVATTING: Kinderen van deze tijd worden als mondig beschouwd en voor vol aangezien. Hun mening telt. Het bedrijfsleven zorgt voor een onophoudelijke stroom van speciaal op deze doelgroep afgestemde nieuwe producten en diensten. Als bekroning van deze ontwikkeling zijn kinderen zelfs formeel dragers van rechten geworden met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Pas de laatste jaren groeit het besef dat er aan deze, op het eerste gezicht positieve ontwikkeling ook aspecten zitten die het leven van (sommige) kinderen in deze tijd ingewikkeld en frustrerend maken. Over die tegenstrijdigheid gaat dit themanummer.
    • Kinderen van gedetineerde moeders

      Ezinga, M.; Hissel, S.; Bijleveld, C.; Slotboom, A. (VU - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2009)
      De onderzoeksvragen zijn: Hoe is de zorg voor kinderen van gedetineerde moeders geregeld?In hoeverre is er sprake van gedragsproblematiek bij deze kinderen?Hoe is het welbevinden van deze kinderen in de context van de detentie van moeder? Resultaten van dit onderzoek zijn ook te vinden in het artikel: Kinderen van gedetineerde moeders; een studie naar het gedrag en welbevinden van kinderen met een moeder in de gevangenis (Tijdschrift voor criminologie, 52e jrg., 2010, nr. 1, pp. 36-51).
    • Literatuuronderzoek naar de effecten van de inzet van ex-gedetineerden als 'ervaringsdeskundigen'

      Thijs, F.; Weerman, F.M.; Laan, P.H. van der (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), 2018)
      In binnen- en buitenland worden regelmatig voorlichtings- en lesprogramma’s ingezet waarin gebruik wordt gemaakt van ex-gedetineerden om jongeren en scholieren voor te lichten over de gevaren en gevolgen van grensoverschrijdend gedrag en criminaliteit. Een dergelijke methode is het Educatief Programma Jongeren (EPJO) dat de afgelopen jaren is gegeven op meer dan 80 basisscholen in Amsterdam. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het onderdeel van de inzet van een ex-gedetineerde (jongere) als ‘ervaringsdeskundige’. Het doel van dit onderzoek is om na te gaan in hoeverre voorlichtings- en preventieprogramma’s voor jeugdigen, waarbij ex-gedetineerden of anderen die in aanraking zijn geweest met justitie (‘negatieve rolmodellen’) effectief zijn in het voorkomen of reduceren van delinquent gedrag. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode systematische literatuurreview 3. Resultaten systematische literatuurreview 4. Relevante theorieën en modellen met betrekking tot de inzet van ex-gedetineerden 5. Conclusies
    • Lokale veiligheid uitgaansgebieden: case Haarlem

      Galetzka, M.; Hoof, J. van; Vries, P. de; Abraham, M.; Bloeme, R.; Soomeren, P. van (University of Twente - Faculty of Behavioural, Management and Social Sciences, 2019)
      Om de geluidsoverlast het hoofd te bieden is een interventieaanpak ontwikkeld waarmee geluidsoverlast in uitgaansgebieden kan worden teruggedrongen. Deze aanpak bestaat uit vijf fasen, namelijk 1) een context- en probleemanalyse, 2) het bepalen van doelgedrag, 3) het nader bepalen van probleem- en doelgedragingen,4) het ontwikkelen van een specifieke, contextgerichte gedragsinterventie, en tot slot 5) de implementatie en monitoring van eventuele effecten. De eerste vier fasen zijn uitgewerkt aan de hand van een casus, namelijk het uitgaansgebied in de Smedestraat in Haarlem. In het rapport worden de uitkomsten van dit onderzoek op een rij gezet.
    • Longitudinaal onderzoek naar deviant gedrag - een verkenning van de literatuur

      Baas, N.J. (WODC, 1995)
      De bedoeling van deze verkenning van de literatuur is het vinden van een antwoord op de vraag of een grootschalig criminologisch longitudinaal onderzoek in Nederland wenselijk en haalbaar is. Het gaat hier grosso modo om de vragen welke voor- en nadelen longitudinaal onderzoek heeft in vergelijking met cross-sectioneel onderzoek, welke varianten van longitudinaal onderzoek mogelijk zijn en aan welke punten men aandacht moet besteden wanneer men een longitudinaal onderzoek wil opzetten.
    • LVB in de strafrechtketen - Procesevaluatie

      Drost, V.; Kluft, S.; Klein Hofmeijer, E.; Reiff, E.; Kaal, H. (Significant APE, 2021-06-22)
      Begin 2020 heeft de landelijke werkgroep voor lvb binnen de strafrechtketen, waaraan de verschillende ketenpartners deelnemen, een werkagenda voor de periode 2020-2021 vastgesteld. De bestuurders van de betrokken organisaties in de strafrechtketen (Bestuurlijk Ketenberaad) hebben deze werkagenda in mei 2020 bekrachtigd. Hierin wordt beschreven dat extra inspanning nodig is om ervoor te zorgen dat professionals in de strafrechtketen structureel meer aandacht hebben voor lvb-problematiek en dat zij vaardiger worden om mensen met een lvb op een effectieve manier te bejegenen en te begeleiden. In de komende jaren wordt ingezet op verduurzaming en implementatie. Daarvoor heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) behoefte aan een procesevaluatie van de inzet op het thema van lvb tot nu toe. Het doel van het onderhavige onderzoek is dan ook het verkrijgen van inzicht in de mate waarin de verschillende partners uit de strafrechtketen de activiteiten zoals afgesproken in de werkagenda (en de voorloper daarvan, het verbeterplan) tot op heden hebben geïmplementeerd. De hoofdvraag luidt als volgt: In welke mate en op welke manier is er bij de verschillende ketenpartners aandacht voor en worden er initiatieven geïntroduceerd gericht op mensen met een lvb, op de thema’s bewustwording, signaleren, communiceren en interveniëren? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksaanpak, 3. Bewustwording, 4. Signaleren, 5. Communicatie, 6. Interveniëren, 7. Ervaringen van mensen met een lvb in de strafrechtketen, 8. Conclusies.