• Jeugd en seksueel misbruik

      Boutellier, J.C.J.; Wijk, A.Ph. van; Bijleveld, C.C.J.H.; Meijer, R.F.; Prins, L.; Bullens, R.A.R.; Meuwese, S.; Groeneveld, C.S.; Rassin, E.; Hendriks, J.; et al. (WODC, 2000)
      ARTIKELEN: 1. Dr. J.C.J. Boutellier - De pornografische context van zedenzaken; een beschouwing over de huidige seksuele moraal 2. Mr. drs. A. Ph. van Wijk - Jeugdige zedendelinquenten; typen, recidivepatronen en criminele carrières 3. Dr. C.C.J.H. Bijleveld, drs. R.F. Meijer en L. Prins - Het profiel van pedoseksuele verdachten; een verkenning op basis van politiegegevens 1998 4. Prof. dr. R.A.R. Bullens en drs. J.E. van Horn - Daad uit 'liefde'; gedwongen prostitutie van meisjes 5. Mr. S. Meuwese - Aangifte van seksueel misbruik; een verkenning onder jeugdige slachtoffers 6. C.S. Groeneveld - Kinderporno en ontuchtzaken; problemen bij de opsporing 7. Mr. drs. E. Rassin - Bewijsproblematiek in misbruikzaken; getuigenverklaringen van jeugdige slachtoffers 8. Drs. J. Hendriks en drs. B.J. van Roozendaal - De behandeling van jeugdige zedendelinquenten 9. Drs. Ed. Leuw - Toezicht op 'pedoseksuele' delinquenten; Engelse en Amerikaanse regelingen bruikbaar voor Nederland? SAMENVATTING: Er is weinig bekend over zedendelinquenten, de aantallen en achtergronden, hun motieven en persoonlijkheidskenmerken, en bij welke typen gevaar bestaat voor recidive. Ook is er weinig bekend over de vraag welke behandeling bij welke dader past. Onderzoek staat in Nederland nog in de kinderschoenen. Dit nummer poogt zicht te bieden op de kenmerken van jeugdige zedendelinquenten en inventariseert allerlei problematische aspecten op het vlak van justitiële aanpak, preventie en behandeling.
    • Kinderen beschermd tegen seksueel misbruik - Evaluatie van de partiële wijziging in de zedelijkheidswetgeving

      Lünnemann, K.; Nieborg, S.; Goderie, M.; Kool, R.; Beijers, G. (WODC, 2006)
      Op 1 oktober 2002 is de partiële herziening van de zedelijkheidswetgeving in werking getreden. De kinderpornografiebepaling is aangescherpt, de extraterritoriale rechtsmacht is verruimd, en andere vormen van seksuele uitbuiting van minderjarigen zijn strafbaar gesteld. Met deze wetswijziging beoogt de minister van Justitie een betere bescherming te bieden tegen seksueel misbruik van minderjarigen en andere kwetsbare groeperingen. Dit rapport bevat de resultaten van een evaluatie van de wetswijziging.
    • Landelijk beleid huiselijk geweld - theoriegestuurde evaluatie periode 2002-2011

      Jongebreur, W.; Lindenberg, R.; Plaisier, J. (Significant, 2011)
      In 2002 is de Nederlandse overheid gestart met landelijk beleid om huiselijk geweld tegen te gaan. In dit rapport weergegeven hoe die beleid sindsdien is vormgegeven en welke resultaten zichtbaar zijn. De probleemstelling van het onderzoek luidde: In hoeverre en op welke wijze is het aannemelijk dat het beleid ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld in de periode 2002-2011 effectief is geweest? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden 3. Beleidsreconstructie 4. Plausibiliteit beleidstheorie 5. Synthese evaluatieonderzoeken en analyse doelbereiking 6. Conclusie
    • Ondergaan of ondernemen - Ontwikkeling in de aard en aanpak van afpersing van het bedrijfsleven

      Leiden, I. van; Appelman, T.; Ham, T. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2014)
      In dit onderzoek wordt het fenomeen afpersing van het bedrijfsleven uitgebreid beschreven. Aan bod komen de verschijningsvormen, daders en slachtoffers en de modus operandi. Het rapport kan gezien worden als een update van een eerdere publicatie over dit onderwerp onder de titel 'Je bedrijf of je leven' dat in 2007 verscheen (zie link bij: meer informatie). Naast de ontwikkelingen rond het fenomeen afpersing wordt ingegaan op het proces van signalering, melding en aangifte tot de opsporing en vervolging van afpersing. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het fenomeen 3. Afpersing in beeld 4. Signalering, melding en aangifte 5. Opsporing en vervolging 6. De aanpak 7. Conclusies en slotbeschouwing
    • Papier en werkelijkheid - Een hypothesevormend onderzoek naar de invloed van registratie-effecten op de omvang van de geregistreerde jeugdcriminaliteit

      Ham, T. van; Bervoets, E.; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2015)
      Al enkele jaren is een daling waarneembaar in de door politie en Justitie geregistreerde jeugdcriminaliteit. Inzicht in de oorzaken van de daling van de jeugdcriminaliteit is noodzakelijk om te kunnen beoordelen welke organisatorische en beleidsmatige maatregelen al dan niet getroffen moeten worden op de korte en (middel)lange termijn. In het onderzoek staan de volgende vier vragen centraal:Op welke wijze vindt registratie bij politie en Openbaar Ministerie (OM) plaats?Welke factoren worden in de wetenschappelijke en grijze literatuur genoemd als (mogelijk) van invloed op de registratie van jeugdcriminaliteit?In welke richting, op welke wijze en in welke mate beïnvloeden deze factoren (mogelijk) de registratie van jeugdcriminaliteit? Op welke wijze is dit in de literatuur vastgesteld of onderbouwd?Wat is de reikwijdte (in tijd) van deze factoren? INHOUD: 1. Onderzoek naar de daling van jeugdcriminaliteit 2. Methoden van onderzoek 3. De registratie van criminaliteit 4. Opbrengsten literatuur- en documentstudie 5. Hypotheses nader onder de loep
    • Politiemonitor bevolking 1997 - Landelijke rapportage

      Unknown author (B&A Groep Beleidsonderzoek & -Advies, 1997)
      Dit is de rapportage van het derde grootschalige bevolkingsonderzoek waarbij gebruik is gemaakt van de Politiemonitor Bevolking: een vragenlijst, ontwikkeld door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie. Voor de rapportage van 1997 zijn ruim 76.000 inwoners van Nederland van 15 jaar en ouder geënqueteerd. Dit landelijke rapport bevat de beschrijving van de landelijke uitkomsten, alsmede die van de afzonderlijke 25 politieregio's (zie: Ra 11.175-B t/m Ra 11.175-Y). In de regionale rapporten worden per regio de uitkomsten voor de betreffende regio gepresenteerd en vergeleken met het landelijke beeld. De rapportage geeft een beeld van de aard en omvang van de criminaliteit en de behoefte aan veiligheidszorg, over het niveau van functioneren van de politie en over de kwaliteit van de geboden veiligheidszorg. Alle rapporten zijn als volgt ingedeeld: In deel A wordt eerst ingegaan op de probleemgevoeligheid van de eigen woonbuurt, en de subjectieve en objectieve kant van onveiligheid. Inmiddels wordt erkend, dat een complex van factoren bepalend is voor de mate waarin men zich onveilig voelt. Veel van die factoren hebben betrekking op de problemen die mensen in hun directe leefomgeving signaleren. Tot slot wordt ingegaan op het feitelijk slachtofferschap van diverse vormen van criminaliteit. Deel B gaat in op de verhouding tussen de politie en burgers, waarbij het aangiftegedrag van burgers, algemene contacten, en het oordeel van de bevolking m.b.t. het politieel functioneren aan de orde komen. Deel C gaat in op het preventiegedrag van burgers m.b.t. de eigen verantwoordelijkheid slachtofferschap van criminaliteit te voorkomen. In de bijlagen zijn de onderzoeksverantwoording en de vragenlijst opgenomen.
    • Publiek-private opsporing: vele handen maken licht werk? - Eindrapport Evaluatie vervolgpilot samenwerking particuliere onderzoeksbureaus met politie en Openbaar Ministerie

      Kuin, M.C.; Wilms, P.J.M. (APE Public Economics, 2015)
      Particuliere onderzoeksbureaus (POB’s) voeren, in opdracht van bedrijven en particulieren, recherche-werkzaamheden uit. Deze werkzaamheden hebben vaak betrekking op strafbare feiten zoals fraude en laakbaar handelen van werknemers, waaronder verduistering, diefstal en misbruik van bedrijfsmiddelen. Daarnaast verrichten POB’s ook adviserende werkzaamheden, pre-screening van nieuwe werknemers etc. De wettelijke grondslag voor POB’s is in 1997 vastgelegd in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Deze wet bepaalt de kaders waarbinnen de POB’s hun werkzaamheden verrichten. De overkoepelende vraagstelling van dit onderzoek luidt oorspronkelijk als volgt:Welke bijdrage kunnen POB’s leveren bij de strafrechtelijke opsporing en vervolging van zaken op het gebied van vermogenscriminaliteit? Wat zijn good practices?Zijn er neveneffecten verbonden aan het inschakelen van POB’s bij de strafrechtelijke opsporing en vervolging? Welke zijn dat?
    • Realiteit of registratie-effect - De invloed van registratie-effecten op de daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit

      Ham, T. van; Bervoets, E.; Scholten, L.; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2018)
      De focus ligt in onderhavig onderzoek op de kans dat een delict bij de politie bekend wordt, de inspanningen die de politie pleegt om jeugdcriminaliteit op te sporen en de kans dat de politie van een bekend delict een mutatie opmaakt. De centrale vraagstelling luidt daarom als volgt: ‘In hoeverre is de daling van de jeugdcriminaliteit toe te schrijven aan registratie-effecten?’ Dit mondt uit in de volgende deelvragen: Is de daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit mede een gevolg van een nadrukkelijker rol van gemeentelijke Boa’s in het toezicht? Is de daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit een gevolg van veranderingen in de automatisering bij de politie (i.c. de invoering van BVH en de uitfasering van HKS)? Is de daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit mede een gevolg van een afgenomen prioriteit in de opsporing van jeugdcriminaliteit? Is de daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit een gevolg van veranderingen in het werkproces bij de politie (i.c. het Salduz-arrest en de invoering van ZSM), waardoor: a. criminele jongeren vaker dan voorheen een zorgmelding krijgen en zo buiten de politieregistratie blijven; b. criminele jongeren vaker dan voorheen een reprimande krijgen en zo buiten de politieregistratie blijven; c. criminele jongeren vaker dan voorheen een ‘goed gesprek’ krijgen en zo buiten de politieregistratie blijven. Per deelvraag: zo ja, op welke wijze en in welke mate? INHOUD: 1. Introductie 2. De rol van gemeentelijke BOA's 3. Introductie BVH's en uitfasering HKS 4. Prioritering in de opsporing 5. Veranderingen in het werkproces 6. Samenvatting en conclusies
    • Samen opgespoord? - Eindrapport "Pilot samenwerking particuliere onderzoeksbureaus met politie en OM"

      Friperson, R.; Bouman, S.; Wilms, P. (APE Public Economics, 2013)
      In samenwerking met de Nederlandse Veiligheidsbranche (NV) is een pilot ingericht met als doel na te gaan welke rol particuliere onderzoeksbureau's (POB’s) kunnen spelen bij de opsporing in strafzaken. De pilot heeft plaatsgevonden tussen 1 mei 2012 tot en met 3o april 2013. Aan de pilot namen negen particuliere onderzoeksbureaus deel, die alle lid zijn van de Nederlandse Veiligheidsbranche en beschikken over een keurmerk van de NV. De centrale vraag in dit onderzoek was: Welke bijdrage kunnen POB's leveren aan de opsporing en vervolging van acht delictscategorieën (interne diefstal, interne fraude, heling, phishing, vervoerscriminaliteit, ladingdiefstal, oplichting en bedrijfsinbraak)?
    • Slachtoffers van misdrijven door intimi, kennissen of vreemden - Verschillen in context, ervaringen en behoeften met betrekking tot justitie

      Boom, A. ten (WODC, 2016)
      Een substantieel deel van alle misdrijven wordt gepleegd door bekenden van het slachtoffer. Deze verdachten of daders kunnen heel goede bekenden zijn, zoals (ex)geliefden, familieleden en voormalige vrienden maar bijvoorbeeld ook collega’s, vage kennissen, cliënten of buurtgenoten. De probleemstelling van dit onderzoek luidde: in welke opzichten verschilt de slachtofferervaring van slachtoffers van verschillende bekende en vreemde daders en welke gevolgen heeft dat voor de behoeften van die slachtoffers als zij zoeken naar een justitiële reactie? Dit is onderzocht door middel van een uitgebreide literatuurstudie en een secundaire analyse op een bestaande dataset van 494 Nederlandse slachtoffers van misdrijven wier zaak bij het Openbaar Ministerie (OM) in behandeling is geweest. De data waren afkomstig van zowel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers van misdrijven in verschillende slachtoffer-dader relaties. Dit waren slachtoffers van geweldsdelicten, vermogensdelicten en vernielingen/openbare orde delicten. INHOUD: 1. Inleiding en opzet 2. Delicten op verschillende relationele afstand 3. Nadere verkenning van de slachtofferervaring en psychische impact 4. Aangiftegedrag 5. Behoeften met betrekking tot de justitiële reactie 6. Verantwoording secundaire analyse 7. Resultaten secundaire analyse 8. Conclusie en reflectie
    • Slachtoffers van zedenmisdrijven - Een verkenning van de overwegingen voor contact met politie en/of hulpverlening

      Bertling, L.; Mack, A.; Vonk, H.; Timmermans, M. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2017)
      Dit onderzoek betreft de factoren en overwegingen die een rol spelen bij volwassenslachtoffers van zedenmisdrijven om het delict wel of niet te melden bij de politie, wel of geen aangifte te doen van het delict en de keuze om wel of geen hulp te zoeken. Parallel aan dit onderzoek voert de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen een monitor uit naar de doorstroom van zaken van seksueel geweld tegen kinderen in de justitiële keten. De volgende vragen stonden in dit onderzoek centraal: Welke factoren bepalen of het slachtoffer contact opneemt met politie en/of hulpverleners? Welk behoeften hebben slachtoffers na een zedenmisdrijf en welke contacten hebben zij op welk moment? Welke overwegingen maken slachtoffers ten aanzien van contact zoeken met politie en/of hulpverlening? Hoe ervaren zij het proces bij de politie na het incident? INHOUD: 1. Inleiding 2. Inzichten uit de literatuur 3. Beeld op basis van registraties 4. Perspectief van de slachtoffers 5. Perspectief van professionals 6. Conclusie
    • Tussen aangifte en opsporing - Een pilotstudie naar de haalbaarheid van een instrument om het gat in de opsporing te bepalen

      Ferwerda, H.; Leiden, I. van; Vries Robbé, E. de (WODC, 2006)
      In de Aanwijzing voor de opsporing - die op 1 maart 2003 van kracht is geworden en nader is uitgelegd in de brief van 4 november 2003 - is tot uitdrukking gebracht wat er maatschappelijk van de opsporing wordt verwacht op het gebied van “aangiftecriminaliteit”. Nu genoemde aanwijzing in maart 2005 twee jaar van kracht is, bestaat er behoefte aan feitelijk inzicht in de gang van zaken in de praktijk: welke aangiftes en meldingen krijgt de politie binnen, wat zou daar op grond van de Aanwijzing van de opsporing mee moeten gebeuren, en wat wordt daar feitelijk mee gedaan? De volgende twee vragen staan centraal in dit onderzoek. Ten eerste de vraag in hoeverre de benodigde gegevens aanwezig zijn in de politieregistratiesystemen en ten tweede de vraag of deze gegevens ontsloten kunnen worden door queries en koppelingen van databestanden. Het onderzoek is uitgevoerd in drie van de vijfentwintig politieregio's die gebruik maken van verschillende bedrijfsprocessensystemen en is toegespitst op woninginbraak en op straatroof.
    • Verruiming van de aangifteplicht voor ernstige seksuele misdrijven?

      Kool, R.; Kristen, F.; Beekhuis, T.; Zanger, W. de; Kerssies, S. (medew.); Rijst, T. van der (medew.) (Universiteit Utrecht - Departement REBO, Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (Ucall), 2019)
      Het onderzoek strekt ertoe argumenten te bieden ten behoeve van de gedachtenvorming over de wenselijkheid van een verruiming van de aangifteplicht van artikel 160 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voor de ernstige seksuele misdrijven. In samenhang daarmee ligt de vraag voor naar een verruiming van artikel 136 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarin het nalaten aangifte te doen van een voorgenomen verkrachting strafbaar is gesteld. Voorts is onderzocht of het mogelijk en wenselijk is te komen tot een verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van organisaties wegens het nalaten aangifte te doen van seksueel misbruik binnen de eigen kring. Het onderzoek beperkt zich tot de sectoren zorg en onderwijs, waarnaast aandacht is besteed aan de actuele ontwikkelingen binnen de sport. Onderscheid is gemaakt tussen seksueel misbruik tussen burgers (het particuliere spoor) en seksueel misbruik door een beroepskracht jegens een burger (het institutionele spoor). INHOUD: 1. Achtergrond en opbouw van het onderzoek; begripsomschrijvingen 2. Methodologie 3. Overzicht nationale wet- en regelgeving 4. Ervaringen binnen de Nederlandse sectoren Gezondheidszorg & Jeugd, Onderwijs en Veilig Thuis met de meldcodes, het meldrecht en de meldplichten 5. Landenrapportage 6. Analyse en scenario's
    • Winkelboa's nader beschouwd - Evaluatie van een pilot rond inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren bij winkeldiefstal

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2013)
      Om toezicht en handhaving in winkelgebieden te versterken en de afhandeling van winkeldiefstal bij ontdekking op heterdaad te versnellen heeft de Minister van Veiligheid en Justitie besloten tot een experiment met de inzet van een buitengewoon opsporingsambtenaar voor winkelgebieden (‘winkelboa’). Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de ervaringen en bevindingen zullen worden gemonitord. Bij een positief oordeel op basis van de gegevens uit de pilot-gemeenten kan besloten worden tot landelijke invoering. De evaluatie van de pilot met de winkelboa vindt plaats aan de hand van een planevaluatie, een procesevaluatie en een effectevaluatie. De probleemstelling omvat deze drie elementen en luidt als volgt: Op welke wijze is de pilot met de winkelboa vormgegeven in de betrokken gemeenten? Welke ervaringen hebben de betrokken organisaties en ondernemers opgedaan tijdens de pilot? En, welke resultaten zijn behaald? INHOUD: 1. Inleiding 2. Planevaluatie 3. Winkelboa's in Roermond 4. Winkelboa's in Vlaardingen 5. Conclusies