• Zelfsturing in de strafrechtsketen

      Unknown author (WODC, 1997)
      De centrale overheid heeft steeds minder greep op de rechtshandhaving op decentraal en lokaal niveau. Lagere bestuurlijke overheden bemoeien zich actiever met de bestrijding van criminaliteit en overlast. Bij het stedelijke veiligheidsbeleid zijn tal van actoren betrokken, van overheden tot scholen en bedrijven. Naarmate die samenwerking vordert heeft justitie meer en meer te maken gekregen met partners die hun eigen aanpak kennen en zelf prioriteiten stellen. In de lokale netwerken hebben de medespelers een relatieve autonomie verworven. Justitie is slechts een van de medespelers. Dit soort ontwikkelingen heeft de bestuurskundige Frissen aangegrepen om een 'copernicaanse wending' aan te brengen in ons denken over sturing: niet het bevoegde gezag aan de top maar de ambtenaren op de 'werkvloer' bepalen het feitelijke beleid. Voor centrale overheidsorganisaties resteert slechts 'meta-sturing': de overheid schept weliswaar een infrastructuur, maar bepaalt niet meer de beleidsinhoud. De diagnose van Frissen kan zonder veel moeite op de strafrechtsketen worden toegepast. Zo bleek uit de parlementaire enquête voor de opsporingsmethoden dat de uitvoerende CID-medewerkers het uiteindelijke opsporingsbeleid bepaalden. Hoofdofficieren spelen vaak een eigen, zelfstandige rol in de plaatselijke driehoek. Het lijkt erop dat de noodzaak voor regionale politie en justitie veel groter is geworden zelf keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het probleem is dat die keuzes te weinig expliciet worden gemaakt. Wordt er bij opsporing en vervolging systematisch en bewust gekozen of is er sprake van een 'onzichtbare hand'? Welke zaken krijgen prioriteit bij opsporing en vervolging, en waarom? Een ander probleem is dat er vaak grote verschillen zijn in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan handhavende taken, bij voorbeeld in het geval van handhaving van milieuwetten. Dat tast de rechtsgelijkheid aan. Een ander probleem is of het bevoegde gezag nog wel altijd verantwoordelijk kan worden gehouden voor een lokaal beleid waarover deze soms weinig zicht en zeggenschap heeft. Deze vragen komen in dit nummer uitvoerig aan bod. De lezer zal geen kant en klare antwoorden aantreffen, hetgeen aangeeft dat de worstelpartij met deze ingewikkelde materie vooralsnog niet ten einde is.