• Van vast naar mobiel - Een evaluatie van het experiment met elektronisch huisarrest voor minderjarigen als modaliteit voor de voorlopige hechtenis

      Terlouw, G.J.; Kamphorst, P.A. (WODC, 2002)
      Begin 2000 startte in het arrondissement Rotterdam een tweejarig experiment met elektronisch huisarrest voor minderjarigen als modaliteit voor de voorlopige hechtenis. Een belangrijk doel bij deze modaliteit is de maatschappelijke banden van de jongere te behouden en versterken. In principe komen alle jongeren in aanmerking voor elektronisch huisarrest die tussen de 12 en 18 jaar oud zijn en een of meer strafbare feiten hebben gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis kan worden geëist. Zij moeten echter wel voldoen aan een aantal voorwaarden. Zo moet de jongere beschikken over een stabiele thuissituatie, een zinvolle dagbesteding, en voldoende discipline en structurerend vermogen. De raadkamer beslist uiteindelijk over de toewijzing van het elektronisch huisarrest. De probleemstelling voor het evaluatieonderzoek luidt: hoe is het experiment totstandgekomen, hoe functioneert het en is invoering op bredere schaal wenselijk? De onderzoeksvragen hebben betrekking op de totstandkoming van het project, de samenwerking in het project, de instroomcriteria, de instroom en de ‘aanzuigende’ werking, het verloop en de beleving van het elektronisch huisarrest door de jongere en zijn omgeving, de relatie tussen elektronisch huisarrest en de strafoplegging, en de mate waarin er recidive optreedt. Het onderzoek omvat een procesevaluatie met enkele kwantitatieve elementen. De evaluatie heeft betrekking op de eerste anderhalf jaar van het tweejarige experiment. De bevindingen zijn in een aantal opzichten beperkt generaliseerbaar, want maar weinig deelnemers en hun ouders/verzorgers waren bereid tot een interview; ook zijn er knelpunten ondervonden bij het verzamelen van de kwantitatieve informatie. INHOUD: 1. Inleiding, probleemstelling en onderzoeksopzet 2. De instroom 3. Ervaringen en oordeel van de jongeren en hun ouders 4. Ervaringen en oordeel van de uitvoerende partijen 5. Samenvatting, conclusies en slotbeschouwing