• Verbaliseringsbeleid misdrijven

      Buikhuisen, W.; Dijk, J.J.M. van (WODC, 1976)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Probleemstelling 3. Hoe oordelen O.M., politie en publiek over de gepresenteerde delikten 4. Het relatieve ernsToordeel van O.M., politie en publiek 5. Verschillen in ernstoordeel binnen O.M., politie en publiek 6. Welke kriteria worden aangelegd bij het beoordelen van de ernst van een delikt 7. Hoe zwaar wegen de zeven kriteria voor de verschillende onderzoeksgroepen 8. Het simulatie-experiment 9. Slotbeschouwing SAMENVATTING: In opdracht van de Commissie Verbaliseringsbeleid Misdrijven heeft het WODC zich beziggehouden met een onderzoek waarin enerzijds de vraag aan de orde kwam hoe de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en het publiek denken over de ernst van diverse delikten, en anderzijds gekeken is naar de betekenis van een aantal faktoren waaronder de ernst van het delikt, voor het opsporings- en vervolgingsbeleid. De belangrijkste conclusies zijn: (1) Het oordeel van de diverse categorieën ondervraagden (politie, OM en publiek) over de ernst van de betreffende delikten vertoont duidelijke verschillen. Het publiek vindt het merendeel van de voorgelegde delikten ernstiger dan het OM; (2) Het OM oordeelt in zijn totaliteit zeer consistent. De opvattingen onder de politie daarentegen lopen nogal uiteen; (3) Ondanks al deze verschillen in oordeel over de afzonderlijke delikten blijkt niettemin dat er zeven ernstbepalende componenten kunnen worden onderscheiden die voor de verschillende onderzoekgroepen ongeveer hetzelfde relatieve gewicht hebben; en (4) Het oordeel over de ernst van een delikt blijkt van essentiële betekenis voor de beslissing verbaliseren of niet. Ten behoeve van dit onderzoek zijn twee bijlagenrapporten gepubliceerd:De ernst van delicten: mening en meting - C. Cozijn, J.J.M. van Dijk en V. Veldheer (bijlage A)Verbaliseringsgedrag : informatie en beslissing ; (de methode Wilkins) - C. Cozijn, J.J.M. van Dijk en V. Veldheer (bijlage B)