• De kosten van criminaliteit - Een onderzoek naar de kosten van criminaliteit voor tien verschillende delicttypen

      Groot, I.; Hoop, Th. de; Houkes, A.; Sikkel, D. (WODC, 2007)
      In dit onderzoek staan de volgende twee vragen centraal:Hoe kan de verhouding tussen de omvang van de geregistreerde tegenover de niet geregistreerde criminaliteit voor een aantal delicttypen worden vastgesteld en wat is deze verhouding?Hoe kunnen de kosten van criminaliteit voor deze delicttypen worden bepaald en wat zijn de kosten?
    • Ernstige verkeersdelicten

      Wolswijk, H.D.; Postma, A.; Keulen, B.F. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2017)
      Over de straftoemeting in verkeerszaken is veel maatschappelijke en politieke discussie. Ook in de wetenschap is het een onderwerp van discussie. Op 18 februari jl. heeft de minister van V&J in een brief naar de Tweede Kamer over verkeershandhaving aangegeven dat er onderzoek zal plaatsvinden naar de straftoemeting in ernstige verkeerszaken (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2015-2016, 29398, nr. 495). Dit onderzoek betreft de straftoemeting in ernstige verkeerszaken. Daarbij wordt gekeken naar het 'strafgat' bij (kort gezegd) roekeloos rijgedrag. Bezien wordt of de opsporingsbevoegdheden bij het doorrijden na een ongeval met ernstig letsel of de dood als gevolg dienen te worden uitgebreid. De onderzoeksvragen betreffen de straftoemeting bij ernstige verkeersdelicten, de opvattingen van praktijkjuristen over die straftoemeting, en knelpunten van juridische of praktische aard bij de afdoening van ernstige verkeersdelicten. INHOUD: 1. Inleiding 2. De strafbaarstelling en het kader voor straftoemeting 3. Straftoemeting bij ernstige verkeersdelicten 4. Interviews 5. Conclusies en aanbevelingen
    • Evaluatie Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten

      Goedvolk, M.; Doumen, M.; Walberg, A. (Significant, 2015)
      Sinds 1 juni 2011 krijgen bestuurders die voor een tweede maal worden veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol te maken met de recidiveregeling. Hun rijbewijs wordt van rechtswege ongeldig, zonder verdere tussenkomst van de rechter. De regeling houdt kortweg in dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt indien de betrokkene binnen vijf jaar tweemaal onherroepelijk wordt veroordeeld voor het rijden onder invloed, waarbij de tweede maal een alcoholgehalte van boven de 1,3 promille is gemeten. In de periode van oktober 2014 tot en met mei 2015 is een evaluatie uitgevoerd van de recidiveregeling. De doelstelling van het onderhavige onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de mate waarin de recidiveregeling op de door de wetgever beoogde wijze bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van deze regeling en welke knelpunten zich eventueel in de praktijk voordoen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond en context van de recidiveregeling 3. Reconstructie en plausibiliteit van de beleidstheorie 4. Uitvoeringspraktijk recidiveregeling 5. Impactanalyse 6. Beschouwing en discussie
    • Geregistreerde verkeerscriminaliteit in kaart - een kwantitatief beeld van achtergrondkenmerken en de recidive van geregistreerde verkeersdelinquenten in Nederland

      Blom, M.; Bregman, I.M.; Wartna, B.S.J. (WODC, 2011)
      Dit rapport probeert een antwoord te geven op de volgende vragen: Welke ontwikkelingen hebben zich in de achterliggende jaren in de aard en de omvang van de geregistreerde verkeerscriminaliteit voorgedaan? Wat zijn de achtergrondkenmerken van de verschillende subgroepen van verkeersdelinquenten? Wat is het beeld van de recidive onder verkeersdelinquenten? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Geregistreerde verkeerscriminaliteit in Nederland 4. Recidive 5. Conclusies en discussie
    • Kansen en risico's van bestuurlijke verkeershandhaving

      Haan-Kamminga, A.; Kwakman, E.H.G.; Herweijer, M.; Otte, M.; Rothengatter, J.A. (Rijksuniversiteit Groningen - Vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde, 2000)
      In het onderzoek staat de mogelijke overdracht van de bevoegdheid tot het verrichten van verkeershandhaving van de politie naar het wegbeherende bestuur centraal. Doel van het onderzoek was om te inventariseren welke kansen en risico' s een dergelijke overdracht met zich zouden brengen. Daartoe is een ex ante evaluatie-onderzoek uitgevoerd, waarbij de mogelijke toekomstige situatie in drie varianten is uitgewerkt. Variant A gaat over de bestuurlijke handhaving op het hoofdwegennet, variant B betreft het parkeren in stedelijke gebieden waar een fiscaal nalevingsregime bestaat en variant C betreft de bestuurlijke verkeershandhaving op het overige wegennet. Uit het onderzoek blijkt dat sommige maatregelen ook binnen de bestaande structuur genomen kunnen worden. Dit gaat in het bijzonder op voor het benutten van financiële prikkels en het overdragen van parkeerhandhaving (fout parkeren) aan de zogenaamde gefiscaliseerde gemeenten. Voor verdergaande maatregelen ten behoeve van overdracht van handhavingsbevoegdheden aan het bestuur zou een aanpassing van het juridische instrumentarium moeten worden voorbereid.
    • Naar Nationale Veiligheidsindices

      Vergouw, S.J.; Jennissen, R.P.W.; Weijters, G.; Smit, P.R. (WODC, 2014)
      In dit onderzoek wordt een methode beschreven om zo betrouwbaar mogelijk ontwikkelingen in criminaliteit, overlast en onveiligheidsbeleving in Nederland te beschrijven. Dit onderzoek komt voort uit een verzoek van het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV), een overlegorgaan tussen het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). Het SBV heeft de vraag gesteld of het mogelijk is een instrument te ontwikkelen waarmee de ontwikkeling in sociale veiligheid in Nederland in kaart kan worden gebracht. Het is de wens om een index te ontwikkelen waarbij zowel slachtofferenquêtes als politiecijfers worden gebruikt om trends in sociale veiligheid op landelijk, maar ook op regionaal niveau te beschrijven. Met regionaal kan in dit geval gemeenteniveau, maar ook het niveau van regionale eenheden, politiedistricten of basisteams worden bedoeld. Onder sociale veiligheid verstaan we criminaliteit, door burgers ervaren overlast en de onveiligheidsbeleving van burgers. De verkorte resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in Factsheet 2014-4. INHOUD: 1. Inleiding 2. Criminaliteitsontwikkeling 3. Overlastontwikkeling 4. Ontwikkeling van onveiligheidsbeleving 5. Slotbeschouwing
    • Onderzoek naar strafmaxima in bijzondere wetgeving

      Arps, F.; Sennef, A.; Heemskerk, H.; Roos, Th.A. de (Universiteit Leiden, 1999)
      In dit onderzoek ging het in de kern om de volgende vragen:Welke uitgangspunten heeft de wetgever gehanteerd sinds 1886 bij het vaststellen van strafmaxima,Welke verschuivingen zijn daarbij eventueel waarneembaar in de loop der tijd,Is ter zake een verschil waarneembaar tussen commune misdrijven en delicten uit bijzondere strafwetten, enKunnen er door de veranderingen in de loop der tijd inconsistenties worden aangewezen in het stelsel van wettelijke strafmaxima?
    • Progressief boetestelsel en verkeersveiligheid - Geschatte veiligheidseffecten van hogere boetes bij herhaalde snelheidsovertredingen

      Hoekstra, A.T.G.; Eenink, R.G.; Goldenbeld, Ch. (Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), 2017)
      Een verkeersovertreding wordt doorgaans zwaarder bestraft als het risico daarvan hoger is. Naarmate men de limieten – voor rijsnelheid of bloedalcoholgehalte – meer overschrijdt, krijgt men een hogere boete. Ook herhaalde overtredingen leiden tot een aanzienlijk hoger risico. Voor zover deze overtredingen op kenteken worden beboet, leidt herhaling op dit moment echter niet tot hogere boetes. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV; ook wel 'Wet Mulder'), staat dit nu niet toe. De Tweede Kamer (motie 471, 2 juli 2015) heeft de minister van Veiligheid en Justitie gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor een progressief boetesysteem waarbij de boete toeneemt bij herhaalde overtredingen. De SWOV heeft een onderdeel van dat onderzoek uitgevoerd, namelijk een schatting van het effect van een progressief boetestelsel voor snelheidsovertredingen op de verkeersveiligheid. Hiernaast is onderzocht of er evidentie is voor de aannamen en werkingsmechanismen die aan een progressief boetestelsel ten grondslag liggen, en is nagegaan of een dergelijk stelsel mogelijke (onbedoelde) neveneffecten heeft. Dit rapport bevat de resultaten van dat onderzoek. Daarbij is uitgegaan van bekeuring op grond van kentenkenaansprakelijkheid, aangezien in 2016 96% van alle WAHV-overtredingen op kenteken werd geconstateerd en 84% een snelheidsovertreding van vooral (bestel)auto’s betrof. INHOUD: 1. Inleiding 2. Assumpties en werkingsmechanisme 3. Randvoorwaarden en neveneffecten 4. Schatting van het effect op verkeersveiligheid 5. Conclusies
    • Recidive na een educatieve maatregel voor verkeersovertreders of tijdens een Alcoholslotprogramma

      Blom, M.; Blokdijk, D.; Weijters, G. (WODC, 2017)
      Om de verkeersveiligheid in Nederland te verbeteren en het aantal verkeersslachtoffers te reduceren, bestaan er in Nederland verschillende verkeersgedragsmaat-regelen. Zo werden in 2008 de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) en de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) in Nederland geïntroduceerd. Deze educatieve maatregelen zijn bedoeld om verkeersovertreders meer inzicht te geven in het gevaar van bepaalde gedragingen en om recidive te voorkomen. Daarnaast kon van december 2011 tot en met september 2014 in Nederland een Alcoholslotprogramma (ASP) worden opgelegd bij zwaardere of herhaaldelijke gevallen van rijden onder invloed. In deze studie worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: LEMA - Wat zijn de achtergrondkenmerken van: a Beginnende bestuurders die in de periode 2009-2013 een rijden-onder-invloed-delict pleegden en daarvoor een LEMA opgelegd kregen? b Ervaren bestuurders die in de periode 2012-2013 een rijden-onder-invloed-delict pleegden en daarvoor een LEMA opgelegd kregen? Wat is het recidivebeeld van: a Beginnende bestuurders die in de periode 2009-2013 een rijden-onder-invloed-delict pleegden en daarvoor een LEMA opgelegd kregen? b Ervaren bestuurders die in de periode 2012-2013 een rijden-onder-invloed-delict pleegden en daarvoor een LEMA opgelegd kregen? Hoe verhoudt het recidivebeeld van LEMA-deelnemers zich tot het recidivebeeld in de controlegroep? ASP - Wat zijn de achtergrondkenmerken van bestuurders die in de periode 2012-2013 een rijden-onder-invloeddelict pleegden en daarvoor een ASP opgelegd kregen? Wat is het recidivebeeld van bestuurders die in de periode 2012-2013 een rijden-onder-invloeddelict pleegden en daarvoor een ASP opgelegd kregen? EMG - Wat zijn de achtergrondkenmerken van bestuurders die in de periode 2009-2013 een EMG-gerelateerd delict pleegden en daarvoor een EMG opgelegd kregen? Wat is het recidivebeeld van bestuurders die in de periode 2009-2013 een EMG-gerelateerd delict pleegden en daarvoor een EMG opgelegd kregen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Resultaten Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer 4. Resultaten Alcoholslotprogramma 5. Resultaten Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer 6. Conclusie en discussie
    • Recidive na maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid

      Blom, M.; Blokdijk, D.; Weijters, G. (WODC, 2019)
      Om de verkeersveiligheid te vergroten, bestaan er in Nederland verschillende (verkeersgedrags)maatregelen voor bestuurders van motorrijtuigen die zich schuldig hebben gemaakt aan rijden onder invloed of risicovol rijgedrag. Voor personen die zijn staandegehouden vanwege het rijden onder invloed van alcohol gaat het hierbij om de LEMA (Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer), de EMA (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer) en het onderzoek geschiktheid (vanwege alcohol, drugs of medische redenen). Van december 2011 tot en met september 2014 kon in Nederland aan deze groep ook een alcoholslotprogramma (ASP) worden opgelegd. Voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan risicovol rijgedrag gaat het om de EMG (Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer) en het onderzoek rijvaardigheid.Onderzoek naar de effectiviteit van de LEMA is eerder uitgevoerd (Blom, Blokdijk & Weijters, 2017 -zie link bij: meer informatie). Voor het onderzoek alcohol wordt geen effectstudie uitgevoerd, aangezien het hoofddoel van het onderzoek alcohol het vaststellen betreft of iemand aan de geschiktheidseisen voldoet om over een rijbewijs te mogen beschikken en niet om een maatregel met als doel het voorkomen van recidive. In deze studie is op de volgende onderzoeksvragen een antwoord gezocht: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de verschillende deelnemersgroepen? Wat is het recidivebeeld van de verschillende deelnemersgroepen? Zijn de EMA, het ASP en de EMG effectief in het terugdringen van recidive? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Resultaten Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) 4. Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) 5. Resultaten alcoholslotprogramma (ASP) 6. Resultaten onderzoek alcohol 7. Resultaten Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) 8. Conclusie en discussie
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Een verslag over de periode 2004 tot en met 2016

      Weijters, G.; Verweij, S.; Tollenaar, N. (WODC, 2017)
      Sinds 2005 berekent het WODC jaarlijks de recidive, i.e. het opnieuw in contact komen met justitie, van verschillende dadergroepen die met justitie in aanraking zijn gekomen. In deze factsheet wordt de recidive van vijf daderpopulaties beschreven: - volwassen daders met een strafzaak; - minderjarige daders met een strafzaak; - ex-gedetineerden; - ex-pupillen van Justitiële Jeugdinrichtingen; - ex-reclassenten (uitgesplitst naar mensen die onder toezicht zijn geweest van reclassering Nederland en mensen die een werkstraf hebben uitgevoerd).Over de recidive na een tbs-maatregel en de forensische zorg in het algemeen wordt in een aparte rapportage verslag gedaan. Voorliggend onderzoek beschrijft de recidive van de justitiabelen die tussen de jaren 2004 en 2013 werden bestraft, uitstroomden uit een justitiële inrichting, een werkstraf hebben afgerond of van wie het toezicht bij de reclassering afliep. Het laatste cohortjaar dat meegenomen is in deze studie is 2013. Dat is het meest recente jaar waarover cijfers met betrekking tot de tweejarige recidive berekend konden worden.Het onderzoek is een vervolg op project 2637 (zie link bij: Meer informatie).
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Verslag over de periode 2006-2018

      Weijters, G.; Verweij, S.; Tollenaar, N.; Hill, J. (WODC, 2019)
      Sinds 2005 brengt Het WODC periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende dadergroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende dadergroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2006 tot en met 2015 een strafzaak is begonnen vanwege een gepleegd delict. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassen strafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van ex-gedetineerden en ex-JJI-pupillen die van 2006 tot en met 2015 zijn vrijgekomen. Ten slotte wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2006 tot en met 2015 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Alle personen in het onderzoek zijn tot juli 2018 gevolgd om er zeker van te zijn dat zo veel mogelijk relevante nieuwe justitiecontacten konden worden meegenomen.Nieuw in deze rapportage is dat niet alleen wordt gerapporteerd of een dader opnieuw in aanraking komt met justitie vanwege een gepleegd delict, maar ook dat gekeken is naar de ernst van de recidive en het gemiddeld aantal keer dat gerecidiveerd wordt. Naast de feitelijke, waargenomen recidive rapporteren we ook de gecorrigeerde recidive, waarbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de samenstelling van de onderzoeksgroepen over de tijd. Dit betekent dat in de gecorrigeerde recidivetrends eventuele veranderingen in een aantal achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep, zoals geslacht, geboorteland, leeftijd en strafrechtelijke carrière, zijn verwerkt. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2006 tot en met 2015 zijn veroordeeld, vrijgekomen zijn uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen: welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie voor enig delict of voor een zeer ernstig delict (recidiveprevalentie)? Wat is het gemiddeld aantal nieuwe strafzaken per jaar? Hoe ontwikkelt de recidive zich onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Verslag over de periode 2008-2020

      Verweij, S.; Tollenaar, N.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2021-10-11)
      Het WODC brengt periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten gepleegd in Nederland waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende onderzoeksgroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende onderzoeksgroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2008 tot en met 2017 een strafzaak is afgedaan met een geldige afdoening. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassenenstrafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van personen die van 2008 tot en met 2017 zijn vrijgekomen uit een PI of JJI. Voorts wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2012 tot en met 2017 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of die een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Nieuw in deze rapportage is dat er ook specifiek gekeken wordt naar volwassen daders die onder meer een financiële sanctie opgelegd hebben gekregen van het OM of de rechter. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: 1. 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld, zijn vrijgekomen uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? 2. Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen over de tijd: - welk deel kwam binnen twee jaar opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per recidivist per jaar (frequentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per 100 daders per jaar (omvang)? - welke typen recidivedelicten werden gepleegd binnen twee jaar (soort recidive)? 3. Hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de geschiedenis? 4. Welke financiële sancties werden in 2017 aan volwassen daders opgelegd: - welk deel van de daders kreeg te maken met financiële sancties en om welke typen financiële sancties ging het daarbij? - met welke straffen werden deze financiële sancties gecombineerd? 5. Wat is het recidivebeeld na geldboetes (opgelegd door het OM of de rechter) of de transactie geldsom bij volwassen daders: - welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie) en in hoeverre komt dit overeen met de voorspelde recidive op basis van achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? - hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie.
    • Recidive onder verkeersdelinquenten - Een overzicht van hun strafrechtelijke carrière

      Blom, M.; Wartna, B.S.J. (WODC, 2004)
      Doel van het onderzoek is het in kaart brengen van de strafrechtelijke carrière van verkeersdelinquenten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet van het onderzoek 3. Achtergrondkenmerken van verkeersdelinquenten 4. Recidive onder verkeersdelinquenten 5. Slot
    • Recidivebericht 2015 - Landelijke cijfers over de terugval van justitiabelen bestraft in de periode 2002-2012

      Wartna, B.S.J.; Tollenaar, N.; Verweij, S.; Alberda, D.L.; Essers, A.A.M. (WODC, 2016)
      Het WODC houdt de terugval van justitiabelen bij. Elk jaar berekent het onderzoeksinstituut de recidive van iedereen die in Nederland als verdachte met justitie te maken kreeg. Zes daderpopulaties worden met de jaarlijkse metingen van de Recidivemonitor gevolgd: volwassen daders met een strafzaak, minderjarige daders met een strafzaak, ex-reclassenten, ex-gedetineerden, ex-pupillen van justitiële jeugdinrichtingen en ex-terbeschikking-gestelden. Over de terugval na de tbs-maatregel en de forensische zorg in het algemeen wordt apart verslag gedaan. Deze factsheet geeft een update van de recidive in de vijf andere daderpopulaties. Het onderzoek heeft betrekking op de justitiabelen die tussen de jaren 2002 en 2012 werden bestraft of uitstroomden uit een justitiële inrichting. 2002 gold als het startjaar voor een reeks van beleidsprogramma’s gericht op recidivereductie en 2012 was bij het samenstellen van deze factsheet het meest recente jaar waarover cijfers met betrekking tot de 2-jarige recidive beschikbaar zijn. Alle personen werden tot juli 2015 gevolgd, om er zeker van te zijn dat alle relevante nieuwe justitiecontacten in het onderzoek konden worden meegenomen. Het onderzoek is een vervolg op project 2508a (zie link bij: Meer informatie) en heeft betrekking op de jeugdige en volwassen daders van wie in de periode 1997-2012 een strafzaak is afgedaan.
    • Recidivemeting LEMA en EMG 2009 - Achtergrondkenmerken en strafrechtelijke recidive van de eerste LEMA- en EMG-deelnemers - tussentijdse rapportage

      Blom, M. (WODC, 2013)
      In oktober 2008 zijn in Nederland de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (LEMA) en de Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) ingevoerd. De volgende onderzoeksvragen staan centraal: Wat zijn de achtergrondkenmerken van LEMA- en EMG-deelnemers uit 2009?Wat is het recidivebeeld van LEMA- en EMG-deelnemers uit 2009?Hoe verhoudt het recidivebeeld van LEMA- en EMG-deelnemers zich tot het recidivebeeld in de vergelijkingsgroepen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Operationalisatie van de KPI's 3. Ontwerp van de monitor 4. Kanttekeningen bij het meten van KPI's 5. Slotbeschouwingen
    • Recidivemeting LEMA en EMG 2009-2010 - Achtergrondkenmerken en strafrechtelijke recidive van LEMA- en EMG-deelnemers - tussentijdse rapportage

      Blom, M. (WODC, 2014)
      Deze tussentijdse rapportage betreft de strafrechtelijke recidive van deelnemers aan een tweetal educatieve maatregelen voor verkeersovertreders: de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (LEMA) en de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG). Het eindrapport – waarin ook de recidive van deelnemers aan de Educatieve Maatregel Alcohol (EMA), het Alcoholslotprogramma en het Onderzoek Alcohol is opgenomen – wordt in 2022 verwacht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Achtergrondkenmerken van LEMA- en EMG-deelnemers 4. Recidive van LEMA- en EMG-deelnemers 5. Geschatte invloed van LEMA- en EMG-deelname op verkeersrecidive 6. Slot
    • Tasten in het duister - Een verkenning naar bronnen en methoden om de aard en omvang van de criminaliteit te meten - Deel 2: Technisch rapport

      Smit, P.R.; Ghauharali, R.; Veen, H.C.J. van der; Willemsen, F.; Steur, J.; Velde, R.A. te; Vorst, T. van der; Bongers, F.; Kabki, A. (medew.); Zaitch, D. (medew.) (Dialogic Innovatie en Interactie, 2018)
      De hoofdvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Op welke manier kan zowel de geobserveerde criminaliteit als het dark number van criminaliteit zo veel en zo goed mogelijk in kaart gebracht worden? De hoofdvraag valt uiteen in drie onderdelen. Deel A betreft het in kaart brengen van de ontwikkeling van het meten van (de geobserveerde) criminaliteit en de relatie tot het dark number en de stand van zaken van het meten van criminaliteit anno nu. In deel B van het onderzoek wordt specifiek ingezoomd op drie delicttypen: horizon-tale fraude, georganiseerde criminaliteit en cybercrime. In deel C worden de bevindingen uit deel A en deel B bij elkaar gebracht om te komen tot een eerste inventarisatie van de geobserveerde criminaliteit en het dark number en hoe criminaliteit in de toekomst gemeten kan (blijven) worden.Dit onderzoek bestaat uit twee delen: Deel 1 (Hoofdrapport) betreft de omvang en aard van de niet geregistreerde criminaliteit, zijnde een meer generieke wetenschappelijk/methodologische inleiding: welk deel van criminaliteit meten we reeds, welke alternatieven of nieuwe kansrijke initiatieven zijn nu gaande (zie link bij: Meer informatie). Dit deel 2 (Technisch rapport) betreft de vraag met welke (nieuwe) methoden, meetinstrumenten en technieken de niet-geregistreerde cybercriminaliteit (zowel cybercrime als gedigitaliseerde criminaliteit), horizontale fraude en georganiseerde criminaliteit gemeten kan worden. INHOUD: 1. Inleiding 2. De geregistreerde en ondervonden criminaliteit 3. Geobserveerde criminaliteit: aanvullende databronnen voor het meten van criminaliteit 4. Schattingsmethoden en –technieken 5. ‘Big data’ en sociale media 6. Horizontale fraude 7. Georganiseerde criminaliteit 8. Cybercriminaliteit
    • Tasten in het duister - Een verkenning naar bronnen en methoden om de aard en omvang van de criminaliteit te meten - Deel 1: Hoofdrapport

      Smit, P.R.; Ghauharali, R.; Veen, H.C.J. van der; Willemsen, F.; Steur, J.; Velde, R.A. te; Vorst, T. van der; Bongers, F.; Kabki, A. (medew.); Zaitch, D. (medew.) (WODC, 2018)
      Politiestatistieken en slachtofferenquêtes zijn gebruikelijke en beschikbare instrumenten om meer zicht te krijgen op de aard en omvang van criminaliteit. Maar hoe meten we de omvang van een zeer complex en ongrijpbaar fenomeen: verborgen criminaliteit? Deze studie onderzoekt welke andere bronnen en methoden om de aard en omvang van criminaliteit te meten, beschikbaar zijn of ontwikkeld kunnen worden.Met dit onderzoek wordt geen uitsluitsel over het ‘dark number’ van de criminaliteit gegeven. Het is een complex fenomeen waar niet met één onderzoek duidelijkheid over gegeven kan worden. Deze studie biedt inzicht in methoden die kunnen helpen om de omvang van verborgen criminaliteit te schatten. Deze inventarisatie kan helpen om delen van criminaliteit die we nu niet goed in kaart hebben, te onderzoeken. Bijzondere aandacht is besteed aan drie specifieke onderwerpen: horizontale fraude, georganiseerde criminaliteit en cybercriminaliteit. Dit rapport is het hoofdrapport van deze studie. Meer gedetailleerde bevindingen worden gepubliceerd in een technisch rapport. INHOUD: 1. Inleiding 2. De Politiestatistiek en de slachtofferenquêtes 3. Een overzicht van methoden voor het meten van criminaliteit 4. Bevindingen naar delictcategorie of verschijningsvorm 5. Discussie en aanbevelingen
    • Veelplegers: specialisten of niet?

      Tollenaar, N.; Laan, A.M. van der (WODC, 2013)
      Deze factsheet is een beknopte weergave van het uitgebreidere onderzoek naar specialisatie onder veelplegers (zie link bij: Meer informatie). De centrale vraag is: In hoeverre specialiseren zeer actieve veelplegers zich in hun criminele carrière in misdrijftypen, zijn daarin patronen te ontdekken en zijn er subtypen veelplegers te ontdekken in deze criminele-carrièrepatronen?