• Aanpak van de voorraad openstaande vrijheidsstraffen

      Winter, H.; Geertsema, B.; Krol, E.; Beukers, M.; Hoving, R. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2020)
      Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de constatering dat er in 2018 ongeveer 11.000 personen waren die in Nederland zijn veroordeeld voor een vrijheidsstraf maar bij wie deze straf nog niet (volledig) ten uitvoer is gelegd. Omdat deze personen zich niet zelf hebben gemeld voor tenuitvoerlegging van hun straf en/of omdat de opsporingsinstanties deze personen niet kunnen oppakken, zijn zij aangemerkt als ‘onvindbare veroordeelden’. De Minister voor Rechtsbescherming heeft uitgesproken dat dit een onwenselijke situatie is en dat er maatregelen getroffen dienen te worden om ervoor te zorgen dat de vrijheidsstraffen van deze personen alsnog ten uitvoer worden gelegd. In dit onderzoek staan de volgende onderzoeksvragen centraal: In welke mate hebben andere landen te maken met het probleem van onvindbare veroordeelden? Welke maatregelen nemen zij om onvindbare veroordeelden op te sporen en alsnog de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen? Welke mogelijkheden tot internationale samenwerking zijn er inzake de opsporing en aanhouding van onvindbare veroordeelden die zich in een ander land bevinden en inzake de overdracht van deze personen naar Nederland of de overdracht van de straf naar een ander land? Welke knelpunten belemmeren de internationale samenwerking en welke mogelijkheden bestaan er om deze te vergemakkelijken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Veroordeling, opsporing en tenuitvoerlegging straffen in Nederland 3. Veroordeling, opsporing en tenuitvoerlegging straffen in het buitenland vergeleken met Nederland 4. Mogelijkheden tot afname van de voorraad
    • Evaluatie Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012

      Kruize, P.; Harms, K. (medew.); Huisman, S. (medew.); Spek, M. van der (medew.) (Ateno, 2020-12-29)
      In 2006 is de verjaring afgeschaft voor misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld. Mede naar aanleiding van het bekend worden van grootschalig misbruik binnen kerkelijke instellingen werd in 2011 een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de wijziging van de regeling van de vervolgingsverjaring ingediend bij de Tweede Kamer. Dit heeft geresulteerd in de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012, die in werking is getreden op 1 april 2013 (verder aangeduid met: wetswijziging van 2013). Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de resultaten van de wetswijziging van 2013. Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vier vragen: 1. Hoeveel van de bij het Openbaar Ministerie ingestroomde strafbare feiten zouden vermoedelijk zijn verjaard zonder de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012? 2. In hoeverre gaat het bij de in onderzoeksvraag 1 genoemde strafbare feiten om feiten waarvan de verjaringstermijn is verlengd dan wel is afgeschaft en om welke strafbare feiten gaat het daarbij precies? 3. Op welke wijze zijn deze feiten door het Openbaar Ministerie afgedaan? Hoeveel feiten zijn geseponeerd en hoeveel feiten zijn aan de rechter voorgelegd? 4. Wat is het vonnis van de rechter in eerste aanleg? Voor hoeveel feiten worden verdachten schuldig bevonden dan wel vrijgesproken door de rechtbank? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Vervolgingsverjaring nader bezien, 3. Onderzoeksmethoden, 4. Verjaring na twintig jaar, 5. Geen verjaring, 6. Verjaring bij zedenmisdrijven, 7. Conclusies