• Algemeen Bestuursrecht 2001 - De burger en de Awb: ervaringen van repeat players met Awb-procedures

      Aalders, M.V.C.; Boeve, M.N.; Hazewindus, W.G.A.; Jong, K.A.W.M. de; Klap, A.P.; Olivier, B.K.; Schueler, B.J.; Uylenburg, R.; Wilt, C.J. van der (Universiteit van Amsterdam - Leerstoelgroep Bestuursrecht, 2001)
      Dit boek bevat de resultaten van het onderzoek naar de positie van burgers in procedures op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderzoek is gericht op ervaringen van personen die regelmatig optreden voor burgers, bedrijven en organisaties in Awb-procedures (repeat players). Aan de hand van diepte-interviews zijn de fasen vanaf het vooroverleg tot en met de gang van zaken bij de rechter in eerste aanleg in drie soorten procedures onderzocht: WAO-besluiten, milieuvergunningen en sanctiebesluiten in het omgevingsrecht. Centraal stonden de volgende thema's: de mogelijkheid voor burgers om standpunten naar voren te brengen, de toegevoegde waarde van een fase in de procedure ten opzichte van de daaraan voorafgaande fase en het tijdsbeslag van een procedure. Het boek laat zien dat de Awb-procedures er vanuit het perspectief van de burger anders uitzien dan vanuit het perspectief van bestuursorganen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden om tot een uitwisseling van inhoudelijke standpunten en argumenten te komen. De punten waarop de procedures verbeterd kunnen worden, hebben vooral te maken met de feitelijke invulling die ambtenaren, bestuurders en rechters er aan geven, en niet zozeer met de exacte formulering van de wettelijke regeling.
    • Bestuurlijke vrijheidsbeperking van jihadisten - Het gebruik van de 'Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding' in de eerste periode na inwerkingtreding van de wet

      Gestel, B. van; Berkel, J.J. van; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2019)
      Op 1 maart 2017 is de ‘Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding’ in werking getreden (hierna de ‘Twbmt’ genoemd). De wet is gericht op preventieve maatregelen om terroristische aanslagen te voorkomen, het gaat primair om het reduceren van de dreiging die uitgaat van de jihadistische beweging. Deze rapportage gaat over het gebruik van de wet in het eerste ander- half jaar na de inwerkingtreding van de wet en behelst de periode 1 maart 2017 – 31 augustus 2018.Het gebruik van de wet wordt in deze rapportage onderzocht aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: Hoe vaak worden de verschillende maatregelen uit de Twbmt in de praktijk ingezet? Om hoeveel casussen gaat het? Welke terroristische dreiging is gesignaleerd bij deze casuïstiek? Om welke reden zijn de maatregelen ingezet, welke overwegingen spelen daarbij een rol? Hoe verloopt het uitvoeringsproces van de inzet van deze maatregelen in de praktijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. De Tijdelijke wet - juridische kader 3. Het gebruik van de wet 4. Motieven en overwegingen 5. Dilemma's in de uitvoering 6. Slotbeschouwing
    • Contactmomenten tussen de overheid en prostituees

      Verhoeven, M.; Straalen, E. van (WODC, 2015)
      Sinds 2000 kunnen gemeenten zelf hun prostitutiebeleid inrichten. Een aantal grote gemeenten met een aanzienlijke prostitutiebranche heeft de afgelopen jaren op lokaal niveau een contactmoment voor prostituees ingevoerd. Personen die in deze gemeenten in de prostitutie willen werken, dienen met de gemeente, de politie, of de exploitant in contact te treden alvorens ze aan het werk mogen. Op deze manier zouden misstanden in de prostitutiebranche kunnen worden gesignaleerd en voorkomen. Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van manieren waarop contactmomenten met prostituees in Utrecht, Den Haag en Amsterdam zijn ingericht, het in beeld brengen van de praktijkervaringen van betrokkenen met deze contactmomenten en het verschaffen van inzicht in manieren waarop contactmomenten kunnen bijdragen aan het voorkomen van misstanden in de prostitutiesector. INHOUD: 1. Inleiding 2. Contactmomenten met prostituees: invoering en werkwijze 3. Intakegesprekken in de praktijk - ervaringen van uitvoerders en betrokkenen 4. Ervaringen van exploitanten en beheerders 5. Ervaringen van prostituees 6. Gevolgen van de invoering van contactmomenten 7. Conclusies
    • De escortbranche - Toezicht, handhaving en naleving

      Struiksma, N.; Huberts, S.; Boxum, Ch.; Snippe, J.; Sytstra, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2016)
      Op 10 november 2009 is een voorstel van wet voor de Wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) ingediend dat zich richt op het verkleinen van lokale en regionale verschillen, het verkrijgen van meer zicht en grip op de seksbranche door bedrijfsmatige prostitutie onder een vorm van regulering te brengen en het vergemakkelijken van toezicht en handhaving. Wanneer de Wrp wordt aangenomen zullen alle gemeenten een vergunningplicht moeten invoeren voor seksbedrijven, waaronder ook escortbedrijven. Sommige gemeenten kennen al jaren een vergunningplicht, ook voor escortbedrijven. Dit betekent echter niet dat ook alle escortbedrijven en zelfstandig werkende escorts een vergunning aanvragen. Ten tijde van de uitvoering van dit onderzoek is de Wrp nog steeds niet aangenomen. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek luidt als volgt: Welke vormen van toezicht en handhaving worden toegepast op de escortbranche, wat waren de resultaten, knelpunten en neveneffecten, op welke manier kunnen gemeenten de naleving van regels binnen de escortbranche bevorderen en welke good practices’ bestaan er op het gebied van toezicht en handhaving op dit terrein? INHOUD: 1. Inleiding 2. Begripsbepaling 3. Beleid en juridisch kader 4. Aard en omvang 5. Toezicht 6. Handhaving 7. Naleving 8. Conclusies
    • De huisvestingskansen van buitenlandse werknemers in het Westland - Een onderzoek naar de gemeentelijke regelgeving inzake woonruimtedistributie

      Beune, H.H.M.; Hessels, A.J.J. (WODC, 1983)
      Dit rapport doet verslag van een aantal knelpunten die voor buitenlandse werknemers voortvloeien uit de regelgeving op het gebied van de woningdistributie.
    • De particuliere beveiliging bewaakt? - Evaluatie regelgeving particuliere beveiligingsorganisaties

      Batelaan, H.; Bos, J. (WODC, 2004)
      Het evaluatieonderzoek heeft tot doel inzichtelijk te malcen in hoeverre de regels die tot doel hebben de kwaliteit van de particuliere beveiligingsorganisaties te bevorderen in de praktijk uitvoerbaar zijn, of ze voldoende aansluiten bij actuele ontwikkelingen op het terrein van de veiligheid en of de doelstelling van het stelsel als geheel wordt bereikt. Deze doelstelling is uitgewerkt in de volgende onderzoeksvragen: Is de wet- en regelgeving duidelijk, adequaat en `bij de tijd', ook voor wat betreft de afbakening en reikwijdte van de wet?Zijn de regels ten aanzien van vergunning- en ontheffmgverlening toepasbaar?Hoe wordt de regelgeving gehandhaafd en nageleefd?
    • De staat van bestuur van Aruba - een onderzoek naar de deugdelijkheid van bestuur en de rechtshandhaving

      Weenink, A.W.; Klein Haarhuis, C.M.; Bokhorst, R.J.; Smit, M. (WODC, 2011)
      In dit onderzoek staan twee vragen centraal: Welke inspanningen op het gebied van goed bestuur (in het bijzonder wat betreft rechtshandhaving en rechtshandhavende instanties) heeft de Arubaanse regering zich getroost sinds de totstandkoming van het uit 1993 daterende Protocol Aruba-Nederland? In hoeverre hebben deze inspanningen resultaten opgeleverd? Welke zijn de actuele, sterke en zwakke punten op de terreinen van bestuur en rechtshandhaving, in het bijzonder op het snijvlak van beide, waarbij goed bestuur noodzakelijk is voor een adequate rechtshandhaving? INHOUD: 1. Inleiding 2. De aanpak van het onderzoek 3. De staat van bestuur en rechtshandhaving in de jaren negentig 4. Ontwikkelingen in de Arubaanse economie en overheidsfinanciën 5. De relatie tussen Staten en regering 6. De relatie tussen waarborginstituties en regering 7. Integriteitsvraagstukken in het bestuur 8. De vreemdelingenketen 9. Rechtshandhaving en bestuur 10. Analyse en conclusies
    • Een internationaal onderzoek naar het doorberekenen van handhavingskosten

      Cave, J.; Frinking, E.; Loo, M. van het; Grünfeld, H. (European-American Center for Policy Analysis - RAND Europe, 1996)
      Dit rapport geeft de uitgangspunten voor en de praktijk van het doorberekenen van handhavingskosten in verschillende west-europese landen weer, en poogt zodoende inzicht te verschaffen over de denk- en handelwijzen daaromtrent. De onderzochte beleidsterreinen zijn:de lozing van verontreinigende stoffen in het water;de toelating, de aanwezigheid en de exploitatie van speelautomaten;de toelating, het vergunningenstelsel en distributie van op recept verkrijgbare geneesmiddelen.De onderzochte landen zijn: Denemarken, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.
    • Ervaringen met de Awb - Besluiten over ruimtelijke ordening, milieu en standplaatsen

      Schueler, B.J.; Struiksma, J.; Michiels, F.C.M.A.; Buuren, P.J.J. van; Neerhof, A.R. (Vrije Universiteit - Vakgroep Constitutioneel recht en Bestuursrecht, 1996)
      De (algemene) onderzoeksopdracht hield in een antwoord te vinden op de volgende vragen:In hoeverre voldoet de toepassing van de Awb door gemeenten en provincies, in het bijzonder op het gebied van het milieurecht, het ruimtelijke-ordeningsrecht en de regulering van standplaatsen, aan de verwachtingen van de wetgever en waar doen zich in de praktijk knelpunten voor?Bestaat er op grond van de ervaringen met de toepassing van de Awb op deze beleidsterreinen aanleiding tot wijzigingen van deze wet?
    • Evaluatie integrale handhaving prostitutiebeleid - Eerste resultaten van de pilots Stimulering Integrale Handhaving Prostitutiebeleid

      Lier, L. van; Naber, P. (Eysink Smeets & Etman (ES&E), 2003)
      In de pilots 'Stimulering Integrale Handhaving Prostitutiebeleid' die in het kader van het programma 'Handhaven op niveau' (HON) zijn gestart, wordt een overheidsbrede en integrale benadering van handhaving van de prostitutiebranche ontwikkeld. Doel van de pilots is ervaring op te doen met methoden van handhaving en vormen van samenwerking die in de handhaving van de prostitutiesector zichtbaar resultaat hebben. Door het faillissement van ES&E is alleen een tussenrapportage verschenen.
    • Evaluatie opheffing bordeelverbod - Gemeentelijk beleid

      Flight, S.; Hulshof, P.; Soomeren, P. van; Soorsma, P. (WODC, 2006)
      In 2000 is het bordeelverbod opgeheven en vervangen door een vergunningstelsel, met als doelen de regulering van de vrijwillige prostitutie, onvrijwillige prostitutie tegen te gaan en misstanden te bestrijden. De opheffing van het bordeelverbod wordt in drie deelonderzoeken geevalueerd, naar respectievelijk de handhaving, de illegaliteit en de sociale positie van prostituees. Dit deelonderzoek heeft betrekking op de vraag hoe gemeenten hun verantwoordelijkheden vijf jaar na de wetswijziging hebben opgepakt en hoe ze invulling geven aan het gemeentelijk prostitutiebeleid.
    • Evaluatie Pilot integrale handhaving escortbranche - Eerste resultaten van de pilot "Stimulering Integrale Handhaving Prostitutiebeleid Escortbranche"

      Naber, P.; Lier, L. van (Eysink Smeets & Etman (ES&E), 2003)
      Nadruk in de pilot ligt op het ontwikkelen van een systematiek - instrumentarium - voor een effectieve handhaving van de escortbranche. Hierbij gaat het om de vraag of en hoe de branch effectief gehandhaafd kan worden. Een (eventuele) aanpak die tijdens de pilot ontwikkeld wordt, zal in eerste instantie in Den Haag en Eindhoven toegepast worden.
    • Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

      Gestel, B. van; Kouwenberg, R.F. (medew.); Berkel, J.J. van (medew.) (WODC, 2020)
      Op 1 maart 2017 is de ‘Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding’ in werking getreden (Twbmt). De wet is gericht op preventieve maatregelen om terroristische aanslagen te voorkomen en maakt het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen:Vrijheidsbeperkende maatregelen (art. 2): een meldplicht bij de politie, een verbod om zich te bevinden in de omgeving van bepaalde objecten of in bepaalde delen van Nederland (gebiedsverbod) of zich te bevinden in de nabijheid van bepaalde personen (contactverbod).Een uitreisverbod (art. 3): een verbod om zich te begeven buiten het Schengengebied.Het weigeren of intrekken van subsidies etc. (art. 6): de mogelijkheid van een bestuursorgaan om een subsidie, vergunning, ontheffing, erkenning af te wijzen of in te trekken.De maatregelen maken onderdeel uit van het ‘Actieprogramma integrale aanpak jihadisme’ uit 2014, dat is gericht op vermindering van de terroristische dreiging die van het jihadisme uitgaat.De wet is een tijdelijke wet en vervalt vijf jaar na inwerkingtreding ervan. Uiterlijk binnen drie jaar na invoering van de wet dient de Minister de Kamers een evaluatierapport te sturen.Op verzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTV) heeft het WODC het gebruik van de wet vanaf de inwerkingtreding gemonitord, van maart 2017 tot en met september 2019. Het empirische materiaal dat tijdens deze monitor is verzameld, dient als basis voor dit evaluatierapport. Het doel van deze evaluatie is te beoordelen of de Twbmt bijdraagt aan de lokale persoonsgerichte aanpak van personen van wie een terroristische dreiging uit gaat. De evaluatie wordt gestructureerd aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: Welke veronderstellingen liggen ten grondslag aan de Twbmt? Op welke wijze en in welke situaties wordt de wet in de praktijk toegepast? Wat is het gevolg van de toepassing van de wet voor de lokale persoonsgerichte aanpak van de betrokken casussen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Veronderstelde werking van de wet 3. Juridisch kader 4. Toepassing van de wet 5. Ingeroepen rechtsbescherming 6. Situaties waarvoor de wet is ingezet 7. Uitvoering en gevolgen van de maatregelen in de praktijk 8. Conclusie
    • Evaluatie van de Wet precursoren voor explosieven - Met aandacht voor het vergunningstelsel voor particulieren en de registratie- en meldplicht van bedrijven

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2021-06-28)
      Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwing
    • Evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten uit de Awb

      Schueler, B.J.; Blekemolen, M.; Duijkersloot, A.P.W.; Modderman, C.B.; Ortlep, R.; Scholtes, H.H.M. (Universiteit Utrecht - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2013)
      Het onderzoek betreft een evaluatie van een drietal eind 2009 geïntroduceerde instrumenten. Het gaat daarbij om: de dwangsom bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb), de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (de Lex silencio positivo; paragraaf 4.1.3.3 Awb) en beroep bij niet tijdig handelen (afdeling 8.2.4a Awb). Er is nagegaan of en in welke mate deze instrumenten zijn ingezet en vervolgens of deze drie instrumenten inderdaad hebben bijgedragen aan het bespoedigen van besluitvorming door bestuursorganen. Daarnaast is onderzocht of deze instrumenten een toename of afname van de regeldruk hebben veroorzaakt. Ten derde is onderzocht of en zo ja welke knelpunten zich in de praktijk hebben voorgedaan bij de inzet van deze instrumenten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Dwangsom bij tijdig niet beslissen 3. Beroep bij niet tijdig beslissen 4. Lex silencio positivo 5. Beantwoording onderzoeksvragen over werking en effectiviteit
    • Grensoverschrijdende beveiligers en rechercheurs - Inventarisatie regelgeving particuliere beveiliging en recherche in zes EU-landen; eindrapport

      Batelaan, H.; Bos, J. (WODC, 2006)
      In ons land worden eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van particuliere beveiligers en particuliere rechercheurs, evenals aan leidinggevenden van de beveiligingsbedrijven en recherchebureaus. Voor de screening van deze personen zijn beleidsregels opgesteld. Het Hof van Justitie EU heeft vorig jaar – in het licht van het vrije verkeer van diensten – geoordeeld dat wij onze eisen niet onverkort mogen stellen aan particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureaus uit andere EU-landen. Als deze bedrijven (en hun medewerkers) in hun eigen land al aan verplichtingen hebben voldaan, moet daarmee rekening worden gehouden. Om daarmee rekening te kunnen houden is o.a. nodig dat wij zicht hebben op de eisen die in andere EU-landen aan de betrouwbaarheid worden gesteld. In overleg met de beleidsdirectie en de branche zullen de meest relevante EU-landen worden geselecteerd voor het onderzoek.
    • Grenzen van het softdrugsbeleid

      Unknown author (WODC, 1993)
      Het Nederlandse drugsbeleid kent aan softdrugs niet onaanvaardbare risico's toe. De strafrechtelijke bejegening van softdrugs is daarom minder streng dan die van harddrugs. Dit beleid heeft de vestiging mogelijk gemaakt van ongeveer 1500 coffeeshops, waar softdrugs worden verhandeld, en bijgedragen aan de teelt van hoogwaardige nederwiet. Hiermee lijken de grenzen van het beleid in zicht te zijn gekomen. Coffeeshops zijn noodgedwongen permanent in conflict met de wet, de teelt van nederwiet dreigt in handen te komen van de georganiseerde misdaad en het gevaar bestaat dat Nederland een exportland van softdrugs wordt. In deze aflevering van Justitiële Verkenningen worden de problemen van het Nederlandse beleid vanuit verschillende invalshoeken belicht.
    • Handhaven op niveau

      Michiels, F.C.M.A. (voorz.) (Commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving, 1998)
      Nadat van verschillende instanties advies was ontvangen verscheen in juli 1996 het kabinetsstandpunt op het rapport van de commissie Korthals Altes, neergelegd in de nota 'In juiste verhouding'. Naar aanleiding van de beschouwingen van de commissie en haar voorstellen zijn bij het kabinet vragen gerezen over de feitelijke kanten van een (eventueel bestaand) handhavingstekort en de wijzen waarop zulk een tekort zou kunnen worden bestreden. Op 12 december 1996 werd daartoe de commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving ingesteld dit tot taak kreeg:onderzoek te laten verrichten naar de huidige bestuurspraktijk teneinde te achterhalen wat de factoren zijn die in de weg staan aan een adequaat toezicht en aan een duidelijke en consequente handhavingsreactie;studie te doen naar de wijze waarop de bestuurlijke repressieve handhaving het best kan worden georganiseerd, in het bijzonder of een zekere scheiding tussen uitvoering en toezicht enerzijds en sanctieoplegging anderzijds wenselijk is, en zo ja op welke wijze die scheiding gestalte moet worden gegeven en zo nee of de organisatie van de bestuursrechtelijke handhaving op andere wijze kan worden verbeterd;studie te doen naar de vraag of de invoering van een preventieve rechterlijke toets een bijdrage levert aan een betere bantering van de instrumenten van bestuursdwang en dwangsom, en zo ja hoe zo'n toets is in te passen in het stelsel van bestuursrechtelijke handhaving en rechtsbescherming;studie te doen naar de rol die het privaatrecht kan spelen in aanvulling op de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten van de overheid en de vraag of daartoe nadere wettelijke voorzieningen dienen te worden getroffen en zo ja of de wet restricties moet stellen aan het privaatrechtelijke overheidsoptreden;terzake van deze onderwerpen waar de commissie dat nodig acht voorstellen te doen.
    • Handhaving milieuregelgeving afvalstoffen

      Addink, G.H.; Backes, Ch.; Teesing, N. (medew.); Valk, E.J. de (medew.); Veldkamp, A. (medew.) (Universiteit Utrecht - Instituut voor Staats- en bestuursrecht, 1997)
      Deze studie is verricht ten behoeve van de Commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving (Commissie Michiels). Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de meer specifieke handhavingspraktijk van de Afvalstoffenmilieuregelgeving en de daaromtrent levende opvattingen.
    • Handhaving van het bouwvergunningvereiste - Een onderzoek naar het contra legem verlenen van bouwvergunningen

      Hille, M.G.F.; Hoitink, J.E.; Janssen, A.F.J.M. (DHV Milieu en Infrastructuur, 1997)
      Empirisch onderzoek is verricht om in kaart te brengen hoe het feitelijk is gesteld met de verlening van bouwvergunningen en vrijstelling door gemeentebesturen. Tevens is literatuuronderzoek verricht om een analyse te maken van de problematiek en de oplossingen die daarvoor in het verleden zijn aangedragen. Gekeken is in hoeverre overtreding van wettelijke regels plaatsvindt bij de behandeling van bouwaanvragen door gemeentebesturen en/of-ambtenaren. Daarnaast is gekeken om welke type schendingen het gaat, om welke redenen de schendingen plaatsvinden en of hiertegen wordt opgetreden en zo ja, door wie. Conclusies en aanbevelingen sluiten deze rapportage af.