• Aanscherpingen glijdende schaal - Geschatte resultaten van recente en voorgenomen aanscherpingen

      Berdowski, Z.; Vennekens, A. (Panteia, 2014)
      Ter beoordeling van de vraag of de verblijfsvergunning van een vreemdeling, aansluitend op strafrechtelijke maatregelen bij misdrijven, moet worden ingetrokken is een ‘glijdende schaal’ (GS) opgesteld. Deze schaal relateert de hoogte van de opgelegde straf aan de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland (tot het moment van het plegen of de aanvang van het misdrijf). Indien het onvoorwaardelijke strafdeel langer is dan de GS ‘toelaat’ is intrekking van de verblijfsvergunning mogelijk. De toepassing van de GS maakt deel uit van het vreemdelingenrechtelijk openbare ordebeleid (Staatsblad 2000, 497, 23 november 2000 en 2002, 371, 5 juli 2002). In verband met het ontbreken van voldoende inzicht in de resultaten van de eerdere aanscherpingen van de GS, beoogt dit onderzoek een cijfermatige bijdrage te leveren aan het beleidsproces ten aanzien van de beslissing over het wel of niet verder aanscherpen van de GS. De volgende onderzoeksvraag staat centraal: Wat zijn de geschatte resultaten van de aanscherpingen van de GS in het vreemdelingenbeleid in de jaren 2010 en 2012, en de voorgenomen aanscherping in 2013 in termen van het aantal verblijfsbeëindigingen?
    • Aantrekkelijkheid van Nederland voor kennismigranten - Een onderzoek naar hoe aantrekkelijk kennismigranten Nederland vinden als potentieel vestigings- en carrièreland

      Buers, C.; Klaver, J.; Witkamp, B.; Duysak, S. (medew.); Verbeek, E. (medew.); Bouterse, M. (medew.); Mack, A. (medew.) (Regioplan Beleidsonderzoek, 2018)
      Doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in wat het vreemdelingenbeleid kan doen om Nederland aantrekkelijk(er) te maken voor kennismigranten en meer in het bijzonder wat de IND en andere betrokken partijen kunnen doen om de dienstverlening richting kennismigranten te verbeteren. Het onderzoek geeft inzicht in de redenen van kennismigranten om voor Nederland te kiezen en hun ervaringen met het Nederlandse toelatingsbeleid en de dienstverlening. Onder kennismigranten verstaan we alle hooggekwalificeerde arbeidsmigranten van buiten de EU/EER die in Nederland aan de slag zijn als kennismigrant. Dit zijn bijvoorbeeld hoogopgeleide managers of ICT-specialisten, maar ook wetenschappelijk personeel zoals aio’s, onderzoekers of docenten rekenen we tot deze groep. Naast inzicht in de keuzes en ervaringen van kennismigranten zijn in dit onderzoek concrete aanknopingspunten geformuleerd voor het verbeteren van de dienstverlening aan kennismigranten, wat uiteindelijk de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigings- en carrièreland ten goede kan komen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Van aanvraag naar verblijf 3. Ervaringen van kennismigranten 4. Knel- en verbeterpunten 5. Ervaringen uit het buitenland 6. Conclusie en verbetersuggesties 7. Literatuurlijst
    • Evaluatie van de Koppelingswet - Een onderzoek naar de effectiviteit, efficiëntie en legitimiteit van de Koppelingswet

      Fahrenfort, M.; Geerlof, J.; Gelderloos, W.; Gier, M. de; Groeneveld, K.; Jansen, W.; Kock, K.; Kolar, C.; Sipkes, L.; Straathof, R. (B&A Groep, 2001)
      Drie jaar na de inwerkingtreding van de Koppelingswet heeft een grootschalige evaluatie van die wet plaatsgevonden. De resultaten daarvan worden in dit verslag weergegeven. Dit betreft de beleidsterreinen Justitie, Onderwijs, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Volksgezondheid en Volkshuisvesting. Het onderzoek heeft bestaan uit zes deelstudies: I: het illegale circuit in kaart; II: Instantie-onderzoek; III: Juridische analyse; IV: Cijfermateriaal illegaliteit/migratie; V: Verzamelen van feitelijke/cijfermatige indicaties voor effectiviteit en efficiency per beleidsterrein; VI: Surveys effectiviteit, efficiency en legitimiteit. De inhoud van het rapport is als volgt: 1) Inleiding, vraagsteling en verantwoording; 2) Werking van de wet in de praktijk; 3) Draagvlak voor de wet; 4) Uitvoerbaarheid van de Koppelingswet; 5) Effecten van de wet; 6) De Koppelingswet geëvalueerd.
    • Evaluatie van de Wet toelating en uitzetting BES

      Winter, H.; Beukers, M.; Blekkenhorst, G.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2018)
      De staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden is sinds 10 oktober 2010 (10- 10-‘10) gewijzigd, waarbij Curaçao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het Koninkrijk zijn geworden en het land Nederlandse Antillen is opgeheven. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn als openbare lichamen deel gaan uitmaken van Nederland. De drie laatstgenoemde eilanden worden ook wel gezamenlijk aangeduid als Caribisch Nederland. Het vreemdelingenrecht van de Nederlandse Antillen was vastgelegd in de Landsverordening toelating en uitzetting en het bijbehorende Toelatingsbesluit. De LTU vormde de basis voor de nieuwe Wet toelating en uitzetting BES (WTU-BES), die per 10 oktober 2010 in werking trad. De WTU-BES is tevens op onderdelen aangepast aan de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Hoe functioneert de WTU-BES gelet op de rond 10-10-‘10 geformuleerde uitgangspunten, welke knelpunten zijn te onderscheiden en hoe kunnen die worden opgelost? INHOUD: 1. Inleiding 2. Caribisch Nederland in het Nederlandse staatsbestel 3. Doelen, uitgangspunten en instrumentarium WTU-BES 4. Kwantitatieve gegevens 5. Uitvoering en ervaringen WTU-BES 6. Wet arbeid vreemdelingen BES 7. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Experiment Perspectief aanpak voormalig alleenstaande minderjarige vreemdelingen - analyse van de resultaten

      Grund, J.-P.C.; Breeksema, J.J.; Braam, R.; Bruin, D. de (Centrum voor Verslavingsonderzoek (CVO), 2011)
      Het experiment op basis van de Perspectiefaanpak ex-amv’s is gericht op het realiseren van daadwerkelijk vertrek (terugkeer) van ex-amv’s, het terugdringen van het vertrek met onbekende bestemming (MOB) en het terugdringen van illegaliteit. Voor het onderzoek zijn de volgende ‘resultaten’ van belang: (begeleide) terugkeer naar land van herkomstverkrijgen van een (tijdelijke) verblijfsvergunning nog in begeleiding met onbekende bestemming (MOB) vertrokkendoormigratie  Het doel van dit onderzoek is om de resultaten van de bij het experiment betrokken steunpunten onderling te vergelijken, aan de hand van onderscheidende kenmerken van deze steunpunten. De volgende probleemstelling is daarbij aan de orde: Hoe zien de organisatievormen en werkwijzen van de lokale steunpunten Perspectief er uit? Welke deelnemers en resultaten hebben ze? Hoe hangen de resultaten samen met overeenkomsten en verschillen in de gehanteerde organisatievormen en werkwijzen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethoden 3. De perspectief aanpak: organisatorisch spectrum 4. De deelnemers aan het experiment Perspectief: voormalig Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen 5. De Perspectief aanpak: een methodische regenboog 6. De Perspectief aanpak: resultaten 7. Relatie tussen organisatievormen, werkwijze & kenmerken van ex-AMV's en de behaalde resultaten
    • In uitvoering - Een analyse van het op statushouders gerichte beleid en wat er nodig is om dit beleid te verbeteren

      Dagevos, J.; Schans, D.; Uiters, E. (SCP, 2021-09-09)
      Deze policy brief is het sluitstuk van een meerjarig onderzoeksproject over de positie en leefsituatie van statushouders die vanaf 2014 naar Nederland zijn gekomen. Deze policy brief is gericht aan gemeenten omdat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Daarnaast richt de brief zich op de landelijke overheid, die verantwoordelijk is voor de vormgeving en financiële randvoorwaarden van het inburgerings- en opvangbeleid. (zie hiernaast: link naar de SCP-Policy brief)
    • Integratie

      Unknown author (WODC, 1997)
      Wat betekent integratie? Een greep uit de omschrijvingen die momenteel veel gebruikt worden — assimilatie, aanpassing, participatie — leert dat nieuwkomers hun levenswijze op de onze moeten afstemmen. Begrippen als gastvrijheid en acceptatie lijken momenteel minder in zwang. Kennelijk zijn velen van mening dat minderheden te weinig integreren. Dat is ook niet zo verwonderlijk omdat de cijfers over werkloosheid, schooluitval en criminaliteit onder allochtone groepen niet gerust stellen. Het is daarom interessant te weten hoe moslims en andere allochtone gemeenschappen zelf denken over hun toekomstperspectief in Nederland. Welke visies hebben zij op integratie? Hoe kan integratie worden bevorderd? Bestaat er angst cultureel te vervreemden? Is daarom versterking van de eigen identiteit de aangewezen manier om te integreren (islamitische zuilvorming)? Wat zijn de risico's daarvan? Maakt men zich wel voldoende de Nederlandse taal eigen? Kan bescherming en cultivering van eigen identiteit samengaan met openheid? De redactie hecht zoveel belang aan dit vraagstuk dat een aanzienlijk aantal auteurs is uitgenodigd hun visie te vertolken. Uit de zeer uiteenlopende bijdragen is een trend te signaleren dat het huidige beleid te eenzijdig leunt op sociaal-economische doelstellingen. Er lijkt behoefte te zijn aan een heroriëntatie op de sociaal-culturele factoren van integratie zoals identiteitsvorming. De dertien bijdragen zijn gegroepeerd in drie delen. In het tweede en derde gedeelte worden respectievelijk de sociaal-culturele wegen naar integratie en de spanningen tussen de islam en een pluralistische samenleving belicht. Maar eerst volgt een meer beschrijvend gedeelte over integratiepatronen en -processen. Wat zijn de belangrijkste obstakels gebleken voor integratie? En ter contrast: wat zijn de kenmerken van een geslaagd integratieproces? Want Indonesiërs en Zuid-Europese immigranten hebben uiteindelijk zonder veel problemen ingang gevonden in de Nederlandse samenleving.
    • Integratie en vertrek van een recent cohort AMV’s in Nederland (2014-2019)

      Noyon, S.M.; Driessen, Z.C.; Boot, N.C.; Kulu-Glasgow, I.; Verschuren, L.B.C. (WODC, 2020)
      Tussen 1 januari 2014 en 31 augustus 2019 werden 8.775 asielaanvragen ingediend door alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s). In eerste aanleg werd 69% van de aanvragen ingewilligd en 26% afgewezen (de overige 5% zat op de peildatum van 31 december 2019 nog in de procedure of had deze voortijdig stopgezet).Van de AMV’s met een verblijfsvergunning was 79% man en kwamen de meeste uit Eritrea (50%) en Syrië (38%). Gemiddeld waren de AMV’s op het moment van het verkrijgen van de vergunning 15,7 jaar oud.In 2019 volgde 56% van de (ex-)AMV’s met een vergunning een opleiding; 40% had een baan. Ongeveer een derde van de (ex-)AMV’s volgde op dat moment geen onderwijs en had geen werk.Meer dan de helft van de afgewezen (ex-)AMV’s is met onbekende bestemming vertrokken. Tien procent heeft Nederland aantoonbaar verlaten (hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen).Onder afgewezen ex-AMV’s van 18 jaar of ouder (op 31 december 2019) die werden opgevangen onder het nieuwe opvangmodel, ligt het aandeel dat met onbekende bestemming vertrok hoger, terwijl het aandeel dat op de peildatum rechtmatig in Nederland verbleef lager ligt dan onder de groep die onder het oude model werd opgevangen. Het aandeel vrijwillig vertrek onder het oude en nieuwe opvangmodel is vergelijkbaar.De hier gepresenteerde resultaten uit een gezamenlijk onderzoek van WODC en CBS bieden een eerste beschrijving van de groep AMV’s die tussen 1 januari 2014 en 31 augustus 2019 asiel aanvroegen in Nederland. In de toekomst kunnen meer diepgaande inzichten verkregen worden, door zowel de populatie als de betrokken databronnen uit te breiden en bijvoorbeeld vergelijkingen te maken met andere relevante groepen zoals leeftijdsgenoten met en zonder (asiel)migratieachtergrond.
    • Internationaal immigratierecht - Verdragen, besluiten van internationale organisaties en internationale jurisprudentie van belang voor het Nederlands immigratierecht

      Steenbergen, J.D.M.; Spijkerboer, T.P.; Vermeulen, B.P.; Fernhout, R. (Instituut voor Immigratierecht, 1999)
      Dit onderzoek betreft de verdragsbepalingen en bindende besluiten van internationale organisaties die van belang zijn met het oog op de vreemdelingenwet, alsmede de internationale jurisprudentie daarover. Het gaat daarbij om bepalingen en besluiten die gevolgen hebben voor grensbewaking, toegang, toelating, asiel, voortgezet verblijf, verblijfsbeëindiging, uitzetting, ongewenstverklaring, vrijheidsbeneming en procedure. Het accent van het onderzoek ligt primair op de inhoud van de verdragsverplichtingen, maar er is ook onderzocht hoe deze verplichtingen geïmplementeerd zijn in wetgeving en jurisprudentie. Het feit dat de vreemdelingenwet het kader bepaalt, maakt dat er getracht is zich te beperken ten aanzien van het beleid. Dat was niet altijd mogelijk, omdat vele verplichtingen slechts in het beleid geïmplementeerd zijn en niet in de wetgeving. Naarmate een verdrag of bepaling in Nederland uitgebreider wordt toegepast, beperkt het onderzoek zich meer tot de hoofdlijnen en het bespreken van eventuele twistpunten. het onderzoek is gestructureerd door eerst te onderscheiden naar organisatie waarbinnen een verdrag tot stand gekomen is, dan naar verdrag en binnen een verdrag naar bepaling.
    • Jeugd(beschermings)recht en vreemdelingenrecht - Een juridisch-empirische analyse

      Nissen, L.L.M.; Sportel, I.D.A.; Huijer, J.; Terlouw, A.B.; Zwaan, K.; Butter, T.; Glasgow, Y. (Radboud Universiteit Nijmegen - Centrum voor Migratierecht (CMR), 2021-10-13)
      Aanleiding voor dit onderzoek vormden spanningen die kunnen bestaan tussen het (jeugd)beschermingsrecht en het vreemdelingenrecht, zoals deze bijvoorbeeld naar voren zijn gekomen in de gebeurtenissen omtrent de casus van de Armeense kinderen.1 Het onderzoek bestond uit twee delen 1) de algemene wettelijke kaders en beleidskaders; 2) de knelpunten in de praktijk, met een nadere uitwerking van wettelijke en beleidsnormen in (een selectie van) deze knelpunten. Het onderzoek had als doel inzicht te bieden in (de combinatie van) het jeugd(beschermings)recht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen. Er is onderzocht waar spanningen of knelpunten tussen beide rechtsgebieden optreden, zowel op het niveau van wet- en regelgeving als in de uitvoeringspraktijk. Daarbij is onder meer bekeken of, en zo ja in hoeverre, rechtsnormen uit het ene rechtsgebied prevaleren over rechtsnormen uit het andere rechtsgebied. Waar het prevaleren van rechtsnormen niet op heldere wijze uit de wet- en regelgeving voortvloeit, zijn andere (praktijkgerichte) oplossingsrichtingen verkend. De probleemstelling van het onderzoek luidt: Welke zijn de (potentieel) conflicterende en/of spanningsvolle onderdelen of aspecten in de wet- en regelgeving voor het jeugdbeschermingsrecht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen, zowel op het niveau van de wet- en regelgeving als voor de uitvoering in de praktijk en in hoeverre blijkt uit de wet- en regelgeving welk recht prevaleert? Hoe kunnen de (ervaren) spanningen en conflicten worden opgelost in situaties waarin niet uit de wet- en regelgeving blijkt welk recht prevaleert en wat is hiervoor nodig? INHOUD: 1. Introductie 2. Jeugd(beschermings)recht: relevante regelgeving en de rol van jeugdrechtelijke instanties 3. De positie van het kind in het vreemdelingenrecht 4. Kernbevoegdheden en taken van gecertificeerde instellingen, RvdK, IND en DT&V 5. Tussenconclusies en beantwoording van deelvragen 6. De uiteenlopende juridische posities van kinderen die wel, en kinderen die niet onder toezicht zijn gesteld 7. Duurzame oplossingen voor uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen: adequate opvang, buitenschuld en de rolverdeling tussen de betrokken actoren 8. Conclusies
    • Niet-naturalisatie onder Ranov-vergunninghouders - Een onderzoek naar achtergrondkenmerken, motivatie en ervaren belemmeringen

      Schans, J.M.D.; Beukering, I. van (WODC, 2015)
      In 2007 is de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet (Ranov) tot stand gekomen. Ongeveer 27.000 vreemdelingen zijn in het bezit gesteld van een vergunning op grond van deze regeling. Vanaf 15 juni 2012 konden de Ranov-ers een naturalisatieverzoek indienen, omdat zij in beginsel op dat moment voldeden aan de naturalisatievoorwaarde van vijf jaar toelating in Nederland. Het tweede onderzoek, het onderhavige rapport, analyseert de motieven van Ranov-ers om geen verzoek om naturalisatie in te dienen. Voor dit onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: Wat zijn de achtergrondkenmerken van niet genaturaliseerde Ranov-ers en verschillen deze van de kenmerken van voormalig Ranov-ers die wel genaturaliseerd zijn? Welke redenen geven (voormalige) Ranov-ers om al dan niet te kiezen voor de Nederlandse nationaliteit? Ervaren Ranov-ers belemmeringen bij het aanvragen van naturalisatie en welke belemmeringen ervaren zij? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidskader 3. Kenmerken genaturaliseerde en niet-genaturaliseerde Ranov-ers 4. Reden om geen verzoek om naturalisatie in te dienen 5. Conclusie
    • Onafhankelijke casemanager in de vreemdelingenketen - Perspectieven vanuit het buitenland

      Odé, A.; Heuts, L.; Witkamp, B. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2015)
      Een inventarisatie van mogelijke voor- en nadelen verbonden aan het inzetten van onafhankelijke casemanagers in de vreemdelingenketen. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag welke cruciale randvoorwaarden en werkwijzen er bestaan om casemanagement in de vreemdelingenketen succesvol te doen zijn. Casemanagement is in dit onderzoek opgevat als het bieden van onafhankelijke en persoonlijke ondersteuning van asielmigranten, vanaf binnenkomst tot aan inburgering of eventuele terugkeer naar het land van herkomst, waarbij oog is voor zowel de belangen van de overheid als voor die van de vreemdeling. INHOUD: 1. Inleiding 2. Ervaringen met casemanagement 3. Inventarisatie buitenlandse casussen 4. ASAS, CAS en ASP in Australië 5. Migrationsverket in Zweden 6. Key Worker Pilot in het Verenigd Koninkrijk 7. Terugkeerwoningen in België 8. Samenvatting en conclusies
    • Onderdak en opvang door Rijk en gemeenten van vertrekplichtige vreemdelingen en de invloed daarvan op terugkeer

      Winter, H.; Bex-Reimert, V.; Geertsema, B.; Krol, E. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2018)
      Dit rapport presenteert de resultaten van het onderzoek naar onderdak en opvang door Rijk en gemeenten van vertrekplichtige vreemdelingen en de invloed daarvan op terugkeer.Het onderzoek stelt de relatie tussen opvang- en onderdakvoorzieningen geboden door het Rijk en door gemeenten enerzijds en de uitstroom uit die voorzieningen van vreemdelingen met een vertrekplicht anderzijds centraal.De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt:Welke vormen van opvang- en onderdaklocaties bestaan er voor vreemdelingen die uit Nederland dienen te vertrekken (1), hoe is het gesteld met de terugkeer van vreemdelingen en andere vormen van uitstroom vanuit die locaties (2), in hoeverre is de geboden opvang daarop van invloed en wat zijn in dat verband de ervaringen van vreemdelingen zelf (3)? INHOUD: 1. Inleiding 2. Terugkeer(factoren) en opvang 3. Gemeentelijke opvang 4. Rijksonderdaklocaties 5. Analyse: de verschillen uitgelicht 6. Conclusie
    • Een onzekere toekomst - Kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van afgewezen (ex-)alleenstaande minderjarige vreemdelingen en opvangouders met toekomstgerichte begeleiding

      Kulu-Glasgow, I.; Meer, M. van der; Smit, M.; Noyon, S.M. (WODC, 2021-09-24)
      In 2016 werd een nieuw opvangmodel voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) van kracht. Het model wordt gekenmerkt door kleinschaligheid en begeleiding naar toekomstperspectief: jongeren van wie de asielaanvraag is ingewilligd en jongeren van wie deze is afgewezen worden, anders dan de situatie onder het oude model, apart opgevangen. Het onderhavige onderzoek had als doel meer zicht te krijgen op hoe AMV’s wier asielverzoek is afgewezen de begeleiding onder het nieuwe opvangmodel ervaren en wat hun ideeën zijn over de toekomst. De onderzoeksvragen luidden: 1. Wat zijn de ervaringen van jongeren van wie de asielaanvraag is afgewezen met de opvang en de (toekomstgerichte) begeleiding? 2. Past de begeleiding die ze krijgen bij hun behoeften? 3. Wat zijn hun ideeën over de toekomst (o.a. m.b.t verblijf in Nederland of terugkeer naar het land van herkomst)? INHOUD: 1. Inleiding, 2. AMV's en ex-AMV's over KWV's, mentoren en voogden, 3. Begeleiding in opvanggezinnen, 4. Conclusies
    • Opnieuw beginnen - Achtergronden van positieverschillen tussen Syrische statushouders

      Miltenburg, E. (red.); Dagevos, J. (red.); Huijnk, W. (red.) (Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), 2019)
      Syriërs zijn getalsmatig de grootste groep statushouders die de afgelopen jaren in Nederland zijn komen wonen. Hun leven staat in het teken van het opbouwen van een nieuw bestaan in Nederland. Met dit rapport wordt inzicht geboden in de vroege integratie van Syriërs. Zes onderwerpen staan centraal: gezinshereniging en verhuisgedrag, intenties om in Nederland te blijven, psychische gezondheid, zorggebruik, diversiteit in participatie en sociaal-culturele posities. Er wordt ingegaan op de factoren die verschillen kunnen verklaren binnen de Syrische groep en kenmerkend zijn voor statushouders die nog maar kort in Nederland verblijven: het leven vóór de migratie, ervaringen gedurende de vlucht, de verblijfsperiode in de opvang en de periode daarna. CONTENT: 1. Inleiding - E. Miltenburg, J. Dagevos en W. Huijnk (SCP) 2. Dynamiek in de demografie van Syrische statushouders - N. Boot en Z. Driessen (CBS) 3. Verblijfsintenties van Syrische statushouders n Nederland - S. Noyon en M. Maliepaard (WODC) 4. Inzicht in psychische ongezondheid - A. Wijga (RIVM), M. Maliepaard (WODC), W. Huijnk (SCP) en E. Uiters (RIVM) (m.m.v. E. Bloemen, arts, adviseur/trainer bij Pharos) 5. Zorggebruik in beeld - W. Huijnk (SCP), E. Uiters (RIVM) en A. Wijga (RIVM) 6. Variatie in participatie - E. Miltenburg en J. Dagevos (SCP) 7. Een sociaal-culturele typologie van Syrische statushouders - R. Damen en W. Huijnk (SCP). Lees het persbericht van het SCP met de belangrijkste conclusies van dit onderzoek of lees het volledige rapport 'Opnieuw beginnen; achtergronden van positieverschillen tussen Syrische statushouders' op de website van het SCP. Zie link: Syriërs in Nederland: een studie over de eerste jaren van hun leven in Nederland (2018)
    • Pardon? - Evaluatie van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet

      Wijkhuijs, L.J.J.; Galloway, A.M.; Kromhout, M.H.C.; Welle, I.C. van der; Smit, M. (WODC, 2011)
      Onder bepaalde voorwaarden konden vreemdelingen die onder de oude vreemdelingenwet een asielaanvraag hebben ingediend en nog in Nederland verblijven, een verblijfsvergunning toegekend krijgen. De Regeling is per 1 januari 2009 gesloten. Momenteel worden de laatste werkzaamheden op het terrein van huisvesting, afwikkeling beroepszaken en de financiële afwikkeling afgerond. Het doel van dit onderzoek is na te gaan of de uitvoering van de Pardonregeling overeenkomstig de vooraf geformuleerde uitgangspunten en randvoorwaarden is verlopen en in hoeverre de resultaten overeen komen met hetgeen vooraf was beoogd. INHOUD: 1. Inleiding 2. De Pardonregeling en het bestuursakkoord 3. Vergunningverlening 4. Huisvesting en intake in gemeenten 5. Integratie 6. Terugkeer 7. Noodopvang 8. Conclusie
    • Plan- en procesevaluatie Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen

      Mack, A.; Verbeek, E.; Klaver, J. (Regioplan beleidsonderzoek, 2020)
      Eind 2018 hebben het Rijk en gemeenten een samenwerkingsovereenkomst afgesloten ten behoeve van het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf en recht op Rijksopvang. Dit zijn de zogeheten Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV’s). Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft voor een periode van drie jaar middelen ter beschikking gesteld voor de pilotfase van het programma. Vanaf het voorjaar van 2019 startte de LVV-pilot in vijf pilotgemeenten: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Bij de uitvoering van de LVV’s zijn de betreffende gemeenten, maatschappelijke organisaties (ngo’s) in die gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) betrokken. Regioplan heeft een plan- en procesevaluatie van de pilot LVV uitgevoerd. Concreet diende het onderzoek het volgende op te leveren: inzicht in de gestelde doelen binnen de pilot LVV op het landelijke niveau, het gemeentelijke niveau, en op het niveau van de uitvoering van de begeleiding en opvang; inzicht in de opzet van de pilot – zowel praktisch als methodisch – in de vijf pilotgemeenten (betrokken partijen, type opvang en begeleiding, beschikbare middelen); inzicht in de tussentijdse resultaten van de pilot met aandacht voor ‘lessons learned’ en ‘best practices’. bouwstenen (inhoudelijk én praktisch) voor de toekomstige effectevaluatie van de pilot. De focus van het onderzoek was hoofdzakelijk gericht op de ervaringen in de pilotgemeenten. De bredere bestuurlijke inrichting van de pilot was geen expliciet onderdeel van het onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Literatuurverkenning 3. Doelstellingen en doelgroep van de LVV 4. Rollen van betrokken partijen 5. Samenwerking tussen de betrokken partijen 6. Begeleidings- en opvangnormen 7. Conclusies
    • Selectief naast restrictief - Evaluatie van de Wet modern migratiebeleid

      Lodder, G. (Universiteit Leiden - Instituut voor Immigratierecht, 2019)
      Op 1 juni 2013 is de Wet modern migratiebeleid (wet MoMi) in werking getreden. De wet MoMi ziet op een modernisering van het reguliere toelatingsbeleid ten aanzien van migranten van buiten de Europese Unie, de zogenaamde derdelanders. Het reguliere toelatingsbeleid is gedifferentieerd naar verschillende verblijfsdoelen zoals werk, studie of gezinshereniging. De wet MoMi heeft geen betrekking op asielmigratie.De centrale probleemstelling van de wetsevaluatie is: Voldoet de wet MoMi aan de doelstellingen zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd bij de totstandkoming van de wettelijke regeling? De probleemstelling is uitgewerkt in drie onderzoeksvragen die corresponderen met de drie hierboven genoemde terreinen: de toelatingsprocedures, de referentensystematiek en toezicht en handhaving.Zijn de toelatingsprocedures voor alle reguliere migranten snel, doeltreffend en beheersbaar?Werkt de referentensystematiek en zijn de administratieve lasten voor burgers en bedrijven zo beperkt mogelijk gehouden?Is het toezicht- en handhavingsmechanisme zoals neergelegd in de wet MoMi (gebaseerd op vertrouwen vooraf en controle achteraf) effectief? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoekskader 3. Kennismigratie 4. Arbeid in loondienst 5. Onderzoek 6. Studie 7. Au Pair 8. Familie en gezin 9. Toezicht en handhaving 10. Conclusies en aanbevelingen
    • Toepassing en aanscherping van de glijdende schaal

      Berdowski, Z.; Eshuis, P.; Vennekens, A. (WODC, 2009)
      De Tweede Kamer heeft gesproken over het al dan niet aanscherpen van de ‘glijdende schaal’, aan de hand waarvan wordt besloten over de verblijfsvergunning van rechtmatig verblijvende vreemdelingen die een strafbaar feit hebben gepleegd. Met de resultaten van dit onderzoek wil de Staatssecretaris van Justitie beoordelen of de aanscherping van de ‘glijdende schaal’ gewenst is.
    • Verblijfsregelingen voor slachtoffers van mensenhandel en oneigenlijk gebruik - Een verkennende studie in het Verenigd Koninkrijk, Italië en België

      Lettinga, D.; Keulemans, S.A.C.; Smit, M.; Beenakkers, E.M.T. (medew.); Hagen, L. (medew.) (WODC, 2013)
      Dit rapport beschrijft de verblijfsregelingen voor slachtoffers van mensenhandel in het Verenigd Koninkrijk, België en Italië en verkent in hoeverre er aanwijzingen zijn van oneigenlijk gebruik en hoe zij dit bestrijden. Onder oneigenlijk gebruik wordt verstaan het bewust en vrijwillig fingeren van een mensenhandelverhaal om voordelen te verwerven uit de verblijfsregeling en daaraan gerelateerde voorzieningen zonder daar recht op te hebben. INHOUD: 1. Inleiding 2. Verenigd Koninkrijk 3. België 4. Italië 5. Conclusie