• Empirisch-juridisch onderzoek

      Leeuw, F.L.; Dijck, G. van; Elbers, N.A.; Malsch, M.; Hove, L. ten; Elffers, H.; Marseille, A.T.; Boom, W.H.; Leeuw, H.B.M. (medew.) (WODC, 2016)
      ARTIKELEN: 1. F.L. Leeuw - Amerikaans rechtsrealisme en empirisch-juridisch onderzoek 2. G. van Dijck - Naar een succesformule voor empirisch-juridisch onderzoek 3. N.A. Elbers en H.B.M. Leeuw (medew.) - Empirisch-juridisch onderzoek – toekomstmuziek of werkelijkheid? 4. M. Malsch, L. ten Hove en H. Elffers - Toepassing van rechtssocio logisch en rechtspsychologisch onderzoek in de rechtspraktijk 5. A.T. Marseille - Hoe de bezwaarprocedure bij de overheid kan profiteren van inzichten uit empirisch onderzoek 6. W.H. van Boom - Experimenteren met informeren SAMENVATTING: Empirisch-juridisch onderzoek wordt ook wel aangeduid als Empirical Legal Studies (ELS). De wortels van ELS gaan terug tot het begin van de 20e eeuw met de opkomst van de Legal Realists in de Verenigde Staten en in de jaren tachtig de revival in de vorm van een New Legal Realism. De oprichting van de Society of Empirical Legal Studies (SELS) en het Journal of Empirical Legal Studies (JELS) markeren het ontstaan van ELS begin deze eeuw. ELS verbreidde zich vervolgens ook in Europa. De meeste Nederlandse rechtenfaculteiten hebben inmiddels een leerstoel ingesteld voor de empirische bestudering van het recht. Daarmee wordt onderkend dat in verschillende rechtsgebieden sprake is van een groeiende behoefte aan juristen die niet alleen de wet kennen en de klassieke juridische vaardigheden beheersen, maar die ook bevindingen uit empirisch onderzoek naar waarde kunnen schatten en kunnen integreren in de uitoefening van hun professie. In dit themanummer wordt de geschiedenis van ELS geschetst en ingegaan op de vraag aan welke eisen goed empirisch-juridisch onderzoek moet voldoen en hoe dit kan bijdragen aan verbeteringen in de rechtspraktijk, in wetgeving en in het juridisch onderwijs. Daarnaast passeren in dit nummer concrete voorbeelden van empirisch-juridisch onderzoek uit verschillende rechtsgebieden en de (mate van) toepassing daarvan in de praktijk.
    • Inzicht in presterend vermogen van veiligheidsregio's - Onderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid van een stelsel van indicatoren voor het presterend vermogen van veiligheidsregio's

      Bruijn, J.A. de; Bruijne, M.L.C. de; Noordink, M.; Stutje, A. (Technische Universiteit Delft - Faculteit der Techniek, Bestuur en Management (TBM), 2015)
      Met het onderzoek is beoogd inzicht te krijgen in de mogelijkheid en wenselijkheid om de prestaties van veiligheidsregio's meer te baseren op output- of zelfs outcome-indicatoren, tegenover de randvoorwaardelijke indicatoren (naleving wettelijke normen, organisatie-eisen) waarop ze nu beoordeeld worden. In het onderzoek staan de volgende hoofdvragen centraal:In hoeverre en hoe – op basis van theoretische en praktische inzichten – is het mogelijk om een stelsel van indicatoren te ontwikkelen waarmee een beeld kan worden verkregen van het presterend vermogen van veiligheidsregio’s?In hoeverre is de ontwikkeling van een stelsel van indicatoren wenselijk vanuit het perspectief van de betrokken actoren? INHOUD: 1. Inleiding 2. Prestatiemeting in literatuur 3. Prestatiemeting in praktijk 4. Ontwerpeisen 5. Beelden uit de regio's over prestatiemeting 6. Conclusies: koppeling theorie en empirie 7. Reflectie
    • Onafhankelijk onderzoek

      Diercks, G.; Diederen, P.; Elffers, H.; Huls, N.; Meershoek, G.; Hol, A. (WODC, 2019)
      ARTIKELEN: Gijs Diercks en Paul Diederen -Rijkskennisinstellingen op gepaste afstand 2. Henk Elffers - U vraagt, maar wij draaien niet? Over wetenschappelijk onderzoek in opdracht 3. Nick Huls - Opdracht- en ander onderzoek in het juridische domein. Een persoonlijke visie vanuit de rechtssociologie 4. Guus Meershoek - Bericht uit een fluwelen kooi. Over het onbehagen van een politieonderzoeker 5. Antoine Hol - De Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018. SAMENVATTING: Begin dit jaar kwam het laatste van de drie onderzoeksrapporten uit naar aanleiding van de zogeheten WODC-affaire. Deze ontstond na een uitzending in december 2017 van het televisieprogramma Nieuwsuur waarin de onafhankelijkheid van het WODC in twijfel werd getrokken. De WODC-affaire heeft het nodige losgemaakt in de wereld van beleids- en opdrachtonderzoek. Voor veel onderzoeks- en kennisinstellingen was deze zaak aanleiding om zich te bezinnen op de eigen positie. Zo vroeg het Netwerk van Rijkskennisinstellingen naar aanleiding van de WODC-affaire vorig jaar het Rathenau Instituut om te onderzoeken hoe deze instellingen hun onafhankelijkheid en integriteit gewaarborgd hebben. Tussen onderzoek en beleid is per definitie sprake van een spanningsveld, en het laatste woord is daar voorlopig nog niet over gezegd, zo wordt duidelijk in dit themanummer over Onafhankelijk onderzoek. Voor gebruik en benutting van beleidsonderzoek is een zekere ‘nabijheid’ van de opdrachtgever functioneel, zolang politiek en beleid maar geen druk uitoefenen op aanpak en uitkomsten van onderzoek. En als dat wél gebeurt, zouden onderzoekers deze druk moeten kunnen weerstaan. Onderzoeker hebben niet alleen een verantwoordelijkheid jegens de opdrachtgever, maar ook tegenover de wetenschappelijke wereld. Dit betekent onder andere dat waarheidsvinding voorop moet staan en dat zij moeten voldoen aan eisen als openbaarheid, onafhankelijkheid, controleerbaarheid, aansluiten bij de huidige stand van de wetenschap en openstaan voor een gedachtewisseling met critici. Niet alle opdrachtgevers zitten daarop te wachten, zo blijkt bijvoorbeeld uit de bijdrage van Henk Elffers in dit nummer. De risico’s op schending van vrijheid van wetenschapsbeoefening kunnen in verschillende fasen van onderzoek optreden, zo stelt de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) in een briefadvies aan de Tweede Kamer in 2018. Deze doen zich voor bij het opstellen van de onderzoeksagenda (politieke keuzes bij de financiering van onderzoek, onwenselijke beïnvloeding door de financier), bij de uitvoering van het onderzoek (schoolvorming bij benoeming van personeel en tijdens het proces van peer review) en bij het gebruik van de onderzoeksresultaten (het spanningsveld tussen waarheidsvinding en maatschappelijk effect van onderzoeksresultaten, zelfcensuur). Maatregelen en protocollen ter bevordering van onafhankelijk onderzoek zullen moeten ingrijpen op deze verschillende fasen en situaties.
    • Vijf en twintig jaar WODC

      Unknown author (WODC, 1998)
      Bundel ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het WODC waarin op het verleden, heden en toekomst van het WODC wordt ingegaan. Voor het verleden tekenen de vier oud-hoofden van het WODC, Buikhuisen, Steenhuis, Van Dijk en Junger-Tas. Aan de hand van interviews die met hen gehouden zijn wordt vooral een beeld geschetst van de beginjaren van het WODC. Heden en toekomst komen vooral aan de orde in interviews met het huidige hoofd Van de Bunt en enkele belangrijke personen uit de omgeving van het WODC. Aan de orde komen o.a. de verhoudingen met de criminologische instituten en met het departement en de wetenschappelijke onafhankelijkheid. De bundel bevat een overzichtlijst van alle WODC-rapporten.