• Asielzoekers in het gareel? - Plan-, proces en effectevaluatie werking extra begeleiding en toezichtlocaties

      Kuppens, J.; Klein Haneveld, L.; Esseveldt, J. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2019)
      Sinds eind 2017 is het mogelijk om overlastgevende asielzoekers een maatregel op te leggen en hen te plaatsen in een zogenaamde extra begeleiding en toezichtlocatie (ebtl). De ebtl-maatregel is te beschouwen als een aanvulling op de al bestaande maatregelen die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan opleggen. De ebtl-maatregel is vormgegeven als een pilot voor twee jaar en is binnen deze termijn geëvalueerd. De voor u liggende rapportage is het resultaat van deze evaluatie. De evaluatie valt uiteen in een plan-, een proces- en een effectevaluatie. Binnen de planevaluatie is gekeken wat de oorspronkelijk bedoelde doelen, doelgroep, werkzame bestanddelen en randvoorwaarden waren en is een oordeel gegeven of in vier elementen voldoende is voorzien. De procesevaluatie richtte zich op de daadwerkelijke invulling van deze elementen in de praktijk en de effectevaluatie op de daadwerkelijke resultaten van de ebtl-maatregel. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. De planevaluatie 4. Het proces achter de ebtl-maatregel 5. De effecten van de ebtl-maatregel 6. Conclusie en reflectie
    • Buitengewoon veilig - Onderzoek naar taken en arbeidsomstandigheden van boa's en de samenwerking met politie

      Abraham, M.; Soomeren, P. van (DSP-groep, 2020)
      Voor toezichts- en handhavingstaken, evenals voor het opsporen van (bepaalde) strafbare feiten, worden naast de politie (algemene opsporingsambtenaren) ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) ingezet. Deze boa’ s vervullen een steeds belangrijker rol: de afgelopen decennia heeft zich een verschuiving voorgedaan waarbij veiligheidszorg in de openbare ruimte niet langer het exclusieve domein is van de politie. Gemeenten zetten in toenemende mate en met steeds meer taken gemeentelijke boa’s in voor toezicht en handhaving. Ook in andere gebieden vervult de boa een belangrijke rol. In bijvoorbeeld natuurgebieden en het openbaar vervoer zien we de inzet van boa’s voor toezicht en handhaving. Het gaat ondertussen om meer dan 24.000 boa’s die in zes verschillende domeinen actief zijn. Deze ontwikkeling is niet uniek voor Nederland en is eigenlijk in heel Europa zichtbaar. De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt:Wat zijn de taken en de inzet van de boa’s in de praktijk, hoe verloopt de samenwerking met de politie en met andere partijen (taakafbakening en –verdeling) en wat zijn de arbeidsomstandigheden van de boa’s (met name wat betreft veiligheid) tijdens hun taakuitoefening?In hoeverre zit de huidige toepassing van het leefbaarheidscriterium en het uitvoeringscriterium6 effectief toezicht en handhaving in de weg? INHOUD: 1. Onderzoek naar boa's 2. Wettelijk kader en landelijke afspraken - Intermezzo: landelijke spelers in het boa-landschap 3. Aantallen boa's 4. Taken en samenwerking 5. Arbeidsomstandigheden en ondersteuning door politie 6. Bijzondere omstandigheden: coronacrisis 7. Gevolgen voor de toekomst 8. Conclusie
    • De 'zelfmetende' justitiabele - Een verkennend onderzoek naar technologische zelfmeetmethoden binnen justitiële context

      Cornet, L.J.M.; Mandersloot, M.N.A.; Pool, R.L.D.; Kogel, C.H. de (WODC, 2017)
      Quantified Self (QS) is de trend waarbij de mens in toenemende mate technologie integreert in zijn leven, met als doel informatie te verzamelen over zichzelf en hiervan te leren en/of zichzelf bij te sturen. In de Verenigde Staten is er al veel activiteit op dit gebied: de overheid aldaar heeft bijvoorbeeld onlangs financiële middelen beschikbaar gesteld om QS-data te proberen te linken aan ‘officiële’ data (in dit geval op het terrein van gezondheid). In Nederland wordt momenteel een beperkt aantal kleine pilotprojecten uitgevoerd, zoals in de Oostvaarderkliniek met de behandeling van tbs-patiënten en bij de jeugdreclassering door middel van e-begeleiding. Dit onderzoek betreft een verkenning van toepassingsmogelijkheden van QS voor de justitiële context. QS kan mogelijk bijdragen aan onder andere het vergroten van het probleeminzicht van justitiabelen, het voorspellen van (negatief) gedrag, het verbeteren van behandeling en bejegening en het ontwikkelen van alternatieve behandelingen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden 3. Zelfmeting in de gezondheidszorg 4. De 'zelfmetende' justitiabele 5. Aandachtspunten 6. Slothoofdstuk. Zie ook link naar: YouTube-Filmpje 'Zelfmetende justitiabele'.
    • De bescherming van persoonsgegevens - Acht Europese landen vergeleken

      Custers, B. (eindred.); Dechesne, F.; Georgieva, I.; Hof, S. van der; Sears, A.M.; Tani, T. (Universiteit Leiden - Elaw, Center for Law and Digital Technologies, 2017)
      De verschillen in de mate van bescherming van persoonsgegevens roept de vraag op in welk land persoonsgegevens (en daarmee een belangrijk deel van iemands privacy) het beste zijn beschermd en hoe goed de bescherming van persoonsgegevens in Nederland is geregeld in vergelijking met andere landen. Is Nederland een achterhoedespeler, een middenmoter of een koploper op het vlak van privacybescherming? Dit leidt tot de centrale vraagstelling van dit onderzoek: Wat is de positie van Nederland met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens van de burgers in vergelijking met enkele andere landen binnen de Europese Unie? Om te komen tot een antwoord op deze vraag zijn zes deelvragen geformuleerd: Wat is de algemene situatie rondom de bescherming van persoonsgegevens? Welk beleid wordt er vanuit de nationale overheid gevoerd om persoonsgegevens te beschermen? Welke wet- en regelgeving is van toepassing op de bescherming van persoonsgegevens? Op welke wijze zijn wetgeving en beleid op het terrein van bescherming van persoonsgegevens in de praktijk vormgegeven? Hoe zijn toezicht en handhaving bij bescherming van persoonsgegevens georganiseerd? Wanneer de acht onderzochte landen met elkaar worden vergeleken op bovengenoemde aspecten, wat is dan de positie van Nederland? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nederland 3. Duitsland 4. Zweden 5. Verenigd Koninkrijk 6. Ierland 7. Frankrijk 8. Roemenië 9. Italië 10. Conclusie
    • De escortbranche - Toezicht, handhaving en naleving

      Struiksma, N.; Huberts, S.; Boxum, Ch.; Snippe, J.; Sytstra, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2016)
      Op 10 november 2009 is een voorstel van wet voor de Wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) ingediend dat zich richt op het verkleinen van lokale en regionale verschillen, het verkrijgen van meer zicht en grip op de seksbranche door bedrijfsmatige prostitutie onder een vorm van regulering te brengen en het vergemakkelijken van toezicht en handhaving. Wanneer de Wrp wordt aangenomen zullen alle gemeenten een vergunningplicht moeten invoeren voor seksbedrijven, waaronder ook escortbedrijven. Sommige gemeenten kennen al jaren een vergunningplicht, ook voor escortbedrijven. Dit betekent echter niet dat ook alle escortbedrijven en zelfstandig werkende escorts een vergunning aanvragen. Ten tijde van de uitvoering van dit onderzoek is de Wrp nog steeds niet aangenomen. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek luidt als volgt: Welke vormen van toezicht en handhaving worden toegepast op de escortbranche, wat waren de resultaten, knelpunten en neveneffecten, op welke manier kunnen gemeenten de naleving van regels binnen de escortbranche bevorderen en welke good practices’ bestaan er op het gebied van toezicht en handhaving op dit terrein? INHOUD: 1. Inleiding 2. Begripsbepaling 3. Beleid en juridisch kader 4. Aard en omvang 5. Toezicht 6. Handhaving 7. Naleving 8. Conclusies
    • De praktijk van derdenrekeningen - Een onderzoek onder notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten

      Dijken, K. van; Berdowski, Z.; Eshuis, P.H. (WODC, 2006)
      De Wet op het Notarisambt, de Wet Gerechtsdeurwaarders en de Boekhoudverordening van de Nederlandse Orde van Advocaten verplichten deze beroepsgroepen omaan cliënten toekomende gelden op een aparte rekening (derden- of kwaliteitsrekening) aan te houden. Het doel is om deze gelden te scheiden van het vermogen van de beroepsuitoefenaar en daarmee te beschermen tegen oneigenlijk gebruik of een eventueel faillissement. In het onderzoek zal aandacht worden besteed aan de vraag hoeveel derdenrekeningen er (gemiddeld) worden aangehouden, of daadwerkelijk sprake is van een scheiding van gelden, hoe  bruikbaar en/of noodzakelijk de regelingen voor de beroepsgroepen zijn, in hoeverre de beroepspraktijk afwijkt van de wettelijke bepalingen en hoe het toezicht op het gebruik van derdenrekeningen werkt en of zicht kan worden verkregen op de effectiviteit van het toezicht.
    • Evaluatie van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)

      Winter, H.B.; Krol, E.; Geertsema, J.B.; Beukers, M.; Boxum, C. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro facto, 2021-12-30)
      Met de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) in 2001 is het beroep van de gerechtsdeurwaarder opnieuw vorm gegeven. Gerechtsdeurwaarders hebben een bijzondere positie in het Nederlandse rechtsbestel. Zij zijn als openbaar ambtenaar bevoegd taken uit te voeren die op grond van de Gdw aan hen zijn opgedragen en zijn tegelijkertijd ondernemer. De Gdw introduceerde een stelsel van vrije vestiging in plaats van het toenmalige standplaatsenstelsel en van een landelijke bevoegdheid voor gerechtsdeurwaarders. Deze wijzigingen beoogden meer marktwerking in het stelsel te introduceren. Tegelijkertijd koos de wetgever ervoor de Koninklijke Vereniging voor Gerechtsdeurwaarders (KVG) om te zetten in de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). De taak van de KBvG is wettelijk vastgelegd in artikel 57 Gdw dat bepaalt dat de KBvG een goede beroepsuitoefening door de leden en hun vakbekwaamheid dient te bevorderen. Daartoe heeft deze organisatie de vorm van een Publiekrechtelijke Beroepsorganisatie (PBO) gekregen, met daarbij een verordenende bevoegdheid. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van drie thema’s: een beleidsreconstructie, waarin de totstandkoming van de KBvG als PBO en de beleidstheorie die daaraan ten grondslag ligt is beschreven, het functioneren van de KBvG in de praktijk en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de KBvG. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie van de Gerechtsdeurwaarderswet 3. Beleid en verordeningen van de KBvG 4. Organisatie van de KBvG: governance 5. Taakuitoefening KBvG 6. Perspectief van de gerechtsdeurwaarder 7. Slotbeschouwing
    • Evaluatie van de verzelfstandiging van het FPC Dr. S. van Mesdag

      Groenendijk, N.; Vries, M. de; Svensson, J. (Universiteit Twente - Faculteit Management en Bestuur, 2011)
      Het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdagkliniek is op 1 januari 2008 verzelfstandigd. Bij de verzelfstandiging heeft de staatssecretaris van Justitie aan de Eerste en Tweede kamer toegezegd na twee jaar onderzoek te doen naar de resultaten van de verzelfstandiging (Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2006–2007, 30 957, nrs. 3 en B). De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is tweeldig: Welke voorziene en onvoorziene effecten heeft de verzelfstandiging van hdt FPC van Mesdag gehad op: de in-, door- en uitstroom; de samenwerking in de forensische zorgketen; de geïntegreerde aanpak van zorg en beveiliging (risico-management; de verhouding tussen het ministerie van VenJ en het FPC?Welke lessen zijn hieruit te trekken voor eventuele (juridische) verzelfstandiging van de rijksinrichtingen FPC Oostvaarderkliniek en FPC Veldzicht? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergronden 3. Het FPC van Mesdag tot de verzelfstandiging 4. Behandelkwaliteit en samenwerking in de forensische zorgketen 5. Bestuur en toezicht 6. Bedrijfsvoering 7. De effecten van de verzelfstandiging 8. Implicaties voor eventuele verdere verzelfstandigingen in het TBS-veld 9. Slotbeschouwing
    • Evaluatie van de Wet precursoren voor explosieven - Met aandacht voor het vergunningstelsel voor particulieren en de registratie- en meldplicht van bedrijven

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2021-06-28)
      Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwing
    • Evaluatie van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties en geschillenbeslechting

      Cock Buning, M. de; Bijl, P. de; Voorn, R.-J.; Sluijs, J.; Hommema, I. (Universiteit Utrecht - Faculteit Recht, Economie Bestuur en Organisatie (REBO), 2016)
      Op 1 juli 2013 is de Wet tot verbreding en versterking van het toezicht op collectieve beheersorganisaties (CBO’s) in werking getreden (Wet Toezicht 2013). Evenals in de voorgaande wet is het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA) aangewezen als toezichthouder op de collectieve inning, het zorgvuldig beheer en de tijdige en juiste verdeling van gelden door collectieve beheersorganisaties (CBO’s). Deze organisaties innen gelden bij gebruikers en/of verdelen gelden aan auteurs- en nabuurrechthebbenden voor hun beschermde prestaties. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is afgesproken om deze wet na drie jaar te evalueren. De probleemstelling luidt als volgt: Heeft het CvTA zijn wettelijke taken doelmatig en doeltreffend vervuld en zijn bevoegdheden op een doelmatige en doeltreffende wijze uitgeoefend? Anders gesteld, heeft de aanscherping van het toezicht haar doel bereikt, namelijk om voldoende waarborgen te kunnen bieden voor transparant en effectief functioneren van CBO's ten gunste van betalingsplichtigen en rechthebbenden? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie 3. Praktijkwerking 4. Onderzoeksbevindingen 5. Financiering van CvTA 6. Conclusies
    • Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES

      Winter, H.; Ridderbos-Hovingh, Ch.; Veen, Chr.; Sacré, R. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2019)
      Per 10 oktober 2010 is het land Nederlandse Antillen opgeheven en is de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden gewijzigd. Curaçao, Aruba en Sint Maarten zijn zelfstandige landen binnen het Koninkrijk geworden. Bonaire, Sint Eustatius en Saba, (Caribisch Nederland) maken sindsdien als openbare lichamen deel uit van Europees Nederland. Doordat Caribisch Nederland onderdeel werd van Europees Nederland, werd ook de Nederlandse Grondwet daar van kracht. Onderdeel van de Grondwet is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast werd de werking van het Dataverdrag van Straatsburg en het Aanvullend protocol uitgebreid tot Caribisch Nederland. Deze wijzigingen maakten de invoer van een wettelijke regeling over de bescherming van persoonsgegevens en de rechten van betrokkenen noodzakelijk. Vanaf 10 oktober 2010 is daarom de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Wbp BES) van toepassing op Caribisch Nederland. Dit onderzoek beantwoordt de volgende hoofdvraag: Hoe functioneren de Wbp BES en de CBP BES gelet op de uitgangspunten en doelstelling van de wet, welke knelpunten doen zich daarbij voor, wat betekent de implementatie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens tussen Europees Nederland, Caribisch Nederland en de Caribische landen en wat zijn aanbevelingen voor de toekomst gelet op de mogelijk geconstateerde knelpunten?
    • Evaluatie Wet bestuur en toezicht

      Boschma, H.E.; Lennarts, M.L.; Schutte-Veenstra, J.N.; Veen, K. van (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid - Instituut voor Ondernemingsrecht, 2017)
      Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht nv/bv in werking getreden. Tijdens de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer heeft de Minister van Veiligheid en Justitie toegezegd dat de wet inclusief de amendementen na drie jaar zal worden geëvalueerd. Aanleiding voor de evaluatie was met name de beperking van het door één persoon uit te oefenen aantal toezichtfuncties bij NV’s, BV’s en stichtingen, dat bij amendement in de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht nv/bv is opgenomen. De Wet aanpassing regels bestuur en toezicht nv/bv heeft ten aanzien van uiteenlopende onderwerpen geleid tot invoering van nieuwe wettelijke bepalingen alsmede tot wijziging van bestaande wettelijke bepalingen. Onderhavig evaluatieonderzoek spitst zich met name toe op een drietal onderwerpen: het monistische bestuursmodel; limitering van het aantal toezichtfuncties voor bestuurders en commissarissen/toezichthouders; streefcijfer 30% vrouwen in bestuur en raad van commissarissen. INHOUD: A. Deelonderzoek I: Met monistische bestuursmodel, taakverdeling en bestuurdersaansprakelijkheid, tegenstrijdig belang bestuurders en commissarissen - 1. Inleiding 2. Parlementaire geschiedenis en de veronderstelde wijze van werking van de bij de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht nv/bv ingevoerde wetswijzigingen 3. Het monistische bestuursmodel in de praktijk 4. De nieuwe regeling van taakverdeling en bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW in de praktijk 5. De nieuwe regeling van tegenstrijdig belang van bestuurders en commissarissen in de praktijk 6. Deelonderzoek I: conclusies en aanbevelingen - B. Deelonderzoek II: Limitering aantal toezichthoudende functies bij grote NV', BV's en commerciële/semipublieke stichtingen - 1. Inleiding 2. Parlementaire geschiedenis limiteringsregeling Boek 2 BW 3. Inhoud en betekenis limiteringsregeling Boek 2 BW 4. Het grootte-criterium 5. Sectorale limiteringsregelingen 6. Wettelijke regeling versus 'pas-toe-of-leg-uit' 7. De effecten van de limiteringsregeling in de praktijk: een kwantitatieve en kwalitatieve analyse 8. Deelonderzoek II: conclusies en aanbevelingen - c. Deelonderzoek III: streefcijfer 30% vrouwen in bestuur en raad van commissarissen - 1. Inleiding 2. Parlementaire geschiedenis streefcijferregeling Boek 2 BW 3. Inhoud en betekenis streefcijferregeling Boek 2 BW 4. Het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid en de Nederlandse Corporate Governance Code 2016 5. Regelingen ter bevordering van een evenwichtige verdeling van vrouwen en mannen in de top van bedrijven in België, Duitsland, Frankrijk en Italië en het voorstel voor een Europese streefcijferrichtlijn 6. De streefcijferregeling van Boek 2 BW in de praktijk: kwantitatieve en kwalitatieve bevindingen 7. Deelonderzoek III: conclusies en aanbevelingen
    • Financieel toezicht binnen het (jeugd)strafrecht - Een onderzoek naar het verloop, de resultaten en mogelijke uitbreiding van verplicht financieel toezicht binnen het (jeugd)strafrecht

      Koenraadt, R.M.; Boone, M.M.; Rap, S.E.; Kappert, S. (Universiteit Leiden - sectie Strafrecht & Criminologie en Jeugdrecht, 2020-12-29)
      In opdracht van het Ministerie voor Justitie en Veiligheid is onderzoek uitgevoerd naar het verloop, de resultaten en uitbreiding van financieel toezicht. Doel van het huidige onderzoek is het verkrijgen van inzicht in het verloop van de huidige vormen van financieel toezicht en het in kaart brengen van de eventuele uitbreidingsmogelijkheden en verbeterpunten. In dit onderzoek wordt antwoord gegeven volgende centrale onderzoeksvraag: Hoe verlopen de huidige financiële maatregelen binnen het (jeugd)strafrecht en op welke manier kan het financieel toezicht verbeterd worden? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methoden, 3. Financieel toezicht: juridische mogelijkheden, 4. Aard en omvang financieel toezicht in Nederland, 5. Verloop en resultaten financieel toezicht, 6. Verbeterpunten en aanbevelingen financieel toezicht, 7. Conclusie en discussie
    • Forensisch psychiatrisch toezicht - evaluatie van de testfase van een vernieuwde vorm van toezicht op tbs-gestelden

      Harte, J.M.; Kalmthout, W.D. van; Knüppe, J.J.M.C. (WODC, 2010)
      Voor tbs-gestelden die extramuraal verblijven is een vernieuwde vorm van toezicht opgezet: het Forensisch Psychiatrisch toezicht (FPT). Nieuw aan deze vorm van toezicht is dat het Forensisch Psychiatrisch Centrum en de reclassering niet langer verantwoordelijk zijn voor slechts een deel van het uitstroomtraject, maar vanuit hun expertise gezamenlijk betrokken zijn bij het toezicht op de behandeling van tbs-gestelden gedurende het uitstroomtraject. Dit onderzoek heeft betrekking op de testfase van het FPT. In dit onderzoek is het plan doorgelicht en is de verscheidenheid aan ervaringen die inmiddels is opgedaan in beeld gebracht. INHOUD: 1. Introductie 2. Methoden en dataverzameling 3. Voorgeschiedenis en totstandkoming 4. Ontwerp op landelijk niveau 5. Planevaluatie 6. Invulling op lokaal niveau 7. De patiëntenpopulatie in de testfase 8. Ervaringen in de praktijk 9. Procesevaluatie 10. Conclusies en discussie
    • Geheime diensten en de democratische rechtsstaat

      Hijzen, C.; Braat, E.; Abels, P.; Dielemans, R.; Hagens, M.; Eijk, N. van; Eijkman, Q.; Valk, G. de; Aerdts, W.; Koop, P.; et al. (WODC, 2018)
      ARTIKELEN: 1. Constant Hijzen - Paddenstoelen, prikkeldraadversperringen en sleepnetten: Metaforen in de Nederlandse inlichtingengeschiedenis 2. Eleni Braat - In voor- en tegenspoed: Het huwelijk tussen parlement en inlichtingen- en veiligheidsdienst 3. Paul Abels - Intelligence leadership: Leidinggeven in het schemerdonker tussen geheim en openbaar 4. Rob Dielemans - De Wiv 2002 en Wiv 2017 op enkele hoofdlijnen vergeleken 5. Mireille Hagens - Toezicht in de Wiv 2017: Kansen en uitdagingen voor een effectief en sterk toezichtstelsel 6. Nico van Eijk en Quirine Eijkman - Enkele kanttekeningen bij de Wiv 2017: De uitbreiding van bevoegdheden getoetst aan mensenrechten 7. Gilliam de Valk en Willemijn Aerdts - Inlichtingenwerk vanuit een methodologisch perspectief 8. Peter Koop - De Snowden-onthullingen en ongerichte interceptie onder de Wiv 2017 9. Bob de Graaff en Constant Hijzen - Zwijgen is zilver en spreken is goud SAMENVATTING: Aan de vooravond van het raadgevend referendum over de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) op 21 maart 2018 brengt Justitiële verkenningen het themanummer ‘Geheime diensten en de democratische rechtsstaat’ uit. In de publieke discussie over de ‘sleepwet’ of ‘aftapwet’ staat de bevoegdheid tot ‘ongericht tappen’ centraal , oftewel het onderscheppen van communicatieverkeer dat via glasvezelkabels loopt, en de gevolgen van de inzet van dat middel voor de burger. Voor die discussie is in deze aflevering ruime aandacht, maar daarnaast komen de vele andere aspecten van de Wiv 2017 aan bod, zoals het toezicht, de precieze taken en verplichtingen die de diensten krijgen opgelegd en de internationale samenwerking. De positie van geheime diensten en hun verhouding tot politiek en samenleving wordt historisch belicht en verbonden met de vraag wat er van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in deze tijd mag worden verwacht. In verschillende bijdragen wordt bovendien duidelijk dat Nederlandse AIVD en MIVD en hun voorgangers al heel lang gevangen zitten in beeldvorming. Geheime activiteiten verhouden zich slecht tot openbaarheid en deelname aan openbaar debat, zo was lange tijd het standpunt van de overheid. Maar juist het gebrek aan informatie over werkwijze en bevoegdheden van de Nederlandse geheime diensten heeft bijgedragen aan de populariteit van een metafoor als ‘sleepnet’ en voeding gegeven aan het wantrouwen van burgers jegens de overheid.
    • Handhaven op niveau

      Michiels, F.C.M.A. (voorz.) (Commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving, 1998)
      Nadat van verschillende instanties advies was ontvangen verscheen in juli 1996 het kabinetsstandpunt op het rapport van de commissie Korthals Altes, neergelegd in de nota 'In juiste verhouding'. Naar aanleiding van de beschouwingen van de commissie en haar voorstellen zijn bij het kabinet vragen gerezen over de feitelijke kanten van een (eventueel bestaand) handhavingstekort en de wijzen waarop zulk een tekort zou kunnen worden bestreden. Op 12 december 1996 werd daartoe de commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving ingesteld dit tot taak kreeg:onderzoek te laten verrichten naar de huidige bestuurspraktijk teneinde te achterhalen wat de factoren zijn die in de weg staan aan een adequaat toezicht en aan een duidelijke en consequente handhavingsreactie;studie te doen naar de wijze waarop de bestuurlijke repressieve handhaving het best kan worden georganiseerd, in het bijzonder of een zekere scheiding tussen uitvoering en toezicht enerzijds en sanctieoplegging anderzijds wenselijk is, en zo ja op welke wijze die scheiding gestalte moet worden gegeven en zo nee of de organisatie van de bestuursrechtelijke handhaving op andere wijze kan worden verbeterd;studie te doen naar de vraag of de invoering van een preventieve rechterlijke toets een bijdrage levert aan een betere bantering van de instrumenten van bestuursdwang en dwangsom, en zo ja hoe zo'n toets is in te passen in het stelsel van bestuursrechtelijke handhaving en rechtsbescherming;studie te doen naar de rol die het privaatrecht kan spelen in aanvulling op de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten van de overheid en de vraag of daartoe nadere wettelijke voorzieningen dienen te worden getroffen en zo ja of de wet restricties moet stellen aan het privaatrechtelijke overheidsoptreden;terzake van deze onderwerpen waar de commissie dat nodig acht voorstellen te doen.
    • Handhaving jegens overheden - Rapport voor de commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving

      Drupsteen,Th.G.; Leeuw, S.D.M. de; Snijhorst, R.; Tang-van Loenen, P.H. van der (Rijksuniversiteit Leiden - Vakgroep staats- en bestuursrecht, 1997)
      In dit rapport komen de volgende onderzoeksvragen aan de orde: - hoe verhoudt zich het toezicht door hogere bestuursorganen (bijv. het Rijk) tot de decentralisatie van overheidstaken? - welke problemen en mogelijkheden zijn er bij de handhaving jegens organen die ressorteren onder de centrale overheid? - wat is de rol van inspecties zoals de Arbeidsinspecties en de Inspectie van de Milieuhygiene (vgl. het idee van een bestuurlijk openbaar ministerie)? - beschikken de bestuurlijke controleorganen over voldoende onderzoeksbevoegdheden teneinde overtredingen van overheden aan het licht te kunnen brengen? Voordat de comrnissie ingaat op deze aandachtspunten, neemt zij een standpunt in over het vraagstuk van de strafrechtelijke inununiteit van overheidslichamen.
    • Internationaal onderzoek naar muziekauteursrechten - Eindrapport (tweede versie)

      Frinking, E.; Dorp, L. van; Kahan, J. (RAND Europe, 1997)
      Verslag wordt gedaan van een internationaal vergelijkend onderzoek naar verschillende bestaande systemen van muziekauteursrechtelijke bescherming in vijf Europese landen. De volgende vragen komen aan de orde:Hoe worden in deze landen de vergoedingen voor muziekgebruik geind?Aan de hand van welke parameters worden de tarieven vastgesteld?Wat is de hoogte van deze tarieven?Hoe is het toezicht op de desbetreffende organisaties geregeld.In het onderdeel over Nederland komen de organisaties BUMA, STEMRA en SENA aan de orde.
    • Kamperen binnen de perken - Verslag van een onderzoek naar de handhaving van de Kampeerwet/Wet op de openluchtrecreatie

      Verberk, M.; Eygendaal, W.; Boiten, E. (B&A Groep, 1997)
      In deze rapportage wordt ingegaan op de wijze waarop de handhaving van de Wet op de openluchtrecreatie (WOLR) in de praktijk is georganiseerd en de wijze waarop de WOLR in de praktijk wordt gehandhaafd. Daarbij worden factoren weergegeven die een belemmering vormen voor een adequaat toezicht en een duidelijke en consequente handhavingsreactie. De auteurs beperken zich in dit onderzoek tot de handhaving van de regels die betrekking hebben op het (illegaal) kamperen en (illegale) campings.
    • Kansen begrensd - Evaluatie van de Kansspelautoriteit 2012-2016

      Thiel, S.; Erp, J. van; Kruijf, J. de; Kingma, S.; Blom, R.; Bouwman, R. (Radboud Universiteit - Institute for Management Research, 2017)
      De Kansspelautoriteit is op 1 april 2012 opgericht (Wijzigingswet Wet op de kansspelen – instelling kansspelautoriteit). Het onderzoek betreft een evaluatieonderzoek vijf jaar na instelling van dit zelfstandig bestuursorgaan, de toezichthouder op de kansspelmarkt. Het betreft een analyse van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van deze autoriteit. INHOUD: 1. Opzet van het onderzoek 2. Beoordelingskader 3. Doeltreffend 4. Doelmatigheid 5. Legitimiteit en samenwerking met stakeholders 6. Publieke waarde 7. Conclusies en aanbevelingen