• Coffeeshops, jeugd en toerisme

      Korf, D.J.; Woude, M. van der; Benschop, A.; Nabben, T. (Universiteit van Amsterdam - Criminologisch Instituut Bonger, 2001)
      Begin jaren tachtig waren er nog bijna geen coffeeshops in Nederland die softdrugs verkochten. Momenteel zijn er ruim achthonderd coffeeshops, verspreid over ongeveer honderd gemeenten. Voor 1996 mochten coffeeshops hasj en wiet verkopen aan jongeren van 16 jaar en kon een klant maximaal 30 gram ineens kopen. Tegenwoordig is de minimumleeftijd 18 jaar en de maximum hoeveelheid 5 gram. Met het verhogen van de minimum leeftijd hoopte de overheid het softdruggebruik onder jongeren terug te dringen. In dit boek wordt nagegaan of dit ook daadwerkelijk is gebeurd.
    • Grensoverschrijdend slachtofferschap - Een inventarisatie van aard, omvang en aandachtspunten in verband met de effectuering van slachtofferrechten

      Wijk, A. van; Ham, T. van; Hardeman, M. (Bureau Beke, 2015)
      Op 25 oktober 2012 is een Europese richtlijn tot stand gekomen die zich richt op de slachtofferrechten binnen de Europese Unie (EU). Het doel van deze richtlijn is het zorgdragen voor een minimum aan rechten voor slachtoffers van misdrijven binnen alle 28 lidstaten van de EU. Deze minimumrechten bestaan onder andere uit passende ondersteuning, informatie en bescherming en dient uiterlijk op 16 november 2015 in de nationale wetgeving van EU-lidstaten te zijn geïmplementeerd. Naast specifiek benoemde slachtoffergroepen (kinderen, slachtoffers van terrorisme, gehandicapte slachtoffers en nabestaanden) kunnen drie typen slachtoffers worden onderscheiden waarvoor Nederland verantwoordelijkheid draagt: Nederlandse burgers die slachtoffer worden van een strafbaar feit in het buitenland en daarna terugkeren in Nederland of hun nabestaande(n) (slachtoffertype A); Niet-Nederlandse burgers die in Nederland slachtoffer worden van een strafbaar feit, hetzij tijdens een bezoek als toerist, hetzij tijdens verblijf in verband met werk, studie e.d. (slachtoffertype B); Niet-Nederlandse burgers die in het buitenland slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit waarvoor de dader in Nederland vervolgd wordt, bijvoorbeeld omdat deze zich hier bevindt (slachtoffertype C). Binnen dit onderzoek staat de volgende vraagstelling centraal: Wat zijn de aard en omvang van het grensoverschrijdende slachtofferschap waar Nederland verantwoordelijkheden in heeft en wat zijn de eventuele specifieke problemen en behoeften van de slachtoffers in grensoverschrijdende zaken?
    • Kinderen beschermd tegen seksueel misbruik - Evaluatie van de partiële wijziging in de zedelijkheidswetgeving

      Lünnemann, K.; Nieborg, S.; Goderie, M.; Kool, R.; Beijers, G. (WODC, 2006)
      Op 1 oktober 2002 is de partiële herziening van de zedelijkheidswetgeving in werking getreden. De kinderpornografiebepaling is aangescherpt, de extraterritoriale rechtsmacht is verruimd, en andere vormen van seksuele uitbuiting van minderjarigen zijn strafbaar gesteld. Met deze wetswijziging beoogt de minister van Justitie een betere bescherming te bieden tegen seksueel misbruik van minderjarigen en andere kwetsbare groeperingen. Dit rapport bevat de resultaten van een evaluatie van de wetswijziging.
    • Kindersekstoerisme (vanuit Nederland) - Onderzoek naar bestaande en (mogelijk) nieuwe reisbestemmingen

      Vogelvang, B.O.; Braak, J.J. van den; Meuwese, S.; Wolthuis, A. (WODC, 2002)
      Het onderzoek moet landen in kaart brengen waar kindersekstoerisme zich nu voordoet, landen waarin dat kindersekstoerisme (mogelijk) aan het opkomen is en aanbevelingen doen voor maatregelen en instrumentarium ter preventie en bestrijding. Het onderzoek is gericht op kindersekstoerisme dat plaatsvindt door Nederlandse ingezetenen die reizen vanuit Nederland. In het onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen aan de orde gesteld: 1. Is er sprake van nieuwe bestemmingen van kindersekstoerisme door Nederlandse ingezetenen? Zo ja, welke zijn dit? 2. Wat zijn oorzaken van eventuele veranderingen in bestemmingen? Welke factoren zijn bepalend voor het al dan niet (meer) in trek zijn van bepaalde bestemmingen? 3. Wat zijn de aard en omvang van het kindersekstoerisme in de nieuwe bestemmingen? Wat zijn de kenmerken van slachtoffers en reizigers? Welke motieven en externe factoren spelen een rol bij de reiziger? 4. Welke maatregelen zijn nodig en mogelijk voor preventie en bestrijding ten aanzien van nieuwe bestemmingen, welke organisaties en personen kunnen hierin een rol spelen?