• Evaluatie van de Wet toelating en uitzetting BES

      Winter, H.; Beukers, M.; Blekkenhorst, G.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2018)
      De staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden is sinds 10 oktober 2010 (10- 10-‘10) gewijzigd, waarbij Curaçao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het Koninkrijk zijn geworden en het land Nederlandse Antillen is opgeheven. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn als openbare lichamen deel gaan uitmaken van Nederland. De drie laatstgenoemde eilanden worden ook wel gezamenlijk aangeduid als Caribisch Nederland. Het vreemdelingenrecht van de Nederlandse Antillen was vastgelegd in de Landsverordening toelating en uitzetting en het bijbehorende Toelatingsbesluit. De LTU vormde de basis voor de nieuwe Wet toelating en uitzetting BES (WTU-BES), die per 10 oktober 2010 in werking trad. De WTU-BES is tevens op onderdelen aangepast aan de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Hoe functioneert de WTU-BES gelet op de rond 10-10-‘10 geformuleerde uitgangspunten, welke knelpunten zijn te onderscheiden en hoe kunnen die worden opgelost? INHOUD: 1. Inleiding 2. Caribisch Nederland in het Nederlandse staatsbestel 3. Doelen, uitgangspunten en instrumentarium WTU-BES 4. Kwantitatieve gegevens 5. Uitvoering en ervaringen WTU-BES 6. Wet arbeid vreemdelingen BES 7. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Gemeenschapsrecht en gezinsmigratie - Het gebruik van het gemeenschapsrecht door gezinsmigranten uit derde landen

      Schreijenberg, A.; Klaver, J.F.I.; Soethout, J.E.; Lodder, G.G.; Vleugel, M.J. (WODC, 2009)
      Dit onderzoek heeft betrekking op de omvang, samenstelling en toename van, en vormen van gebruik door, de groep gezinsmigranten die in Nederland een verzoek doen tot toelating op grond van het gemeenschapsrecht.
    • Plan- en procesevaluatie Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen

      Mack, A.; Verbeek, E.; Klaver, J. (Regioplan beleidsonderzoek, 2020)
      Eind 2018 hebben het Rijk en gemeenten een samenwerkingsovereenkomst afgesloten ten behoeve van het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf en recht op Rijksopvang. Dit zijn de zogeheten Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV’s). Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft voor een periode van drie jaar middelen ter beschikking gesteld voor de pilotfase van het programma. Vanaf het voorjaar van 2019 startte de LVV-pilot in vijf pilotgemeenten: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Bij de uitvoering van de LVV’s zijn de betreffende gemeenten, maatschappelijke organisaties (ngo’s) in die gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) betrokken. Regioplan heeft een plan- en procesevaluatie van de pilot LVV uitgevoerd. Concreet diende het onderzoek het volgende op te leveren: inzicht in de gestelde doelen binnen de pilot LVV op het landelijke niveau, het gemeentelijke niveau, en op het niveau van de uitvoering van de begeleiding en opvang; inzicht in de opzet van de pilot – zowel praktisch als methodisch – in de vijf pilotgemeenten (betrokken partijen, type opvang en begeleiding, beschikbare middelen); inzicht in de tussentijdse resultaten van de pilot met aandacht voor ‘lessons learned’ en ‘best practices’. bouwstenen (inhoudelijk én praktisch) voor de toekomstige effectevaluatie van de pilot. De focus van het onderzoek was hoofdzakelijk gericht op de ervaringen in de pilotgemeenten. De bredere bestuurlijke inrichting van de pilot was geen expliciet onderdeel van het onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Literatuurverkenning 3. Doelstellingen en doelgroep van de LVV 4. Rollen van betrokken partijen 5. Samenwerking tussen de betrokken partijen 6. Begeleidings- en opvangnormen 7. Conclusies
    • Selectief naast restrictief - Evaluatie van de Wet modern migratiebeleid

      Lodder, G. (Universiteit Leiden - Instituut voor Immigratierecht, 2019)
      Op 1 juni 2013 is de Wet modern migratiebeleid (wet MoMi) in werking getreden. De wet MoMi ziet op een modernisering van het reguliere toelatingsbeleid ten aanzien van migranten van buiten de Europese Unie, de zogenaamde derdelanders. Het reguliere toelatingsbeleid is gedifferentieerd naar verschillende verblijfsdoelen zoals werk, studie of gezinshereniging. De wet MoMi heeft geen betrekking op asielmigratie.De centrale probleemstelling van de wetsevaluatie is: Voldoet de wet MoMi aan de doelstellingen zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd bij de totstandkoming van de wettelijke regeling? De probleemstelling is uitgewerkt in drie onderzoeksvragen die corresponderen met de drie hierboven genoemde terreinen: de toelatingsprocedures, de referentensystematiek en toezicht en handhaving.Zijn de toelatingsprocedures voor alle reguliere migranten snel, doeltreffend en beheersbaar?Werkt de referentensystematiek en zijn de administratieve lasten voor burgers en bedrijven zo beperkt mogelijk gehouden?Is het toezicht- en handhavingsmechanisme zoals neergelegd in de wet MoMi (gebaseerd op vertrouwen vooraf en controle achteraf) effectief? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoekskader 3. Kennismigratie 4. Arbeid in loondienst 5. Onderzoek 6. Studie 7. Au Pair 8. Familie en gezin 9. Toezicht en handhaving 10. Conclusies en aanbevelingen
    • Toelating van vreemdelingen voor verblijf bij religieuze organisaties - Beleid en praktijk in Nederland voor en na de Vreemdelingenwet 2000

      Hendrickx, I.; Lange, T. de (WODC, 2004)
      In dit onderzoek is een inventarisatie gemaakt van gegevens omtrent eerdere aanvragen om toelating tot Nederland van personen van religieuze of levensbeschouwelijke organisaties. Bezien wordt om welke redenen de aanvragen precies werden ingediend en waarom deze aanvragen werden ingewilligd dan wel afgewezen. Voorts wordt aandacht besteed aan de verblijfssituatie van de toegelaten personen en hun activiteiten voor de betreffende organisaties. Tevens wordt nagegaan hoe de religieuze of levensbeschouwelijke organisaties zouden functioneren zonder de hulp van hun buitenlandse gasten.
    • Toelatings- en verblijfsvoorwaarden onderdanen Turkije

      Oosterom-Staples, H.; Woltjer, A. (WODC, 2009)
      Van de zijde van de Europese Commissie wordt Nederland met enige regelmaat geconfronteerd met vragen naar de verschillende behandeling van EU-onderdanen en onderdanen uit Turkije die rechten ontlenen aan de Associatie-overeenkomst met Turkije en Besluit 1/80. De vragen hebben onder andere betrekking op de verplichte machtiging tot voorlopig verblijf, het verschil in de hoogte van legesheffing en gelijke behandeling (bijv toegang tot de arbeidsmarkt) in relatie tot de standstill-bepalingen. Bovendien is er in de jurisprudentie – zowel nationaal als internationaal - een tendens zichtbaar dat onder andere de latere verhoging van de legesbedragen en de invoering van het mvv-vereiste in strijd zijn met de zogenoemde ‘standstill’-bepalingen. Dit onderzoek richt zich op de toenmalige regels en de uitvoering daarvan. Inzichtelijk is gemaakt welke onderdelen wel en welke onderdelen geen daadwerkelijke aanscherping van het beleid behelzen en welke zijn verboden door de standstill-bepalingen.