• Alternatieven voor het beroep van rechtswege in de Rijkswet op het Nederlanderschap - Een onderzoek naar alternatieven voor ambtshalve handelingen die leiden tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in artikel 22a van de Rijkswet op het Nederlanderschap

      Graaf, K.J. de; Marseille, A.T.; Meulen, W.P. van der (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2019)
      Artikel 14 lid 4 RWN verleent de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid om – kort gezegd – in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap in te trekken van iemand van ouder dan zestien jaar die zich buiten het Koninkrijk bevindt en die zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. In artikel 22a RWN is bepaald dat over een besluit op grond van artikel 14 lid 4 RWN steeds een bestuurs-rechter oordeelt, hetzij omdat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld, hetzij omdat de betrokkene, als deze geen beroep heeft ingesteld, geacht wordt beroep te hebben ingesteld. In dit laatste geval ontstaat een beroep van rechtswege in naam van de betrokkene. De bestuursrechter raakt op de hoogte van een dergelijk beroep doordat de Minister de rechtbank Den Haag in kennis stelt van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14 lid 4 RWN.De centrale vraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn (te ontwikkelen) alternatieve procedures voor het ambtshalve verrichten van een han-deling die leidt tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap? INHOUD: 1. Inleiding 2. De regeling in de Rijkswet op het Nederlanderschap 3. Randvoorwaarden voor alternatieven 4. Alternatieven 5. Beantwoording onderzoeksvraag
    • Bedreigde identiteiten - De wisselwerking tussen anti-islambewegingen en de radicale islam

      Klandermans, B.; Stekelenburg, J. van; Duijndam, C.; Honari, A.; Muis, J.; Slootman, M.; Welschen, S.; Klein, O.; Mahieu, G. (Vrije Universiteit - Faculteit der Sociale Wetenschappen, 2016)
      In het onderzoek zijn de volgende vragen beantwoord: Hoe ziet de wisselwerking tussen het anti-islamveld en het radicale-islamveld eruit in de verschillende landen? In welke mate leidt die wisselwerking tot polarisatie en tot radicalisering van denkbeelden en actierepertoires? Is hierbij sprake van escalatie? Welke de-escalerende maatregelen nemen de overheden in de bestudeerde landen? Het uitgevoerde onderzoek omvatte een verkenning van de wetenschappelijke literatuur, een vergelijkende analyse van vier landen (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Frankrijk), expertinterviews en een analyse van relevante inhoud op sociale media (Facebook en Twitter). INHOUD: 1. Introductie 2. Methode 3. Analytisch kader: wisselwerking tussen actoren 4. Verenigd Koninkrijk 5. Frankrijk 6. Duitsland 7. België-Vlaanderen 8. Voor en na 'Parijs': een twitteranalyse 9. Preventie en de-escalatie 10. Slothoofdstuk: verschillen en overeenkomsten in de mobilisatie van aanhangers van anti-islam- en radicale-islambewegingen 11. Referenties
    • Beleidsinstrumenten en extremistische wereldbeelden - Een verkennend rapport

      Koning, M. de; Vliek, M. (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, 2020-12-30)
      Dit beleidsonderzoek gaat over hoe verschillende extremistische groepen of individuen beleidsinstrumenten van de overheid percipiëren, hoe zij daarop reageren en de relatie van dit overheidsbeleid met hun zelfidentificatie. Daarmee onderzoekt het de paradox van de moderne democratie: Hoe gaat een democratische samenleving om met de ondemocratische elementen in haar midden? Of het gaat om de inzet van repressieve middelen bij demonstraties, of om de re-integratieprogramma’s voor terugkerende Syriëgangers, de overheid is te allen tijde actief betrokken bij de ‘governance’ van eventueel ondemocratische elementen. Omgekeerd reageren extremistische groepen op hun beurt weer op dit overheidsbeleid; een kernaspect van al dan niet extremistisch politiek activisme is het uitdagen van de status quo. Het is deze wisselwerking tussen overheid en extremistische groepen en individuen over de verschillende beleidsinstrumenten gericht op de betrokkenen die we in dit rapport beschrijven en analyseren. Om deze wisselwerking te onderzoeken is in samenspraak met het WODC de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke werking beoogt de overheid met beleidsinstrumenten die zijn gericht op in overheidsbeleid als zodanig benoemde religieus gemotiveerde extremisten in vergelijking met andere extremistische groepen? Hoe percipiëren deze groepen dergelijke beleidsinstrumenten en hoe verhoudt zich dat tot hun handelen en zelfidentificatie? INHOUD: Inleiding, 1. Groepen in het veld: definities en plaatsing, 2. Beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, 3. Actierepertoires, 4. Alternatieve kennisbronnen, 5. Identiteiten en subjectiviteiten, 6. Conclusie
    • Centraliteitsanalyses van terroristische netwerken

      Hamers, H.J.M.; Husslage, B.G.M.; Lindelauf, R.H.A. (Universiteit van Tilburg, 2011)
      In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van een literatuurstudie naar kwantitatieve, met name speltheoretische, methoden om belangrijke actoren in terroristische netwerken te identificeren. Daarnaast wordt een tweetal casussen gepresenteerd om toepassing van deze methodologie te illustreren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Centraliteit en destabilisatie 3. Casus 1: Jemaah Islamiyah in Bali 4. Casus 2: Al Qa'ida en 9/11 5. Conclusies en slotbeschouwing
    • Communicatie en strategie van de Afghaanse Taliban vanuit het perspectief van het leiderschap

      Wessels, G.; Leede, S.A.M. de; Bakker, E. (Universiteit Leiden - Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme, 2015)
      Op 28 december 2014 is een einde gekomen aan de ISAF-missie (International Security and Assistance Force) in Afghanistan. De verantwoordelijkheid voor de veiligheidssituatie in het land werd op die dag overgedragen aan de Afghaanse regering in Kabul. Eén van de grootste uitdagingen voor Afghanistan is de voortdurende strijd met de Taliban. Door de in omvang afgenomen aanwezigheid van Nederlandse militairen in Afghanistan en andere Nederlandse belangen is de informatiepositie ten aanzien van de Taliban beperkter geworden. Het besef dat inzicht in de ontwikkelingen in Afghanistan in het algemeen en de Taliban in het bijzonder voor Nederland relevant blijven, roept de vraag op of de communicatie-uitingen van de Taliban inzicht zouden kunnen bieden in het toekomstig handelen van deze organisatie. Deze algemene vraag is in deze studie in de volgende twee hoofdvragen opgesplitst: In hoeverre komt de communicatie van de Afghaanse Taliban over hun ideologie, doelstellingen en strategie overeen met hun daadwerkelijke handelen? Kunnen op basis van de communicatie van de Taliban uitspraken gedaan worden over de toekomstige positie en het toekomstig handelen van de Taliban? INHOUD: 1. Introductie 2. De Taliban als organisatie 3. De Taliban tussen woord en daad 4. Conclusie
    • Dialoog en onderhandeling met terroristische organisaties - voorbeelden en lessen uit de westerse en niet-westerse wereld (1945-2009)

      Duyvesteyn, I.; Schuurman, B. (Universiteit Utrecht, Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur, 2010)
      De doelstelling van dit onderzoek is het op hoofdlijnen verkrijgen van inzicht in de aard van in het verleden gevoerde dialoog en onderhandeling door de overheid of daartoe aangewezen onderhandelaars met terroristische organisaties en individuele terroristen. Onder welke omstandigheden wordt er besloten om over te gaan tot onderhandelingen, hoe zijn deze dialogen verlopen en tot welke resultaten hebben deze gesprekken geleid of bijgedragen? Het centrale doel van deze studie is om te bezien welke belangrijke factoren naar voren komen gedurende en rondom onderhandelingsprocessen. Welke lessen kunnen hieruit worden getrokken? INHOUD: 1. De aanloop naar onderhandelingen 2. Het moreel dilemma van onderhandelen met terroristen 3. Het verloop van onderhandelingen 4. De uitkomsten van onderhandelingen 5. Onderhandelingen en het huidige conflict in Afghanistan
    • Dutch National Risk Assessment on Terrorist Financing 2019

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2020)
      Dutch policy to prevent and combat terrorist financing is based on the recommendations of the Financial Action Task Force (FATF) and European Union (EU) directives and regulations. Article 7 of this directive obliges EU Member States to implement a risk-based policy against money laundering and terrorist financing and to establish a National Risk Assessment (NRA). In 2017 the Research and Documentation Centre (WODC) carried out the first NRA on terrorist financing and on money laundering for the European part of the Netherlands. A year later, the WODC also conducted an NRA on both topics for the Caribbean Netherlands: the islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba (see link). A second NRA for the European Netherlands on terrorist financing has been carried out by the WODC, with the aim of identifying the greatest risks in the field of terrorist financing. These are terrorist financing risks with the greatest residual potential impact. To this end, the terrorist financing threats with the greatest potential impact have been identified, an estimate has been made of the impact these threats can have and the ‘resilience’ of the policy instruments aimed at preventing and combating terrorist financing has been determined.
    • Een toekomstverkenning van de invloed van brede maatschappelijke trends op radicaliseringsprocessen

      Linde, E. van de; Rademaker, P. (Erik van de Linde Innovatie Advies, 2010)
      De focus van deze verkenning ligt op radicalisering in relatie tot terrorisme. Het gaat daarbij om alle denkbare vormen: religieus radicalisme; links en rechts extremisme; import terrorisme versus terrorisme van eigen bodem;  terrorisme door groepen en individuen; ook kleine groepen die zich gaan roeren om nog niet eerder gesignaleerde redenen. Vervolgens is de vraag hoe deze factoren zich kunnen gaan ontwikkelen in de toekomst door vanuit trends op macroniveau te beredeneren welke effecten deze kunnen hebben op individueel gedrag en groepsgedrag, en wat dat betekent voor terrorisme en radicalisering. Het in beeld brengen van de trends is daarom een middel, met als doel het vroegtijdig signaleren van kansen op radicalisering, mogelijk leidend tot terrorisme.
    • Evaluatie wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid

      Marseille, A.T.; Bex-Reimert, V.M.; Winter, P. de; Wever, M.; Winter, H.B. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit rechtsgeleerdheid, 2020)
      Op 1 maart 2017 is een aantal anti-terrorismewetten in werking getreden, waaronder de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in het belang van de nationale veiligheid. Door de toevoeging van artikel 14, vierde lid, aan deze wet, kreeg de minister van Justitie en Veiligheid (JenV) de daarop volgende vijf jaar de bevoegdheid om het Nederlanderschap te ontnemen van uitreizigers die zich vrijwillig hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Het gaat hierbij om een preventieve maatregel waartoe de minister zonder voorafgaande strafrechtelijke veroordeling kan beslissen. De legale terugkeer van Nederlandse leden van buitenlandse, jihadistische organisaties naar ons land wordt op deze manier verhinderd door middel van intrekking van hun Nederlanderschap. Met dit onderzoek wordt invulling gegeven aan de toezegging aan de leden van de Eerste Kamer om de wet drie jaar na haar inwerkingtreding te evalueren (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2015-2016, 34.356 (R2064), nr. 26). Het betreft een plan- en procesevaluatie.Tijdens de behandeling van de wetswijziging in de Eerste Kamer heeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie toegezegd dat artikel 14 lid 4 RWN drie jaar na inwerkingtreding zou worden geëvalueerd om vast te stellen of de bepaling na de vervaldatum (1 maart 2022) zal worden gehandhaafd, al dan niet in gewijzigde vorm. In het evaluatieonderzoek staat de volgende onderzoeksvraag centraal: In hoeverre heeft de invoering van artikel 14 lid 4 RWN de legale terugkeer van Nederlandse leden van buitenlandse, jihadistische organisaties naar Nederland door middel van intrekking van hun Nederlanderschap weten te verhinderen? Ter beantwoording van die vraag is een planevaluatie en een procesevaluatie uitgevoerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Vraagstelling en onderzoeksmethode 3. Ontneming Nederlanderschap op grond van artikel 14 lid 4 RWN 4. Planevaluatie 5. Procesevaluatie 6. Conclusies
    • Familie van uitreizigers - Onderzoek naar de rol van familieleden bij processen van uitreizen naar en terugkeren uit buitenlandse jihadistische strijdgroepen

      Weggemans, D.; Zwan, M. van der; Liem, M. (Universiteit Leiden - Faculteit Governance and Global Affairs, 2018)
      In het rapport wordt ingegaan op de volgende vraag: wat is de rol en betekenis van familieleden bij processen van voorbereiding, uitreizen naar en terugkeren uit een buitenlands strijdgebied waar jihadistische strijdgroepen actief zijn? Daarnaast hebben we in dit rapport gereflecteerd op de interventie-mogelijkheden van familieleden om de risico’s die samenhangen met processen van uitreizen naar en terugkeren uit een buitenlands strijdgebied te mitigeren en op de wijze waarop de overheid familieleden hierbij kan ondersteunen.Voor dit onderzoek zijn verschillende informatiebronnen geraadpleegd. Ten eerste is een brede literatuurstudie verricht naar de mogelijke rollen van families bij deviant gedrag, radicalisering en gewelddadig extremisme. Ten tweede is gekeken naar bestaande inzichten en beleidsdocumentatie over hedendaagse (inter-)nationale beleidsinitiatieven op het gebied van de-radicalisering, disengagement en re-integratie en de rol van familieleden hierbinnen. Ten slotte vormt een reeks aan interviews met zowel familieleden van (vermeende) uitreizigers naar Syrië en Irak, een klein aantal terugkeerders en relevante professionals de belangrijkste basis voor het empirische deel van deze studie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Familie als bevorderende of beschermende factor voor uitreizen 3. De rol van families binnen beleidsinitiatieven en programma's in Europa 4. In gesprek met families en professionals 5. Families voor de uitreis 6. Families tijdens de uitreis 7. Families na de uitreis 8. Conclusie en reflectie
    • 'Foreign terrorist fighters': strafbaarstelling van verblijf op terroristisch grondgebied? - Een toetsing aan materieel strafrechtelijke, mensenrechtelijke en volkenrechtelijke parameters

      Kempen, P.H.P.H.M.C. van; Fedorova, M.I. (Radboud Universiteit Nijmegen, 2015)
      In de motie van de Kamerleden Dijkhoff en Oskam wordt gesteld dat het onwenselijk is dat Nederlanders naar Syrië afreizen om als lid van een terroristische organisatie deel te nemen aan gewapende strijd en bij terugkeer een bedreiging vormen voor de Nederlandse veiligheid. Bij terugkomst moeten deze jihadreizigers volgens de motie worden aangehouden, verhoord en vervolgd (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2014-2015, 34 000 VI, nr. 30). Nu de Nederlandse regering reeds een wetsvoorstel in voorbereiding heeft dat voorziet in het opleggen van een uitreisverbod aan een ieder die met een Nederlandse identiteitskaart Nederland, met jihadistische intenties, wil uitreizen, verzoeken de Kamerleden de regering te onderzoeken of het mogelijk is om het vrijwillig verblijf op door een terroristische organisatie gecontroleerd grondgebied strafbaar te stellen, behoudens uitzonderingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld journalisten, en deze mogelijkheid te betrekken bij het wetsvoorstel aangaande het uitreisverbod. Het onderhavige onderzoek strekt tot beantoording van deze vraag door de overwogen gebiedsstrafbaarstelling te bezien in het licht van uiteenlopen- de fundamentele strafrechtelijke, mensenrechtelijke en volkenrechtelijke parameters. INHOUD: 1. Inleiding 2. Strafrechtelijke parameters 3. Mensenrechtelijke parameters 4. Volkenrechtelijke parameters 5. Synthese, beoordeling en conclusie
    • How jihadist networks operate - A grounded understanding of changing organizational structures, activities, and involvement mechanisms of jihadist networks in the Netherlands

      Bie, J.L. de (Leiden University - Faculty of Law, Institute for Criminal Law and Criminology, 2016)
      The rise of ISIS and the recent terrorist attacks in Europe have raised a collective alertness for a potential terrorist attack. The presence of jihadist networks in the Netherlands, and the significant outflow of young people to conflict areas in the Middle East to join the jihad, have greatly enhanced this anxiety. But how are these networks organized and how do they prepare their jihad? How do people get involved in jihadist networks and how important is ideology in that regard? Answering such questions will help to understand how jihadist networks operate, which can be useful knowledge for policy makers and practitioners who aim to counter terrorist threats. Using unique data from police files, interviews, and trial observations, while utilizing different analytical methods, this study provides an in-depth insight into the modus operandi of jihadist networks in the Netherlands. The findings show how jihadist networks have changed over the years and how this development has affected the way jihadists operate.
    • Indicatoren en manifestaties van weerbaarheid van de Nederlandse bevolking tegen extremistische boodschappen - Een theoretische en methodologische verkenning

      Mann, L.; Doosje, B.; Konijn, E.A.; Nickolson, L.; Moore, U.; Ruigrok, N. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, 2015)
      Dit onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de kenmerken van weerbaarheid van de Nederlandse bevolking tegen een extremistisch gedachtegoed en het ontwikkelen van mogelijke methoden om deze kenmerken periodiek te meten. De twee algemene onderzoeksvragen luiden: Wat is de weerbaarheid tegen extremistische boodschappen? Is deze vorm van weerbaarheid te meten en zo ja, hoe? INHOUD: 1. Introductie 2. Wat is weerbaarheid? Literatuurstudie, interviews en inzichten vanuit de praktijk 3. Analyse bestaande data: institutioneel vertrouwen 4. Analyse nieuwe data: weerbaarheid onder de Nederlandse bevolking 5. Analyse weerbaarheid middels sociale media 6. Conclusie en discussie
    • Insights from the Bin Laden Archive - Inventory of research and knowledge and initial assessment and characterisation of the Bin Laden Archive

      Bellasio, J.; Grand-Clement, S.; Iqbal, S.; Marcellino, W.; Lynch, A.; Golinski, T.R.; Cox, K.; Paoli, G.P. (Rand Corporation, 2021-05)
      Dit onderzoek biedt een overzicht van de huidige inzichten over Al Qa’ida en een eerste analyse en categorisering van het ‘Bin Laden-archief’ In 2017 openbaarde de Central Intelligence Agency (CIA) van de Verenigde Staten (VS) ongeveer 470.000 bestanden die waren gevonden tijdens de inval in de woning van Osama Bin Laden in Abbottabad (Pakistan) in 2011, het zogenaamde ‘Bin Laden-archief’. Volgens de gegevens op de website van de CIA bestaat het Bin Laden-archief uit een uitgebreide verzameling van originele bestanden afkomstig van apparaten die zijn meegenomen tijdens de inval in Abbottabad en die verondersteld worden te zijn geweest van Osama Bin Laden en andere bewoners van de woning.
    • Jihadisme en de vreemdelingenketen - De signalering van vermoedelijke jihadisten onder asielzoekers en jihadistische activiteiten in en rond asielzoekerscentra nader onderzocht

      Wijk, J. van; Bolhuis, M. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2016)
      De doelstelling van dit onderzoek is de kennis over het signaleren en detecteren van jihadisme in de Nederlandse vreemdelingenketen te vergroten, om zo een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van de signalering van jihadisme in de vreemdelingenketen. Als centrale onderzoeksvraag wordt in dit onderzoek gehanteerd:Hoe is de signalering en de informatie-uitwisseling ten aanzien van jihadisme in de Nederlandse vreemdelingenketen opgezet, hoe krijgt dit in de praktijk vorm en zijn er verbeteringen mogelijk? Zo ja, welke?In de onderzoeksvraag wordt een onderscheid gemaakt tussen signalering en informatie-uitwisseling. Vragen ten aanzien van de signalering hebben betrekking op de wijze waarop jihadisten of jihadistische activiteiten opgemerkt kunnen worden. Daarbij zien actoren in de vreemdelingenketen zich voor drie vragen gesteld: 1.) hoe kunnen binnenreizende, (reeds geradicaliseerde) jihadisten die asiel aanvragen worden herkend, 2.) hoe kunnen ronselpraktijken in de opvanglocaties worden herkend, en 3.) hoe kan radicalisering van asielzoekers op opvanglocaties worden herkend? Informatie-uitwisseling gaat over de vraag op welke wijze signalen die door actoren uit de vreemdelingenketen zijn onderkend worden gedeeld en samengebracht, zodat deze door opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten in onderling verband kunnen worden geanalyseerd en geëvalueerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Migranten, jihadisme en beleidsmaatregelen in Europa 3. Signalering van jihadisme in de vreemdelingenketen; de opzet 4. Mogelijke knelpunten bij het onderkennen van signalen en uitwisselen van informatie; wetenschappelijke inzichten 5. Het onderkennen van signalen; de praktijk 6. Informatie-uitwisseling van signalen; de praktijk 7. Conclusie
    • Jihadisme in Noordelijk Afrika - drijfveren, daden en deelgenoten van AQIM en Boko Haram

      Ait-Hida, S.; Brinkel, T. (Nederlandse Defensie Academie - Faculteit Militaire wetenschappen, 2011)
      Sinds de jaren negentig zijn op veel plaatsen in de wereld jihadistische terroristische organisaties actiefl. Zoals bijvoorbeeld in Afghanistan, Irak, Indonesië en Somalië. Niet alleen ver weg, ook in het meer nabije Noord Afrika baart een terroristische organisatie die zichzelf noemt Al-Qaida in de Islamitische Maghreb (AQIM), de nodige zorgen. En in het olierijke Nigeria lijkt de ideologie van Al-Qaida in opkomst met het optreden van de terroristische organisatie Boko Haram, die alles wat westers is verwerpelijk vindt. Deze rapportage bevat een analyse van die twee jihadistische extremistische organisaties en bewegingen in Noordelijk Afrika. INHOUD: 1. Jihad in Algerije en Nigeria 2. Al-Qaida in de Islamitische Maghreb 3. Boko-Haram
    • National Risk Assessment on Money Laundering and Terrorist Financing 2021 - Bonaire, Sint Eustatius and Saba

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2021-10)
      In 2017 and 2019/2020, the WODC Research and Documentation Centre conducted a National Risk Assessment (NRA) in the areas of money laundering and terrorist financing for the European part of the Netherlands. In 2017/2018, the WODC conducted a separate NRA for the Caribbean Netherlands – Bonaire, Sint Eustatius and Saba (or the BES islands) – in the fields of money laundering and terrorist financing (See link). A second NRA on Money Laundering and Terrorist Financing has now been carried out for the Caribbean Netherlands, which aims to identify the greatest risks in the field of money laundering and terrorist financing. This concerns the risks with the 'greatest residual potential impact', or the impact that remains after taking into account the preventive and/or mitigating effect (the 'resilience') of the policy instruments that target these threats. To this end, the threats with the greatest potential impact have been identified, and estimates have been made of the impact that these threats may have and the resilience of the policy instruments. CONTENT: 1. Introduction 2. Research methodology 3. What makes the Carribbean Netherlands vulnerable to money laundering? 4. Insight into the largest threats in the field of money laundering 5. Resilience of the policy instruments 6. Largest money-laundering risks in de Caribbean Netherlands 7. Conclusions
    • National Risk Assessment on Money Laundering and Terrorist Financing Bonaire, Sint Eustatius and Saba

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2018)
      Because of significant differences between the Caribbean and European Netherlands in terms of geographical, demographic, economic and socio-cultural characteristics (context factors) that make these parts alternately more or less vulnerable to money laundering and terrorist financing, a separate National Risk Assessment (NRA) has been conducted for these overseas Caribbean territories, i.e. Bonaire, Sint Eustatius and Saba (indicated in this report as Caribbean Netherlands or BES islands).The aim of this NRA is to identify the most significant money laundering and terrorist financing risks in terms of their potential impact and to assess the ‘resilience’ of the policy instruments designed to prevent and combat money laundering and ter-rorist financing. Resilience entails the functioning of policy instruments, whereby the following is applicable: the greater the resilience, the more effectively the in-struments combat the risk. This NRA also describes a number of lessons learned that could be taken into account in subsequent NRAs.
    • National Risk Assessment Terrorismefinanciering

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2017)
      Het doel van deze eerste NRA is het in kaart brengen van de tien grootste risico’s op het terrein van terrorismefinanciering en de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium (wet- en regelgeving) gericht op de preventie en repressie van terrorisme-financiering. Deze eerste NRA focust zich op de analyse van de tien risico’s die door experts uit een longlist van dreigingen zijn geselecteerd omdat zij deze zien als de risico’s met de grootste potentiële impact. De NRA biedt een antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Welke contextvariabelen maken Nederland kwetsbaar voor het optreden van terrorismefinanciering? Welke tien risico’s op het terrein van terrorismefinanciering kunnen – gezien de Nederlandse context – worden aangemerkt als de risico’s met de grootste potentiële impact? Welke risico’s zijn in Nederland nog niet gesignaleerd maar zouden in de toekomst actueel kunnen worden? Hoe kan hier nader zicht op worden verkregen? Welk beleidsinstrumentarium is in Nederland beschikbaar om de risico’s tegen te gaan? In welke mate mag van het beschikbare beleidsinstrumentarium worden verwacht dat ze de risico’s effectief tegengaan? Tegen welke van de risico’s zijn de Nederlandse beleidsinstrumenten ineffectief? Waarom is dat? Welke mogelijkheden bestaan om dit te herstellen? In hoeverre zijn deze mogelijkheden ook uitvoerbaar? Welke risico’s blijven bestaan na de inzet van het beleidsinstrumentarium? Wat is de ernst van de resterende risico’s als ze met elkaar vergeleken worden? Ten behoeve van de volgende NRA’s biedt deze eerste NRA ook een antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Welke kwantitatieve data kunnen bij volgende NRA’s worden gebruikt om de risico’s op terrorismefinanciering in beeld te krijgen? Welke lessen/leerpunten zijn te benoemen voor volgende NRA’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethodiek 3. Wat maakt Nederland kwetsbaar voor terrorismefinanciering? 4. Risico’s op het terrein van terrorismefinanciering 5. Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium 6. Conclusies
    • National Risk Assessment Terrorismefinanciering 2019

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2020)
      Het Nederlandse beleid ter preventie en bestrijding van terrorismefinanciering is gebaseerd op de aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en regelgeving van de Europese Unie (EU). In 2017 heeft het WODC een eerste National Risk Assessment (NRA) Witwassen en NRA Terrorismefinanciering uitgevoerd voor het Europese deel van Nederland. Een jaar later heeft het WODC op beide terreinen ook voor Caribisch Nederland – ofwel de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba – een NRA uitgevoerd (zie links bij: Meer informatie). Voor Europees Nederland is in 2019-2020 een tweede NRA Terrorismefinanciering uitgevoerd, die als doel heeft om de grootste risico’s op het terrein van terrorismefinanciering in kaart te brengen. De risicoanalyse is opgebouwd aan de hand van de ISO 31000 structuur voor risicomanagement en de daarin wetenschappelijk erkende effectieve methoden voor risicobepaling. Parallel aan de uitvoering van de tweede NRA Terrorismefinanciering is de tweede NRA op het terrein van witwassen uitgevoerd (voor Europees Nederland). INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethodiek 3. Achtergronden bij de financiering van terrorisme 4. Wat maakt Nederland kwetsbaar voor terrorismefinanciering 5. Inzicht in de grootste dreigingen op het terrein van terrorismefinanciering 6. Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium 7. Grootste risico's op het terrein van terrorismefinanciering 8. Conclusies