• Antiterrorismebeleid en evaluatieonderzoek - Framework, toepassingen en voorbeelden

      Nelen, H.; Leeuw, F.; Bogaerts, S. (Maastricht University, 2010)
      In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van een literatuurstudie naar de wijze waarop empirisch onderzoek kan worden verricht naar de werking en impact van maatregelen in de sfeer van antiterrorisme. Met het oog op de ontwikkeling van een evaluatiebeleid op dit terrein is ook aandacht besteed aan de ontwikkeling van een overkoepelend framework. INHOUD: 1. Evaluatie van antiterrorismebeleid en het belang van een evaluatie-framework 2. Beschikbaar evaluatieonderzoek in relatie tot antiterrorismebeleid 3. Het evaluatieframework: contouren en relevante aspecten 4. Voorbereiding en start van evaluatieonderzoeken 5. Methodisch-technische uitvoering van het onderzoek 6. Opzet en uitvoering van evaluatieonderzoek op drie deelterreinen 7. Leren en kennis delen 8. Discussie en hoe nu verder
    • Beleid bestrijding terrorismefinanciering - Effectiviteit en effecten (2013-2016)

      Wesseling, M.; Goede, M. de (Universiteit van Amsterdam - Amsterdam Institute for Social Science Research, 2018)
      Het Nederlandse beleid dat terrorismefinanciering tegengaat is gebaseerd op de veertig aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en op EU regelgeving die Nederland verplicht risicogericht beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering te voeren. De Beleidsmonitor terrorismefinanciering vormt onderdeel van een beleidscyclus waarin aan de hand van de risico’s van terrorismefinanciering het beleid tegen terrorismefinanciering wordt vastgesteld dat vervolgens op effectiviteit wordt geëvalueerd.De doelstelling van het rapport is om een breed overzicht te geven van de activiteiten, initiatieven en samenwerkingsverbanden in het Nederlandse landschap van de bestrijding van terrorismefinanciering. Daarbij geven we een overzicht van aantallen van meldingen, rechtszaken, bevriezing, aanwijzingen etc. De centrale vraagstelling van dit rapport is: Welke activiteiten hebben de actoren in het opsporings- en handhavingsnetwerk voor het bestrijden van terrorismefinanciering ontplooid in de periode 2013-2016, en hoe verhouden deze activiteiten zich tot de doelstellingen op dit gebied van de FATF? INHOUD: 1. Terrorismefinanciering en effectiviteit: een analyse van het FAFT raamwerk 2. Van effectiviteit naar effecten: een analyse van de wetenschappelijke literatuur 3. Onderzoeksmethoden en vertrouwelijkheid 4. Ministeries en toezichthouders in de strijd tegen TF 5. Operationele actoren in de strijd tegen TF 6. Informatie delen en samenwerkingsplatformen 7. Risico gericht werken in de praktijk 8. Opsporingsmethoden: typologieën versus namen delen
    • Beleidsinstrumenten en extremistische wereldbeelden - Een verkennend rapport

      Koning, M. de; Vliek, M. (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, 2020-12-30)
      Dit beleidsonderzoek gaat over hoe verschillende extremistische groepen of individuen beleidsinstrumenten van de overheid percipiëren, hoe zij daarop reageren en de relatie van dit overheidsbeleid met hun zelfidentificatie. Daarmee onderzoekt het de paradox van de moderne democratie: Hoe gaat een democratische samenleving om met de ondemocratische elementen in haar midden? Of het gaat om de inzet van repressieve middelen bij demonstraties, of om de re-integratieprogramma’s voor terugkerende Syriëgangers, de overheid is te allen tijde actief betrokken bij de ‘governance’ van eventueel ondemocratische elementen. Omgekeerd reageren extremistische groepen op hun beurt weer op dit overheidsbeleid; een kernaspect van al dan niet extremistisch politiek activisme is het uitdagen van de status quo. Het is deze wisselwerking tussen overheid en extremistische groepen en individuen over de verschillende beleidsinstrumenten gericht op de betrokkenen die we in dit rapport beschrijven en analyseren. Om deze wisselwerking te onderzoeken is in samenspraak met het WODC de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke werking beoogt de overheid met beleidsinstrumenten die zijn gericht op in overheidsbeleid als zodanig benoemde religieus gemotiveerde extremisten in vergelijking met andere extremistische groepen? Hoe percipiëren deze groepen dergelijke beleidsinstrumenten en hoe verhoudt zich dat tot hun handelen en zelfidentificatie? INHOUD: Inleiding, 1. Groepen in het veld: definities en plaatsing, 2. Beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, 3. Actierepertoires, 4. Alternatieve kennisbronnen, 5. Identiteiten en subjectiviteiten, 6. Conclusie
    • Bestuurlijke vrijheidsbeperking van jihadisten - Het gebruik van de 'Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding' in de eerste periode na inwerkingtreding van de wet

      Gestel, B. van; Berkel, J.J. van; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2019)
      Op 1 maart 2017 is de ‘Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding’ in werking getreden (hierna de ‘Twbmt’ genoemd). De wet is gericht op preventieve maatregelen om terroristische aanslagen te voorkomen, het gaat primair om het reduceren van de dreiging die uitgaat van de jihadistische beweging. Deze rapportage gaat over het gebruik van de wet in het eerste ander- half jaar na de inwerkingtreding van de wet en behelst de periode 1 maart 2017 – 31 augustus 2018.Het gebruik van de wet wordt in deze rapportage onderzocht aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: Hoe vaak worden de verschillende maatregelen uit de Twbmt in de praktijk ingezet? Om hoeveel casussen gaat het? Welke terroristische dreiging is gesignaleerd bij deze casuïstiek? Om welke reden zijn de maatregelen ingezet, welke overwegingen spelen daarbij een rol? Hoe verloopt het uitvoeringsproces van de inzet van deze maatregelen in de praktijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. De Tijdelijke wet - juridische kader 3. Het gebruik van de wet 4. Motieven en overwegingen 5. Dilemma's in de uitvoering 6. Slotbeschouwing
    • Centraliteitsanalyses van terroristische netwerken

      Hamers, H.J.M.; Husslage, B.G.M.; Lindelauf, R.H.A. (Universiteit van Tilburg, 2011)
      In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van een literatuurstudie naar kwantitatieve, met name speltheoretische, methoden om belangrijke actoren in terroristische netwerken te identificeren. Daarnaast wordt een tweetal casussen gepresenteerd om toepassing van deze methodologie te illustreren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Centraliteit en destabilisatie 3. Casus 1: Jemaah Islamiyah in Bali 4. Casus 2: Al Qa'ida en 9/11 5. Conclusies en slotbeschouwing
    • Copycatgedrag bij terroristische aanslagen - Een verkenning

      Bos, K. van den; Hulst, L.; Sintemaartensdijk, I. van; Schuurman, B.; Stel, M.; Noppers, M.; Graaf, B. de (medew.); Jansma, A. (medew.); Spiegel, C. (medew.); Haandrikman, M. (medew.); et al. (Universiteit Utrecht, 2021-08-20)
      Dit verkennende rapport bestudeert copycatgedrag bij terroristische aanslagen. Dit betreft gedrag dat iemand intentioneel en gemotiveerd vertoont om een bepaalde voorganger na te apen, met name een andere persoon of groep die met een terroristische aanslag in (sociale) mediaberichten de aandacht heeft getrokken. Kenmerkend aan dergelijk copycatgedrag is dat het niet rechtstreeks door een bepaalde terroristische beweging wordt aangestuurd, maar dat mensen zelf besluiten een aanslagpleger na te gaan doen. Voor dit rapport werden interviews gehouden met acht nationale en internationale experts op het gebied van copycatgedrag en terrorisme. Tevens werden twee literatuurstudies uitgevoerd. De eerste literatuurstudie was gericht op copycatgedrag bij terroristische aanslagen. De tweede literatuurstudie was gericht op copycatgedrag in andere gebieden dan terrorisme, zoals zelfdoding en schietpartijen op scholen. INHOUD: 1. Het probleem van copycatgedrag 2. De definitie van copycatgedrag 3. Bewijs voor copycatgedrag 4. Het aanpakken van copycatgedrag 5. Conclusies en aanbevelingen.
    • Counter-terrorism strategies in Indonesia, Algeria and Saudi Arabia

      Meijer, R. (ed.); Hasan, Noorhaidi; Hendriks, B.; Janssen, F. (Netherlands Institute of International Relations 'Clingendael', 2012)
      This report is the result of a year-long study, conducted from March 2010 to March 2011, of the counter-terrorist strategies of three countries: Indonesia, Algeria and Saudi Arabia. The aim of this study was to acquire insight into the counter-terrorist strategies of these countries, to analyse them, and to compare them. The main question focussed on how the combination of counter-narratives, deradicalization programmes and political changes (democratization, amnesty, etc.) in these countries interacted. CONTENT: 1. Towards a population-centric strategy 2. Algeria's counter-terrorism strategy 3. Saudi Arabia's counter-terrorism strategy 4. Conclusion 5. English abstract
    • Counterterrorism evaluation - Taking stock and looking ahead

      Bellasio, J.; Hofman, J.; Ward, A.; Nederveen, F.; Knack, A.; Meranto, A.S.; Hoorens, S. (RAND Europe, 2018)
      Recent years have seen an uptick in terrorist and violent extremist incidents occurring across Europe. European countries, including the Netherlands, face a wide threat spectrum and the volume of terrorism and violent extremism-related phenomena and crimes has also increased. In response, European countries have made significant investments in strategies, policies and programmes designed to prevent and counter terrorism, violent extremism and associated phenomena. Holistic policy responses, such as a national counterterrorism strategy, have been designed and implemented with a view to both respond to terrorist threats and attacks, and increase societal and individual resilience to the lure of extremist ideologies.Not least because of the dynamism and complexity of the phenomena involved, little is known as regards the effectiveness, relevance and impact of counterterrorism (CT) and preventing and countering violent extremism (PCVE) policies and programmes. Recent research suggests also that despite the volume of CT and PCVE initiatives established in recent years, the evidence base underpinning these remains limited and evaluation practice and investments are underdeveloped compared to the overall fields of CT and PCVE.In 2010, a study commissioned by the WODC aimed to assess evaluation practice and culture in the fields of CT and PCVE.3 The study found that evaluation of CT and PCVE strategies, policies and programmes was still in its infancy (see link at: More information).The current study investigates how evaluations of CT and PCVE policies in the Netherlands and abroad have been designed and conducted over the last five years. Furthermore, the study investigates what practical lessons can be drawn regarding such evaluations and what actions and measures could be taken in the short and medium terms to mitigate any existing shortcomings. CONTENT: 1. Introduction 2. Methodology 3. Understanding the study context and its key definitions 4. Building an analytical framework 5. Analysing CT and PCVE evaluations 6. Identifying issues and learning lessons from CT and PCVE evaluations 7. Overall conclusions and recommendations
    • CT-strategie in focus - Inventarisatie en analyse van de CT-strategie 2011-2015

      Winter, H.; Struiksma, N.; Woestenburg, N.; Bottema, R. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2014)
      Eind 2015 vindt de integrale evaluatie plaats van de ContraTerrorisme (CT)-strategie. Doel van de evaluatie is vast te stellen wat de resultaten zijn van het CT-beleid in de periode 2011-2015. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Welke maatregelen, interventies en voornemens vormen samen de CT-strategie 2011-2015, volgens welke mechanismen worden ze geacht hun doel te bereiken, welke partijen zijn be-trokken bij de in- en uitvoering ervan, wat is bekend over de kosten ervan, welke maatregelen, interventies en voornemens zijn geëvalueerd (en welke niet), wat kan gezegd worden over het effect of de resultaten ervan en welke nog niet onderzochte maatregelen zouden voor 2015 alsnog geëvalueerd dienen te worden?
    • Cybersecurity - a state-of-the-art-review - Fase 2

      Silfversten, E.; Jordan, V.; Martin, K.; Dascalu, D.; Frinking, E. (Rand Europe, 2020-12)
      Er zijn vier thema’s geïdentificeerd als de meest urgente en relevante onderwerpen voor de NCTV: 1. Cybersecurity-governance vanuit het perspectief van de nationale veiligheid; 2. Vertrouwen in informatie en data; 3. De beveiliging van vitale infrastructuur; en 4. Veiligheid van de supply chain. De NCTV heeft twee van deze vier thema’s geselecteerd voor verder onderzoek in Fase 2, te weten: 1. Cybersecurity-governance vanuit het perspectief van de nationale veiligheid; en 2. De beveiliging van vitale infrastructuur. INHOUD: Preface, Summary, Figures, Tables, Boxes, Abbriviations, Acknowledgements, 1. Introduction, 2. Cybersecurity governance in the Netherlands, 3. Managing cybersecurity capabilities and skills required for national security, 4. Measuring performance for cybersecurity policymaking, 5. Recommendations for the NCTV to improve cybersecurity governance, 6. Critical infrastructure and technology, 7. Critical infrastructure and cybersecurity maturity, 8. Critical infrastructure and improving cybersecurity, 9. Recommendations for the NCTV to improve critical infrastructure protection and cybersecurity, 10. Summary and conclusions, References, Annexes
    • De opsporing verruimd? - De Wet opsporing terroristische misdrijven een jaar in werking

      Poot, C.J. de; Bokhorst, R.J.; Smeenk, W.H.; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2008)
      Op 1 februari 2007 is de ‘wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven’ in werking getreden. Deze wet betreft een wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven. Het doel van dit onderzoek is inzicht te bieden in de wijze waarop deze verruimde opsporingsmogelijkheden in de praktijk worden toegepast. De volgende onderzoeksvragen komen daarbij aan de orde: Wat is de inhoud van de wet en wat zijn de juridische aandachtspunten? Op welke wijze is de wet geïntroduceerd bij politie en parket? Wordt de wet in de praktijk ingezet, en welke ervaringen zijn hierbij opgedaan? INHOUD: 1. Inleiding 2. De wetgeving 3. Invoering van de wet 4. Ervaringen met de nieuwe wet 5. Conclusies
    • De rol van freeze-fight-flightreacties bij plegers en slachtoffers van gewelddadige aanslagen

      Brazil, I; Hagenaars, M.; Ly, V.; Kwaks, N.; Jellema, S.; Vries, M.; Verkes, R.; Bulten, E.; Borries, K. von; Roelofs, K. (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit der Sociale Wetenschappen, 2013)
      Dit is het verslag van een literatuuronderzoek naar de mogelijke rol van fight-or-flightmechanismen bij daders (specifiek gewelddadige geradicaliseerde eenlingen) en slachtoffers van gewelddadige aanslagen. Het doorgrondronden van dader- en slachtoffergedrag vanuit de kennis over fight-or-flightgedragingen kunnen wellicht handvatten bieden voor het ontwikkelen van beleid ten aanzien van mogelijke interventies en trainingen voor professionals. De mogelijke psychologische en neurobiologische factoren die een rol spelen vóór, tijdens en na het plegen (of meemaken) van een gewelddadige aanslag zijn meegenomen in dit onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Dader 3. Slachtoffers 4. Experimenteel onderzoek naar FFF reacties bij gewelddadige delinquenten 5. Integratie 6. Referenties
    • De Wet opsporing terroristische misdrijven drie jaar in werking

      Gestel, B. van; Poot, C.J. de; Kouwenberg, R.F. (WODC, 2010)
      Op 1 februari 2007 is de ‘Wet ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven’ in werking getreden. Deze wet betreft een wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven. Deze derde rapportage biedt inzicht in de wijze waarop de verruimde mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven in de praktijk worden toegepast. De rapportage bestrijkt de periode van een jaar, lopend van februari 2009 tot februari 2010. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opsporing van terroristische misdrijven en het gebruik van de nieuwe wet 3. Opsporingsonderzoeken op grond van aanwijzingen (Titel Vb) 4. Opsporingsonderzoeken op grond van een verdenking (Titel IV en V) 5. Conclusie
    • Developing a social media response to radicalization - The role of counter-narratives in prevention of radicalization and de-radicalization

      Eerten, J.-J. van; Doosje, B.; Konijn, E.; Graaf, B. de; Goede, M. de (University of Amsterdam - Department of Psychology/Department of Political Science, 2017)
      In this report, the authors examine the extent to which counter-narrative initiatives via social media can be effective in preventing people from radicalization or can de-radicalize people. Specifically, they formulate the following research questions: (1) How can we conceptualize narratives and counter-narratives? (2) How are narratives and counter-narratives used via social media? (3) To what extent is it possible to use counter-narrative programs via social media to deradicalize individuals or prevent violent extremism? (4) What are the pre-requisites for a counter-narrative program for it to be effective? a. Which social media are most suitable and why? b. What can we learn from examples of counter-narrative programs that have been operational in other democratic countries? c. What can we learn from examples of social media campaigns in other domains, such as health care and environmental issues? d. What are the potential risks for unwanted side effects? (5) How can the potential effectiveness of such a counter-narrative program be determined? (6) What can be the role of the government in such a counter-narrative program? CONTENT: 1. Introduction 2. Radicalization, narritives and social media 3. De-radicalization through online counter-narritives campaigns? 4. What makes a counter-narritive campaign effective? 5. Determining the potential effectiveness of a program 6. The role of the government 7. Summary, conclusions, limitations and future directions
    • Dutch National Risk Assessment on Terrorist Financing 2019

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2020)
      Dutch policy to prevent and combat terrorist financing is based on the recommendations of the Financial Action Task Force (FATF) and European Union (EU) directives and regulations. Article 7 of this directive obliges EU Member States to implement a risk-based policy against money laundering and terrorist financing and to establish a National Risk Assessment (NRA). In 2017 the Research and Documentation Centre (WODC) carried out the first NRA on terrorist financing and on money laundering for the European part of the Netherlands. A year later, the WODC also conducted an NRA on both topics for the Caribbean Netherlands: the islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba (see link). A second NRA for the European Netherlands on terrorist financing has been carried out by the WODC, with the aim of identifying the greatest risks in the field of terrorist financing. These are terrorist financing risks with the greatest residual potential impact. To this end, the terrorist financing threats with the greatest potential impact have been identified, an estimate has been made of the impact these threats can have and the ‘resilience’ of the policy instruments aimed at preventing and combating terrorist financing has been determined.
    • Eerste inventarisatie van contraterrorismebeleid - Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en de Verenigde Staten - 'research in progress'

      Neve, R.; Vervoorn, L.; Leeuw, F.; Bogaerts, S. (WODC, 2006)
      Dit rapport bevat een overzicht van beleid, beleidsmaatregelen (waaronder wet- en regelgeving) en de effecten van beleidsmaatregelen met betrekking tot de aanpak van terrorisme in de Europese Unie en de VS.  Voor dit onderzoek is samengewerkt met onderzoekers in Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en de Verenigde Staten. Er is, uitsluitend op basis van open bronnen, een inventarisatie van maatregelen gemaakt op een negental beleidsterreinen. Hieraan vooraf gaat een beknopte schets van de ontwikkeling van het contraterrorismebeleid en eerdere ervaringen met terrorisme in de onderzochte landen. Er is ook een Engelse vertaling van dit rapport verschenen: First inventory of policy on counterterrorism: Germany, France, Italy, Spain, the United States - 'research in progress' (Cahiers 2006-3a). INHOUD: 1. Inleiding 2. Ervaringen met terrorisme en contraterrorisme in Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten 3. Beschrijvingen van het contraterrorismebeleid in de onderzochte landen 4. Conclusies en discussie
    • Evaluatie Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 fase 1 - Analyse en meetbaarheid beleidsmaatregelen

      Woestenburg, N.; Winter, H.; Diekema, M.; Roest, S.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2021-03)
      Bij (de uitvoering van) het contraterrorismebeleid (CT-beleid) zijn veel verschillende instanties en organisaties betrokken. Lokale, nationale en internationale overheden werken samenwerken met maatschappelijke organisaties, bedrijven en sleutelfiguren om preventieve en repressieve maatregelen te nemen. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) vervult vanaf 1 januari 2005 de coördinerende taak bij terrorismebestrijding. De NCTV beschrijft de gemeenschappelijke aanpak van terrorismebestrijding voor het eerst in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015. Aan de contraterrorismemaatregelen in de periode 2001-2010 lag geen overkoepelende strategie ten grondslag. De Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 (CT-strategie) is de opvolger van de CT-strategie 2011-2015. Het doel van de CT-strategie is het bieden van een strategisch kader aan overheidspartners voor het tegengaan van de terroristische en extremistische dreiging tegen Nederland. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek is: Wat zijn de doelen en de beleidsmaatregelen van de Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020, de verwachte bijdrage van de beleidsmaatregelen aan de doelrealisatie en bij welke maatregelen is het meten van de bijdrage die beleidsmaatregelen leveren aan de doelstellingen van de CT-strategie kansrijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nationaal Contraterrorismebeleid 3. Analyse beleidsmaatregelen 4. Het identificeren van meetbare beleidsmaatregelen 5. Handreikingen fase 2 van de evaluatie 6. Beantwoording deelvragen
    • Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

      Gestel, B. van; Kouwenberg, R.F. (medew.); Berkel, J.J. van (medew.) (WODC, 2020)
      Op 1 maart 2017 is de ‘Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding’ in werking getreden (Twbmt). De wet is gericht op preventieve maatregelen om terroristische aanslagen te voorkomen en maakt het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen:Vrijheidsbeperkende maatregelen (art. 2): een meldplicht bij de politie, een verbod om zich te bevinden in de omgeving van bepaalde objecten of in bepaalde delen van Nederland (gebiedsverbod) of zich te bevinden in de nabijheid van bepaalde personen (contactverbod).Een uitreisverbod (art. 3): een verbod om zich te begeven buiten het Schengengebied.Het weigeren of intrekken van subsidies etc. (art. 6): de mogelijkheid van een bestuursorgaan om een subsidie, vergunning, ontheffing, erkenning af te wijzen of in te trekken.De maatregelen maken onderdeel uit van het ‘Actieprogramma integrale aanpak jihadisme’ uit 2014, dat is gericht op vermindering van de terroristische dreiging die van het jihadisme uitgaat.De wet is een tijdelijke wet en vervalt vijf jaar na inwerkingtreding ervan. Uiterlijk binnen drie jaar na invoering van de wet dient de Minister de Kamers een evaluatierapport te sturen.Op verzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTV) heeft het WODC het gebruik van de wet vanaf de inwerkingtreding gemonitord, van maart 2017 tot en met september 2019. Het empirische materiaal dat tijdens deze monitor is verzameld, dient als basis voor dit evaluatierapport. Het doel van deze evaluatie is te beoordelen of de Twbmt bijdraagt aan de lokale persoonsgerichte aanpak van personen van wie een terroristische dreiging uit gaat. De evaluatie wordt gestructureerd aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: Welke veronderstellingen liggen ten grondslag aan de Twbmt? Op welke wijze en in welke situaties wordt de wet in de praktijk toegepast? Wat is het gevolg van de toepassing van de wet voor de lokale persoonsgerichte aanpak van de betrokken casussen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Veronderstelde werking van de wet 3. Juridisch kader 4. Toepassing van de wet 5. Ingeroepen rechtsbescherming 6. Situaties waarvoor de wet is ingezet 7. Uitvoering en gevolgen van de maatregelen in de praktijk 8. Conclusie
    • Evaluatie tuchtrechtelijke handhaving Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme en haar voorlopers

      Faure, M.; Nelen, H.; Philipsen, N. (WODC, 2009)
      De Wet MOT en de Wid zijn in september 2003 van toepassing verklaard op bepaalde dienstverlening van onder meer de advocatuur, het notariaat en de accountancy. Destijds is gemeend dat de nakoming van voorschriften uit hoofde van de Wet MOT en de Wid deel uitmaakt van het beroepshandelen van de advocaten en notarissen. In dit onderzoek is nagegaan of met het stelsel van deels tuchtrechtelijke handhaving zoals dat is vastgelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) bij de dienstverleners uit aan tuchtrechtelijk onderworpen beroepen (advocaten, notarissen en accountants) een effectieve handhaving kan worden bereikt.
    • Evaluatie van de Wet precursoren voor explosieven - Met aandacht voor het vergunningstelsel voor particulieren en de registratie- en meldplicht van bedrijven

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2021-06-28)
      Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwing