• Blokkeringstechnieken tegen geweld via de audiovisuele media

      Baas, N.J. (WODC, 1996)
      Dit is een literatuurverkenning van blokkeringstechnieken tegen geweld via audiovisuele media. Eerst wordt een overzicht gegeven van maatregelen die in Nederland zijn genomen om het zien van geweld door kinderen via de audiovisuele media tegen te gaan. Daarna volgt een overzicht van (binnenkort) verkrijgbare blokkeringstechnieken. Ingegaan wordt op ontwikkelingen in Canada en de Verenigde Staten. Tot slot wordt ingegaan op mogelijk toekomstige ontwikkelingen in de techniek die controle van de ouders op het kijkgedrag van hun kinderen kunnen vergemakkelijken dan wel bemoeilijken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Huidige maatregelen in Nederland 3. Huidige blokkeringstechnieken 4. Ervaringen met blokkeringstechnieken 5. Mogelijk toekomstige technische ontwikkelingen
    • Cameratoezicht in Nederland - Een schets van het Nederlandse cameralandschap

      Flight, S. (DSP-groep, 2013)
      Onderzoek naar de verschillende vormen van cameratoezicht, de doeleinden van de verwerking van de beelden, de wijze van organiseren en het delen van camerabeelden met derden voor gebruik voor andere c.q. verwante doelen, de juridische grenzen, kosten en effectiviteit ervan en de ontwikkelingen die hierop van invloed zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Domeinen en doelen 3. Organisatorisch 4. Juridisch 5. Techniek en kosten
    • CyberDEW - A "Distributed Early Warning" System

      Jansen, F. (Thales Nederland, 2015)
      The goal of this project was to create a system (CyberDEW) that detects in an early stage, cyber attacks of parts therof (e.g. elements of the reconnaissance phase).
    • Deuren op slot

      Dijk, J.J.M. van (WODC, 2012)
      LEZING: J.J.M. van Dijk - Deuren op slot; naar een verklaring voor de internationale daling van criminaliteit. SAMENVATTING: Deze aflevering is geheel gewijd aan een bijzonder gebeurtenis die afgelopen juni in Stockholm plaatsvond. De criminoloog en victimoloog Jan van Dijk ontving als eerste Nederlander de Stockholm Prize in Criminology uit handen van de Zweedse koningin Silvia. Bij de aanvaarding van deze prijs heeft Van Dijk een interessante lezing gehouden waarin hij - op basis van een analyse van de data van de International Crime Victims Survey (ICVS) - zowel een verklaring geeft voor de stijging van de criminaliteit in westerse landen tot circa 2000, alsmede voor de dalende trend sindsdien. Hij laat zien dat slachtofferenquêtes kunnen worden beschouwd als de empirische aanvulling op de gelegenheidstheorie.
    • Effect van handhaving in het verkeer - Snelheid, roodlichtnegatie, alcohol en afleiding

      Unknown author (MuConsult, 2019)
      De hoofdvraag van het onderzoek is: Wat is het effect van de diverse handhavingsactiviteiten die onder de landelijke prioriteiten vallen op de naleving van verkeersregels door automobilisten en motorrijders? De volgende onderzoeksvragen zijn hieruit gedestilleerd: In welke mate zijn automobilisten en motorrijders bekend met plekken waar gehandhaafd wordt? Is de naleving hoger op trajecten/plekken waar handhavingsmiddelen actief zijn vergeleken met trajecten/plekken waar zij niet actief zijn? Heeft het verkrijgen van een waarschuwing of sanctie na het begaan van een overtreding invloed op de naleving van automobilisten en motorrijders? Verschilt de naleving wanneer een weggebruiker betrapt wordt bij een mobiele radarset, trajectcontrole, flitspaal of staandehouding? Welke toekomstige ontwikkelingen zouden gevolgen kunnen hebben voor handhaving en de naleving van automobilisten en motorrijders? INHOUD: 1. Inleiding 2. Interviews 3. Literatuurscan 4. Praktijkonderzoek 5. Naleving, motieven en kennis over handhavingsinspanningen 6. Het effect van sancties op de naleving 7. Conclusies
    • Evaluatie pilot Alcoholmeter 2017

      Kruize, A.; Muijnck, J. de (Breuer & Intraval onderzoek & advies, 2018)
      de pilot alcoholmeter 2017 is geëvalueerd. Deze pilot is uitgevoerd in de regio’s Rotterdam en Oost-Nederland. Door het lage aantal dragers en het ontbreken van een controlegroep kon het effect of de invloed van de alcoholmeter op alcoholgebruik en delictgedrag niet op een wetenschappelijk verantwoorde wijze worden vastgesteld. In overleg met de begeleidingscommissie is daarop besloten de evaluatie vooral het karakter van een procesevaluatie te geven en de effectevaluatie los te laten. We zijn begonnen met de reconstructie van de interventielogica om de werkzame mechanismen van de alcoholmeter in beeld te brengen. Vervolgens zijn diverse onderzoeksactiviteiten uitgevoerd om het verloop van de pilot, de knelpunten en verbeterpunten in kaart te brengen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodologische verantwoording 3. Interventielogica 4. Verloop pilot 5. Dragers en ervaringen 6. Ervaringen alcoholmeter 7. Conclusies
    • Experiences of crime across the world - Key findings of the 1989 international crime survey

      Dijk, J.J.M. van; Mayhew, P.; Killias, M. (WODC, 1990)
      This report bas presented resuits from an international research project in which surveys were conducted with representative samples of national populations of people aged 16 years or more about their experiences of crime. The surveys took place in the early part of 1989. fourteen countries, in and out of Europe, conducted surveys which were fully standardized as regards sampling metliod, method of interview, and questions asked. The suwey provides unique comparative information about people’s experience of crime. It gives a measure of the extent of criminal victimization which is independent of that based on statistics of offences recorded by the police. These statistics enumerate only crimes reported to, and recorded by the police, and have been found difficult to use for comparative purposes. The survey also collected from respondents in each country comparative information about their responses to crime.
    • Fatale woningbranden 2003 en 2008 t/m 2011 - een vergelijking

      Duyvis, M.G.; Groenewegen-ter Morsche, K.; Mertens, C.; Rossum, W. van; Wolfs, L. (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV), 2012)
      In dit rapport worden de resultaten van de analyses van de fatale woningbranden in 2002, 2008, 2009, 2010 en 2011 met elkaar vergeleken en gecombineerd. Het betreft fatale woningbranden die niet met opzet zijn veroorzaakt, ofwel: de fatale woningbranden waarvoor vaststaat dat geen sprake was van brandstichting, moord of zelfmoord. De analyse van de fatale woningbranden in 2011 is in een afzonderlijk rapport weergegeven (zie link hiernaast). INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Vergelijking kenmerken fatale woningbranden 2003 en 2008 t/m 2011 4. Conclusies en aanbevelingen
    • Fatale woningbranden 2003, 2008, 2009 en 2010 - een vergelijking

      Groenewegen, K.; Kobes, M.; Vos, W. (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV), 2011)
      Onderzoek gestart onder projectbegeleiding van Directie Kennisontwikkeling voor Openbaar Bestuur en Veiligheid (BZK) en per 1/1/2011 voortgezet onder projectbegeleiding van de afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen (WODC). Om gericht en effectief brandveiligheidsbeleid te kunnen voeren en waar nodig te verbeteren, is inzicht in oorzaken, omstandigheden en het verloop van (fatale) woningbranden onontbeerlijk. Om een representatief beeld van kritische factoren bij fatale woningbranden te verkrijgen en eventuele trends te kunnen benoemen, is het noodzakelijk om gedurende een periode van meerdere jaren onderzoek te verrichten onder dezelfde onderzoekscondities. Dit onderzoek betreft een onderzoek naar de fatale woningbranden in 2010 en een vergelijking met resultaten van de eerder door het Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid (NIFV) verrichte onderzoeken naar fatale woningbranden in 2003, 2008 en 2009. Er is ook een afzonderlijke rapportage over Fatale woningbranden 2010 samengesteld (zie bij: Meer informatie).
    • Fatale woningbranden 2010

      Groenewegen, K.; Kobes, M.; Vos, W. (Nederlands Instituut Fysieke veiligheid (NIFV), 2011)
      Onderzoek gestart onder projectbegeleiding van Directie Kennisontwikkeling voor Openbaar Bestuur en Veiligheid (BZK) en per 1/1/2011 voortgezet onder projectbegeleiding van de afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen (WODC). Het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) heeft onderzoek verricht naar de oorzaken, omstandigheden en het verloop van woningbranden die in Nederland plaatsvonden in 2010, waarbij een of meerdere dodelijke slachtoffers vielen. Om gericht en effectief brandveiligheidsbeleid te kunnen voeren en waar nodig te verbeteren, is inzicht in oorzaken, omstandigheden en het verloop van (fatale) woningbranden onontbeerlijk. Om een representatief beeld van kritische factoren bij fatale woningbranden te verkrijgen en eventuele trends te kunnen benoemen, is het noodzakelijk om gedurende een periode van meerdere jaren onderzoek te verrichten onder dezelfde onderzoekscondities. In dit rapport wordt ingegaan op de resultaten van de analyse van de fatale woningbranden in 2010. De vergelijking tussen de gegevens van 2010 en de gegevens van de jaren 2003, 2008 en 2009 wordt in een separaat rapport weergegeven (zie bij: Meer infomatie).
    • Fatale woningbranden 2011

      Duyvis, M.G.; Groenewegen-ter Morsche, K.; Mertens, C.; Rossum, W. van; Wolfs, L. (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV), 2012)
      Het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) verzamelt sinds enige jaren (2003, 2008 t/m 2010) structureel data over de oorzaken, omstandigheden en het verloop van woningbranden waarbij een of meerdere dodelijke slachtoffers vielen; de zogeheten fatale woningbranden. Het NIFV baseert zich hierbij op ANP-berichten, aangeleverd door het Nederlands Brandweer en Documentatie Centrum (NBDC). Daarbij werkt het NIFV samen met de bij de betreffende fatale woningbranden betrokken brandweerkorpsen en, waar mogelijk, met de regionale brandonderzoekteams. Dit onderzoek realiseert een inhoudelijke verdieping ten opzichte van de statistieken die het CBS jaarlijks middels de Brandweerstatistiek ter beschikking kan stellen. Die verdieping is wenselijk om zicht te krijgen op kritische factoren. Wat zijn de oorzaken en omstandigheden van woningbranden met fatale afloop? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Fatale woningbranden 2011 4. Nadere analyse 5. Conclusies en aanbevelingen
    • Film- en videogeweld

      Unknown author (WODC, 1997)
      De normen inzake toelaatbaarheid van filmgeweld zijn in de loop der tijd danig opgerekt. Onschuldige films als Public Enemy kregen in de jaren dertig zware kritiek vanwege de 'sensationele' moorden die er in plaatsvonden. Deze moorden waren overigens keurig aan het oog van de kijker onttrokken. Hedentendage reageert het publiek minder geshockeerd op dergelijke misdaadfilms. Maar filmproducenten doen verwoede pogingen het geweld op te voeren. Velen menen dat het aanbod van geweldsfilms deel uitmaakt van een bredere ontwikkeling van verharding, cynisme en ruwere omgangsvormen. Anderen zien de behoefte aan geweldsfilms als een compensatie voor het leven in cleane en saaie slaapsteden die van elke opwinding zijn verstoken. Geweld en porno vullen dat vacuiim op. De vraag is natuurlijk in hoeverre het vertoonde geweld op films, videobanden en computerspelletjes van invloed is op het daadwerkelijke gedrag van (jeugdige) kijkers. Hoewel moeilijk meetbaar, lijkt er onder onderzoekers consensus te zijn dat kijken naar geweld sporen in het gedrag kan nalaten (imitatie van geweld; angstgevoelens). In twee studies die in dit nummer zijn opgenomen - zie de bijdragen van Wiegman, Van Schie en Modde en van Groebel - concluderen de onderzoekers dat er een verband bestaat tussen kijken naar geweld en daadwerkelijk gebruik van geweld. Hoe dan ook, in de media wordt op bezorgde en vaak alarmerende toon over het aanbod van filmgeweld gesproken. Van de politiek worden strengere maatregelen verwacht.
    • Filteren van kinderporno op internet - Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland

      Stol, W.Ph.; Kaspersen, H.W.K.; Kerstens, J.; Leukfeldt, E.R.; Lodder, A.R. (WODC, 2008)
      Dit project heeft als doelstelling om de Tweede Kamer te informeren over de vraag of de toepassing van technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op Internet “nuttig en effectief” kan zijn en daarbij ook de ervaringen te betrekken die hiermee in enkele andere landen zijn opgedaan. In het verlengde van van deze doelstelling is bekeken welke juridische mogelijkheden en welke mogelijkheden tot zelfregulering er zijn.
    • Function creep en privacy

      Prins, J.E.J.; Vries, M.S. de; Graaf, B.A. de; Eijkman, Q.; Schuilenburg, M.; Dijkstra, C. (WODC, 2011)
      ARTIKELEN: 1. J.E.J. Prins - Function creep: over het wegen van risico's en kansen 2. M.S. de Vries - Hoe waarschijnlijk is function creep? Een beleidswetenschappelijke analyse 3. B.A. de Graaf en Q. Eijkman - Terrorismebestrijding en securitisering; een rechtssociologische verkenning van de neveneffecten 4. M. Schuilenburg en C. Dijkstra - Achter de voordeur met stedelijke interventieteams; ontkokering of verkokering? 5. Internetsites. SAMENVATTING: In het Nederlands bestaat er nog geen bevredigende vertaling van het fenomeen 'function creep'. De uit de bestuurskunde bekende term 'doelverschuiving' komt in de buurt, maar is niet 'creepy' genoeg. Het gaat hierbij om wetten, beleidsinstrumenten, maatregelen en programma's die een geheel andere uitwerking (soms ook op een totaal ander terrein) hebben dan oorspronkelijk bedoeld. In sommige gevallen zou je kunnen spreken van neveneffecten, die echter niet per se onvoorzien hoeven te zijn. Zo hebben de talloze veiligheidsmaatregelen na de aanslagen van 11 september 2001 onmiskenbaar de privacy van burgers aangetast, maar dat neveneffect is op de koop toe genomen, opgeofferd aan een verondersteld hoger belang. Ook tal van maatregelen ter handhaving van de openbare orde en bestrijding van criminaliteit zijn onderhevig aan 'function creep'.
    • Geweld verslagen? - Een studie naar de preventie van geweld in het publieke en semi-publieke domein

      Knaap, L.M. van der; Nijssen, L.T.J.; Bogaerts, S. (WODC, 2006)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een synthese van 48 studies naar de effecten van preventie van geweld in het publieke en semi-publieke domein. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: Welke maatregelen ter preventie van geweld in het publieke en het semi-publieke domein zijn bekend en op hun effecten onderzocht in Nederland? Welke mechanismen liggen ten grondslag aan effectieve maatregelen ter preventie van geweld in het publieke en het semi-publieke domein? Onder welke omstandigheden worden de resultaten van effectieve maatregelen ter preventie van geweld in het publieke en het semi-publieke domein verwacht en bereikt? Van dit rapport is ook een volledige vertaling in het Engels uitgegeven in de serie Onderzoek en Beleid, nr. 239a. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Beschrijving van mechanismen en onderzoek 4. Effecten van preventie 5. Conclusie en discussie
    • Het gebruik van drones - Een verkennend onderzoek naar onbemande luchtvaartuigen

      Custers, B.H.M.; Oerlemans, J.J.; Vergouw, S.J. (WODC, 2015)
      In 2013 is een motie van de Kamerleden Schouw en Segers aangenomen waarin de regering wordt verzocht onderzoek te laten uitvoeren naar het gebruik van drones (Tweede Kamer, Aanhangsel Handelingen II, Vergaderjaar 2013-14, nr. 211). Het betreft een vergelijking van de wet- en regelgeving in de ons omringende landen met betrekking tot het gebruik van drones, het formuleren van de kaders voor benodigde wet- en regelgeving met aandacht voor de effecten op privacy en het in kaart brengen van de verwachte kansen en bedreigingen van drones voor de nationale veiligheid en criminaliteit. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: wat zijn de verwachte kansen en bedreigingen van het gebruik van drones, in hoeverre bieden de huidige wettelijke kaders ruimte voor deze kansen alsmede voor maatregelen tegen deze bedreigingen en, voor zover die ruimte er niet is, wat zijn de contouren van de wet- en regelgeving die daarvoor wel ruimte zou bieden? Voor de beantwoording van deze vraag zijn zes deelvragen geformuleerd: Wat voor soorten drones bestaan er en wat is er technisch mogelijk? Wat zijn de kansen en de bedreigingen van het gebruik van drones? Wat zijn, in het bijzonder, de kansen en bedreigingen van het gebruik van drones voor de nationale veiligheid en de criminaliteit? Wat zijn de kaders van bestaande wet- en regelgeving in Nederland voor het gebruik van drones door de overheid (voor civiele doeleinden) en door particulieren en wat zijn daarbij knelpunten? Wat zijn de mogelijke (negatieve) effecten van het gebruik van drones op het gebied van privacy en op welke manier kan de privacy het meest effectief worden gewaarborgd? Welke wet- en regelgeving bestaat er in de ons omringende landen met betrekking tot het gebruik van drones? Wat zijn de contouren van de benodigde wet- en regelgeving om voorbereid te zijn op het gebruik van drones? INHOUD: 1. Inleiding 2. Soorten drones 3. Toepassingen 4. Juridisch kader 5. Recht op privacy in relatie tot het gebruik van drones 6. Internationaal beleid voor het gebruik van drones 7. Conclusies
    • Hoe zetten we ze 't betaald? - Onderzoek naar de sanctionering van zwartrijden na invoering ET/BTS

      Winter, H.B.; Buissink, G.W.; Struiksma, N.; Steur, W.; Oostveen, N. van (WODC, 2005)
      De centrale vraag in dit onderzoek is op welke wijze het zwartrijden in de toekomst - na het (grotendeels) invoeren van een gesloten instapregime in 2008 - het meest effectief en efficiënt kan worden gesanctioneerd: strafrechtelijk, civielrechtelijk, bestuursrechtelijk of door een combinatie van deze. In dit kader komen de volgende vragen aan de orde: Welke sanctiemodaliteiten zijn er bij de aanpak van zwartrijden? Wat zijn de voor- en nadelen van de verschillende sanctiemodaliteiten? Buitenlandse ervaringen (Engeland, Denemarken en Zwitserland) spelen hierbij een centrale rol.
    • Inbraak

      Unknown author (WODC, 1984)
      Dit themanummer van Justitiele Verkennirigen is geheel gewijd aan het onderwerp Inbraak. Geopend wordt met een inleidend artikel van drs. A. Roe11 die zich de vraag stelt: Inbraken: Wat weten we ervan?'. De auteur zet aan de hand van onderzoeken in Nederland, V.S. en Engeland een aantal gegevens op'een rijtje met betrekking tot het fenomeen inbraak.
    • Integratie van preventie

      Unknown author (WODC, 1992)
      Criminaliteitspreventie is gegroeid van een experiment naar structureel beleid, preventie is `gewoon' geworden. Bij deze ontwikkeling dient te worden aangetekend dat justitie niet voorop heeft gelopen; in de gezondheidszorg en het welzijnswerk werd de preventiegedachte reeds in de jaren zeventig gelanceerd. De `normalisering' van preventie is daarentegen wel relatief snel verlopen, wellicht juist door haar late start. Ondanks de succesvolle introductie van de justitiele preventiegedachte in de Nederlandse samenleving, kan de vraag worden gesteld of het preventiebeleid ook daadwerkelijk een reductie van het criminaliteitsprobleem heeft opgeleverd. Wat heeft het `allemaal' opgeleverd en hoe verder? In dit themanummer wordt de stand van zaken van het preventiebeleid opgemaakt. Aanleiding hiervoor is de verschijning van de wetenschappelijke evaluatie van de vijf jaren experimenteel beleid (1986 tot en met 1990).
    • Kriminaliteit en technopreventie

      Buikhuisen, W.; Bergeijk, G.A. van (WODC, 1976)
      In dit rapport wordt ingegaan op de vraag in hoeverre technopreventie kan bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit. Een belangrijke, maar tamelijk verwaarloosde criminogene factor is het situationele element (de gelegenheid maakt de dief). Gepoogd wordt daarom het plegen van delicten te bemoeilijken, door (1) het verhinderen van de toegang tot het doelwit; (2) het signaleren van de benadering van het doelwit; en (3) het bemoeilijken van het zich toeëigenen van waardevolle objecten d.m.v. het hanteren van bepaalde procedures.