• Adolescentenstrafrecht - Effecten van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op resocialisatie en recidive

      Prop, L.J.C.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Laan, A.M. van der (WODC, 2021-05-25)
      Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in Nederland in werking getreden. Met het adolescentenstrafrecht wordt door de wetgever een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht bij 16- tot 23-jarigen beoogd. Het adolescenten-strafrecht is geen apart type strafrecht maar bestaat uit een aantal wijzigingen in het wetboek van Strafrecht en wetboek van Strafvordering. De nadruk ligt daarbij op de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen (artikel 77c Sr.) en de advisering ten behoeve van de berechting. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op recidive en resocialisatie. Dit onderzoek is zowel beschrijvend als evaluerend van aard. De volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: 1 a Wat zijn de kenmerken van opleiding, woonsituatie en werk (resocialisatie) van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? b Welke veranderingen doen zich voor in resocialisatie bij jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht na afronding van de sanctie in vergelijking met de situatie bij instroom bij het OM? c Wat is de recidive van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? d Wat is de relatie tussen veranderingen in resocialisatie en recidive? e Wat is de relatie tussen verschillende jeugdsancties (voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetenties en taakstraffen) en recidive? 2 a Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op de recidive twee jaar na afronding van de opgelegde sanctie? b Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op veranderingen in opleiding, woonsituatie en werk (als indicatoren van resocialisatie)?
    • Alternatives to prison sentences - Experiences and development

      Junger-Tas, J. (WODC, 1994)
      This study presents an overview of experiences with alternative sanctions in other countries with a view to the future development of the Dutch sanctioning system. The principal objective of the study was to examine the use of alternatives to prison with respect to their effectiveness and efficiency.
    • Anders straffen

      Unknown author (WODC, 1993)
      Deze aflevering van Justitiële Verkenningen is gewijd aan andere dan de traditionele strafrechtelijke straffen. Deze alternatieven, tegenwoordig `taakstraffen' genoemd, hebben een sterke groei doorgemaakt, niet alleen gemeten in het aantal keren dat zij worden opgelegd, maar ook in de ongekende rijkdom aan mogelijke varieteiten.
    • Beter dan zitten... - Jongeren over taakstraffen

      Eggermont, M.; Chorus, M. (medew.) (Onderzoeksburo Perspektief, 1997)
      In dit boek wordt verslag gedaan van een kwalitatief onderzoek waarin deze vragen centraal staan:Kunnen taakstraffen in pedagogisch opzicht als goede straf worden beschouwd?Hebben ze effect?Wat voor effect is dat?Daarvoor werden veertig jongeren aan wie zo'n taakstraf was opgelegd, gevolgd vanaf hun eerste gesprek met de strafcoördinator van de Raad voor de Kinderbescherming tot na de uitvoering van hun taakstraf. In halfgestructureerde interviews vertelden zij over hun ervaringen en belevenissen rondom de straf en alles wat daarmee voor hen verband hield. Zo ontstond een boeiend beeld van het perspectief van jongeren op de praktijk van de taakstraffen. Op basis daarvan wordt die praktijk in dit boek geëvalueerd, waarbij zowel het al of niet bereiken van de justitiële doelen als de effecten en het pedagogische karakter van de verschillende taakstraffen worden belicht.
    • De burger als rechter - een onderzoek naar geprefereerde sancties voor misdrijven in Nederland

      Ruiter, S.; Tolsma, J.; Hoon, M. de; Elffers, H.; Laan, P. van der (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit & Rechtshandhaving (NSCR), 2011)
      Welke straffen prefereren Nederlandse burgers voor diverse delicten? Dat is de vraag die in dit onderzoek centraal heeft gestaan. De reden om geïnteresseerd te zijn in die kwestie is dat regelmatig in politieke kringen en de media gesuggereerd wordt dat de Nederlandse strafrechters geheel andere en wel veel mildere straffen zou opleggen dan het Nederlandse publiek zou willen. Of dat zo is, is volgens wetenschappers echter allerminst een uitgemaakte zaak, en dat is in deze studie nader onderzocht. Daarom wordt ook nagegaan hoe de voorkeuren van burgers zicht verhouden tot de rechterlijke praktijk. INHOUD: 1. Introductie en vraagstelling 2. Onderzoeksopzet 3. Sanctieoordelen van burgers-als-rechter bij verschillende typen delict 4. De invloed van kenmerken van delictscenario's op sanctieoordelen van burgers-als-rechter 5. De invloed van strafdoelen en andere kenmerken van burgers-als-rechter op hun sanctieoordelen 6. De invloed van informatie over kosten van en recidive na sancties op sanctieoordelen van burgers-als-rechter 7. Oordelen van burgers-als-rechter en rechterlijke uitspraken vergeleken 8. Samenvatting en discussie
    • Econometrische evaluatie 'Prognose sanctiecapaciteit'

      Theeuwes, J.J.M.; Winter, J.M. de (Universiteit van Amsterdam - Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO), 1998)
      Dit onderzoek betreft een toetsing van de betrouwbaarheid van het SCP-model gevangeniswezen en taalcstraffen meerderjarigen; in de verdere tekst te benoemen als JUKEBOX 1 model (JUKE - staat voor JUstitie-KEten; BOX 1 slaat op het feit dat het het eerste model is in een serie). Het onderzoek spitst zich toe op de hoofdvraag: wat is (retrospectief) de voorspelkracht van het JUKEBOX 1 model?
    • En plein public - Praktijk en jurisprudentie bij openlijke geweldpleging tegen functionarissen met een publieke taak

      Nan, J.S.; Grimmelikhuijzen, D.G.J.; Vis, C.L. van der; Mevis, P.A.M. (medew.); Mascini, P. (medew.); Boer, V.K. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law, 2020)
      De aanleiding voor het onderhavige onderzoek is gelegen een motie van Kamerleden Helder, Van Oosten en Van Dam, die oproep hield in dat de ervoor moest worden gezorgd “dat alle geweldsfeiten, inclusief poging tot, tegen politieagenten en andere publieke functionarissen onder de werking van artikel 22b, lid 1 Wetboek van Strafrecht worden gebracht, zodat geweldplegers niet langer weg kunnen komen met alleen een taakstraf of geldboete.” Dit onderzoek heeft tot doel gehad “de jurisprudentie en praktijk bij openlijke geweldpleging tegen functionarissen met een publieke taak te onderzoeken om te bepalen of ontwikkelingen in de samenleving en ongewenste of onvoorziene uitwerking van wetsartikelen aanleiding geven tot een andere afweging.”Aan dit onderzoek lag gelet op het voorgaande dan ook de volgende centrale probleemstelling ten grondslag: Is er voldoende aanleiding om, net als de misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303 Sr, het misdrijf omschreven in art. 141 lid 1 Sr (toch) onder het taakstrafverbod van art. 22b lid 1 sub b Sr te laten vallen, indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een persoon in de uitoefening van een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid?
    • Evaluatie Wet beperking oplegging taakstraffen

      Ridder, J. de; Emans, B.J.M.; Hoving, R.A.; Krol, E. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2018)
      Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de invoering van art. 22b Sr. in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM heeft geleid tot de beoogde aanpassing van de toepassingspraktijk inzake het adviseren, vorderen en opleggen van taakstraffen en tot de daarmee door de wetgever beoogde doelen. Deze doelstelling is te vertalen in de volgende onderzoeksvragen: Welke doeleinden beoogde de wetgever te verwezenlijken met de invoering van art. 22b Sr in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM, welke beleidstheorie ligt aan de keuze van die doelstellingen ten grondslag en in hoeverre is deze beleidstheorie ex ante gefundeerd? Heeft de invoering van art. 22b Sr in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM geleid tot een blijvende aanpassing van de praktijk van het rekwireren en opleggen van taakstraffen? In hoeverre zijn sinds 1 januari 2012 de beoogde effecten opgetreden en in hoeverre zijn die dat toe te schrijven aan een (blijvende) aanpassing van de in vraag 2 bedoelde uitvoeringspraktijk? Als casusstudies zijn gebruikt: een dodelijk verkeersongeval, ongeregeldheden bij een KNVB-bekerfinale, Project X Haren, en mishandeling door een kopschopper. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie 3. Trends en de werking van artikel 22B Sr 4. Doelbereiking 5. Samenvatting en slotbeschouwing
    • Evaluatie Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets)

      Nauta, O.; Aalst, M. van; Özgül, P. (DSP-groep, 2018)
      De Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets) is van toepassing indien sprake is van overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen tussen de lidstaten van de Europese Unie. De kaderbesluiten zijn gebaseerd op het Verdrag betreffende de Europese Unie en beogen de strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, voorwaardelijke en alternatieve straffen te intensiveren en vergemakkelijken. Het onderzoek geeft antwoord op de vraag hoeveel inkomende en uitgaande Wets-verzoeken er sinds de inwerkingtreding succesvol zijn afgehandeld. Uit welke landen komen de certificaten, wat zijn de termijnen voor afhandeling, wat is de gemiddelde duur van de overgenomen straffen, welke weigeringsgronden worden toegepast? Wat gaat er goed rondom de Wets en wat kan er beter?De evaluatie zal bestaan uit twee fases. De eerste fase is van kwantitatieve aard. Deze fase is er op gericht, om op basis van data die beschikbaar zijn bij afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de DJI, het OM en IRC Noord-Holland cijfermatige informatie te genereren over de toepassing van de Wets in de praktijk. Hierbij dient aandacht uit te gaan naar het aantal inkomende en uitgaande certificaten voor zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke sancties dat is ontvangen dan wel verzonden. Daarnaast moet worden onderzocht wat de karakteristieken zijn van afgehandelde zaken en of en hoe die karakteristieken met elkaar samenhangen. In de tweede fase zal aan de hand van kwalitatief onderzoek onder uitvoerende partijen worden bepaald hoe de Wets in de praktijk wordt toegepast en hoe dit wordt ervaren (wat loopt goed en wat kan worden verbeterd?). Daarbij moet ook worden onderzocht of de toepassing plaatsvindt volgens de toepasselijke regels en werkafspraken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. Formeel kader Wets 4. Vrijheidsbenemende sancties 5. Voorwaardelijke alternatieve sancties 6. Profiel Wets-zaken 7. Aandachtspunten 8. Conclusies
    • Het schemergebied van het straffen

      Bunt, H.G. van de; Vegter, P.C.; Kalmthout, A.M. van; Bleichrodt, F.W.; Linden, B. van der; Huisman-Troost, J.E.; Boone, M.M.; Ploeg, G.J.; Beijers, W.M.E.H. (WODC, 2000)
      ARTIKELEN: 1. Prof. dr. H.G. van de Bunt - Aan het eind van de keten; de strafexecutie stiefmoederlijk bedeeld 2. Prof. mr. P.C. Vegter - Het sanctiestelsel op de schop? 3. Drs. A.M. van Kalmthout - Meten met geijkte maten; een nieuw perspectief voor de straftoemeting? 4. Mr. F.W. Bleichrodt - Creativiteit en voorwaardelijke sanctionering 5. Drs. B. van der Linden - Voorwaardelijke invrijheidstelling; terug van weggeweest 6. Mr. J.E. Huisman-Troost - Informatie-uitwisseling in de strafrechtsketen; het Centraal Justitieel Incasso Bureau als informatiemakelaar 7. Mr. M.M. Boone - Executie van taakstraffen; naar een betere afbakening van bevoegdheden 8. Dr. G.J. Ploeg - Schemertijd in het taakstrafhuis; de expansieve groei van de taakstraf 9. Drs. W.M.E.H. Beijers - Voornemens sanctiebeleid getoetst; verslag van een bevolkingsonderzoek over straffen SAMENVATTING: De laatste decennia is het arsenaal aan straffen en maatregelen in Nederland behoorlijk uitgebreid. De politie, het Openbaar Ministerie en de (straf)rechter krijgen steeds meer mogelijkheden om ‘maatwerk’ te leveren. De sterk toegenomen differentiatie heeft onmiskenbaar voordelen, maar leidt ook tot kritische vragen. Komt de rechtszekerheid niet in het geding? Met de vele mogelijkheden die er zijn, wordt het immers steeds moeilijker te voorspellen welke sanctie in welke situatie zal worden opgelegd. En hoe zit het met rechtsgelijkheid: hoe verhouden de verschillende hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen zich eigenlijk tot elkaar? Deze en andere vragen werden aan de orde gesteld tijdens het WODC-jaarcongres van 18 mei dat in het teken stond van het afscheid van directeur prof. Henk van de Bunt. De lezingen die tijdens dit congres werden gehouden vindt u terug in dit themanummer van JV.
    • Monitor Veelplegers 2016 - Trends in de populatie zeer actieve veelplegers uit de periode 2003 tot en met 2014

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Tollenaar, N.; Laan, A.M. van der (WODC, 2016)
      In dit factsheet zijn op landelijk niveau de nieuwste statistieken over de volwassen zeer actieve veelplegers uit de periode 2003 tot en met 2014 weergegeven. De hoofdvraag die we beantwoorden, is: Welke verschuivingen hebben zich voorgedaan in de aantallen zeer actieve veelplegers en hun delictgedrag, hun achtergrondkenmerken, recidive en afdoeningen?
    • Monitor Veelplegers 2016 - Transitie van de oude naar de nieuwe definitie van zeer actieve veelpleger, methodologische onderbouwing

      Tollenaar, N.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Laan, A.M. van der (WODC, 2016)
      In dit rapport worden de nieuwste resultaten uit de Monitor Veelplegers (MV) ge-presenteerd. Omdat de landelijke definitie van zeer actieve veelplegers (ZAVP’s) sinds januari 2014 veranderd is in de justitiepraktijk, is ook de MV anders opgebouwd. Sinds 1 januari 2014 wordt de groep ZAVP’s die op de zogeheten ‘veelplegerslijst’ afkomstig van het Parket-Generaal komen, als volgt omschreven: Een zeer actieve veelpleger is een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. De doelstelling van dit rapport is vanwege de verandering in definities en bronnen tweeledig. Ten eerste wordt nagegaan wat de consequenties zijn van de verandering in definitie van ZAVP’s. Ten tweede gaan we in op de ontwikkelingen in achtergrondkenmerken, sancties en recidive die zich voordoen onder ZAVP’s waarbij we zowel kijken naar de ontwikkelingen op basis van de oude als op basis van de nieuwe definitie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Empirische verschillen in veelpleegcijfers: oude en nieuwe definitie 4. Ontwikkelingen in de tijd MV 1.0 (oude definitie) 5. Ontwikkelingen in de tijd MV 2.0 (nieuwe definitie) 6. Conclusie
    • Monitor Veelplegers 2017

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Tollenaar, N.; Laan, A.M. van der (WODC, 2018)
      Om de ontwikkelingen binnen de groep zeer actieve veelplegers (ZAVP) goed te kunnen volgen, dient met regelmaat de omvang en samenstelling van deze groep bijgehouden worden. Sinds 2005 wordt een dergelijke monitoring al uitgevoerd door het WODC.Het huidige rapport betreft de elfde meting van de Monitor Veelplegers en geeft antwoord op de vraag wat de ontwikkelingen zijn binnen de populatie zeer actieve veelplegers (ZAVP’s) in de periode 2003 tot en met 2015. Er wordt gekeken naar absolute en relatieve aantallen, kenmerken van de daders zelf, de manieren waarop zij gesanctioneerd worden en hun recidivegedrag. Verder is er specifiek aandacht voor jongvolwassen ZAVP’s en ZAVP’s die high impact crimes plegen (dat wil zeggen overvallen, straatroof en woninginbraken). INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Zeer actieve veelplegers 4. Zeer actieve jongvolwassen veelplegers 5. High impact crime-ZAVP's 6. Gedetineerde en ISD-ZAVP's 7. Samenvatting en discussie
    • Programma-evaluatie Sociale vaardigheidstraining en taakstraf Seksualiteit

      Heerwaarden, Y. van; Slump, G.J.; Pach, J. (medew); Walraven, G. (medew.) (WODC, 2004)
      Doel van het onderzoek is het leveren van een programma-evaluatie (met name met betrekking tot de beginselen van effectief ingrijpen) van twee leerstraffen “SOVA” en “Seksualiteit”. Nagegaan wordt in hoeverre ingrediënten aanwezig zijn, waarvan bekend is dat ze een relatie hebben met de effectiviteit van deze interventies.
    • Straffen in een moderne samenleving - Josine Junger-Tas symposium

      Unknown author (WODC, 1994)
      Voor het WODC is 1994 een bijzonder jaar. Het wetenschappelijk centrum van het ministerie van Justitie viert dan onder deze naam zijn twintigjarig bestaan en sluit een proces van interne verzelfstandiging in vertrouwen af. Bovendien draagt in 1994 het hoofd van het WODC, dr. Josine Junger-Tas, haar functie over aan prof. dr. H.G. van de Bunt. Ter ere van Josine Junger-Tas, die een zo belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de — ook internationaal — goede naam en faam van het WODC, is een symposium georganiseerd over Straffen in de moderne samenleving. Na het anti-autoritarisme en het abolitionisme van de jaren zestig en zeventig, is vanaf het begin van de jaren tachtig een kentering opgetreden in het denken over straffen. Straffen 'mag' weer en de rechtvaardiging van strafrechtelijke sancties wordt niet meer uitsluitend gezocht in de resocialiserende werking ervan, maar opnieuw ook in onschadelijkmaking en vergelding. Tegen deze achtergrond komen in dit themanummer, waarin de voordrachten van de symposiumdag zijn opgenomen, onder meer de volgende vragen aan de orde: welke functie heeft straffen in de opvoeding; kan de gevangeniscapaciteit worden ontlast door in meer gevallen dan thans alternatieve sancties op te leggen; zijn, onder meer daartoe, richtlijnen voor straftoemeting nodig; hoe moet het gevangenisbeleid er uitzien; en worden de mogelijkheden van het strafrecht niet overschat?
    • Taakstraffen voor minderjarigen - Toepassing en uitvoering opnieuw belicht

      Blees, L.W.; Brouwers, M. (WODC, 1996)
      Aan de hand van dossieronderzoek en interviews wordt een beschrijving gegeven van de toepassing en uitvoering van taakstraffen voor minderjarigen. Het onderzoek is uitgevoerd in zes arrondissementen waarvan twee in het bijzonder (Amsterdam en Arnhem) en betreft taakstraffen verricht in 1994. In het rapport worden tevens enkele ontwikkelingen geschetst die zich in de afgelopen tien jaar hebben voorgedaan.
    • Terug naar de toekomst - het beroep op Justitie, 1997-2007: raming en realisatie

      Moolenaar, D.E.G.; Tulder, F.P. van; Gammeren-Zoeteweij, M. van (WODC, 2009)
      Goede ramingen van het in de komende jaren te verwachten beroep op de verschillende onderdelen van de justitiële ketens zijn van belang ter onderbouwing van de Justitiebegroting. Al meer dan een decennium worden jaarlijks dergelijke ramingen opgesteld. Dit Cahier blikt terug en gaat in op de kwaliteit van deze ramingen: in hoeverre gaven de ramingen destijds goed inzicht in wat de toekomst op dit gebied zou brengen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. De voorspelfouten van de PMJ-ramingen 4. Nadere analyse van de PMJ-ramingen 5. Nabeschouwing en conclusies
    • Terug naar de toekomst II - Het beroep op justitiële voorzieningen 2008-2017: raming en realisatie

      Moolenaar, D.E.G.; Tulder, F.P. van; Decae, R.J.; Smit, P.R.; Diephuis, B.J. (WODC, 2018)
      Goede ramingen van het in de komende jaren te verwachten beroep op de verschillende delen van de justitiële ketens zijn van belang ter onderbouwing van de begroting. Al twee decennia worden daarom jaarlijks ramingen opgesteld van het beroep op delen van de justitieketen. Allereerst worden zogenoemde beleidsneutrale ramingen opgesteld. Dat wil zeggen, ramingen die uitgaan van gelijkblijvend beleid en waarin dus de mogelijke effecten van nieuwe wet- en regelgeving niet zijn verwerkt. De beleidsneutrale ramingen zijn sinds de begroting 2005 gemaakt met het zogenoemde Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) en tot en met de begroting 2004 met een voorloper hiervan. Kortheidshalve spreken we verder van de PMJ-ramingen.Dit cahier blikt terug en gaat in op de kwaliteit van de beleidsrijke ramingen: in hoeverre waren deze in staat de inmiddels bekende werkelijke ontwikkelingen te voorzien? Daarbij wordt gekeken naar de kwaliteit van de uitgangswaarden, de ramingen zelf en de ingeschatte beleidseffecten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodiek 3. Voorspelfouten per ketenfase 4. Voorspelfouten veiligheid 5. Voorspelfouten Civiele rechtspraak en bestuursrechtspraak 6. Aanvullende analyses 7. Conclusie en nabeschouwing
    • Vervangende taakstraf bij het niet betalen van een geldboete - Pre-evaluatie

      Boone, M.; NIeuwbeerta, P.; Rap, S.; Schuyt, P.; Liefaard, T.; Franken, J. (medew.); Gier, N. de (medew.); Holterman, R. (medew.) (Universiteit Leiden - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2021-07-07)
      In dit onderzoek stond de volgende probleemstelling centraal: Wat is de verwachte uitwerking van het wettelijk invoeren van de mogelijkheid om na niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete een vervangende taakstraf te laten verrichten op de betrokken justitiabelen en de maatschappij als geheel? Welke positieve en welke negatieve gevolgen zijn te verwachten en waar zijn die verwachtingen op gebaseerd? De probleemstelling wordt in dit rapport beantwoord aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: 1. Heeft de wetgever zich eerder uitgelaten over het al dan niet invoeren van een vervangende taakstraf voor volwassenen en, zo ja, wat waren toen de overwegingen het niet te doen? 2. Wat is over een eventuele vervangende taakstraf bij volwassenen te leren uit ervaringen met vervangende taakstraffen bij jeugdigen in Nederland en uit ervaringen met een dergelijke modaliteit in het buitenland? 3. Wat is de relatie tussen kenmerken van het boetevonnis (bijvoorbeeld de hoogte van de strafrechtelijke boete en het type delict waarvoor het is opgelegd) en het uitzitten van de vervangende hechtenis – versus het betalen ervan? (Bijvoorbeeld: worden lagere boetes substantieel vaker betaald dan hogere?) 4. Wat zijn de karakteristieken van de vervangende hechtenis (bijvoorbeeld de duur van de hechtenis, het boetebedrag en het gepleegd delict en van de uitgezeten vervangende hechtenis na niet-betaling van de strafrechtelijke geldboete? 5. Welke kenmerken hebben boetevonnissen die als vervangende hechtenis zijn afgedaan (na niet-betaling strafrechtelijke geldboete), in vergelijking met de boetevonnissen die wel zijn betaald (en geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)? 6. Welke kenmerken hebben de mensen die in vervangende hechtenis worden genomen na niet-betaling strafrechtelijke geldboete, in vergelijking met de mensen die een stafrechtelijke boete wel betalen? (Het gaat hier uitsluitend om kenmerken die iets kunnen zeggen over het willen of kunnen betalen van een boete, niet om algemene persoonskenmerken. Denk bijvoorbeeld aan het hebben van schulden.) 7. Wat weten we uit de literatuur over de mate waarin vervangende hechtenis leidt tot de in de motie veronderstelde nadelige gevolgen (verlies woning en werk) en, zo ja, in welke mate? 8. Wat zijn volgens de literatuur en (praktijk)deskundigen de oorzaken en/of motieven van betrokkenen voor niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete? 9. Is het aannemelijk dat de veroordeelden die hun geldboetes niet betalen, gelet op kenmerken en motieven, gebruik zullen maken van de mogelijkheid een vervangende taakstraf te verrichten om zo vervangende hechtenis te voorkomen en, zo ja, in welke mate? 10. In hoeverre draagt de invoering van een vervangende taakstraf naar verwachting bij aan het wegnemen van de in de motie veronderstelde gevolgen (verlies woning en werk) en de vermindering van de kans op recidive? 11. Wat is te zeggen over de financiële kosten en opbrengsten van de huidige praktijk voor de Staat? Zouden die naar verwachting toe- of afnemen met de invoering van een vervangende taakstraf? INHOUD: 1. Inleiding en Onderzoeksopzet, 2. Van veroordeling naar vervangende hechtenis, 3. De omzetting van de geldboete naar een taakstraf in het jeugdstrafrecht, 4. Taakstraf in plaats van vervangende hechtenis in het buitenland: Duitsland en Noorwegen, 5. Kwantitatieve analyse van afdoeningen van boetevonnissen, 6. Kenmerken van gedetineerden die vervangende hechtenis ondergaan, 7. Verwachte gevolgen van een vervangende taakstraf, 8. Samenvatting en conclusie
    • Werkstraffen: succes verzekerd? - Succes- en faalfactoren bij werkstraffen van meerderjarigen

      Lünnemann, K.; Beijers, G.; Wentink, M.; Tan, S. (medew.); Junger-Tas, J. (medew.); Oomens, H. (medew.) (WODC, 2005)
      Dit is een verslag van een onderzoek naar het verbeteren van de uitvoering van werkstraffen die aan volwassenen worden opgelegd of aangeboden. De bedoeling is het verhogen van het aantal succesvol afgeronde werkstraffen en een strafrechtelijk vervolg geven aan mislukte werkstraffen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt naar drie groepen werkgestraften. - Werkgestraften die niet starten met de werkstraf; - Werkgestraften die wel een intakegespreke hebben gehad, maar de werkstraf niet hebben voltood; - Werkgestraften die de werkstraf daadwerkelijk hebben afgerond (voltooid).