• Aanpak georganiseerde criminaliteit in drie proeftuinen - eerste bevindingen

      Flight, S.; Bogaerts, S.; Korf, D.; Siegel, D. (WODC, 2010)
      Proeftuinen zijn intelligence gerichte leeromgevingen waarin OM en politie niet alleen opsporen met innovatieve opsporingsmethoden, maar ook ander partners als bestuur, providers en energiebedrijven betrekken bij het bestrijden van een criminaliteitsprobleem. In dit overkoepelende verslag worden de ervaringen uit de drie proeftuinen gebundeld en wordt een voorstel gedaan voor de tweede fase van de evaluatie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Aanleiding en samenwerkingspartners 3. Bevindingen uit de proeftuinen 4. Evaluatiekader en vervolg
    • Aanpak in ontwikkeling - Strategie, samenwerking en visie bij huiselijk geweld

      Kuppens, J.; Cornelissens, A.; Ferwerda, H. (WODC, 2006)
      De aandacht voor huiselijk geweld groeit. Zowel beleidsmatig als hulpverleningstechnisch zijn veel instantie bezig huiselijk geweld in te perken. Ook de gemeenten, politie en OM zijn hierbij betrokken. Deze instanties werden in 2003 onderworpen aan een inventarisatie, waarbij de volgende speerpunten werden beoordeeld: - het gevoerde beleid; - de samenwerking; - de deskundigheidsbevordering (scholing). Deze rapportage bevat de tweede inventarisatie die zich naast genoemde speerpunten richt op borging, registratie en voorlichting.
    • Alles in één keer goed - Naar kortere doorlooptijden in de strafrechtketen - Quick scan over ervaringen en verwachtingen met betrekking tot doorlooptijden in VPS-projecten

      Struiksma, N.; Woestenburg, N.; Anema, K.; Boxum, C.; Winter, H. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto juridisch en bestuurskundig onderzoek/advies/onderwijs, 2016)
      In dit onderzoek is een kwalitatieve inventarisatie uitgevoerd van de gepercipieerde mate van realisatie van de doelstellingen met betrekking tot de doorlooptijden van een aantal VPS-projecten. In 2015 en begin 2016 heeft de directie Strafrechtketen van het ministerie van V&J onder begeleiding van het WODC een kwantitatief onderzoek uitgevoerd naar de huidige doorlooptijden in de strafrechtketen. Beide onderzoeken zijn erop gericht dat de Werkgroep (door)ontwikkeling bestuurlijke informatievoorziening strafrechtketen goed onderbouwde doelstellingen kan formuleren voor de doorlooptijd van afhandeling van zaken door de strafrechtketen als geheel. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn met betrekking tot de snelheid en doorlooptijden de doelen en achterliggende interventietheorie van een aantal, in het kader van het onderzoek te selecteren projecten van Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) en wat zijn de ervaringen, percepties en verwachtingen over de doeltreffendheid met betrekking tot de snelheid en doorlooptijden in relatie tot de kwaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Programma Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) 3. Verkeerstoren++ 4. Mobiel effectief op straat 5. Kwaliteitsverbetering proces van opsporing en vervolging 6. Strafrechtketen versterkt en versnelt (Lean Six Sigma) 7. ZSM en inloopzittingen 8. Modernisering Wetboek van Strafvordering: digitalisering 9. Wet uitbreiding gronden voorlopige hechtenis 10. Beantwoording van de deelvragen
    • Behoeftenonderzoek Alerteringssystemen

      Bouwmeester, J.; Das, E.; Franx, K.; Holzmann, M. (I&O Research, 2013)
      Bij de politie bestaat soms onduidelijkheid over de inzet van de diverse alerteringsystemen zoals burgernet, sms alert en amber alert bij een persoonsvermissing, de vermissing van een voertuig of het oplossen van een misdrijf. Gezamenlijk worden ze aangeduid als de alerteringsfamilie. De doelstelling van dit onderzoek is het bieden van inzicht in de verwachtingen en behoeften van burgers ten aanzien van het gebruik van alerteringssystemen door de overheid. Het onderzoek biedt de overheid aanknopingspunten voor de wijze waarop burgers zijn te stimuleren om zich op te geven voor alerteringssystemen en om zich hiervoor in te zetten. Daarnaast zijn de resultaten te gebruiken als input voor een effectieve inzet van de alerteringssystemen, die aansluit bij de wensen en verwachtingen van burgers. INHOUD: 1. Inleiding 2. Huidige inzet van alerteringssytemen 3. Perceptie, waardering en verwachtingen 4. Motieven voor deelname aan alerteringssystemen
    • Beleid bestrijding terrorismefinanciering - Effectiviteit en effecten (2013-2016)

      Wesseling, M.; Goede, M. de (Universiteit van Amsterdam - Amsterdam Institute for Social Science Research, 2018)
      Het Nederlandse beleid dat terrorismefinanciering tegengaat is gebaseerd op de veertig aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en op EU regelgeving die Nederland verplicht risicogericht beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering te voeren. De Beleidsmonitor terrorismefinanciering vormt onderdeel van een beleidscyclus waarin aan de hand van de risico’s van terrorismefinanciering het beleid tegen terrorismefinanciering wordt vastgesteld dat vervolgens op effectiviteit wordt geëvalueerd.De doelstelling van het rapport is om een breed overzicht te geven van de activiteiten, initiatieven en samenwerkingsverbanden in het Nederlandse landschap van de bestrijding van terrorismefinanciering. Daarbij geven we een overzicht van aantallen van meldingen, rechtszaken, bevriezing, aanwijzingen etc. De centrale vraagstelling van dit rapport is: Welke activiteiten hebben de actoren in het opsporings- en handhavingsnetwerk voor het bestrijden van terrorismefinanciering ontplooid in de periode 2013-2016, en hoe verhouden deze activiteiten zich tot de doelstellingen op dit gebied van de FATF? INHOUD: 1. Terrorismefinanciering en effectiviteit: een analyse van het FAFT raamwerk 2. Van effectiviteit naar effecten: een analyse van de wetenschappelijke literatuur 3. Onderzoeksmethoden en vertrouwelijkheid 4. Ministeries en toezichthouders in de strijd tegen TF 5. Operationele actoren in de strijd tegen TF 6. Informatie delen en samenwerkingsplatformen 7. Risico gericht werken in de praktijk 8. Opsporingsmethoden: typologieën versus namen delen
    • Bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit - Onderzoek naar de stand van zaken in 2012

      Smits, J.; Sibma, A.; Roodnat, J.; Schudde, B. (Arena Consulting, 2013)
      Het primaire doel van het onderzoek is het krijgen van inzicht in de stand van zaken in het gemeentelijk beleid en organisatie van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit in 2012 en in de verschillen met 2009. Daarbij moet het onderzoek inzicht geven in de opvattingen van gemeenten over ondersteuning die de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC's) hebben geboden bij de bestuurlijke aanpak. Dit ook met het oog op het beleid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie inzake de toekomst van de bestuurlijke aanpak en de RIEC's. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidstheorie 3. Bewustzijn van criminaliteit 4. Rolopvatting en bestuurlijke verankering 5. Organisatorische verankering 6. Samenwerking 7. Inzet instrumentarium 8. Inschatting effecten bestuurlijke aanpak 9. Regionale vergelijking gemeenten 10. Vergelijking 2009 en 2012 11. Waardering RIEC's 12. Conclusies
    • Bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit - Onderzoek naar de stand van zaken in 2016

      Smits, J.; Struiksma, N.; Schudde, B. (medew.) (Arena Consulting, 2016)
      De bestrijding van georganiseerde criminaliteit vraagt een geïntegreerde aanpak op strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk gebied. RIECs zijn regionale netwerkorganisaties voor de bestuurlijke aanpak van criminaliteit. Hierin werken gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en de Belastingdienst samen op basis van het Bestuurlijk Akkoord Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Misdaad. Ze hebben tot doel om de bestuurlijke aanpak en de geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit door gemeenten te versterken. De RIECs zijn in 2008-2009 gestart en thans is er een landelijke dekking. Een gemeente is aangesloten zodra de gemeente het RIEC-convenant ondertekent (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2010-2011, 29911 nr. 54; Jaarverslag 2010).In navolging van eerdere onderzoeken over 2009 en 2012 is de stand van zaken en ontwikkeling in de bestuurlijke aanpak van organiseerde criminaliteit in 2016 in beeld gebracht. De vraagstelling was vierledig: Wat was in 2016 de stand van zaken rond de bestuurlijke aanpak? Wat zijn de belangrijkste verschillen met 2012 en 2016?Hoe waarderen gemeenten de samenwerking in RIEC-verband? Welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Bewustzijn van georganiseerde criminaliteit 3. Rolopvatting en bestuurlijke verankering 4. Organisatorische verandering 5. Samenwerking 6. Uitvoeringsstrategie en inzet instrumenten 7. Effectiviteit bestuurlijke aanpak 8. Waardering RIEC-samenwerking 9. Conclusies
    • Buitengewoon veilig - Onderzoek naar taken en arbeidsomstandigheden van boa's en de samenwerking met politie

      Abraham, M.; Soomeren, P. van (DSP-groep, 2020)
      Voor toezichts- en handhavingstaken, evenals voor het opsporen van (bepaalde) strafbare feiten, worden naast de politie (algemene opsporingsambtenaren) ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) ingezet. Deze boa’ s vervullen een steeds belangrijker rol: de afgelopen decennia heeft zich een verschuiving voorgedaan waarbij veiligheidszorg in de openbare ruimte niet langer het exclusieve domein is van de politie. Gemeenten zetten in toenemende mate en met steeds meer taken gemeentelijke boa’s in voor toezicht en handhaving. Ook in andere gebieden vervult de boa een belangrijke rol. In bijvoorbeeld natuurgebieden en het openbaar vervoer zien we de inzet van boa’s voor toezicht en handhaving. Het gaat ondertussen om meer dan 24.000 boa’s die in zes verschillende domeinen actief zijn. Deze ontwikkeling is niet uniek voor Nederland en is eigenlijk in heel Europa zichtbaar. De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt:Wat zijn de taken en de inzet van de boa’s in de praktijk, hoe verloopt de samenwerking met de politie en met andere partijen (taakafbakening en –verdeling) en wat zijn de arbeidsomstandigheden van de boa’s (met name wat betreft veiligheid) tijdens hun taakuitoefening?In hoeverre zit de huidige toepassing van het leefbaarheidscriterium en het uitvoeringscriterium6 effectief toezicht en handhaving in de weg? INHOUD: 1. Onderzoek naar boa's 2. Wettelijk kader en landelijke afspraken - Intermezzo: landelijke spelers in het boa-landschap 3. Aantallen boa's 4. Taken en samenwerking 5. Arbeidsomstandigheden en ondersteuning door politie 6. Bijzondere omstandigheden: coronacrisis 7. Gevolgen voor de toekomst 8. Conclusie
    • De kern van de zaak? - Eindrapport in het kader van de pilot kernbepalingen

      Ridder, J. de; Struiksma, N. (WODC, 2008)
      Voor vier pilotgebieden (Friesland, Noord-Limburg, Amsterdam-Amstelland en Rijnmond is nagegaan in hoeverre de systematiek voor de milieuhandhaving die is vastgelegd in de landelijke handhavingstrategie milieu in de praktijk uitvoerbaar is en wordt uitgevoerd, zowel met betrekking tot de strafrechtelijke als bestuurlijke milieuhandhavers. Daarnaast wordt in het onderzoek ingegaan op de knelpunten bij zowel de uitvoerbaarheid van de handhavingsystematiek als bij de praktische uitvoering.
    • De organisatie van vroeghulp - Eerste interimrapport van het onderzoek naar het functioneren van de vroeghulp

      Tigges, L.C.M. (WODC, 1978)
      Na een beschrijving van de opzet van het onderzoek worden de eerste resultaten van het deelonderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 5 worden de organisatievormen van de vroeghulp beschreven. In hoofdstuk 6 worden vervolgens kwantitatieve gegevens gerapporteerd, waarna in hoofdstuk 7 de verschillende organisaties in verband worden gebracht met de cijfermatige gegevens. In hoofdstuk 8 wordt voorts aandacht besteed aan het hulpaanbod bij de voorgeleiding. In hoofdstuk 9 wordt ten slotte ingegaan op het onderwerp: de politie en de reclassering in de vroeghulpfase.
    • Doeltreffende risicocommunicatie - Een inventariserend onderzoek

      Kuttschreuter, M.; Stel, M.; Haandrikman, M.; Bouwmeester, J.; Doeschot, F. ten; Straaten, G. van; Andringa, W. (Universiteit Twente, 2021-05)
      Dit rapport bevat een verslag van een onderzoek naar de doeltreffendheid en toekomstbestendigheid van de manier waarop de Nederlandse overheid over risico’s communiceert. In deze context houdt doeltreffendheid in dat de communicatiedoelen bereikt worden, dat de communicatie aansluit bij de informatiebehoefte van de burger, dat de beoogde doelen consistent zijn met relevant beleid, en dat zij op een adequate en efficiënte manier worden bereikt. Het onderzoek richt zich dus zowel op de reacties van burgers op de communicatie als op de processen bij de overheid.
    • Evaluatie bijdrageregeling regionale samenwerking - Eindrapport

      Unknown author (WODC, 2003)
      Het Ministerie van Justitie heeft op 1 juli 2001 de Bijdrageregeling regionale samenwerking in de strafrechtketen ingesteld. Deze regeling heeft een looptijd van 2 jaar en loopt af op 30 juni 2003. De regeling valt binnen het Meerjarenprogramma versterking regionale samenwerking (MVRS) en is opgesteld naar aanleiding van de rapportage Eendracht maakt macht. Samengevat heeft de regeling als doel om bij te dragen aan het opzetten van strategisch overleg in de strafrechtketen dat complementair is aan bestaand overleg en is gericht op het maken van bindende afspraken die leiden tot een beter opererende strafrechtketen. Alle negentien arrondissementen in Nederland hebben op basis van een projectplan vanuit deze regeling een geoormerkte financiële bijdrage ontvangen.De bijdrage is bedoeld voor:de ondersteuning van overleg op strategisch gebied tussen justitiële organisaties op arrondissementsniveau (het arrondissementaal justitieel beraad oftewel AJB);de verbinding tussen dit overleg en het lokaal bestuur;de ondersteuning van het arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ).Medio 2003 beslist het Ministerie over de voortzetting van deze regeling. Om input te leveren voor deze beslissing heeft het WODC aan KPMG Bureau voor Economische Argumentatie (KPMG BEA) de opdracht gegeven om de bijdrageregeling te evalueren.
    • Evaluatie Justitieel Casusoverleg Jeugd

      Poppel, J.W.M.J. van; Pranger, R.; Veenma, K.S.; Bruinsma, M.Y.; Boekhoorn, P.; Haaf, J. van (medew.); Abu Ghazaleh, N. (medew.) (WODC, 2005)
      In het Actieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003-2006 Jeugd terecht is een van de actiepunten de landelijke invoering van het justitieel casusoverleg. Dit casusoverleg moet bijdragen aan de afstemming van de activiteiten van de partners die het strafrechtelijk proces vorm geven (politie, Raad voor de Kinderbescherming en Openbaar Ministerie), aan de filtering van zaken met het oog op een verkorting van de doorlooptijden in de strafafdoening en aan de afstemming van de aanpak van de jongere met het oog op een kwaliteitsverbetering in strafafdoening en hulpverlening.
    • Evaluatie Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen - Voor de publieke waarde van informatie

      Struiksma, N.; Cazemier, J.; Diekema, M.; Floor, T.; Ridder, J. de (Pro Facto, 2022-04-26)
      Sinds 1 april 2000 heeft Nederland als eerste EU-lidstaat een Nationaal Irapporteur op het gebied van mensenhandel. Op grond van art. 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (wet van 15 november 2013) en daaraan voorafgaande regelingen dient het instituut elke vier jaar geëvalueerd te worden. Dit evaluatieonderzoek heeft vier hoofdvragen: 1. Hoe heeft de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 zijn taken uitgevoerd? 2. Welke financiële middelen had de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 beschikbaar en hoe zijn die besteed? Hoe verhoudt zich dat tot de middelen en besteding daarvan door de nationaal rapporteurs in drie andere EU-lidstaten? 3. Wat was de externe waardering voor de taakuitvoering van de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020? 4. In hoeverre is – de antwoorden op de eerste drie hoofdvragen en de deelvragen overziend – een wijziging van de taken, werkwijze en/of bevoegdheden van de Nationaal rapporteur gewenst en hoe kijkt de Nationaal rapporteur aan tegen deze eventuele wijzigingen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. De taak van de Nationaal rapporteur 4. Bestuurlijke inbedding 5. Organisatie en financiën 6. Taakopvatting Nationaal rapporteur 7. Activiteiten 2017-2020 8. Externe waardering 9. Landenvergelijking 10. Integrale analyse
    • Evaluatie nationale crisisbeheersingsorganisatie vlucht MH17

      Torenvlied, R.; Giebels, E.; Wessel, R.A.; Gutteling, J.M.; Moorkamp, M.; Broekema, W.G. (Universiteit Twente, 2015)
      Dit onderzoek dient duidelijk te maken hoe de nationale crisisbeheersingsorganisatie heeft gefunctioneerd na de ramp met vlucht MH17 en in hoeverre dat heeft bijgedragen aan het beheersen van de crisis. Daarnaast dient het onderzoek in kaart te brengen hoe de communicatie is verlopen van de Rijksoverheid met nabestaanden, samenleving, Tweede Kamer en media. De evaluatie bestaat uit drie deelonderzoeken. In de eerste plaats is gekeken naar de interdepartementale crisisbeheersing. Hierin is de rol van de verschillende actoren onderzocht en hun onderlinge samenwerking. Ook is gekeken in hoeverre de internationale politieke dynamiek van het Oekraïneconflict de besluitvorming en het functioneren van de crisisorganisatie heeft beïnvloed. Het tweede deelonderzoek gaat nader in op de communicatie met en nazorg aan nabestaanden. Het derde deelonderzoek gaat over de vraag hoe de informatievoorziening is verlopen richting de Tweede Kamer, de media en de samenleving als geheel. De uitkomsten van het evaluatieonderzoek zijn bedoeld om lessen te trekken voor het functioneren van de nationale crisisbeheersingsorganisatie bij toekomstige crises. INHOUD: 1. Opdracht, probleemstelling en werkwijze 2. Analysekader en methodologische verantwoording 3. Onmiddellijke crisisrespons (17 en 18 juli 2014) 4. De eerste dagen ( 18 juli tot en met 23 juli 2014) 5. Periode rond de eerste missie (24 juli - 8 september 2014) 6. Adequaatheid van de crisisbeheersing rond vlucht MH17 7. Analyse vanuit een internationaalrechtelijk perspectief 8. Communicatie met en nazorg aan nabestaanden 9. Informatievoorziening naar Tweede Kamer, media en samenleving 10. Conclusies
    • Evaluatie strafrechtelijke aanpak eergerelateerd geweld - eindrapportage

      Loef, L.; Aalst, M. van; Dijk, B. van (medew.) (DSP-groep, 2012)
      Het beleidsprogramma strafrechtelijke aanpak Eergerelateerd Geweld (EGG) is na een looptijd van vijf jaar per 1 januari 2011 beëindigd. In de evaluatie wordt nagegaan wat er binnen het strafrechtelijke traject is gedaan om de aan het begin van het programma geformuleerde doelstellingen dichterbij te brengen. Naast de beoogde vergroting van de weerbaarheid van slachtoffers en risicogemeenschappen beslaan de geformuleerde doelen vooral het terrein van deskundigheidsbevordering van hulpverleners en politie en communicatie en samenwerking tussen verschillende betrokken instanties. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. Strafrechtelijke aanpak eergerelateerd geweld 4. Uitrol landelijke methode LEC EGG 5. Randvoorwaarden 6. Samenwerking 7. Deskundigheidsbevordering 8. Registratie 9. Beschrijving aanpak eergerelateerd geweld in vijf regio's 10. Beoordeling en vergelijking van aanpak in vijf regio's 11. Conclusie
    • Evaluatie van (het gebruik van) de Risicokaart

      Bongers, F.; Boer, P.J. de; Vorst, T. van der; Steur, J. (Dialogic Innovatie en Interactie, 2019)
      De Risicokaart is een via internet raadpleegbare kaart (www.risicokaart.nl) die als doel heeft om locatiegebonden risico’s in de leef- en werkomgeving van burgers en bedrijven in beeld te brengen en om overheden de mogelijkheid te geven om daarover beter te communiceren met de bevolking. De kaart kent daarom zowel een openbaar deel (voor het brede publiek) als een besloten deel (voor betrokken overheidsinstanties). In dit onderzoek staat de vraag centraal of de Risicokaart tegemoet komt aan de oorspronkelijke doelstellingen. Ook wordt onderzocht welke informatiebehoefte er bij verschillende betrokkenen bestaat en hoe de Risicokaart daar nu in voorziet of in de toekomst zou kunnen voorzien. Het onderzoek richt zich nadrukkelijk op risicocommunicatie (en niet op crisiscommunicatie), want dat is één van de functies van de Risicokaart. Het onderzoek is dus geen herhaling van het Inspectie-onderzoek uit 2013. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschrijving van de Risicokaart 3. Gebruik van de Risicokaart 4. Informatiebehoefte 5. Ontwikkelingsvarianten van de Risicokaart 6. Conclusies
    • Evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart - Samenwerking in de strafrechtketen

      Kristen, F.G.H.; Sikkema, E.; Lindeman, J.M.W.; Schiffelers, M.J.W.A.; Vorm, B. van der; Weerd, A. van der; Schmidt, E.; Vries, A.J. de (Universiteit Utrecht - Montaigne Centrum, 2017)
      Met de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Wet HGK) per 1 januari 2013 is het aantal ressorten en arrondissementen verminderd. Deze nieuwe schaalgrootte moet de rechterlijke macht in staat stellen om zaken tijdig, met voldoende kwaliteit en tegen redelijke kosten te kunnen afhandelen, doordat de afzonderlijke gerechten en parketten kunnen beschikken over voldoende personeel en over voldoende aanbod van zaken. Tevens krijgt de rechtspraak meer ruimte om zich op specifieke terreinen binnen de nieuwe rechtbanken te specialiseren. De herziening introduceert verder een nieuwe inrichting van het gerechtsbestuur.Het onderhavige onderzoek richt zich op de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn. Het onderzoek strekt tot voorlichting van de Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart (voorzitter: prof. mr. dr. H.R.B.M. Kummeling) die de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet moet evalueren. Het doel van het onderzoek is om te vast te stellen wat de werking van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet is (geweest) voor wat betreft de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn en hoe deze werking kan worden verklaard. Het antwoord hierop biedt de mogelijkheid te beoordelen of de herziening van de gerechtelijke kaart heeft bijgedragen aan een effectievere en efficiëntere samenwerking in de strafrechtketen. INHOUD: 1. Aanleiding voor en opzet van het onderzoek 2. Theoretisch kader 3. Analyse van de doelen van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet 4. Beschrijving en empirische analyse 5. Bevindingen 6. Samenvatting 7. Lijst van aangehaalde literatuur 8. Bijlagen
    • Evaluatie Veiligheidswet BES

      Woestenburg, N.; Beukers, M.; Oldenboom, J.; Simmons-de Jong, G.; Struiksma, N.; Marchena-Slot, A.; Winter, H. (Pro Facto, 2022-04-25)
      De Veiligheidswet BES is op 10-10-’10 ingevoerd toen de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden werd gewijzigd en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel zijn gaan uitmaken van het land Nederland. De Veiligheidswet BES regelt de taak en samenstelling van het politiekorps en de inrichting en organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening in Caribisch Nederland. De volgende onderzoeksvraag stond in het onderzoek centraal: Hoe functioneert de Veiligheidswet BES gelet op de per 10-10-’10 geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen, welke knelpunten zijn te onderscheiden en in hoeverre is de wet toekomstbestendig, mede gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het veiligheidsdomein en de bevindingen van de eind 2020 geëvalueerde Wet veiligheidsregio’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen en uitgangspunten van de wet 3. Beleid, uitvoering, financiering en toezicht 4. Samenwerking onderling en in de regio 5. Toekomstbestendigheid en verhouding tot de Wet veiligheidsregio's 6. Conclusie
    • Evaluatie Wet veiligheidsregio's

      Veldhuisen, A. van; Hagelstein, R.; Voskamp, I.; Genderen, R. van (Andersson Elffers Felix, 2013)
      In hoeverre voldoet de Wet veiligheidsregio's in de praktijk aan de verwachtingen wat betreft het functioneren van het stelsel (de realisatie van de aannames over het bijdragen aan een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie) en hoe ervaren actoren dat? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond 3. Beleidstheorie 4. Verwachtingen over de werking van de wet 5. Tussenconclusie over de beleidstheorie 6. Ontwikkelingen sinds inwerkingtreding van de Wvr 7. Operationele prestaties van de veiligheidsregio's 8. Functioneren en ervaringen (I) - bestuurlijke aansturing 9. Functioneren en ervaringen (II) - schaalgrootte 10. Functioneren en ervaringen (III) - organisatie 11. Functioneren en ervaringen (IV) - uitvoering 12. Functioneren en ervaringen (V) - financiering 13. Functioneren en ervaringen (VI) - nationale aspecten 14. Conclusies