• Aanpak van illegale filesharing - wetgeving(sinitiatieven) in Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk nader beschouwd

      Ringnalda, A.; Elferink, M.; Cock Buning, M. de (WODC, 2009)
      Dit onderzoek richt zich op een inventarisatie van de regelingen en initiatieven voor de aanpak van illegale filesharing in Duitsland, Frankrijk en Engeland. Onder illegale filesharing wordt in dit onderzoek verstaan: het kopiëren en downloaden alsmede het uploaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal zonder toestemming van de rechthebbende.
    • Aansprakelijkheid van toezichthouders - Een analyse van de aansprakelijkheidsrisico's voor toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht en enige aanbevelingen voor toekomstig beleid

      Dam, C.C. van (WODC, 2006)
      In de afgelopen decennia zijn er steeds meer toezichthouders gekomen (NMA, OPTA etc.). Zij houden vaak in het algemeen belang toezicht op activiteiten waar grote financiële belangen in het spel zijn. Het is daarom niet denkbeeldig dat deze toezichthouders voor grote bedragen aansprakelijk worden gesteld indien zij bijvoorbeeld een bepaalde activiteit verbieden. Denk bijvoorbeeld aan een overname of fusie. Verder wordt de overheid bij rampen naast de directe veroorzaker(s) steeds vaker mede aansprakelijk gesteld voor de schade (Enschede, Bovenkarspel). De reden daarvoor is dat de overheid, anders dan de directe veroorzaker, voldoende verhaal biedt. De aansprakelijkheid van de overheid wordt dan veelal gebaseerd op onvoldoende toezicht en handhaving. Het onderzoek inventariseert de voor- en nadelen van diverse vormen van aansprakelijkheid van toezichthouders en onderzoekt of er redenen zijn de aansprakelijkheid van toezichthouders en overheid bij onvoldoende toezicht en handhaving in het algemeen te beperken of te limiteren.
    • Administratieve en strafrechtelijke samenwerking inzake fraudebestrijding tussen justitiële en bestuurlijke instanties van de EU-lidstaten - Eindrapport

      Vervaele, J.A.E.; Klip, A.H.; Berg, A.J.; Dane, N.M.; Jansen, O.J.D.M.L. (WODC, 2001)
      De brede onderzoeksthematiek dwingt tot een aantal beperkingen in verband met de uitvoerbaarheid van dit onderzoek. In de eerste plaats is gekozen voor een thematische beperking. Het materiële toepassingsgebied in dit onderzoek is fraudebestrijding'. Dit ruime begrip heeft hier betrekking op EG-fraude, dus op materies die bepalend zijn voor de inkomsten en uitgaven van de EG-begroting, uiteraard voor zover er sprake is van een transnationale dimensie. Ten tweede is het onderzoek beperkt tot vier EG-landen: Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk (Engeland en Wales) en Frankrijk. Deze landen hebben uiteenlopende juridische tradities. Dit leverde vooral voor de rechtsvergelijking voldoende materiaal op voor aanbevelingen aan Nederland en andere lidstaten. Ten derde is het onderzoek opgezet als een inventariserende rechtsvergelijkende studie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Supranationale normen voor administratieve en strafrechtelijke samenwerking 3. Landenanalyse - Nederland 4. Landenanalyse - Duitsland 5. Landenanalyse - Frankrijk 6. Landenanalyse - Engeland en Wales 7. Rechtsvergelijkende conclusies 8. Knelpunten, oplossingsrichtingen en aanbevelingen
    • Afspraken met betrekking tot kinderen bij scheiding van ongehuwde/niet-geregistreerde ouders - Een rechtsvergelijkend onderzoek

      Antokolskaia, M.V.; Coenraad, L.M. (WODC, 2006)
      In het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inzake de bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (TK II 2004–2005, 30 145) wordt voorgesteld dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten. In de wetgevingsvoorbereiding is de vraag opgekomen of bij de eventuele inwerkingtreding van deze wet, er een ongewenst verschil ontstaat met de groep kinderen van ouders die ongehuwd, dan wel niet-geregistreerd zijn (geschat op 18.000 per jaar). Met het oog hierop is in dit onderzoek nagegaan of voor deze groep kinderen in Europese landen zoiets bestaat als het maken van afspraken over onderwerpen waarin het ouderschapsplan voorziet bij het uiteen gaan van ongehuwde/niet-geregistreerde ouders.
    • Algemeen bestuursrecht 2001 - Rechtsvergelijkende bestuursrechtspraak; een bespreking van de stelsels van Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Engeland

      Waard, B.W.N. de; Bok, A.J.; Gilhuis, P.C. (Katholieke Universiteit Brabant - Centrum voor Procesrecht, 2001)
      In het kader van de voorbereiding van de besluitvorming van de Herziening; Rechterlijke Organisatie Derde Fase is onderzoek verricht naar de organisatie van de bestuursrechtspraak in enkele omringende landen. Drie aandachtpunten hierbij zijn:In welke gevallen moet in bestuursrechtelijke zaken beroep in één dan wel in twee instanties worden opengesteld?Aan welke en hoeveel colleges wordt het hoger beroep in bestuursrechtelijke zaken opgedragen?Welke voorzieningen zijn nodig met het oog op de rechtseenheid zowel binnen het bestuursrecht als tussen bestuurs- en privaat- en strafrecht?Daarnaast is de vraag aan de orde: wat is de wenselijkheid van de invoering van een soort conclusie, naar analogie van de advisering door het OM, over hoe een zaak bij de hoogste rechter in bestuursrechtelijke zaken moet worden beslist?
    • Alternatieve systemen voor kapitaalbescherming

      Boschma, H.E.; Lennarts, M.L.; Schutte-Veenstra, J.N. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit rechtsgeleerdheid, 2005)
      Het onderzoek naar alternatieve systemen voor kapitaalbescherming is uitgevoerd door het Instituut voor Ondernemingsrecht te Groningen; het is gedaan in het kader van de versoepeling van de regels voor besloten vennootschappen. Volgens Justitie moet de BV gebruiksvriendelijker worden en meer aansluiten bij de behoeften van ondernemers. Voorschriften die overbodige administratieve lasten veroorzaken, worden geschapt. Een deel van de BV regels gaat over bescherming van schuldeisers van de BV. Daarvoor bestaat nu het stelsel van kapitaalbescherming. Kapitaalbescherming wordt echter bekritiseerd. Het zou zijn doel - de bescherming van crediteuren en aandeelhouders – maar gedeeltelijk bereiken en het brengt voor vennootschappen veel kosten mee. De onderzoekers deden rechtsvergelijkend onderzoek naar de rechtsstelsels van Delaware en Australië; daarnaast is de RMBCA onderzocht. Dit is een modelwet opgesteld door de American Bar Association, die op een groot aantal punten navolging heeft gevonden in diverse staten van de VS.
    • Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk - Verslag van een internationale discussie over concept-voorstellen van de Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk

      Voermans, W.; Koekkoek, A.; Matthijssen, L. (Katholieke Universiteit Brabant - Schoordijk Instituut, 2000)
      In dit eindrapport wordt verslag gedaan van de toetsing door internationale experts van de voorstellen voor grondwetswijzigingen die door de Commissie-Franken zijn gedaan voor de aanpassing van een aantal artikelen in de grondwet. Algemene bevindingen op hoofdlijnen en enkele elementen uit de discussie met experts worden weergegeven. Aan de orde komen onder andere de vrijheid van meningsuiting (artikel 7) en de relatie tussen vrijheid van meningsuiting en recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10).
    • Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar informatie- en communicatievrijheid en privacy in Zweden, Duitsland, Frankrijk, België, de Verenigde Staten en Canada; interimrapport

      Koekkoek, A.; Zoontjens, P.; Vlemminx, F.; Leenknegt, G.-J.; Nouwt, S.; Koops, B.-J.; Schooten-van der Meer, H.; Bos, R.; Fens, D. (medew.); Veld, L. in 't (medew.) (Katholieke Universiteit Brabant - Schoordijk Instituut, 1999)
      Dit rapport doet verslag van de rechtsontwikkeling die grondrechten in een aantal landen doormaken bij een toenemende informatisering van de samenleving. Daarbij gaat het vooral om grondrechten betreffende informatie- en communicatievrijheid en privacy. In de Nederlandse Grondwet zijn dat art. 7 (vrijheid van meningsuiting), art. 10 (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer), art. 12 (huisrecht) en art. 13 (brief-, telegraaf- en telefoongeheim). Als landen waarvan iets te leren is m.b.t. de aanpassing van grondrechten en de formulering van nieuwe grondrechten zijn gekozen Zweden, Duitsland, Frankrijk en België als landen in de traditie van de rechtsstaat -met een sterke rol voor de wetgever - en de Verenigde Staten en Canada, twee landen in de traditie van vooral de 'rule of (common) law', waarin de rechtsvorming door de rechter erg belangrijk is. Op basis van de onderlinge vergelijking van deze landen worden relevante overeenkomsten en verschillen aangegeven die mogelijk inspiratie kunnen opleveren bij de formulering of herformulering van grondrechten in de Nederlandse grondwet.
    • Bijzondere verhoormethoden - Een literatuurverkenning

      Beenakkers, E.M.Th. (WODC, 1998)
      Dit is een literatuurverkenning van verhoormethoden, en met name van verhoormethoden voor 'bijzondere situaties'. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin een verdachte zwijgt, of anderszins heel moeilijk aanspreekbaar is en het gaat om een ernstig misdrijf. In dit rapport wordt o.a. beschreven welke verhoormethoden in bijzondere situaties voorkomen in de literatuur. Of deze methoden incidenteel of regelmatig worden toegepast. Betreft het dan bepaalde delicten in het bijzonder. En zijn er case-studies op dit terrein bekend? INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Verhoormethoden 3. Beschrijving van de situatie in enkele landen 4. Conclusie
    • Citius, altius, fortius – Sneller, hoger, sterker - Wat we van Engeland en Duitsland kunnen leren in het kader van modernisering strafvordering

      Klip, A.H.; Peristeridou, C.; Vocht, D.L.F. de (Universiteit Maastricht - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2019)
      Het onderzoek is gebaseerd op de volgende probleemstelling: “Wat kan worden geleerd van een vergelijking van de werking in de praktijk van de regeling van het strafprocesrecht en haar werking in Engeland en in Duitsland?”Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar drie aspecten: - De wens om sneller tot een rechterlijke of buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten te komen (versnelling), - De aanpassing van het strafproces aan de digitalisering van de samenleving en - De vereenvoudiging van procedures.Het onderzoek beoogt voorbeelden te verkennen en te beschrijven die laten zien hoe in Engeland en Duitsland een sneller, digitaler en eenvoudiger strafproces wordt gerealiseerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het Engelse en het Duitse strafrechtsysteem 3. Versnelling, digitalisering en vereenvoudiging 4. Constateringen
    • Civielrechtelijke voorprocedures in België, Noorwegen en Duitsland

      Voert, M.J. ter (WODC, 2013)
      In de Innovatieagenda Rechtsbestel worden innovaties voorgesteld die tot doel hebben om verbeteringen aan te brengen in gerechtelijke procedures, buitengerechtelijke procedures en het bredere rechtsbestel. Uitgangspunt daarbij is dat geschillen van burgers en bedrijfsleven eenvoudig, snel en effectief kunnen worden opgelost. In de innovatieagenda wordt tevens aangekondigd dat een aantal denkrichtingen nog verder zal worden uitgezocht. Eén daarvan is het afhandelen van civiele geschillen via een (al dan niet verplichte) voorprocedure. In een aantal ons omringende landen (Noorwegen, Duitsland en België) heeft men daar al ervaring mee opgedaan. De vraag in dit onderzoek is of de verzoeningsprocedure bij het vredegerecht in België en procedures bij de Forliksrad in Noorwegen en het Schiedsamt in Duitsland eenvoudige, snelle en effectieve wijzen van afdoening van civiele geschillen zijn die bruikbaar kunnen zijn in de Nederlandse context.
    • Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada - A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others

      Crijns, J.H.; Dubelaar, M.J.; Pitcher, K.M.; Lindemann, M. (ass.); Toor, D.A.G. van (ass.); Ferioli, M.L. (ass.); Caianiello, M. (ass.); Kovalev, N. (ass.) (Leiden University - Criminal Law and Criminology, 2017)
      One of the more far-reaching investigative tools in criminal cases is the instrument of collaboration with justice, the measure by which undertakings are made to otherwise unwilling ‘offender witnesses’, i.e. witnesses who themselves are suspected or who have been found guilty of committing a criminal offence, in order to persuade them to cooperate with the authorities, by giving (incriminating) evidence in the prosecution of others. This study aims to gain insight into the legal avenues available for making undertakings to witnesses in exchange for their evidence in several countries – the Netherlands, Germany, Italy and Canada –, ultimately with a view to drawing lessons from the comparative exercise for the Netherlands in particular. The main questions that have been answered in this study are as follows: How is the instrument of collaboration with justice (hereafter: ‘the instrument’) regulated in each of the countries under examination? How is the instrument applied in practice in each of the countries under examination, and what are the experiences and results achieved in this regard? How does the relevant law and practice in Germany, Italy and Canada compare to that in the Netherlands? CONTENT: 1. Introduction 2. Preliminary observations 3. Collaboration with Justice in the Netherlands 4. Collaboration with Justice in Germany 5. Collaboration with Justice in Italy 6. Collaboration with Justice in Canada 7. Comparative analysis 8. Concluding observations
    • 'Collectieve' acties - Een interne rechtsvergelijking tussen privaatrecht en bestuursrecht

      Wiggers-Rust, L.F. (WODC, 2014)
      De aanleiding van het onderzoek is de toenemende vervlechting van privaat- en bestuursrecht in de nationale rechtsorde. Gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld vervagende grenzen; meer ruimte voor keuze van verschillende instrumentaria met onhelderheid in de argumentatie ter zake; afstemmingsproblemen (zowel materieel als op het gebied van rechtsmachtverdeling); complexiteit van regelgeving en rechtsmachtverdeling; en het ontstaan van kennislacunes bij juristen. Aan de hand van een actueel vraagstuk (‘collectieve’ acties) is in kaart gebracht wat de overeenkomsten en verschillen in vormgeving in privaatrecht en bestuursrecht zijn, waar sprake is van afstemmingsproblemen en wat kan gelden als de (basis voor) beargumenteerde keuzes met als uitgangspunt de bevordering van consistentie, harmonie, rechtseenheid en/of vereenvoudiging. Dit onderzoek sluit aan bij het wetsvoorstel modernisering rechtspraak. INHOUD: 1. Inleiding 2. Wettelijke bepalingen 3. Verschillen en achtergronden 4. Afstemmingsproblemen 5. Actuele ontwikkelingen in maatschappij/wetgeving 6. Actuele Europese ontwikkelingen 7. (Ir)relevantie van vastgestelde verschillen tussen de desbetreffende bepalingen/systemen, mede tegen de achtergrond van de gesignaleerde en geanalyseerde ontwikkelingen in maatschappij/wetgeving en/of Europa 8. Denkbare keuzes/oplossingen: welke wijze van regeling verdient aanbeveling, in welk geval en waarom? 9. Slotbeschouwing
    • Communicerende grondslagen van extraterritoriale rechtsmacht - onderzoek naar de grondslagen van extraterritoriale rechtsmacht in België, Duitsland, Engeland en Wales en Nederland met conclusies en aanbevelingen voor de Nederlandse (wetgevings-)praktijk

      Klip, A.H.; Massa, A.-S. (WODC, 2010)
      In het wetsvoorstel partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten wordt voorgesteld om de extraterritoriale rechtsmacht voor strafbare feiten, omschreven in het Raad van Europa Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, op drie punten uit te breiden. De regeling van de extraterritoriale rechtsmacht is vaak uitvloeisel van uitvoeringswetgeving. Het is nodig om de territoriale rechtsmacht in breder verband aan een nader onderzoek te onderwerpen waarbij de vergelijking met buitenlandse stelsels voor de hand ligt. Het rapport is als volgt ingedeeld. Allereerst worden de onderzocht landen afzonderlijk besproken. Hierin komt zowel de stand van het recht als de wijze waarop in de praktijk omgaat met extraterritoriale rechtsmacht aan de orde. In hoofdstuk 6 staat de betekenis van het volkenrecht voor de extraterritoriale rechtsmacht centraal. Bij de conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk 7 wordt ook een mogelijk alternatief scenario voor de rechtsmachtregeling aangeboden. De bijlagen 1-4 geven per land een overzicht van de delicten waarvoor extraterritoriale rechtsmacht geldt. INHOUD: 1. Inleiding 2. Extraterritoriale rechtsmacht in België 3. Extraterritoriale rechtsmacht in Duitsland 4. Extraterritoriale rechtsmacht in Engeland en Wales 5. Extraterritoriale rechtsmacht in Nederland 6. Extraterritoriale rechtsmacht in internationaal recht 7. Conclusies en aanbevelingen
    • Daderschap en deelneming doorgelicht - onderzoek naar het functioneren van de regeling van daderschap en deelneming in de rechtspraktijk tegen de achtergrond van een bespreking van het Nederlandse en Oostenrijkse recht

      Keulen, B.F.; Vellinga-Schootstra; Dijk, A.A. van; Lindenberg, K.K.; Wolswijk, H.D. (Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2010)
      In dit onderzoek komen de volgende onderzoeksvragen aan de orde: Hoe zijn daderschap en deelneming in Nederland en Oostenrijk geregeld? Waarin verschillen deze stelsels, en waarin komen ze overeen? Hoe worden daderschaps- en deelnemingsfiguren in Nederland en Oostenrijk ten laste gelegd? In welke mate is de rechter in deze landen bij bewijs en kwalificatie op dit punt aan de tenlastelegging gebonden? Blijkt uit het functioneren van de deelnemingsfiguren in de Nederlandse rechtspraktijk van problemen en, zo ja, welke? Op welke onderdelen en op welke wijze zou in het systeem van deelnemingsfiguren verbetering gebracht kunnen worden? Genieten deze voorstellen tot verbetering steun in de rechtspraktijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. Daderschap en deelneming in Nederland 3. Daderschap en deelneming in Oostenrijk 4. Interviews 5. Conclusies
    • De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit milieudelicten

      Faure, M. (red.); Roos, Th. de (red.) (METRO - Universiteit Maastricht - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 1998)
      In deze bundel wordt onderzocht op welke wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden berekend bij milieudelicten. In de ontnemingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie is weliswaar een berekeningswijze ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het algemeen aangegeven, doch op de specifieke problematiek van de milieudelicten wordt niet ingegaan. Dit veroorzaakt in de praktijk vele problemen, onder meer met betrekking tot de vraag of bij de kostenaftrek al dan niet rekening moet worden gehouden met bedrijfseconomische en fiscaalrechtelijke inzichten. De auteurs streven ernaar bloot te leggen welke normatieve keuzen ten grondslag liggen aan de vraag hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel bij milieudelicten dient te worden berekend. Aan de hand van die uitkomst is een lijst met vuistregels opgesteld voor de vorderingspraktijk in milieustrafzaken. Bij de totstandkoming van dit boek is gebruik gemaakt van een aantal verschillende onderzoeksmethoden. In de eerste plaats werd een analyse gemaakt van een aantal praktijkgevallen, die door de 'werkvloer' werden aangeleverd. In de tweede plaats werd een analyse van wetgeving en jurisprudentie uitgevoerd. Dit klassiek juridisch onderzoek was bedoeld om de geschetste problematiek te analyseren vanuit de Nederlandse doctrine en de beschikbare jurisprudentie. In de derde plaats werd een omvangrijke rechtsvergelijkende analyse verricht naar het relevante recht (wetgeving, rechtspraak en doctrine) in Duitsland, België, Denemarken en Zweden. Ten slotte is het gestelde probleem benaderd vanuit rechtseconomisch en bedrijfseconomisch/fiscaalrechtelijk perspectief.
    • De bescherming van minderjarige slachtoffers - Implementatie van internationale voorschriften in nationale wet- en regelgeving in de praktijk

      Sondorp, J.E.; Hoogeveen, C.E. (Adviesbureau Van Montfoort, 2020)
      Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre internationale voorschriften ten aanzien van de behandeling en positie van minderjarige slachtoffers zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en in de praktijk. Bijkomend doel is om te benoemen op welke punten er mogelijk hiaten zijn en op welk terrein Nederland juist verder gaat dan hetgeen internationaal verplicht wordt gesteld of wordt aanbevolen. Het onderzoek is verricht in opdracht van het WODC op verzoek van de Directie Slachtofferbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De volgende onderzoeksvragen worden in dit onderzoek beantwoord: Welke verplichtingen heeft Nederland op grond van internationale richtlijnen en verdragen als het gaat om de bescherming van minderjarige slachtoffers van misdrijven binnen de context van de toepassing van het strafrecht? Welke van deze verplichtingen zijn in Nederland tot dusver op papier geïmplementeerd en op welke wijze? Zijn de op papier geïmplementeerde verplichtingen ook in de uitvoeringspraktijk doorgevoerd. In welke mate wel of (nog) niet? INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksvragen 2. Onderzoeksverantwoording 3. Internationaal en nationaal kader 4. Verplichtingen Nederland vanuit internationaal kader 5. Bescherming van minderjarige slachtoffers in de praktijk 6. Conclusies
    • De gelaagdheid van de vreemdelingenwetgeving in historisch en vergelijkend perspectief

      Böcker, A. (red.); Terlouw, A.B. (red.); Broek, J.J. van der; Grütters, C.A.; Nijmeijer, A.G.A.; Oers, R. van (Radboud Universiteit Nijmegen - Onderzoekscentrum voor Staat en Recht, 2013)
      Bij de bespreking van het wetsvoorstel Modern migratiebeleid in de Eerste Kamer, is een aantal specifieke vragen gerezen ten aanzien van die gelaagdheid van de Nederlandse vreemdelingenregelgeving (Handelingen Eerste Kamer, Vergaderjaar 2009/10, nr. 35, p. 1544 en 1547). De doel van dit onderzoek is de vragen over de gelaagdheid van de vreemdelingenwetgeving te beantwoorden en inzicht te geven in de oorzaken van deze gelaagde structuur en in de voor- en nadelen ervan voor organisaties, functionarissen die de regels moeten uitvoeren, handhaven, toepassen of interpreteren. Het onderzoek bestaat uit drie deelonderzoeken: rechtshistorisch onderzoek, een externe rechtsvergelijking en een interne rechtsvergelijking. INHOUD: 1. Onderzoeksopzet 2. Algemene overwegingen voor en tegen gelaagde regelgeving 3. Historische analyse: parlementaire debatten 4. Historische analyse: wijzigingen van de regelgeving 5. Historische analyse: interviews met sleutelinformanten 6. Implementatie van vijf richtlijnen in 27 lidstaten 7. Gelaagde regelgeving in drie andere lidstaten 8. De gelaagdheid van de Nederlandse belastingwetgeving 9. Gelaagde normstelling in het milieurecht, in het bijzonder ten aanzien van de luchtkwaliteit 10. Conclusies en slotopmerkingen
    • De juridische status van polygame huwelijken in rechtsvergelijkend perspectief

      Boele-Woelki, K.; Curry-Sumner, I.; Schrama, W.; Braat, B. (medew.); Budzikiewicz, C. (medew.); Jeppesen-de Boer, C. (medew.) (WODC, 2009)
      Een aantal Tweede Kamerfracties heeft vorig jaar vragen gesteld over de erkenning van polygame huwelijken in Nederland. Het voltrekken en aangaan van polygame huwelijken is in Nederland verboden. In de beantwoording van de Kamervragen is uiteen gezet dat huwelijken die in het buitenland zijn gesloten wel erkend worden, omdat zij niet beschouwd worden als in strijd met de Nederlandse openbare orde; de Nederlandse rechtssfeer is dan onvoldoende betrokken. Doel van dit onderzoek is om op basis van een rechtsvergelijkend onderzoek naar de erkenning van polygame huwelijken in een viertal Europese rechtsstelsels inzicht te verkrijgen in hoeverre de Nederlandse benadering hiervan afwijkt.
    • De Minimis-regelingen in het auteursrecht - Een rechtsvergelijkende quickscan naar de artikelen 5 lid 3 sub i en 5 lid 3 sub o Auteursrechtrichtlijn en (aspecten van) het openbaarmakingsbegrip

      Groen, A.P. (WODC, 2007)
      De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is: Kennen landen met een aan het Nederlandse verwant auteursrechtelijk stelsel wettelijke regelgeving en/of jurisprudentiële toepassingen, inhoudende dat (de geringe) aard en omvang van het gebruik dat derden van auteursrechtelijk beschermd materiaal maken, van invloed zijn op de uitoefening van rechten van auteursrechthebbenden (zoals een recht op vergoeding)?