• Aanwezigheid verplicht - een inventarisatie van de gevolgen van de aanwezigheidsplicht voor ouders bij de kinderrechter

      Schreijenberg, A.; Timmermans, M.; Homburg, G.H.J. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2010)
      Per 1 januari 2011 zal de verschijningsplicht voor ouders in werking treden als onderdeel van de Wet versterking positie slachtoffers. Met het huidige onderzoek wordt de huidige situatie met betrekking tot de verschijning van ouders in kaart gebracht, wordt onderzocht of de veronderstelde mechanismen achter de verplichte aanwezigheid stand houden en wordt nagegaan wat de gevolgen zullen zijn voor de uitvoeringspraktijk in termen van werkprocessen en kosten. INHOUD: 1. Inleiding 2. De huidige situatie 3. Beleidsreconstructie 4. Toetsing beleidsreconstructie 5. Gevolgen voor de uitvoering 6. Uitvoeringskosten 7. Vervolgonderzoek 8. Conclusie
    • De aard en effecten van prostitutiebeleid

      Bleeker, Y.; Mulder, E.; Korf, W. (Regioplan beleidsonderzoek, 2021-12-30)
      Tweede Kamerleden constateerden in september 2020 tijdens een plenair debat dat er veel onduidelijkheid is over de effecten van beleidskeuzes gericht op sekswerk. In dit debat verzochten meerdere Kamerleden de staatssecretaris om een onderzoek uit te laten voeren. Uit het onderzoek moest duidelijk worden welke prostitutiebeleidsvarianten er zijn en wat bekend is over de effecten van die beleidsvarianten. Daarnaast is gevraagd om het maatschappelijk veld te betrekken bij dit onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Prostitutiebeleidsvarianten 3. Effecten van criminalisering 4. Effecten van regulering 5. Effecten van decriminalisering
    • Advocaat bij politieverhoor 2017-2019

      Geurts, T.; Hoekstra, M.S.; Aidala, R. (medew.); Beenakkers, E.M.Th. (medew.); Lierop, L.E.H.P. van (medew.); Teeuwen, G. (medew.) (WODC, 2021-07-12)
      In deze rapportage wordt voortgebouwd op eerder onderzoek van Klein Haarhuis (2018). In dit eerdere onderzoek stond de opstartfase van het nieuwe recht centraal (de periode van 1 maart 2016 - 1 maart 2017) en de stand van zaken werd vooral beschreven vanuit de politieorganisatie. Bovendien konden zwaardere zaken maar beperkt worden meegenomen. Het onderhavige onderzoek belicht het nieuwe recht opnieuw, maar dan vooral vanuit het advocatenperspectief en één tot drie jaar na de invoering van het recht. Een wijziging in onderzoeksmethodiek zorgde ervoor dat we ditmaal meer van de zwaarste zaken in de analyse konden betrekken. Daarnaast is nog gekeken naar twee wijzigingen die gelijktijdig met de wettelijke verankering werden doorgevoerd, te weten de beperkte uitbreiding van bevoegdheden van de advocaat en de verlenging van de ophoudtermijn bij ernstigere strafbare feiten van zes naar maximaal negen uur. Het onderhavige onderzoek richt zich op verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Vooral voor deze onderzoeksonderwerpen bestaan er beleidsmatig gezien relevante kennislacunes. Onder verhoorbijstand rekenen we de door advocaten verleende bijstand tijdens het politiële verdachtenverhoor en het verhoor voor de inverzekeringstelling (ivs-verhoor). De volgende vier onderzoeksvragen staan in deze rapportage centraal: 1. Hoe verloopt de invoering van de Implementatiewet in termen van organisatie en werkprocessen? 2. Hoe pakt de implementatie van het recht op verhoorbijstand in de praktijk uit? 3. Welke rol heeft de advocaat tijdens het verhoor? 4. Hoe hebben de uitgaven aan (piket)vergoedingen voor consultatie- en verhoor-bijstand zich ontwikkeld? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergronden bij het onderzoek, 3. Organisatie en werkprocessen, 4. Effectuering van het recht, 5. Invulling van de advocatenrol, 6. Conclusie
    • Afzonderlijke behandeling vordering benadeelde partij - Financiële consequenties voor de Staat van toepassing Voorschotregeling

      Dantzig, L.A. van; Kuipers, J.P.; Rij, J.C. van; Akkermans, A.J. (medew.) (Cebeon, 2021-12)
      Het beoogde nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat de mogelijkheid om complexe vorderingen tot schadevergoeding van slachtoffers van een gewelds- of zedenmisdrijf als benadeelde partijen af te splitsen van de hoofdzaak en in een afzonderlijke procedure in het strafrecht te behandelen.1 Aanleiding hiervoor is dat in de huidige situatie de strafrechter een civiele vordering van de benadeelde partij niet behandelt, als dit naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij krijgt in dat geval geen schadevergoeding toegewezen in het strafproces. Weliswaar staat de weg naar de civiele rechter dan nog open, maar een civiele procedure kent drempels die er in de strafprocedure niet zijn.2 Afzonderlijke behandeling in een aparte schadevergoedingskamer zou behandeling in het strafproces alsnog mogelijk moeten maken, waardoor de voordelen voor het slachtoffer van strafrechtelijke behandeling blijven bestaan. De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat zijn, volgens een beredeneerde schatting, de jaarlijkse publieke kosten van het toevoegen van de voor-schotregeling aan de afzonderlijke behandeling vordering benadeelde partij, zoals opgenomen in het concept nieuwe Wetboek van Strafvordering? INHOUD: 1. Inleiding 2. Problematiek niet-ontvankelijke vorderingen 3. Huidige praktijk: voeging en ontvankelijkheid 4. Toekomst: afzonderlijke behandeling 5. Voorschotregeling
    • Alternatieven voor het beroep van rechtswege in de Rijkswet op het Nederlanderschap - Een onderzoek naar alternatieven voor ambtshalve handelingen die leiden tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in artikel 22a van de Rijkswet op het Nederlanderschap

      Graaf, K.J. de; Marseille, A.T.; Meulen, W.P. van der (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2019)
      Artikel 14 lid 4 RWN verleent de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid om – kort gezegd – in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap in te trekken van iemand van ouder dan zestien jaar die zich buiten het Koninkrijk bevindt en die zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. In artikel 22a RWN is bepaald dat over een besluit op grond van artikel 14 lid 4 RWN steeds een bestuurs-rechter oordeelt, hetzij omdat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld, hetzij omdat de betrokkene, als deze geen beroep heeft ingesteld, geacht wordt beroep te hebben ingesteld. In dit laatste geval ontstaat een beroep van rechtswege in naam van de betrokkene. De bestuursrechter raakt op de hoogte van een dergelijk beroep doordat de Minister de rechtbank Den Haag in kennis stelt van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14 lid 4 RWN.De centrale vraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn (te ontwikkelen) alternatieve procedures voor het ambtshalve verrichten van een han-deling die leidt tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap? INHOUD: 1. Inleiding 2. De regeling in de Rijkswet op het Nederlanderschap 3. Randvoorwaarden voor alternatieven 4. Alternatieven 5. Beantwoording onderzoeksvraag
    • Balanceren met recht - onderzoek naar de beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden in de klinische praktijk

      Hoek, D. van der; Eppink, K.; Koenraadt, F.; Boone, M. (WODC, 2009)
      Dit rapport vormt de neerslag van het tweede evaluatie-onderzoek naar de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt). Deze wet is ruim elf jaar geleden in werking getreden en regelt de interne rechtspositie van terbeschikkinggestelden. De probleemstelling van het onderzoek is drieledig en luidt: - Hoe is de Bvt tien jaar na invoering van de wet geïmplementeerd in de tbs-inrichtingen? - In hoeverre zijn de met de wet beoogde doelstellingen bereikt? - Welke knelpunten/aandachtspunten treden op? Wat zijn ongewenste neveneffecten?
    • Beklemd in de scharnieren van de tijd - Beleid, praktijk en ervaringen van afstand ter adoptie door niet-gehuwde moeders in Nederland tussen 1956 en 1984

      Kok, J.; Boomen, N. van der; Dane, J.; Hilevych, Y.; Hoedemaeckers, J.; Walhout, E. (Radboud Universiteit - Radboud group for historical demography and family history, 2017)
      De onderzoeksvraag die aan dit rapport ten grondslag ligt, betreft ‘de aard van de problematiek van (ongehuwde) vrouwen die in de periode 1956-1980 al dan niet onder (maatschappelijkeof religieuze) druk afstand deden van hun kind’. Wat zijn de ervaringen van deze vrouwen en kan een schatting worden gemaakt van het aantal vrouwen in deze periode afstand dedenvan hun kind? Dit brengt ons bij de volgende deelvragen: Kan een schatting worden gemaakt van het aantal vrouwen dat zich door maatschappelijke druk gedwongen voelde afstand te doen ter adoptie in de periode tussen 1956-1984? En zo ja, wat is die schatting? Wat was het maatschappelijke beeld rondom afstandsmoeders in de periode 1956-1984? Welke rechten hadden afstandsmoeders in die tijd? Welke organisaties/instellingen hebben bij het afstand doen ter adoptie een rol gehad? Wat zijn de ervaringen van de vrouwen die in deze periode kinderen hebben afgestaan ter adoptie en in hoeverre speelde (gepercipieerde) dwang hierin een rol? In hoeverre hebben deze vrouwen behoefte aan hulpverlening (gehad)? En zo ja, welk soort hulpverlening? Welke lessen zijn te trekken uit de wijze waarop deze vrouwen zijn bejegend? Wat zijn de ervaringen van kinderen die in deze periode zijn afgestaan? INHOUD: 1. Inleiding 2. De scharnieren van de tijd; wetgeving, seksuele moraal, hulpverlening en maatschappij, ca. 1945-1985 3. Op zoek naar de afstandsmoeders 4. De adoptiepraktijk 5. Leven met de herinnering en het gemis 6. Lessen uit het verleden
    • Civiel schadeverhaal via het strafproces - Een verkenning van de rechtspraktijk en regelgeving betreffende de voeging benadeelde partij

      Kool, R.S.B.; Backers, P.; Emaus, J.M.; Kristen, F.G.H.; Pluimer, O.S.; Uhm, D.P. van; Gelder, E.M. van (Universiteit Utrecht - Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL), 2016)
      De vraag die in dit onderzoek centraal staat, luidt: Hoe ziet de praktijk van de besluitvorming van de strafrechter ten aanzien van de afdoening van de voeging benadeelde partij in het strafproces er anno 2016 uit? Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen: Hoe verloopt de voorbereiding van de voeging benadeelde partij? Welke knelpunten doen zich daarin voor en zijn daarvoor oplossingen gevonden? Hoe vaak is jaarlijks sprake van een voeging benadeelde partij en hoe verhoudt dit zich tot het jaarlijkse totale aantal zaken? Wat kan op grond van beschikbare data worden gezegd over het aantal en typen zaken waarin de vordering benadeelde partij niet_ontvankelijk wordt verklaard of gedeeltelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard? Hoe adviseert het Openbaar Ministerie en beslist de strafrechter in zaken waarin het gaat om delicten waarin civiel schadeverhaal via het strafproces gelet op de aard van die delicten haalbaar lijkt te zijn? In hoeverre doen de knelpunten met betrekking tot de voeging zoals in 2007 vastgesteld zich nog voor en in hoeverre zijn er eventuele nieuwe knelpunten ontstaan? In hoeverre is het mogelijk om meer van dergelijke (gedeeltelijk) niet_ontvankelijk verklaarde zaken toch in het strafproces te kunnen afdoen? Welke aanpassingen in de behandeling van de civiele voeging zijn daarvoor nodig? INHOUD: 1. Achtergrond en opbouw van het onderzoek 2. Methodologische verantwoording 3. Regelgeving en interpretatie betreffende civiel schadeverhaal via het strafproces en trendgegevens 4. De voorbereiding van het civiele schadeverhaal 5. Uitkomsten van het dossieronderzoek 6. De strafrechtspleging aan het woord: aandachtspunten en oplossingsrichtingen 7. Een verkenning van enkele rechtsfiguren ten behoeve van de verbetering van het civiele schadeverhaal 8. Leesvervangende samenvatting en conclusie
    • Compensatie en verhaal van schade door strafbare feiten - Verkenning en bronnen, volumes en publieke kosten

      Hebly, M.R.; Lindenbergh, S.D.; Visscher, L.T.; Desmet, P.T.M. (Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law, 2020)
      In dit onderzoek staat de volgende hoofdvraag centraal: Welke bronnen kunnen slachtoffers van strafbare feiten aanboren ter compensatie van hun schade, in hoeverre vinden compensatie van het slachtoffer en verhaal op de dader via die bronnen daadwerkelijk plaats en in hoeverre zijn daarmee publieke kosten gemoeid? Deze drieledige onderzoeksvraag omvat de volgende deelvragen: 1. Welke bronnen kunnen slachtoffers van strafbare feiten aanboren ter compensatie van hun schade? 2. In hoeverre vinden via die bronnen daadwerkelijk compensatie van het slachtoffer en verhaal op de dader plaats? 3. In hoeverre zijn publieke kosten gemoeid met compensatie en verhaal van schade door strafbare feiten? INHOUD: 1. Inleiding 2. Private verzekering 3. Sociale zekerheid 4. Schadefonds geweldsmisdrijven 5. Verhaal op de dader 6. Conclusies en bevindingen 7. Summary 8. Literatuur 9. Samenstelling begeleidingscommissie 10. Bevraagde personen
    • Crime Prevention toward a European Level

      Sorgdrager, W.; Dijk, J.J.M. van; Waller, I.; Stewart-Clark, J.; Tonry, M.; Kohnstamm, J.; Karstedt, S.; Wemmers, J.-A. (WODC, 1997)
      ARTICLES: 1. Editorial 2. Winnie Sorgdrager - Changing attitudes and pragmatism: the twin-track of crime prevention 3. Jan J.M. Van Dijk - Towards a research-based crime reduction policy; crime prevention as a cost-effective policy option 4. Irvin Waller - Trends in crime prevention in Europe and North America 5. Sir Jack Stewart-Clark - Crime prevention and the European Union 6. Michael Tonry - Building safer societies: crime prevention in developed countries 7. Jacob Kohnstamm - Crime prevention as a local enterprise 8. Recommendations of the European Union Conference on crime prevention towards a European level 9. Anouk Depuydt and Johan Deklerck - An ethical approach to crime prevention 10. Susanne Karstedt- Shifts of power, shifts of control: a perspective on women's dissocial and problem behaviour 11. Jo-Anne Wemmers - Manual on the implementation of the UN Declaration of basic principles of justice for victims of crime and abuse of power 12. Crime institute profile - National Centre for State Courts, Williamsburg, USA
    • De bescherming van minderjarige slachtoffers - Implementatie van internationale voorschriften in nationale wet- en regelgeving in de praktijk

      Sondorp, J.E.; Hoogeveen, C.E. (Adviesbureau Van Montfoort, 2020)
      Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre internationale voorschriften ten aanzien van de behandeling en positie van minderjarige slachtoffers zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en in de praktijk. Bijkomend doel is om te benoemen op welke punten er mogelijk hiaten zijn en op welk terrein Nederland juist verder gaat dan hetgeen internationaal verplicht wordt gesteld of wordt aanbevolen. Het onderzoek is verricht in opdracht van het WODC op verzoek van de Directie Slachtofferbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De volgende onderzoeksvragen worden in dit onderzoek beantwoord: Welke verplichtingen heeft Nederland op grond van internationale richtlijnen en verdragen als het gaat om de bescherming van minderjarige slachtoffers van misdrijven binnen de context van de toepassing van het strafrecht? Welke van deze verplichtingen zijn in Nederland tot dusver op papier geïmplementeerd en op welke wijze? Zijn de op papier geïmplementeerde verplichtingen ook in de uitvoeringspraktijk doorgevoerd. In welke mate wel of (nog) niet? INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksvragen 2. Onderzoeksverantwoording 3. Internationaal en nationaal kader 4. Verplichtingen Nederland vanuit internationaal kader 5. Bescherming van minderjarige slachtoffers in de praktijk 6. Conclusies
    • De doorwerking van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse rechtspraak

      Ruitenberg, G.C.A.M. (Vrije Universiteit - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2003)
      Door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd op 20 november 1989 het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) unaniem aangenomen. Op 2 september 1990 trad het in werking en inmiddels hebben vrijwel alle Staten (191) het Verdrag geratificeerd. Voor Nederland trad het IVRK op 8 maart 1995 in werking. In het Verdrag zijn zowel burger- en politieke rechten, als economische, sociale en culturele rechten opgenomen die gelden voor alle personen die jonger zijn dan achttien jaar. Er zijn specifiek op kinderen toegespitste rechten in opgenomen die kinderen recht op voorzieningen, bescherming en participatie geven (provision, protection, participation). Het Comité voor de Rechten van het Kind ziet toe op de naleving van het IVRK. Binnen twee jaar na inwerkingtreding van het Verdrag dienen de Staten een eerste rapport bij het Comité in en overleggen vervolgens iedere vijf jaar een rapport aan het Comité, waarin zij aangeven hoe het Verdrag in hun Staat wordt toegepast. Dit onderzoek richtte zich op de doorwerking van de bepalingen van het IVRK in de Nederlandse rechtspraak. In het rapport wordt een overzicht gegeven van en commentaar gegeven bij de relevante rechtspraak tot en met 2001 (vijfenzeventig zaken).
    • De positie van vrouwen in de asielprocedure

      Wetten, J.W. van; Dijkhoff, N.; Heide, F. (WODC, 1998)
      In het onderzoek staan de volgende vragen centraal:Hoe zijn vrouwelijke asielzoekers te kenschetsen?Hebben mannelijke asielzoekers een grotere kans te worden toegelaten dan vrouwelijke asielzoekers?In hoeverre zijn vrouwspecifieke achtergrondkenmerken en vluchtmotieven van invloed op beslissingen over asielverzoeken?In hoeverre behandelen en beoordelen contract- en beslisambtenaren (de asielverzoeken van) vrouwen anders dan (die van) mannen?
    • De regeling en rechtsgevolgen van vermissing in rechtsvergelijkend perspectief

      Schrama, W.; Jonker, M.; Jeppesen-de Boer, C. (Universiteit Utrecht - Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF), 2017)
      Er bestaat een samenstel van wettelijke en praktische maatregelen om tegemoet te komen aan de problematiek van de achterblijvers van vermiste personen. De centrale vraagstelling van dit onderzoek is: Welke beleids- en wettelijke maatregelen bestaan er voor (achterblijvers van) vermiste personen in Nederland, België, Denemarken, Duitsland en Engeland & Wales en kunnen deze maatregelen een oplossing bieden voor de gesignaleerde knelpunten (van achterblijvers) in Nederland? Zijn er eventueel andere mogelijkheden om deze knelpunten op te lossen? INHOUD: 1. Inleiding 2. De rechtspositie van vermisten in rechtsvergelijkende perspectief - Nederland, - België, - Denemarken, - Duitsland, - Engeland & Wales 3. Rechtsvergelijking 4. Rechtsvergelijkende synthese en analyse 5. Gesignaleerde oplossingen 6. Conclusies
    • De verdachte in beeld - Eisen en waarborgen voor het gebruik van videoconferentie ten aanzien van verdachte in het Nederlandse strafproces in rechtsvergelijkend perspectief

      Hoon, A.M. de; Hirsch Ballin, M.F.H.; Bollen, S.G.M.J. (Vrije Universiteit - Faculteit der Rechtsgeleerdheid - afdeling Strafrecht en Criminologie, 2020)
      In toenemende mate wordt gezocht naar toepassing van digitale methoden in het strafproces. Door technische ontwikkelingen zijn de mogelijkheden voor toepassing van videoconferentie in het strafproces gegroeid. Met de verbetering van techniek, wordt videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand wordt gebracht tussen de betrokken personen in het strafproces, steeds meer als redelijk alternatief beschouwd voor fysieke aanwezigheid.Op dit moment bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag in hoeverre videoconferentie ook kan worden toegepast bij de verdachte en aan welke eisen en waarborgen toepassing ten aanzien van de verdachte moet voldoen. Net als in andere landen is ook in Nederland dit thema in beweging en is er behoefte aan nader inzicht in de nationale en internationale normering en praktijk voor de verdere ontwikkeling in de Nederlandse strafrechtpraktijk. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt daarom: “Wat kan Nederland uit de nationale en internationale normering en praktijk van de toepassing van videoconferentie bij verdachten leren met het oog op de normering en beleidsontwikkeling ervan in de Nederlandse strafrechtpraktijk?” De nationale en internationale normering en praktijk is in kaart gebracht door onderzoek te doen naar de regelingen en praktijk van Nederland, Italië, Frankrijk, Canada, Zwitserland, Duitsland en het internationale en transnationale strafrecht. INHOUD: 1. Inleiding 2. De normering op grond van strafvorderlijke beginselen en mensenrechten 3. Internationale regelgeving inzake videoconferentie in het strafproces 4. Toepassing in het Nederlandse strafproces 5. Toepassing in de internationale praktijk 6. Analyse en beantwoording vraagstelling 7. Gevolgtrekkingen voor de toekomst
    • De weg(en) naar verblijfsrecht - Waarom buitenlandse slachtoffers van mensenhandel gebruikmaken van de asielprocedure

      Meer, M. van der; Maliepaard, M.; Can, S. van; Schans, D. (WODC, 2020)
      Ieder jaar worden er in Nederland naar schatting tussen de 5.000 en 7.500 mensen slachtoffer van mensenhandel. Circa 2.700 van deze (vermoedelijke) slachtoffers komen uit het buitenland. Vaak hebben buitenlandse slachtoffers mensenhandel geen verblijfsrecht in Nederland, wat wil zeggen dat zij noch de Nederlandse nationaliteit hebben, noch in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning. Voor deze groep bestaat de verblijfsregeling mensenhandel, een regeling bedoeld voor slacht-offers mensenhandel die medewerking verlenen aan het strafproces tegen de mensenhandelaar. Omdat niet alle slachtoffers gebruikmaken van deze regeling en een deel van de slachtoffers mensenhandel in Nederland een asielaanvraag doet, heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NR) in de voorlaatste slachtoffermonitor (2018) aanbevolen onderzoek te doen naar redenen voor gebruik van de asielprocedure. Het onderhavige onderzoek vertrekt dan ook vanuit de vraag ‘Wanneer en waarom kiezen buitenlandse slachtoffers mensenhandel voor de asielprocedure in plaats van of naast de verblijfsregeling mensenhandel en hoe vaak komt dit voor?’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Een schets van de verblijfsrechtelijke context 3. Cijfermatig inzicht in verblijfsrechtelijke routes 4. Waarom maken buitenlandse slachtoffers mensenhandel gebruik van de procedure? 5. Conclusie en discussie
    • Dwang in behandeling

      Unknown author (WODC, 1991)
      In dit themanummer wordt de vraag naar de verhouding tussen dwang en behandeling op verschillende manieren aan de orde gesteld. Enerzijds is er de vraag of behandeling in de plaats kan komen van 'touter' straf, anderzijds wordt ingegaan op de vraag of dwang kan worden ingezet als vrijwillige behandeling faalt. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de rechtspositie van tbs-gestelden. De terbeschikkingstelling (voorheen met de toevoeging 'van de regering') is een (internationaal gesproken unieke) maatregel waarin sprake is van een combinatie van dwang en behandeling.
    • Dwangmiddelen en rechtsmiddelen - Strafvordering 2001: derde interimrapport

      Groenhuijsen, M.S. (red.); Knigge, G. (red.) (Rijksuniversiteit Groningen, 2002)
      In dit rapport staan de dwangmiddelen en rechtsmiddelen centraal. Een aantal onderwerpen ligt op het terrein van het onderzoek ter zitting en van het vooronderzoek. Met name gaat de aandacht uit naar de gewone rechtsmiddelen, en daarbij in het bijzonder naar het verzet en het hoger beroep. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de particuliere opsporing, aan de positie van het slachtoffer in het vooronderzoek en aan het zogenaamde 'derde spoor', de buitengerechtelijke sancitonering.
    • Een keer is genoeg - verkennend onderzoek naar secundaire victimisatie van slachtoffers als getuigen in het strafproces

      Wijers, M.; Boer, M. de (Marjan Wijers Research & Consultancy, 2010)
      Slachtoffers van een strafbaar feit zullen, als het tot een straf_zaak komt, ook vaak getuige zijn in de strafzaak. Er zijn signalen dat dit mogelijk leidt tot secundaire victimisatie. Doel van dit onderzoek is een verkenning van de vraag op welke wijze politie, OM en rechterlijke macht met slachtoffers in hun positie als getuigen omgaan, meer in het bijzonder of er regelmatig sprake lijkt te zijn van verergering van het leed of de schade van het slachtoffer door of in de context van het getuigenverhoor. Het gaat vooral om slachtoffers van ernstige delicten. Er is zowel naar volwassenen als kinderen gekeken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Secundaire victimisatie: een theoretische verkenning 3. De positie van slachtoffers in het strafrecht 4. Melding en aangifte bij de politie 5. Het opsporingsonderzoek 6. Beslissingen over voorlopige hechtenis, vervolging en de wijze van afdoening 7. Het verhoor bij de rechter-commissaris 8. De terechtzitting 9. Uitspraak, hoger beroep en executie 10. Samenvatting en conclusies
    • Een meewerkverplichting bij grootschalig DNA-onderzoek in strafzaken?

      Kempen, P.H.P.H.M.C. van; Staak, M.G.J.M. van der (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2013)
      Indien bij een opsporingsonderzoek naar een ernstig misdrijf onvoldoende aanwijzingen zijn die leiden naar een (of meerdere) individuele verdachte(n), maar wel vermoedens bestaan dat de mogelijke dader(s) tot een bepaalde groep behoort, kan justitie een grootschalig DNA-onderzoek opstarten. Dit onderzoek betreft de vraag of aan burgers een meewerkverplichting in het kader van een grootschalig DNA-onderzoek kan worden opgelegd. Om tot een onderbouwde en genuanceerde beantwoording daarvan te komen, worden ter vergelijking zeven uiteenlopende andersoortige meewerkplichten voor burgers op verschillende terreinen van het recht in Nederland, België, Duitsland en Engeland & Wales besproken. Ook wordt de meewerkplicht bij grootschalig DNA-onderzoek getoetst aan verschillende fundamentele rechten. Daarnaast wordt de uitvoeringspraktijk van grootschalig DNA-onderzoek in genoemde landen beschreven en komt de meewerkplicht vanuit verschillende sociaalwetenschappelijke theorieën aan de orde. INHOUD: 1. Inleiding 2. Grootschalig DNA-onderzoek en de positie van de weigeraar 3. Algemene identificatieplicht 4. Preventief fouilleren 5. Ademanalyse 6. Doorzoeking in de woning van derden 7. Meewerkverplichtingen bij de bestrijding van infectieziekten 8. Meewerkverplichtingen in het fiscale recht 9. Toetsing aan fundamentele rechten en beginselen uit het EVRM 10. Uitvoeringspraktijk bij grootschalig DNA-onderzoek: de relatie tussen de politie en burgers 11. Slotbeschouwing