• Algemeen Bestuursrecht 2001 - De burger en de Awb: ervaringen van repeat players met Awb-procedures

      Aalders, M.V.C.; Boeve, M.N.; Hazewindus, W.G.A.; Jong, K.A.W.M. de; Klap, A.P.; Olivier, B.K.; Schueler, B.J.; Uylenburg, R.; Wilt, C.J. van der (Universiteit van Amsterdam - Leerstoelgroep Bestuursrecht, 2001)
      Dit boek bevat de resultaten van het onderzoek naar de positie van burgers in procedures op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderzoek is gericht op ervaringen van personen die regelmatig optreden voor burgers, bedrijven en organisaties in Awb-procedures (repeat players). Aan de hand van diepte-interviews zijn de fasen vanaf het vooroverleg tot en met de gang van zaken bij de rechter in eerste aanleg in drie soorten procedures onderzocht: WAO-besluiten, milieuvergunningen en sanctiebesluiten in het omgevingsrecht. Centraal stonden de volgende thema's: de mogelijkheid voor burgers om standpunten naar voren te brengen, de toegevoegde waarde van een fase in de procedure ten opzichte van de daaraan voorafgaande fase en het tijdsbeslag van een procedure. Het boek laat zien dat de Awb-procedures er vanuit het perspectief van de burger anders uitzien dan vanuit het perspectief van bestuursorganen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden om tot een uitwisseling van inhoudelijke standpunten en argumenten te komen. De punten waarop de procedures verbeterd kunnen worden, hebben vooral te maken met de feitelijke invulling die ambtenaren, bestuurders en rechters er aan geven, en niet zozeer met de exacte formulering van de wettelijke regeling.
    • Betrokkenheid van het Ministerie van Justitie bij Nederlandse interventies voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

      Huson, F.R.P.; Habib, K.; Voermans, W.J.M. (WODC, 2008)
      De probleemstelling van dit onderzoek is: om welke redenen en met welk effect is het ministerie van justitie in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2007 betrokken geweest, of juist niet betrokken geweest bij het maken van opmerkingen door Nederland in een prejudiciële procedure voor of het interveniëren door Nederland in een rechtstreeks beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (waaronder mede begrepen het Gerecht van Eerste Aanleg) en wat valt daaruit te leren?
    • Derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht 2006 - Feitenvaststelling in beroep

      Barkhuysen, T.; Damen, L.J.A.; Graaf, K.J. de; Marseille, A.T.; Ouden, W. den; Schuurmans, Y.E.; Tollenaar, A. (WODC, 2007)
      Dit betreft een onderzoek in het kader van de derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderwerp Feitenvaststelling maakt deel uit van de evaluatie mede vanuit de overweging dat in de eerste en tweede evaluatie gesignaleerd is dat de bestuursrechter mogelijk weinig gebruik maakt van zijn onderzoeksbevoegdheden. Verder is gebleken dat vooral de feitenvaststelling de partijen in een proces verdeeld houdt. Onderzocht is aan welke normen ten aanzien van de feitenvaststelling de bestuursrechter is gebonden op grond van de Awb en het Europese recht, hoe de bestuursrechter in praktijk de feiten vaststelt en in hoeverre de praktijk van feitenvaststelling in beroepszaken met de normen in overeenstemming is.
    • Derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht 2006 - De Europese agenda van de Awb

      Widdershoven, R.J.G.M.; Verhoeven, M.J.M.; Prechal, S.; Duijkersloot, A.P.W.; Gronden, J.W. van de; Hessel, B.; Ortlep, R. (WODC, 2007)
      Het betreft een onderzoek in het kader van de derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de groei van het aantal beleidsterreinen van de Europese Gemeenschap (EG) ontwikkelt ook het Europese (bestuurs)recht zich. Het Europees (bestuurs)recht bestrijkt een breed terrein en betreft de uitvoering van het recht van de EG. Op welke onderdelen sluit de Awb nu of in de (nabije) toekomst niet of onvoldoende aan bij het Europese recht en welke urgentievolgorde kan eventueel in de geïnventariseerde onderdelen worden aangebracht?
    • Derde Evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht 2006 - Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006

      Ilsink, J.W. (voorz.) (WODC, 2007)
      De Algemene wet bestuursrecht (Awb) draagt de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op om de toepassing van de wet periodiek te evalueren en daarvan verslag uit te brengen aan de Staten-Generaal. Dat is inmiddels tweemaal gebeurd. Dit is het verslag van het derde evaluatieonderzoek dat betrekking heeft op vijf onderwerpen: intern klachtrecht, het vooronderzoek naar het perspectief van de burger, de feitenvaststelling door de rechter, definitieve geschilbeslechting, en de Europese agenda van de Awb. In de slotbeschouwing komen enkele algemene lijnen aan bod die de Commissie op basis van de bevindingen uit de onderzoeken onder de aandacht wil brengen. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van alle aanbevelingen.
    • Evaluatie supersnelrecht

      Weerden, M. van; Benschop, A.; Liebregts, N.; Blom, T.; Korf, D.J. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Bonger Instituut, 2016)
      Dit onderzoek betreft een evaluatie van supersnelrechtprocedures in Nederland. Van supersnelrecht is sprake indien een zaak binnen de termijn van de inverzekeringstelling (maximaal 3 dagen) inhoudelijk ter zitting wordt behandeld. Het uitgangspunt is daarbij dat voorlopige hechtenis wordt bevolen en indien een vrijheidsstraf wordt opgelegd, deze aansluitend wordt uitgezeten. De voorwaarde is dat de verdachte afstand doet van de geldende dagvaardingstermijn voor politierechterzaken van 3 dagen. De centrale vraagstelling van het onderzoek is: Hoe functioneert het instrument supersnelrecht in de verschillende arrondissementen in Nederland en welke mogelijkheden zijn er voor de verbetering van de toepassing ervan?
    • Evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten uit de Awb

      Schueler, B.J.; Blekemolen, M.; Duijkersloot, A.P.W.; Modderman, C.B.; Ortlep, R.; Scholtes, H.H.M. (Universiteit Utrecht - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2013)
      Het onderzoek betreft een evaluatie van een drietal eind 2009 geïntroduceerde instrumenten. Het gaat daarbij om: de dwangsom bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb), de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (de Lex silencio positivo; paragraaf 4.1.3.3 Awb) en beroep bij niet tijdig handelen (afdeling 8.2.4a Awb). Er is nagegaan of en in welke mate deze instrumenten zijn ingezet en vervolgens of deze drie instrumenten inderdaad hebben bijgedragen aan het bespoedigen van besluitvorming door bestuursorganen. Daarnaast is onderzocht of deze instrumenten een toename of afname van de regeldruk hebben veroorzaakt. Ten derde is onderzocht of en zo ja welke knelpunten zich in de praktijk hebben voorgedaan bij de inzet van deze instrumenten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Dwangsom bij tijdig niet beslissen 3. Beroep bij niet tijdig beslissen 4. Lex silencio positivo 5. Beantwoording onderzoeksvragen over werking en effectiviteit
    • Evaluatie Vreemdelingenwet 2000 - De asielprocedure (deel 1 en 2)

      Scheltema, M. (voorz.) (Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet, 2006)
      Doel van het onderzoek is de werking en de gevolgen van de Vreemdelingenwet 2000 te evalueren. Deze tweedelige rapportage betreft de evaluatie van de asielprocedure en bevat naast een advies o.a. uit verschillende deelonderzoeken, te weten: procesevaluatie asielprocedure, kwaliteit van asielbeslissingen, en doorlooptijden van asielprocedures. In het kader van de 'Evaluatie Vreemdelingenwet 2000' zijn in 2004 door de Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet 2000 reeds twee deelrapporten en een Advies gepubliceerd met als titel: Evaluatie Vreemdelingenwet 2000: terugkeerbeleid en operationeel vreemdelingentoezicht
    • Op zoek naar nieuw evenwicht - Derde evaluatie van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden

      Wolf, M. van der; Mevis, P.; Struijk, S.; Leeuwen, L van; Kleijn, M.; Marle, H. van; Leeuwen, E. van (medew.); Bektesevic, D. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - Erasmus School of Law, 2016)
      Sinds 1997 is de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden (Bvt) van kracht. Deze wet regelt de interne rechtspositie van tbs-gestelden. De beginselenwet bepaalt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding en vervolgens iedere vijf jaar verslag moet worden uitgebracht aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In 2001 verscheen de eerste evaluatie: E. Leuw & N. Mertens, Tussen recht en ruimte, 2001. De tweede evaluatie: D. van der Hoek, K. Eppink, F. Koenraadt, M. Boone, Balanceren met recht, 2009 (zie links bij: Meer informatie). Dit is de derde evaluatie van de Bvt waarbij de volgende twee onderzoeksvragen centraal staan: Dient de in de Bvt neergelegde interne rechtspositie en de actuele uitvoeringspraktijk daarvan de doelstelling van een evenwichtige verhouding tussen de dimensies van beveiliging, behandeling en rechtsbescherming? Is de Bvt als interne rechtspositieregeling voldoende berekend op het toekomstige landschap van de Forensische zorg? INHOUD: 1. Achtergrond, vraagstelling en methode 2. Functioneren van rechtsmiddelen en het effectueren van de rechtspositie 3. Verantwoording via toezicht, registratie en documentatie 4. Inbreuken op rechten: controle, ordemaatregelen en dwangbehandeling 5. Overkoepelende beschouwing, conclusies en aanbevelingen
    • Rechtsbescherming van uithuisgeplaatsten - een verkennend onderzoek

      Schol, M.; Nagtegaal, J.; Sibma, F.; Brouwer, J.; Winter, H. (Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, 2010)
      Op 1 januari 2009 is de Wet tijdelijk huisverbod in werking getreden. Daarmee is het mogelijk geworden om bij een (dreigende) situatie van huiselijk geweld de pleger een tijdelijk huisverbod op te leggen voor de duur van 10 dagen. Het huisverbod houdt in dat de pleger zijn of haar woning niet meer in mag en ook geen contact mag opnemen met partner, kinderen en/of andere huisgenoten. Op deze wijze wordt een afkoelingsperiode gecreëerd, waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en waardoor escalatie kan worden voorkomen. Het huisverbod wordt in de vorm van een beschikking uitgereikt door de burgemeester of, namens deze, door de politie (te weten de hulpofficier van justitie). De burgemeester kan, afhankelijk van de situatie, het huisverbod verlengen met maximaal 18 dagen. Uithuisgeplaatsten die het niet eens zijn met het huisverbod, of de verlenging daarvan, hebben de mogelijkheid om hiertegen in beroep te gaan bij de rechtbank. Omdat de (maximale) verlengingsperiode van het huisverbod (18 dagen) bijna twee keer zolang is als de opleggingsperiode (10 dagen) vond de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel dat bij de verlenging meer rechtsbescherming voor de pleger zou moeten komen, in de vorm van een verplichte toets door een rechter. Dit zou betekenen dat de rechter beslist over verlenging van het huisverbod en niet de burgemeester. In dit kader is behoefte aan een onderzoek naar de huidige rechtsbescherming van plegers en de wenselijkheid van een verplichte rechterlijke toets bij verlenging van het huisverbod. Vanwege de impact van een huisverbod en het mogelijk in geding zijn van de grondrechten van de pleger, wordt dit onderzoek op korte termijn uitgevoerd. INHOUD: 1. Inleiding, vraagstelling en onderzoeksaanpak 2. De Wet tijdelijk huisverbod 3. Verhouding met grondrechten en het strafrecht 4. Jurisprudentie 5. Uitvoeringspraktijk huisverbod 6. Ervaringen van uithuisgeplaatsten 7. Verhouding met andere rechtsbeschermingsstelsels 8. De bevoegdheid van de burgemeester 9. Slotbeschouwing
    • Rechtspleging Civiel en Bestuur 2012 - ontwikkelingen en samenhangen

      Heer-de Lange, N.E. de (red.); Diephuis, B.J. (red.); Eshuis, R.J.J. (red.) (WODC, 2013)
      Deze derde volledige editie in boekvorm van Rechtspleging Civiel en Bestuur (C&B) - eerder verscheen online een update van het tabellenpakket - geeft een overzichtelijk beeld van de cijfermatige ontwikkelingen op het terrein van civiel en bestuursrecht die over het algemeen de periode 2002-2012 beslaan. De ontwikkeling van het aantal civiele en bestuursrechtelijke rechtszaken wordt in kaart gebracht, maar ook het gebruik van buitengerechtelijke geschilbeslechting en ontwikkeling van juridische beroepen, zoals advocaten, notarissen en deurwaarders, komen aan bod. Ook is, evenals in de vorige editie, informatie toegevoegd over de overheidsuitgaven aan de civiele en bestuursrechtspleging. Voor de eerste keer verschijnt C&B in de op zichzelf staande reeks (Justitie in statistiek). INHOUD: 1. Inleiding - R.J.J. Eshuis, B.J. Diephuis en N.E. de Heer-de Lange 2. Het Nederlandse civiele en bestuursrechtssysteem - N.E. de Heer-de Lange en M.J. ter Voert 3. Rechtshulp en buitengerechtelijke geschilprocedures - M.J. ter Voert, C.M. Klein Haarhuis en H. Goudriaan 4. Civiele rechtspraak - R.J.J. Eshuis, A.H. Sprangers en B.J. Diephuis 5. Bestuursrechtspraak - M.M. van Rosmalen en N.E. de Heer-de Lange 6. Personeel - B.J. Diephuis, R.J.J. Eshuis en F.P. van Tulder 7. Uitgaven - F.P. van Tulder, M.J. ter Voert en B.J. Diephuis 8. Waardering en kwaliteit - B.J. Diepenhuis, M.J. ter Voert en R.J.J. Eshuis
    • Schorsende werking van rechtsmiddelen bij bestuurlijke boetes

      Bröring, H.E.; Tollenaar, A.; Feenstra, M.; Outhuijse, A. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2020)
      Het verschil in schorsende werking van rechtsmiddelen tussen bestuursrecht en strafrecht heeft aanleiding gegeven tot de volgende probleemstelling. Hoe dient het als hoofdregel ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen boetebesluiten uit normatief respectievelijk empirisch oogpunt te worden beoordeeld? Is er reden om, overeenkomstig het strafrecht, te voorzien in een wettelijke regeling waarmee de effectuering van bestuurlijke boetes wordt geschorst gedurende de fase van rechtsbescherming tegen bestuurlijke boetes? Deze probleemstelling is uitgesplitst in de volgende deelvragen: - Waarom heeft bezwaar of beroep tegen een boetebesluit in het Nederlandse bestuursrecht als hoofdregel geen schorsende werking? - Welke uitzonderingen zijn er op deze hoofdregel en op welke gronden? - Hoe verhoudt de afwezigheid van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen een boetebesluit zich tot het onschuldvermoeden? - Welke betekenis komt in dit verband de voorlopigevoorzieningenprocedure toe? - Hoe gaan bestuursorganen in de praktijk om met hun bevoegdheid tot invordering van bestuurlijke boetes? - In hoeverre speelt het treffen van een betalingsregeling daarbij een rol? INHOUD: 1. Inleiding 2. Schets van de problematiek; inrichting van het onderzoek 3. Normatief-juridische onderzoeksbevindingen 4. Empirisch-juridische onderzoeksbevindingen 5. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Zorgvuldigheid van asielbeslissingen - Een vergelijking tussen de oude de nieuwe Vreemdelingenwet

      Kromhout, M.H.C.; Olde Monnikhof, M.; Kulu-Glasgow, I.; Munk, K.; Beenakkers, E.M.Th. (WODC, 2006)
      Dit rapport is onderdeel van de 'Evaluatie van de Vreemdelingenwet 2000 met betrekking tot de asielprocedure' van de Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet. In dit onderzoek wordt 'kwaliteit' gedefinieerd in termen van zorgvuldigheid en wordt nagegaan hoe de voornemenprocedure en de individuele verlenging van de beslistermijn onder de Vw 2000 hieraan bijdragen. Dit gebeurt voor wat betreft de voornemenprocedure in vergelijking met de oude Vreemdelingenwet.