• Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie allochtone minderjarige jongens - Een verkennend onderzoek

      Horn, J.E. van; Bullens, R.A.R.; Doreleijers, Th.A.H.; Jäger, M. (Fora Forensische diagnostiek, 2001)
      Een verkennend onderzoek naar aanleiding van signalen uit de hulpverlening dat met name Marokkaanse jongens een relatief grotere kans hebben om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Bij 10 politieregio's en een diagnostische instelling zijn gegevens verzameld. De meeste autochtone en allochtone jongens zijn misbruikt door niet-verwante plegers, meestal door pedoseksuele mannen van middelbare leeftijd die in de nabije omgeving van de slachtoffers wonen. Met name de gevoeligheid voor de aandacht, vleierijen en materiele en/of financiële beloningen van de pleger lijken de kans op seksueel misbruik te vergroten. Ook de psychische druk van vriendjes om bepaalde seksuele handelingen toe te laten en/of uit te voeren speelt een niet onbelangrijke rol. In het onderhavige onderzoek is via extrapolatie het aantal minderjarige jongens geschat op minimaal 1500, waarvan tussen de 10% en 30% van Marokkaanse afkomst en tussen de 8% en 12% van Roemeense afkomst. Turkse, Surinaamse en Antilliaanse jongens worden in de prostitutie wel gesignaleerd, maar komen in jaarverslagen nauwelijks terug. Dak- en thuisloosheid en een acute financiële nood lijken voor de meeste jongens de belangrijkste redenen die tot prostitutie hebben geleid. Concluderend kan worden gesteld dat, ofschoon van de allochtone jongens de Marokkaanse slachtoffers van seksueel misbruik en prostitutie relatief oververtegenwoordigd zijn, de resultaten uit het onderhavige onderzoek er niet eenduidig op wijzen dat Marokkaanse jongens een verhoogd risico vormen om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Onderrapportage en het ontbreken van informatie bij politie en hulpverlening worden als belangrijkste factoren aangemerkt die adequate schatting van de omvang van seksueel misbruik en prostitutie in de weg staan.
    • De vervolging in kinderzaken

      Unknown author (WODC, 1975)
      Dit themanummer van Justitiële verkenningen is gewijd aan de vervolging in kinderstrafzaken. Naast de bewerkingen van een Amerikaans en een Engels artikel, zijn twee artikelen opgenomen die speciaal voor dit nummer zijn geschreven. Eén daarvan heeft betrekking op een onderzoek in België en is van de hand van dr. J. Junger-Tas, tot voor kort verbonden aan het Studiecentrum voor Jeugdrnisdadigheid te Brussel. Het andere werd geschreven door F.C.W. Voorberg-Riedeman en is gebaseerd op haar doctoraalscriptie criminologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Aan de artikelen gaat een inleidende literatuurstudie vooraf.
    • Delinquent behavior among young people in the western world - First results of the international self-report delinquency study

      Junger-Tas, J. (ed.); Klein, M.W. (ed.); Terlouw, G.J. (ed.) (WODC, 1994)
      This volume presents the first results of the self-report in 13 individual countries. A second volume will follow in 1995, which will present the results of in-depth comparative analysis. The outcomes of these studies are presented in individual chapters. Some conclusions on the basis of this material are presented in the last chapter. These preliminary conclusions are based on similarities in the instruments used and a number of similar samples. In the chapters demographic and socio-economic features of the country under discussion are presented as well as cultural factors, alcohol- and drug consumption, study design, and conclusions about delinquency and problem behavior.
    • Immigratie en criminaliteit in acht West-Europese landen - Een literatuurverkenning

      Baas, N.J. (WODC, 1997)
      Deze literatuurverkenning is bedoeld als aanvulling op het literatuuronderzoek van het WODC naar de betrokkenheid van etnische minderheden bij 'commune criminaliteit' in ons land (Leuw, 1997). Hier is aan de hand van de literatuur onderzoek gedaan naar de situatie in andere Europese landen. Er is informatie verzameld over de resultaten van criminologisch onderzoek naar immigranten in de ons omringende landen, dat is gebaseerd op justitiële gegevens. Daarbij is speciale aandacht besteed aan de vraag of en, zo ja, hoe er in de justitiële wereld onderscheid wordt gemaakt tussen verdachten en daders uit de autochtone bevolking en justitiabelen met een immigrantenachtergrond. In sommige landen, zoals Duitsland en Groot-Brittannië, vond en vindt een discussie plaats over de vraag of criminologisch onderzoek naar immigranten toelaatbaar is en wat het nut daarvan zou kunnen zijn. Direct verband daarmee houdt de vraag of de registratie van nationaliteit, etniciteit of ras van verdachten en daders geoorloofd is. Deze discussie met de argumenten van voor- en tegenstanders komt hier ter sprake. Bovendien wordt gekeken of er landen zijn waar sprake is van een specifiek op immigranten gericht beleid op het terrein van de criminaliteitspreventie en, zo ja, wat daar de ervaringen mee zijn. In acht Europese landen is informatie voor deze literatuurverkenning gevonden: Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Zwitserland, Zweden, België, Italië, en Spanje.
    • Nut en risico van persoonsregistratie

      Unknown author (WODC, 1994)
      De voorgenomen volkstelling in 1971 bracht Nederland in rep en roer. Velen meenden dat burgers hun medewerking aan een dergelijk naar totalitarisme zwemend initiatief behoorden te onthouden. Big brother-angsten zijn sindsdien danig verminderd. Niettemin is persoonsregistratie nog altijd een gevoelig onderwerp waarover geen maatschappelijke consensus bestaat. Met name de koppeling van bestanden roept vraagtekens op. Begrijpelijk want koppeling kan immers leiden tot een ander gebruik van gegevens dan waarvoor ze bestemd zijn. De zorg om de persoonlijke levenssfeer heeft in de Nederlandse politiek altijd op grote instemming kunnen rekenen. Door de toenemende individualisering in wet- en regelgeving hebben overheidsinstanties echter steeds meer behoefte aan gegevensuitwisseling; ze worden daardoor steeds afhankelijker van externe administraties. Bovendien roept het `gehamer' op privacy bij veel beleidmakers irritatie op. Doelmatig bestuur en bestrijding van fraude (valse naam, vals adres, inschrijven in meerdere gemeenten) worden erdoor gehinderd. Er is meer informatie over clienten nodig en daarbij is soms opening van zaken gewenst. De vraag is natuurlijk of dat geoorloofd is. Een andere vraag is of koppeling van bestanden wel het beoogde nut heeft. Die vragen staan in dit nummer van Justitiele verkenningen centraal.
    • De ontwikkeling van het geweten

      Schalkwijk, F.; Wied, M. de; Heynen, E.; Vugt, E. van; Assink, M.; Stams, G.J.; Tiemersma, J.; Oploo, L. van (WODC, 2022-06-28)
      Test
    • Politiecontacten van minderjarigen en justitiële afdoening

      Junger-Tas, J. (WODC, 1981)
      Dit rapport is een verslag van een statistisch onderzoek bij de kinderpolitie in Den Haag en Venlo, waarin een poging wordt gedaan om alvast beter inzicht te krijgen in aard en omvang van zowel zaken als minderjarigen die gedurende een periode van 1 jaar bij de kinderpolitie binnenkomen.
    • Recidive-onderzoek in Nederland - Een overzicht van Nederlands onderzoek naar hernieuwd crimineel gedrag

      Wartna, B.S.J. (WODC, 1999)
      In het kader van het WODC-project de Recidivemonitor heeft in de loop van 1998 een inventarisatie plaatsgevonden van de Nederlandse publicaties op het terrein van het recidive onderzoek. Drie vragen stonden bij de bestudering centraal: op welke specifieke terreinen is er in Nederland recidive-onderzoek gedaan; op welke wijze werd dit onderzoek uitgevoerd; welke resultaten heeft het in grote lijnen opgeleverd? Er worden 4 typen recidive-onderzoek onderscheiden: als onderdeel van een daderprofiel; onderzoek naar criminele carrieres; ethiologisch onderzoek en effectstudies. In het overzicht van de onderzoeksresultaten worden ingegaan op: criminele carrieres (voorspellen van recidive; leeftijd en verloop van de criminele carriere; sekse, ethniciteit en criminele loopbanen; specialisatie); de effectiviteit van strafrechtelijke interventies (algemeen recidive-onderzoek; alcohol/recidive onderzoek; TBS en recidive; onderzoek mbt gevangenisregiems; onderzoek naar nieuwe interventies voor jeugdigen; alternatieve afdoeningen voor (jong)volwassenen). Voorts worden nog enkele methodologische kanttekeningen geplaatst. INHOUD: 1. Nederlands recidive-onderzoek 2. Typen recidive-onderzoek 3. Overzicht van onderzoeksresultaten 4. Het meten van recidive: enkele kanttekeningen van methodologische aard 5. Conclusies en aanbevelingen
    • StatRec revisited - De rol van geboorteland en herkomst bij de predictie van de kans op recidive

      Tollenaar, N.; Wartna, B.S.J. (WODC, 2015)
      StatRec is een instrument dat met gegevens vastgelegd in de justitiële documentatie, een inschatting maakt van het recidiverisico van een verdachte van een misdrijf. StatRec staat voor ‘statisch recidiverisico’. De schaal gebruikt enkele demografische kenmerken en gegevens over het strafrechtelijk verleden van een persoon en geeft zo een voorspelling van de toekomst. Het verzoek om te kijken naar de rol van geboorteland vormde voor het WODC aanleiding om het model van de StatRec-schaal te actualiseren en tegelijk te bezien of de herkomst van de verdachten in statistische zin op termijn wellicht van nog groter belang zou kunnen zijn dan geboorteland. Concreet luiden de onderzoeksvragen als volgt:Wat is momenteel vanuit statistische overwegingen bezien het optimale StatRec-model?In hoeverre neemt de voorspelkracht van de schaal af als geboorteland niet wordt opgenomen in individuele voorspellingen van het recidiverisico?In hoeverre neemt de voorspelkracht van de StatRec-schaal toe indien de herkomst van de verdachten aan het onderliggende model zou worden toegevoegd?
    • Strafrechtelijke vervolging en bestraffing van Nederlanders en buitenlanders

      Werff, C. van der; Zee-Nefkens, A.A. van der (WODC, 1978)
      De volgende vragen staan centraal: (1) Voert het openbaar ministerie ten aanzien van buitenlanders een ander sepotbeleid dan ten aanzien van landgenoten? (2) Is de nationaliteit van de dader van invloed op de aard en zwaarte van de straf die wordt gevorderd? (3) Is de nationaliteit van de dader van invloed op de aard en de zwaarte van de straf die wordt opgelegd?
    • Een verkennend kwalitatief onderzoek naar klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen

      Bos, K. van den; Ansems, L.; Schiffelers, M.-J.; Kerssies, S.; Lindeman, J.; Bovens, C. (medew.); Manshanden, L. (medew.); Peters van Neijenhof, F. (medew.); Verhoeven, L. (medew.) (Universiteit Utrecht - Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO), 2021-06-22)
      In het hier gerapporteerde onderzoek staan de volgende vier vragen centraal: Wat is klassenjustitie? Komt het in de Nederlandse strafrechtketen voor? Zo ja, hoe vaak komt het voor? En waardoor komt het? In het rapport ligt de nadruk op het beantwoorden van de eerste vraag. Het door ons uitgevoerde kwalitatieve onderzoek leent zich namelijk bij uitstek voor het beantwoorden van de vraag wat kan worden verstaan onder klassenjustitie in de strafrechtketen in Nederland. Het onderzoek bestond uit het bestuderen van de wetenschappelijke en aanpalende literatuur van de laatste 20 jaar. Ook hielden we interviews en focusgroepgesprekken met 45 personen die beroepshalve betrokken zijn bij de strafrechtketen in Nederland (vanuit de wetenschap, advocatuur, Openbaar Ministerie (inclusief Functioneel Parket), Politie (inclusief FIOD), Rechtspraak en Reclassering). Tevens voerden we een tweetal interviews met twee kritische burgers en een focusgroepgesprek met vijf kritische burgers. Het gaat hierbij om ervaringsdeskundigen en kritische volgers van casussen die de associatie met klassenjustitie oproepen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksmethoden, 3. Wat is het? 4. Komt het voor? 5. Hoe vaak komt het voor? 6. Waardoor komt het? 7. Reflecties van enkele kritische burgers, 8. Conclusies en aanbevelingen.
    • Vrijwillige pleegzorg - Een kwantitatieve analyse

      Reeuwijk, P.M.C.; Berben, E.G.M.J. (WODC, 1988)
      Het onderhavig rapport bevat het verslag van een onderzoek naar vrijwillige pleegzorg. Het onderzoek verloopt in twee fasen. In de eerste fase is een steekproef getrokken van beëindigde vrijwillige pleeggezinplaatsingen. De maatschappelijk werkers die deze plaatsingen hebben begeleid, zijn geïnterviewd over allerlei aspecten met betrekking tot deze plaatsingen. Het betreft vooral een kwantitatieve analyse. Het is deze eerste fase waarvan in dit rapport verslag wordt gedaan. In de tweede fase van het onderzoek worden ouders, pleegouders en pleegkinderen benaderd om het inzicht in de vrijwillige pleegzorg verder te verdiepen. Het karakter van die analyse zal vooral kwalitatief zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet en methode 3. Kenmerken van de diverse betrokkenen en de pleeggezinplaatsing 4. Het plaatsingsproces chronologisch beschreven 5. De leeftijd van de pleegkinderen 6. De etnische achtergrond van de pleegkinderen 7. De problemen die de reden tot de pleeggezinplaatsing vormen 8. Het doel van de pleeggezinplaatsing 9. De begeleidende instanties 10. Relatie tot het pleeggezin 11. Plaatsingsduur 12. Voortijdige beëindiging 13. Beëindiging vanwege een justitiële maatregel 14. Discussie 15. Samenvatting en conclusies