• 909 zorgen - Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

      Slot, N.W.; Theunissen, A.; Esmeijer, F.J.; Duivenvoorden, Y. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, 2001)
      In dit onderzoek is gepoogd zicht te krijgen op de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling via een analyse van 103 dossiers van vier gezinsvoogdij-instellingen. Tevens werd een enquête gehouden onder kinderrechters en stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en werden gezinsvoogden, ouders en kinderen geïnterviewd.
    • Alternatieve sancties onderzocht - Eindrapport van het evaluatieonderzoek alternatieve sancties voor jeugdigen

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1986)
      De inhoud van dit eindrapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 2 wordt stil gestaan bij de organisatie en uitvoering van alternatieve sancties. In hoofdstuk 3 komt de vergelijking tussen enerzijds de alternatieve sancties en anderzijds de andere afdoeningsvormen aan de orde. Dat leidt onder meer tot de beantwoording van de belangrijke vraag, of er van alternatieve sancties een aanzuigende werking is uitgegaan; d.w.z. of er meer jongeren in het justitiële circuit terecht zijn gekomen dan het geval zou zijn geweest zonder die afdoeningsmogelijkheid? In hoofdstuk 4 passeren de meest in het oog springende uitkomsten van de napeiling de revue. In hoofdstuk 5 ten slotte volgt een slotbeschouwing, waarin enkele conclusies worden getrokken en ook enkele aanbevelingen worden geformuleerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie en uitvoering van alternatieve sancties 3. Alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen 4. Napeiling 5. Slotbeschouwing
    • Bescherming en jeugdzorg - De positie van de jeugdbescherming binnen Bureau Jeugdzorg

      Vergeer, M.M.; Mellink, E.C.; Savornin Lohman, J. de; Roede, E. (Universiteit van Amsterdam - SCO-Kohnstamm Instituut, 1998)
      Dit eindrapport betreft een onderzoek naar de positie van de jeugdbescherming binnen Bureau Jeugdzorg uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Justitie, WODC, Extern Wetenschappelijke Betrekkingen. In dit verslag wordt over het tweede deel van het onderzoek gerapporteerd. Het eerste deel is afzonderlijkrschenen. Bij 4 Bureaus Jeugdzorg is aan de hand van interviews en documentanalyse onderzocht op welke wijze men vorm heeft gegeven aan de positie van de jeudgbescherming en hoe een en ander in de praktijk functioneert. De resultaten zijn bediscussieerd in een expertmeeting.
    • De inzet van deskundigen bij de Raden voor de Kinderbescherming - verslag van een korte inventarisatie

      Unknown author (WODC, 1992)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een kort inventariserend onderzoek naar de inzet van deskundigen bij de Raden van de Kinderbescherming. Doel van deze inventarisatie is informatie te verzamelen die een bijdrage kan leveren aan het ontwikkelen van criteria voor het inschakelen van deskundigen bij het raadsonderzoek.
    • De oplegging en uitvoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor delinquente jongeren - 531 dossiers (2008 t/m 2013) onder de loep genomen

      Plaisier, J.; Knijnenberg, M.; Lenssen, D.; Pollaert, H.; Straaten, I. van (Impact R&D, 2016)
      De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) is een maatregel voor jeugdige delinquenten die een ernstig delict plegen (of veel delicten plegen) en psychische problematiek hebben waarvoor ambulante behandeling nodig is. De maatregel is ingevoerd in 2008, maar wordt veel minder gebruikt dan oorspronkelijk werd verwacht: nog geen 1% van alle sancties voor jeugdigen per jaar bestaat uit een GBM. Er zijn al meerdere onderzoeken gedaan naar de redenen voor het feit dat de maatregel zo weinig wordt gebruikt. Er is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de vraag hoe het proces van advisering tot oplegging precies verloopt en hoe de maatregel wordt uitgevoerd bij de jongeren bij wie wel een GBM is opgelegd. Over deze vragen gaat dit onderzoeksrapport: Hoe vaak wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel geadviseerd, geëist en opgelegd en om welke redenen wordt een advies van de Raad voor de Kinderbescherming wel of niet overgenomen door het Openbaar Ministerie of de Zittende Magistratuur? Hoe verloopt de gedragsbeïnvloedende maatregel? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksvragen 3. Methode 4. Instroom: van advies tot oplegging 5. Het verloop van de GBM 6. Conclusie 7. Discussie
    • De vervolging in kinderzaken

      Unknown author (WODC, 1975)
      Dit themanummer van Justitiële verkenningen is gewijd aan de vervolging in kinderstrafzaken. Naast de bewerkingen van een Amerikaans en een Engels artikel, zijn twee artikelen opgenomen die speciaal voor dit nummer zijn geschreven. Eén daarvan heeft betrekking op een onderzoek in België en is van de hand van dr. J. Junger-Tas, tot voor kort verbonden aan het Studiecentrum voor Jeugdrnisdadigheid te Brussel. Het andere werd geschreven door F.C.W. Voorberg-Riedeman en is gebaseerd op haar doctoraalscriptie criminologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Aan de artikelen gaat een inleidende literatuurstudie vooraf.
    • Evaluatie Justitieel Casusoverleg Jeugd

      Poppel, J.W.M.J. van; Pranger, R.; Veenma, K.S.; Bruinsma, M.Y.; Boekhoorn, P.; Haaf, J. van (medew.); Abu Ghazaleh, N. (medew.) (WODC, 2005)
      In het Actieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003-2006 Jeugd terecht is een van de actiepunten de landelijke invoering van het justitieel casusoverleg. Dit casusoverleg moet bijdragen aan de afstemming van de activiteiten van de partners die het strafrechtelijk proces vorm geven (politie, Raad voor de Kinderbescherming en Openbaar Ministerie), aan de filtering van zaken met het oog op een verkorting van de doorlooptijden in de strafafdoening en aan de afstemming van de aanpak van de jongere met het oog op een kwaliteitsverbetering in strafafdoening en hulpverlening.
    • Evaluatie pilot landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtketen - situatie tot 30 april 2010

      Nauta, O.; Loef, L.; Hulshof, P. (medew.); Hilhorst, N. (medew.) (DSP-groep, 2010)
      In de periode oktober 2009 tot en met maart 2010 heeft in district 10 van de politieregio Rotterdam-Rijnmond en district Heuvelrug van de politieregio Utrecht de pilot voor het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ) plaatsgevonden. Hoofddoelen van het LIJ zijn recidive onder delinquente jongeren terugdringen en voor en gezonde opgroei- en opvoedomstandigheden bevorderen. Dit is een procesevaluatie van het LIJ die tot doel had vast te stellen op welke wijze de formele opzet van het LIJ in de praktijk navolging krijgt en welke wijzigingen (organisatorisch en inhoudelijk) aangewezen lijken alvorens de pilot te verbreden. INHOUD: Inleiding 2. Onderzoeksverantwoording 3. Formele beschrijving LIJ 4. Initiële opzet 5. Het LIJ in de praktijk 6. Gebruikersoordeel 7. Omissies en knelpunten 8. Conclusies
    • Evaluatie pilot landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtketen - situatie tot 15 januari 2011

      Nauta, O.; Loef, L.; Aalst, M. van (medew.); Hilhorst, N. (medew.) (DSP-groep, 2011)
      Deze procesevaluatie heeft tot doel vast te stellen op welke wijze de formele opzet van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ) in de praktijk navolging krijgt en welke wijzigingen (organisatorisch en inhoudelijk) aangewezen lijken alvorens de pilot landelijk uit te rollen. Kort samengevat komt het LIJ erop neer dat de betrokken ketenpartners in de verschillende fasen van het strafproces de jongere selecteren, screenen en diagnosticeren, en de rechterlijke macht informeren over de uitkomsten, ten behoeve van haar besluitvorming. De link naar de vorige rapportage is hiernaast te vinden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksverantwoording 3. Formele beschrijving LIJ 4. Verschil initiële opzet en formele opzet 5. Het LIJ in de praktijk 6. Gebruikersoordeel 7. Hiaten en knelpunten 8. Conclusies
    • Evaluatie Terwee: werklastonderzoek Wet en Richtlijn Terwee - deelrapport 1: onderzoek pre Terwee

      Unknown author (WODC, 1993)
      Dit zijn de resultaten van een onderzoek naar werklasteffecten bij verschillende organisaties.
    • Evaluatie Terwee: werklastonderzoek Wet en Richtlijn Terwee - eindrapport

      Unknown author (WODC, 1994)
      Dit zijn de resultaten van een onderzoek naar werklasteffecten bij verschillende organisaties.
    • Evalutie Terwee: werklastonderzoek Wet en Richtlijn Terwee - Deelrapport 2: Onderzoek post Terwee

      Unknown author (KPMG Klynveld Management Consutants, 1994)
      De gegevens uit beide deelrapporten dienen als basis voor het eindrapport met daarin een overzicht van de bevindingen uit de voor- en nameting.
    • Feiten op een rij: een tussenstand - Tussenevaluatie Actieplan feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen

      Abraham, M.; Dijk, B. van; Hofstra, D. (DSP-groep, 2020)
      Het Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen; Respect voor kind, ouder en professional, 2018-2021, heeft tot doel te komen tot goed feitenonderzoek en onderbouwde besluiten in de jeugdbeschermingsketen, met betrokkenheid van kinderen en ouders. Het Actieplan is aangeboden aan de Tweede Kamer in 2018 en de uitvoering van het plan loop van 2019 tot en met 2021. De minister heeft bij de aanbieding van het plan aan de Tweede Kamer toegezegd na twee jaar de balans te willen opmaken.De probleemstelling van het onderzoek is vervat in de volgende hoofdvragen: A. Kunnen met het Actieplan de gestelde doelen worden bereikt? B. Wat zijn de (tussentijdse) resultaten van het Actieplan? C. In hoeverre ontwikkelen deze zich in de richting van de nagestreefde doelen? D. Zijn aanpassingen/verbeteringen ten aanzien van het Actieplan mogelijk/wenselijk? Zo ja, welke?De probleemstelling is vertaald naar verschillende onderzoeksvragen, waarin wordt gekeken naar achtereenvolgens het potentieel doelbereik, de uitvoering en eerste resultaten van de verschillende acties, hoe verder en het betrekken van kinderen en ouders bij eindevaluatie.
    • Het functioneren van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving - Deelrapportage 4: Bescherming, bepaling en beperking; de optiek van de klachtgerechtigden ten aanzien van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving

      Savornin Lohman, J. de; Beijers, W.M.E.H.; Gelder, C.P. van; Goderie, M.J.H.; Nieborg, S.M.A.; Rijkschroeff, R.A.L.; Verkuyl, E.C.A.; Huntjens, K.M.N. (Verwey-Jonker Instituut, 1998)
      Wat is het oordeel van 12- tot 16-jarige jongeren en hun ouders en de Raad voor de Kinderbescherming (de klachtgerechtigden) over seksuele zelfbepaling en bescherming en beperking door de zedelijkheidswetgeving? In dit onderzoek is hun mening hierover gevraagd. Aan de orde komt wat hun kennis van en oordeel over het klachtrecht is en welke ervaringen zij ermee hebben. Hoofdstuk 2 gaat over seksuele zelfbepaling. Hoofdstuk 3 gaat over bescherming en beperking door de wet. De hoofdstukken 4 en 5 behandelen de bescherming tegen seksueel misbruik in het hypothetische geval en in het reële geval. In hoofdstuk 6 komt de kennis van zedelijkheidswetgeving aan de orde, o.a. met betrekking tot de delicten waarvoor het klachtvereiste geldt. Hoofdstuk 7 geeft de opvattingen van de betrokkenen weer omtrent de vraag wat er bij (zeden)wet verboden zou moeten zijn. Hoofdstuk 8 bespreekt het oordeel over het klachtvereiste, nadat informatie is verstrekt over de bepalingen in de wet die daarop betrekking hebben. En hoofdstuk 9 gaat tenslotte in op de Raad voor de Kinderbescherming als klachtgerechtigde.
    • Het OM en Van Montfrans - een inventarisatie door de Werkgroep De Vries van taken en activiteiten van het OM inzake jeugdcriminaliteit

      Essers, A.A.M.; Laan, P.H. van der (WODC, 1995)
      In deze notitie worden enkele uitkomsten gepresenteerd van de resultaten van een inventarisatie in alle 19 arrondissementen van taken en activiteiten van het OM inzake jeugdcriminaliteit. Aan de orde komen afdoeningsbeleid en -praktijk, taakstraffen, samenwerkingsverbanden/projecten/experimenten, knelpunten en cliënt-volgsysteem.
    • Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid LIJ - Onderzoek naar de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen

      Ark, L.A. van der; Leeuwen, J. van; Jorgensen, T.D. (Universiteit van Amsterdam - Pedagogische en Onderwijswetenschappen, 2018)
      In dit onderzoek is de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (IBB) onderzocht van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ). Het LIJ is een instrument voor de signalering, screening en risicotaxatie bij iedere jongere die verdachte is in een strafzaak in Nederland. Het LIJ wordt ingevuld door een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, aan de hand van dossieronderzoek, gesprekken met de jongere en zijn of haar ouders of verzorgers en aanvullende informatie. De IBB van het LIJ is de mate van overeenstemming tussen verschillende raadsonderzoekers wanneer zij dezelfde jongere beoordelen met behulp van het LIJ.Omdat het strafadvies van de jongere en een eventueel behandelingsplan gebaseerd is op de LIJ beoordeling, heeft de LIJ beoordeling een grote impact op de toekomst van de jongere en is een hoge IBB gewenst. In dit rapport is de IBB geschat van zowel het dynamisch risicoprofiel als alle afzonderlijke vragen van het LIJ.
    • Jeugd(beschermings)recht en vreemdelingenrecht - Een juridisch-empirische analyse

      Nissen, L.L.M.; Sportel, I.D.A.; Huijer, J.; Terlouw, A.B.; Zwaan, K.; Butter, T.; Glasgow, Y. (Radboud Universiteit Nijmegen - Centrum voor Migratierecht (CMR), 2021-10-13)
      Aanleiding voor dit onderzoek vormden spanningen die kunnen bestaan tussen het (jeugd)beschermingsrecht en het vreemdelingenrecht, zoals deze bijvoorbeeld naar voren zijn gekomen in de gebeurtenissen omtrent de casus van de Armeense kinderen.1 Het onderzoek bestond uit twee delen 1) de algemene wettelijke kaders en beleidskaders; 2) de knelpunten in de praktijk, met een nadere uitwerking van wettelijke en beleidsnormen in (een selectie van) deze knelpunten. Het onderzoek had als doel inzicht te bieden in (de combinatie van) het jeugd(beschermings)recht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen. Er is onderzocht waar spanningen of knelpunten tussen beide rechtsgebieden optreden, zowel op het niveau van wet- en regelgeving als in de uitvoeringspraktijk. Daarbij is onder meer bekeken of, en zo ja in hoeverre, rechtsnormen uit het ene rechtsgebied prevaleren over rechtsnormen uit het andere rechtsgebied. Waar het prevaleren van rechtsnormen niet op heldere wijze uit de wet- en regelgeving voortvloeit, zijn andere (praktijkgerichte) oplossingsrichtingen verkend. De probleemstelling van het onderzoek luidt: Welke zijn de (potentieel) conflicterende en/of spanningsvolle onderdelen of aspecten in de wet- en regelgeving voor het jeugdbeschermingsrecht en het vreemdelingenrecht ten aanzien van minderjarigen, zowel op het niveau van de wet- en regelgeving als voor de uitvoering in de praktijk en in hoeverre blijkt uit de wet- en regelgeving welk recht prevaleert? Hoe kunnen de (ervaren) spanningen en conflicten worden opgelost in situaties waarin niet uit de wet- en regelgeving blijkt welk recht prevaleert en wat is hiervoor nodig? INHOUD: 1. Introductie 2. Jeugd(beschermings)recht: relevante regelgeving en de rol van jeugdrechtelijke instanties 3. De positie van het kind in het vreemdelingenrecht 4. Kernbevoegdheden en taken van gecertificeerde instellingen, RvdK, IND en DT&V 5. Tussenconclusies en beantwoording van deelvragen 6. De uiteenlopende juridische posities van kinderen die wel, en kinderen die niet onder toezicht zijn gesteld 7. Duurzame oplossingen voor uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen: adequate opvang, buitenschuld en de rolverdeling tussen de betrokken actoren 8. Conclusies
    • Jeugdbescherming opnieuw ter discussie

      Unknown author (WODC, 1990)
      De kwetsbare positie van de jeugdbescherming heeft vanzelfsprekend alles te maken met de delicate taak die zij heeft: de bescherming van de belangen van het kind. In deze doelstelling lijkt een permanente bron van kritiek besloten te liggen. In haar werk zijn immers niet alleen de belangen van kinderen in het geding, maar ook die van de (pleeg)ouders, de instanties eromheen en ten slotte de maatschappij als zodanig. Maar vooral: wat zijn de belangen van kinderen eigenlijk? In de bijna honderdjarige geschiedenis van de kinderbescherming is hier op zeer verschillende manieren over gedacht. De Raad voor de Kinderbescherming heeft diverse rekestmogelijkheden bij de kinderrechter, zoals ontheffing, ontzetting en ondertoezichtstelling. Eind jaren zeventig bereikte de oplegging van dergelijke maatregelen een historisch minimum. Men vestigde de hoop op de (vrijwillige) hulpverlening aan jongeren. In de loop van het afgelopen decennium was er echter weer sprake van een geleidelijke toename van de ots-maatregel. Dit lijkt er op te wijzen dat het welzijnsmodel op zijn retour is. In dat verband wordt in de literatuur wet gerept van een 'juridiseringstendens' in de jeugdbescherming. In dit themanummer - dat toevalligerwijze verschijnt op een moment dat een tweetal commissies de jeugdbescherming onder de loep neemt - wordt deze nieuwe ontwikkeling op verschillende manieren belicht.
    • Jeugdcriminaliteit en jeugdbescherming - ontwikkelingen in de periode 1980-1994

      Laan, P.H. van der; Spaans, E.C.; Essers, A.A.M.; Essers, J.J.A. (WODC, 1997)
      Deze rapportage is de vijfde in de reeks over de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit en de jeugdbescherming. Het eerste rapport verscheen in 1987. Dit rapport wijkt in een aantal opzichten af van de voorgaande rapporten. Zo is de informatie over de afdoening van strafzaken tegen jeugdigen betrekkelijk summier van aard. Daarentegen is de informatie over door jeugdigen zelf gerapporteerde criminaliteit veel uitvoeriger, omdat voor het eerst ook kinderen in de leeftijd van 8 t/m 11 jaar en jongvolwassenen van 18 t/m 24 jaar bij het onderzoek betrokken zijn.
    • Maatregel...regelmaat? - Reconstructie van (het doorbreken van) transgenerationele overdracht van kinderbeschermingsmaatregelen

      Vogelvang, B.O.; Boesveldt, N. (medew.) (Adviesbureau Van Montfoort, 2001)
      Dit rapport wil proberen de onderstaande vragen te beantwoorden: In welke mate vertonen (nader te omschrijven) problemen die tot kinderbeschermingsmaatregelen (kunnen) leiden van generatie op generatie steeds een zelfde patroon? Welke factoren spelen een rolbij deze transgenerationele overdracht, kunnen deze factoren worden beïnvloed en zo ja, hoe?In hoeverre gaat hierbij van de opgelegde maatregelen zelf een bevorderende dan wel remmende invloed uit?Op welke manieren zijn eventuele vicieuze cirkels te doorbreken  door middel van wijzigingen in wet, beleid en/of uitvoeringspraktijk? Hierbij wordt door middel van empirisch onderzoek aangesloten bij de resultaten van het literatuuronderzoek van N. Baas, Probleemouders, probleemkinderen? Een literatuurstudie van transgenerationele overdracht van problemen die tot kinderbeschermingsmaatregelen (kunnen) leiden.