• Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.