• Computercriminaliteit

      Unknown author (WODC, 1987)
      De moderne informatietechnieken geven op allerlei manieren gelegenheid tot misbruik ervan en nieuwe vormen van misdaad. In dat verband wordt dan gesproken van computercriminaliteit. Aandacht voor deze nieuwe vorm van ctiminaliteit bestaat reeds sinds enige tijd in de landen (met name de VS) waar de computer eerder dan in Nederland een grote verspreiding kende. Ook in Nederland staat computercriminaliteit echter in toenemende mate in de belangstelling. De instelling van de Commissie Computercriminaliteit door de Minister van Justitie in november 1985 kan in dit kader als een mijlpaal worden gezien. De commissie kreeg tot taak — zonodig — voorstellen te doen tot aanpassing van het strafrecht op dit punt. Op 8 april 1987 bood mr. H. Franken, de voorzitter van de commissie, haar rapport aan aan de Minister van Justitie. In dit themanummer van Justitiele Verkenningen is een samenvatting van de voorstellen van deze commissie opgenomen. Deze samenvatting wordt gevolgd door een verslag van een kort daarop gehouden Euroforum-studiedag, waarop leden van de Commissie Computercriminaliteit de voorstellen hebben toegelicht en waar reacties op deze voorstellen zijn gegeven. Deze reacties vormen de eerste in een te verwachten reeks van beschouwingen, die te zamen met de commissievoorstellen aanleiding voor de wetgever zullen vormen om een wetsontwerp in te dienen.
    • Criminal victimization in seventeen industrialized countries - Key findings from the 2000 International Crime Victims Survey

      Kesteren, J. van; Mayhew, P.; Nieuwbeerta, P. (NSCR, 2000)
      The International Crime Victimisation Survey (ICVS) is the most far-reaching programma of fully standardised sample surveys looking at householders’ experience of crime in different countries. The first ICVS took place in 1989, the second in 1992, the third in 1996 and the fourth in 2000. Surveys have been carried out in 24 industrialised countries since 1989, and in 46 cities in developing countries and countries in transition. This report deals with seventeen industrialised countries which took part in the 2000 ICVS. The results in this report relate mainly to respondents’ experience of crime in 1999, the year prior to the 2000 survey. Those interviewed were asked about crimes they had experienced, whether or not reported to the police. CONTENT: 1. Introduction 2. Victimisation rates 3. Individual risk factors 4. Reporting crime and the police 5. Attitudes to crime 6. Conclusions
    • De overeenstemming tussen zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit en bij de politie bekende jeugdige verdachten

      Weijters, G.; Laan, A.M. van der; Kessels, R.J. (medew.) (WODC, 2016)
      In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre zelfrapportage van delinquent gedrag gemeten met de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) een aanvulling geeft op jeugdcriminaliteit gemeten met politieregistraties. Hiervoor is ten eerste gekeken naar de representativiteit van de MZJ wat betreft het voorkomen van jongeren in de politieregistraties. Vervolgens is meer inzicht willen verkregen in de overeenkomsten en verschillen tussen zelfgerapporteerde daders en door de politie geregistreerde verdachten. Zelfrapportage richt zich vooral op lichtere vormen van criminaliteit, terwijl in de politieregistraties vooral de meer ernstige delicten voorkomen. De algemene gedachte is dat de bronnen samen een completer beeld van de jeugdcriminaliteit geven. In dit onderzoek is gebruikgemaakt van de 2010 meting van de MZJ. De MZJ is een landelijk representatieve steekproef van jongeren in de leeftijd 10 tot en met 17 jaar. Het huidige onderzoek is beperkt tot de 12- tot en met 17-jarigen, omdat deze groep strafrechtelijk vervolgd kan worden en daardoor ook als verdachte worden geregistreerd. De jongeren zijn gevraagd of hun gegevens uit de MZJ gekoppeld mochten worden aan de politieregistraties. De tachtig jongeren die dit geweigerd hebben, zijn verder niet meegenomen in dit onderzoek. Zie ook deel I van dit onderzoek (projectnummer 2033). INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Vergelijking respons- en non-responsgroep wat betreft voorkomen in de politieregistratie 4. Voorkomen van zelfgerapporteerde daders in de politieregistratie 5. Voorkomen van door de politie geregistreerde verdachten in zelfrapportage 6. Conclusie en discussie
    • De WODC-slachtofferenquêtes 1974-1979 - Verslag van een jaarlijks onderzoek naar de omvang en aard van de kleine criminaliteit in Nederland, de bereidheid van de bevolking om delicten bij de politie aan te geven en het verbaliseringsbeleid van de politie

      Dijk, J.J.M. van; Steinmetz, C.H.D. (WODC, 1979)
      In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van de landelijke slachtofferpercentages in 1977 en 1978. Deze percentages zullen worden vergeleken met de vergelijkbare percentages in de jaren 1973 t/m 1976. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de uiteenlopende (ontwikkelingen van) slachtofferpercentages in de verschillende delen van ons land. In hoofdstuk 4 komt de algemene vraag aan de orde welke bevolkingsgroepen relatief hoge of lage slachtofferpercentages vertoonden in 1976 en 1977. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de ontwikkeling van het percentage slachtoffers dat aangifte bij de politie doet. In hoofdstuk 6 wordt het verbaliseringsbeleid van de politie op landelijk en lokaal niveau bestudeerd met behulp van de gegevens over het percentage van de aangevers dat een proces-verbaal heeft ondertekend. In hoofdstuk 7 is een poging ondernomen om de relaties tussen het sepotbeleid van het openbaar ministerie, het verbaliseringsbeleid van de politie en de aangiftepatronen van de bevolking in één model onder te brengen. In hoofdstuk 8 ten slotte worden de uitkomsten van de slachtofferenquete geplaatst naar de gegevens van de politiestatistiek. Het rapport wordt afgesloten met een korte samenvatting van de belangrijkste resultaten.
    • Geregistreerde en niet-geregistreerde kriminaliteit - Een beschouwing naar aanleiding van C.B.S.-cijfers en aanvullende enquêtes

      Buikhuisen, W. (WODC, 1975)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Hoe komen de kriminaliteitsstatistieken tot stand? 3. De betekenis in het algemeen van de geregistreerde kriminaliteit 4. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de omvang van de kriminaliteit 5. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de ontwikkeling van de kriminaliteit 6. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de workload en aktiviteitennivo van de politie SAMENVATTING: In dit rapport wordt ingegaan op de vraag, waarvoor de door het CBS geproduceerde criminaliteitscijfers wel bruikbaar zijn en waarvoor niet. De vraag is hoe de criminaliteitsstatistieken tot stand komen en hoe het verschil tussen geregistreerde en niet-geregistreerd criminaliteit tot stand komt.
    • Gericht handhaven en monitoren - Op zoek naar doelgroepen, non-compliance, risicofactoren en het zwarte circuit

      Ruimschotel, D.; Borgers, H. (Compliance Methodology Consultants (CMC)/T11 Company, 1999)
      Het doel van deze studie is het inventariseren van methoden om potentiële wetsovertreders te identificeren, in het kader van het project Monitoring Beleidsinstrumentele Wetgeving. Dit kunnen overtreders zijn in het witte, geregistreerde, circuit, of in het zwarte, niet geregistreerde circuit. De opbouw is als volgt.
    • Geweldsregistratie bij ziekenhuizen in Nijmegen

      Cozijn, C. (WODC, 1996)
      Om een beter beeld te krijgen van de onveiligheid in verband met agressie en geweld tegen personen is begin 1995 een proef genomen met het registreren van gegevens omtrent geweldsslachtoffers en hun letsel op de EHBO-afdelingen van de twee algemene ziekenhuizen in Nijmegen.
    • Kosten en baten justitiële interventies - Ontwikkeling van een analyse- en rekenmodel: eindrapport

      Versantvoort, M.C.; Verster, A.C.M.; Jannink, J.; Broek, L.G.J.M. van den; Zutphen, F. van; Donker van Heel, P.A. (WODC, 2005)
      Doel van dit onderzoek is het ontwikkelen van een financieel-economisch model ter afweging van kosten en baten van de inzet van interventies ter vermindering/voorkoming van crimineel gedrag. Het onderzoek bestaat onder meer uit het nagaan welke factoren in het model dienen te worden betrokken, het ramen van kosten van verschillende soorten criminaliteit en van verschillende interventies, het schatten van ‘dark numbers’ bij recidive.
    • Methodenonderzoek Dark number jeugdige daders in Nederland van gedigitaliseerde criminaliteit en cybercriminaliteit

      Heijden, P.G.M. van der; Cruyff, M.J.L.F.; Gils, G.H.C. van (Universiteit Utrecht - Faculteit Sociale Wetenschappen, 2017)
      Het doel van het voorbereidend onderzoek is inzicht te verkrijgen in methoden waarmee het aantal (jeugdige) daders van gedigitaliseerde en cybercriminaliteit kan worden geschat. De onderzoeksvraag is: met welke onderzoeksmethode of (combinatie van) methoden kan, voortbouwend op de inzichten uit de Monitor Jeugdcriminaliteit (MZJ), het percentage jeugdigen in Nederland worden geschat dat zich schuldig maakt aan de volgende misdrijven: (1) online bedreiging, (2) het online verspreiden van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen en (3) het inloggen op een computer/website zonder toestemming/kennisgeving, al dan niet gepaard met het wijzigen van gegevens. Onder ‘jeugdigen’ wordt hier verstaan personen vanaf 12 tot en met 22 jaar oud. INHOUD: 1. Inleiding 2. Network-Scale-Up Methode 3. Randomized response 4. Social Media Tekst Profiling 5. Vangst-hervangst met politiedata 6. Samenvatting, conclusies, aanbevelingen
    • Omvang van huiselijk geweld in Nederland

      Heijden, P.G.M. van der; Cruyff, M.J.L.F.; Gils, G.H.C. van (WODC, 2010)
      De hoofdvragen voor het onderzoek zijn: Hoe groot is de geschatte omvang van het huiselijk geweld in Nederland?Hoe groot is de geschatte omvang van het huiselijk geweld in Nederland gedifferentieerd naar aantallen incidenten, slachtoffers en daders.
    • (On)mogelijkheden onderzoek omvang kindermishandeling - Een methodologische verkenning

      Wilms, P.J.M.; Huberts, S.; Jong, P.R. (medew.); Draijer, N. (medew.) (APE Onderzoek en advies, 2022-03-15)
      Het doel van het onderzoek is om middels een expertmeeting te verkennen of het mogelijk is om valide en betrouwbare schattingen te maken van de omvang van kindermishandeling in gesloten gemeenschappen in Nederland. Binnen de scope van het onderzoek valt niet het uitvoeren van een schatting, evenmin als het onderzoeken van de benodigde databronnen. Deze onderdelen zullen tot mogelijk uitvoering worden gebracht in een volgende fase van het onderzoek, afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek. De probleemstelling van dit onderzoek vloeit voort uit de doelstelling en luidt als volgt: “Is het mogelijk om middels wetenschappelijke schattingsmethoden te weten te komen wat de omvang van kindermishandeling gerelateerd aan geloof of ideologie in Nederland is? Indien Ja: Hoe zou een dergelijk onderzoek vorm gegeven moeten worden? Indien Nee: Tegen welke problemen en beperkingen loopt een dergelijk onderzoek aan?” INHOUD: 1. Inleiding en aanpak 2. Onderzochte vormen van kindermishandeling 3. Schatten met dark-number methoden 4. Conclusies
    • Papier en werkelijkheid - Een hypothesevormend onderzoek naar de invloed van registratie-effecten op de omvang van de geregistreerde jeugdcriminaliteit

      Ham, T. van; Bervoets, E.; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2015)
      Al enkele jaren is een daling waarneembaar in de door politie en Justitie geregistreerde jeugdcriminaliteit. Inzicht in de oorzaken van de daling van de jeugdcriminaliteit is noodzakelijk om te kunnen beoordelen welke organisatorische en beleidsmatige maatregelen al dan niet getroffen moeten worden op de korte en (middel)lange termijn. In het onderzoek staan de volgende vier vragen centraal:Op welke wijze vindt registratie bij politie en Openbaar Ministerie (OM) plaats?Welke factoren worden in de wetenschappelijke en grijze literatuur genoemd als (mogelijk) van invloed op de registratie van jeugdcriminaliteit?In welke richting, op welke wijze en in welke mate beïnvloeden deze factoren (mogelijk) de registratie van jeugdcriminaliteit? Op welke wijze is dit in de literatuur vastgesteld of onderbouwd?Wat is de reikwijdte (in tijd) van deze factoren? INHOUD: 1. Onderzoek naar de daling van jeugdcriminaliteit 2. Methoden van onderzoek 3. De registratie van criminaliteit 4. Opbrengsten literatuur- en documentstudie 5. Hypotheses nader onder de loep
    • Tasten in het duister - Een verkenning naar bronnen en methoden om de aard en omvang van de criminaliteit te meten - Deel 2: Technisch rapport

      Smit, P.R.; Ghauharali, R.; Veen, H.C.J. van der; Willemsen, F.; Steur, J.; Velde, R.A. te; Vorst, T. van der; Bongers, F.; Kabki, A. (medew.); Zaitch, D. (medew.) (Dialogic Innovatie en Interactie, 2018)
      De hoofdvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Op welke manier kan zowel de geobserveerde criminaliteit als het dark number van criminaliteit zo veel en zo goed mogelijk in kaart gebracht worden? De hoofdvraag valt uiteen in drie onderdelen. Deel A betreft het in kaart brengen van de ontwikkeling van het meten van (de geobserveerde) criminaliteit en de relatie tot het dark number en de stand van zaken van het meten van criminaliteit anno nu. In deel B van het onderzoek wordt specifiek ingezoomd op drie delicttypen: horizon-tale fraude, georganiseerde criminaliteit en cybercrime. In deel C worden de bevindingen uit deel A en deel B bij elkaar gebracht om te komen tot een eerste inventarisatie van de geobserveerde criminaliteit en het dark number en hoe criminaliteit in de toekomst gemeten kan (blijven) worden.Dit onderzoek bestaat uit twee delen: Deel 1 (Hoofdrapport) betreft de omvang en aard van de niet geregistreerde criminaliteit, zijnde een meer generieke wetenschappelijk/methodologische inleiding: welk deel van criminaliteit meten we reeds, welke alternatieven of nieuwe kansrijke initiatieven zijn nu gaande (zie link bij: Meer informatie). Dit deel 2 (Technisch rapport) betreft de vraag met welke (nieuwe) methoden, meetinstrumenten en technieken de niet-geregistreerde cybercriminaliteit (zowel cybercrime als gedigitaliseerde criminaliteit), horizontale fraude en georganiseerde criminaliteit gemeten kan worden. INHOUD: 1. Inleiding 2. De geregistreerde en ondervonden criminaliteit 3. Geobserveerde criminaliteit: aanvullende databronnen voor het meten van criminaliteit 4. Schattingsmethoden en –technieken 5. ‘Big data’ en sociale media 6. Horizontale fraude 7. Georganiseerde criminaliteit 8. Cybercriminaliteit
    • Tasten in het duister - Een verkenning naar bronnen en methoden om de aard en omvang van de criminaliteit te meten - Deel 1: Hoofdrapport

      Smit, P.R.; Ghauharali, R.; Veen, H.C.J. van der; Willemsen, F.; Steur, J.; Velde, R.A. te; Vorst, T. van der; Bongers, F.; Kabki, A. (medew.); Zaitch, D. (medew.) (WODC, 2018)
      Politiestatistieken en slachtofferenquêtes zijn gebruikelijke en beschikbare instrumenten om meer zicht te krijgen op de aard en omvang van criminaliteit. Maar hoe meten we de omvang van een zeer complex en ongrijpbaar fenomeen: verborgen criminaliteit? Deze studie onderzoekt welke andere bronnen en methoden om de aard en omvang van criminaliteit te meten, beschikbaar zijn of ontwikkeld kunnen worden.Met dit onderzoek wordt geen uitsluitsel over het ‘dark number’ van de criminaliteit gegeven. Het is een complex fenomeen waar niet met één onderzoek duidelijkheid over gegeven kan worden. Deze studie biedt inzicht in methoden die kunnen helpen om de omvang van verborgen criminaliteit te schatten. Deze inventarisatie kan helpen om delen van criminaliteit die we nu niet goed in kaart hebben, te onderzoeken. Bijzondere aandacht is besteed aan drie specifieke onderwerpen: horizontale fraude, georganiseerde criminaliteit en cybercriminaliteit. Dit rapport is het hoofdrapport van deze studie. Meer gedetailleerde bevindingen worden gepubliceerd in een technisch rapport. INHOUD: 1. Inleiding 2. De Politiestatistiek en de slachtofferenquêtes 3. Een overzicht van methoden voor het meten van criminaliteit 4. Bevindingen naar delictcategorie of verschijningsvorm 5. Discussie en aanbevelingen