• Achtergronden van de detentieratio in Caribisch Nederland

      Leertouwer, E.C.; Zaalberg, A.; Busker, A.L.J. (medew.) (WODC, 2015)
      Aanleiding voor het onderzoek waren diverse publicaties waarin gemeld werd dat de detentieratio, gedefinieerd als het aantal gedetineerden per 100.000 inwoners, in Caribisch Nederland ruim acht keer hoger ligt dan in Europees Nederland. Gecombineerd met jarenlange tekorten aan detentieplaatsen in het recente verleden zorgde dit voor een voortdurende druk op de beschikbare detentiecapaciteit in Caribisch Nederland. Het steeds weer vergroten van detentiecapaciteit is zeer kostbaar en kent financiële en fysieke grenzen. Op dit moment is er bovendien onvoldoende inzicht in de aard en achtergronden van de hoge detentieratio. Onduidelijk is daardoor ook hoe deze zich in de toekomst zal ontwikkelen, en welke effecten er zouden kunnen optreden bij eventuele beleids-wijzigingen, bedoeld om de ratio te beïnvloeden. Om beter grip te krijgen op de behoefte aan detentiecapaciteit en de factoren die een rol spelen in de ontwikkeling is onderzoek verricht naar mogelijke achtergronden van de hoge detentieratio in Caribisch Nederland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethoden 3. Algemene situatieschets 4. Relevante factoren vanuit de strafrechtketen 5. Mogelijke achtergronden van criminaliteit 6. Conclusies en discussie
    • Alleenstaande minderjarige asielzoekers in Nederland - Ama-beleid en ama-instroom in Nederland en andere EU-landen, alsmede de deelname van ama's aan het Nederlandse onderwijs

      Olde Monnikhof, M.; Tillaart, H. van den (WODC, 2003)
      In de periode 1998-2000 is de ama-instroom in Nederland bijna verdubbeld van 3.500 naar 6.700 ama’s (van 8% naar 15% van het totale aantal asielzoekers per jaar). Er zijn geen vergelijkbare cijfers over ama-instroom in andere EU-landen beschikbaar omdat de meeste landen ama’s niet als zodanig of vergelijkbaar met Nederland registreren. De meerderheid van de ama’s in Nederland is afkomstig uit een beperkt aantal landen, vooral Angola, Sierra Leone, Guinee en China. De ama-instroom bestaat voor driekwart uit jongens, vaak in de leeftijd van 15-17 jaar. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat juist zij het risico lopen om ingezet te worden als kindsoldaten. Nederland heeft een apart beleid voor ama’s geformuleerd en is daarmee een uitzondering in Europa. In de praktijk blijkt er echter niet zo heel veel verschil te zijn met de procedures en voorzieningen die in andere EU-landen voor ama’s zijn ontwikkeld c.q. tot stand zijn gekomen. Op één punt is echter wel verschil. Nederland is één van de EU-landen, naast Engeland en Denemarken, waar het voor ama’s mogelijk is om na drie jaar een permanente verblijfsstatus te krijgen. Het is mogelijk dat dit gegeven, alsmede de langdurige asielprocedures hier (waardoor ama’s niet op korte termijn terugkeren) elders, zeker in de ogen van reisagenten, het beeld (blijven) bevestigen dat Nederland een effectieve keuze is.
    • Ben ik te min? - Aard, omvang en achtergronden van antisociaal gedrag aan het einde van de basisschool en het begin van het voortgezet onderwijs

      Soepboer, G.; Veenstra, R.; Verhulst, F.C. (WODC (subsidie), 2006)
      Dit onderzoek geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen:Wat is de prevalentie van antisociaal gedrag bij twaalfminners?In hoeverre is sprake van continuïteit en discontinuïteit van antisociaal gedrag over een periode van twee jaar, ongeveer van 11/12 jaar naar 13/14 jaar?Wat is de relatie van antisociaal gedrag bij twaalfminners met individuele en opvoedingskenmerken?Wordt een twaalfminner in de ene context als antisociaal, en in de andere context als prosociaal betiteld?
    • Brandweeronderwijs in Nederland - naar een volgende stap

      Hols, M.C.A.B.; Morée, R.J.; Geus, L.A.J. de; Schinning, R.D. (Capgemini Consulting, 2011)
      In 2008 verongelukten drie brandweerlieden bij de bestrijding van een brand in De Punt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid verrichtte hiernaar een onderzoek (2009) en heeft op basis daarvan ondermeer enkele aanbevelingen opgenomen om de aansluiting tussen praktijk, kennisontwikkeling en brandweeronderwijs te versterken. Het ministerie van BZK als wetgever enerzijds en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) en het Veiligheidsberaad als vertegenwoordigende organen van de werkgevers anderzijds, zien het als een gezamenlijke opdracht om die aansluiting vorm te geven; ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast kwam in reacties die het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid opriep ook naar voren dat eenduidigheid in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs ontbreekt. Daarom heeft de staatssecretaris van BZK in haar reactie van 6 april 2010 op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad een onderzoek naar de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs aangekondigd, alsmede een verkenning van meer aansluiting tussen het brandweeronderwijs, het reguliere beroepsonderwijs en het onderwijs van de andere veiligheidspartners. Doel van het onderzoek is enerzijds inzicht verkrijgen in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs. Deze kennis kan gebruikt worden om meer eenduidigheid te creëren in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs en knelpunten op te lossen door het vergroten van de efficiency en effectiviteit. Anderzijds is het doel het verkennen van die mogelijkheden van meer aansluiting tussen het brandweeronderwijs, het reguliere beroepsonderwijs en het onderwijs van de andere veiligheidspartners. Onderzoek gestart onder projectbegeleiding van Directie Kennisontwikkeling voor Openbaar Bestuur en Veiligheid (BZK) en per 1/1/2011 voortgezet onder projectbegeleiding van de afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen (WODC). INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie brandweeronderwijs in perspectief; historie en actoren 3. Vraag en aanbod brandweeronderwijs 4. Kwaliteitsborging brandweeronderwijs 5. Bekostiging brandweeronderwijs 6. Door het veld ervaren knelpunten en kansen brandweeronderwijs 7. Aansluiting op ander onderwijs 8. Analyse, reflectie en aanbevelingen
    • Building inclusion - Housing and integration of ethnic minorities in the Netherlands

      Kullberg, J.; Kulu-Glasgow, I. (WODC, 2009)
      This report traces the migration and housing histories of immigrants and their children since World War II. Central issues in this study are access to housing by different ethnic minority groups over time, the quality of housing in neighbourhoods where those groups often live, and residential segregration. This volume is one in a series of seven reports on housing access and the social inclusion of vulnerable groups in Europe. The reports are part of the Building Inclusion project, supported by the European Programme for Employment and Social Solidarity (2007-2013).
    • Buitengerechtelijke procedures civiel en bestuur 2016

      Klein Haarhuis, C.M. (WODC, 2018)
      Veel problemen en geschillen in het civiel- en bestuursrechtelijke domein worden niet door de rechter, maar (eerst) door buitengerechtelijke instanties behandeld. Dit factsheet beschrijft, over de periode 2005-2016, eerst de instroom bij een aantal kenmerkende procedures in het civielrecht. Vervolgens komt het aantal afgehandelde bezwaarschriften door zes landelijke bestuursorganen aan bod. Dit wordt gevolgd door een tweetal overige procedures en, als laatste, met een beeld van de kosten in termen van tarieven en gemiddelde doorlooptijden (geldend in 2016). Al met al is sprake van een wisselend beeld zonder eenduidige trend; dit weerspiegelt het gevarieerde karakter van de procedures.
    • Communicatie en strategie van de Afghaanse Taliban vanuit het perspectief van het leiderschap

      Wessels, G.; Leede, S.A.M. de; Bakker, E. (Universiteit Leiden - Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme, 2015)
      Op 28 december 2014 is een einde gekomen aan de ISAF-missie (International Security and Assistance Force) in Afghanistan. De verantwoordelijkheid voor de veiligheidssituatie in het land werd op die dag overgedragen aan de Afghaanse regering in Kabul. Eén van de grootste uitdagingen voor Afghanistan is de voortdurende strijd met de Taliban. Door de in omvang afgenomen aanwezigheid van Nederlandse militairen in Afghanistan en andere Nederlandse belangen is de informatiepositie ten aanzien van de Taliban beperkter geworden. Het besef dat inzicht in de ontwikkelingen in Afghanistan in het algemeen en de Taliban in het bijzonder voor Nederland relevant blijven, roept de vraag op of de communicatie-uitingen van de Taliban inzicht zouden kunnen bieden in het toekomstig handelen van deze organisatie. Deze algemene vraag is in deze studie in de volgende twee hoofdvragen opgesplitst: In hoeverre komt de communicatie van de Afghaanse Taliban over hun ideologie, doelstellingen en strategie overeen met hun daadwerkelijke handelen? Kunnen op basis van de communicatie van de Taliban uitspraken gedaan worden over de toekomstige positie en het toekomstig handelen van de Taliban? INHOUD: 1. Introductie 2. De Taliban als organisatie 3. De Taliban tussen woord en daad 4. Conclusie
    • Criminaliteitspreventie in het onderwijs - Eerste deelexperiment: spijbelcontrole

      Mutsaers, M.; Boendermaker, L. (WODC, 1990)
      Verslag van de resultaten van het eerste deel van het Scholenexperiment: de onmiddellijke absentiecontrole (of: het beleidsexperiment): dit experiment houdt in dat er - op basis van een geautomatiseerd systeem van absentieregistratie - tweemaal per dag gebeld wordt naar de ouders/verzorgers van spijbelende leerlingen. Door middel van een systematische en onmiddelijke controle wordt getracht incidentele spijbelaars te weerhouden van spijbelgedrag en de kans op mogelijk daardoor te rijzen problemen te verkleinen. Tegelijkertijd wordt het beleidsexperiment als signaleringsinstrument gehanteerd: door middel daarvan moet duidelijk worden welke leerlingen zich van controle en sancties op spijbelen niets aantrekken en hun spijbelgedrag voortzetten. De verwachting is dat er met hen meer aan de hand is en dat zij het risico lopen op kortere of langere termijn de school zonder diploma te verlaten. Het experiment werd uitgevoerd op scholen voor lager en individueel technisch onderwijs. Bevat leerlingenvragenlijst. INHOUD: 1. Inleiding tot het project 2. Procesevaluatie 3. Over de onderzoeksscholen 4. Evaluatie van het belexperiment: methoden en procedures 5. Beschrijving van de steekproeven 6. Effecten van het belexperiment volgens de spijbelcomputer 7. Nulmeting en twee effectmetingen volgens de leerlingvragenlijst 8. Conclusies en discussie.
    • De Handleiding strafrechtelijke aanpak schoolverzuim - Een procesevaluatie

      Lubberman, J.; Rens, C. van; Mommers, A.; Koster, T. (Radboud Universiteit Nijmegen - ITS, 2015)
      In 2011 is, op initiatief van het OM, samen met Ingrado, de Handleiding Strafrechtelijke aanpak schoolverzuim tot stand gebracht. In 2012 is de handleiding geactualiseerd (registratienummer 2012H002) en in oktober 2012 is deze in werking getreden. Doel van de handleiding is om landelijk een meer eenduidig handhavings- en vervolgingsbeleid tot stand te brengen ten aanzien van de verschillende vormen van schoolverzuim. Voor het voorkomen en bestrijden van schoolverzuim en –uitval is een adequate, snelle en eenduidige aanpak nodig van alle organisaties en professionals die betrokken zijn bij dit fenomeen. Er zijn evenwel signalen dat de aanpak van schoolverzuim niet overal in Nederland even goed van de grond komt. Ook stellen het OM en Ingrado vast dat de partijen in de keten niet overal conform de handleiding werken. Er lijkt geen sprake van een uniforme aanpak. In deze procesevaluatie wordt onderzocht hoe het handhavings- en vervolgingsbeleid in gemeenten wordt vorm gegeven, in hoeverre dit conform de handleiding is en welke verbeteringen in de handleiding mogelijk zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond strafrechtelijke aanpak schoolverzuim 3. Signaalverzuim 4. Luxe verzuim 5. Absoluut verzuim 6. Het proces-verbaal 7. Ketenpartners en de handleiding 8. Conclusies en aanbevelingen
    • De integratie van taal- en vakonderwijs

      Schooten, E. van; Emmelot, Y. (WODC, 2004)
      Dit onderzoek is uitgevoerd om zicht te krijgen op de factoren die van invloed zijn op de effectiviteit van bestaande en nieuw te ontwikkelen methoden die uitgaan van de integratie van taal en zaakvakonderwijs (Content Based Approach), zowel voor het primair onderwijs, het vmbo als het onderwijs op de ROC's.
    • De politie op school - schooladoptie in Rotterdam-Rijnmond

      Terlouw, G.J.; Kamphorst, P.A. (WODC, 1999)
      Het Schooladoptieproject behelst zoals het woord al zegt, het 'adopteren' van scholen, en wel door de politie. Dit houdt in dat politiemensen - aangeduid als adoptieagenten - een serie van circa 10-14 lessen over verschillende onderwerpen verzorgen in de groepen 7 en 8 van de basisschool. In de lessen worden onder meer onderwerpen behandeld zoals de politie, vuurwerk, vandalisme, vermogenscriminaliteit, geweld en discriminatie.
    • De tweede generatie gastarbeiders

      Unknown author (WODC, 1979)
      Op dit moment verblijven in ons land circa 50.000 Turkse en Maroldcaanse gastarbeiderskinderen. Het is deze tweede generatie' die in het hiernavolgende centraal zal staan. Niet onvermeld blijven gegevens van de situatie van deze kinderen in andere Europese landen. Vooral wordt nagegaan wat de oorzaken zijn die ertoe kunnen leiden dat de toekomst er voor hen weinig veelbelovend uitziet.
    • Een kwestie van tijd? - De integratie van asielmigranten: een cohortonderzoek

      Maliepaard, M. (red.); Witkamp, B. (red.); Jennissen, R. (red.); Kulu-Glasgow, I.; Kazemier, B.; Nicolaas, H.; Vroome, Th. de; Hartgers, M.; Houwen, K. van der; Bakker, L.; et al. (WODC, 2017)
      Hoe staat het met de structurele en sociaal-culturele integratie van asielmigranten die zich eind jaren ’90 in Nederland gevestigd hebben? Deze vraag lag ten grondslag aan voorliggend cohortonderzoek. Integratie is op een viertal terreinen onderzocht, te weten: onderwijs, arbeidsmarktparticipatie, sociale contacten en geregistreerde criminaliteit. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle asielmigranten die tussen 1995 en 1999 zijn ingeschreven in het bevolkingsregister en hun familieleden die zich uiterlijk een jaar na de initiële asielmigratie bij deze migrant hebben gevoegd. We richten ons enkel op asielmigranten die in 2012, dus zo’n 15 jaar na de initiële migratie, nog in Nederland wonen. In het onderwijshoofdstuk worden ook de kinde_ren van asielmigranten meegenomen. Per deelterrein wordt (voor zover mogelijk) bekeken hoe het staat met de integratie van deze groep asielmigranten, hoe hun integratie verlopen is vanaf het moment van vestiging, en welke belemmerende dan wel bevorderende factoren daarbij zijn aan te wijzen. Waar mogelijk wordt de groep asielmigranten vergeleken met andere groepen migranten en de autochtone bevol_king. Zie ook: infographic 'integratie asielmigranten' en de WRR-policy brief Geen tijd te verliezen (2015). INHOUD: 1. Inleiding - B. Witkamp, R. Jennissen, I. Kulu Glasgow en M. Maliepaard 2. Demografische kenmerken cohort en onderzoeksgroep - B. Kazemier, H. Nicolaas en Th. de Vroome 3. Onderwijs - M. Hartgers, K. van der Houwen en R. Jennissen 4. Arbeidsmarktparticipatie asielmigranten: stroeve start en blijvende achterstand - L. Bakker en J. Dagevos 5. Sociale integratie of segregatie? Ontwikkelingen in de sociale contacten van asielmigranten - L. Bakker en J. Dagevos 6. Geregistreerde criminaliteit - R. Jennissen 7. Conclusies - M. Maliepaard
    • Eens een dief, altijd een dief? - Een verkenning rond het meten van de effectiviteit van de Verklaring Omtrent het Gedrag

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2016)
      Dit onderzoek betreft een verkenning van de mogelijkheden om de effectiviteit van de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) te meten. De onderzoekers doen dit langs drie sporen: theoretisch, empirisch en evaluatief. In de eerste plaats worden in het onderzoek de mechanismen van het VOG-screeningsinstrument onderzocht op mogelijke werkzaamheid. Dit gebeurt door een reconstructie van de beleidstheorie achter de VOG en een beschrijving van het beleidskader. Daarnaast is de feitelijke uitvoering van de VOG-screening onderzocht. En tot slot, is onderzocht, of een meting van de effectiviteit van VOG-screening uitvoerbaar is, en op welke wijze deze meting vorm zou kunnen krijgen. Op basis van deze wensen is de volgende probleemstelling geformuleerd: Op welke wijze draagt de VOG Natuurlijke Personen – in theorie – bij aan de integriteit van kwetsbare sectoren in de Nederlandse samenleving? En, hoe kan dit empirisch worden getoetst? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidstheorie en -regels rond de VOG 3. Uitvoering van de Beleidsregels in de praktijk 4. VOG-effecten gemeten: experimenteel design 5. VOG-effecten gemeten: simulatiemodel 6. Conclusies en aanbevelingen
    • Geen tijd verliezen - Van opvang naar integratie van asielmigranten

      Engbersen , G.; Dagevos, J.; Jennissen, R.; Bakker, L.; Leerkes, A.; Klaver, J. (medew.); Odé, A. (medew.) (WRR, 2015)
      In 2015 werd het publieke debat beheerst door aangrijpende beelden van migranten op weg naar Europa en door bezorgde reacties van Europese burgers op het asielvraagstuk. Momenteel gaat de aandacht vooral uit naar de problemen rond de lokale opvang van asielzoekers. Tegelijkertijd dringt zich echter een tweede fundamentele beleidsopgave op, namelijk hoe asielzoekers die een verblijfsvergunning krijgen moeten integreren in de Nederlandse samenleving. Deze policy brief richt zich op deze categorie asielzoekers, die statushouders worden genoemd. De kwestie die centraal staat is hoe de integratie van statushouders kan worden bespoedigd. In deze policy brief blikken de onderzoekers allereerst terug en analyseren ze hoe het asielmigranten is vergaan die vanaf de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw naar Nederland zijn gekomen. In de behandeling van deze vraag richten ze zich op drie belangrijke onderwerpen. Allereerst de positie op de arbeidsmarkt, waarbij ze ingaan op het thema van criminaliteit. In de afgelopen maanden hebben veel burgers de zorg geuit dat door de komst van asielmigranten de onveiligheid toeneemt. Daarom gaan ze in op de mate waarin statushouders vertegenwoordigd zijn in de geregistreerde criminaliteit. Ten slotte kijken ze naar de dynamiek binnen de populatie van statushouders. Hebben we te maken met een populatie die in Nederland blijft of die (deels) weer vertrekt? Ook dit is een vraag die voortdurend terugkeert in het publieke debat. Deze rapportage is te vinden in 'WRR-Policy Brief 4'. INHOUD: 1. Van opvang naar integratie 2. Lessen uit het recente verleden 3. Lessen uit het heden 4. Geen tijd verliezen: aanbevelingen voor het bespoedigen van de integratie
    • Handhaving Leerplichtwet 1969

      Laemers, M.; Vermeulen, B.; Kuijk, J. van; Kessel, N. van (Katholieke Universiteit Nijmegen - Instituut voor toegepaste sociale wetenschappen, 1997)
      Dit onderzoek is verricht voor de Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving (Commissie Michiels). Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het juridisch systeem van de Leerplichtwet. Hoofdstuk 3 geeft de belangrijkste resultaten uit een literatuuronderzoek, gevoerde gesprekken met deskundigen en met name relevante gegevens uit recent verricht empirisch onderzoek. Hoofdstuk 4 is gewijd aan een beschrijving van zes cases. Hoofdstuk 5 bevat een samenvatting, conclusies en aanbevelingen.
    • Het effect van voorlichting op school - Een literatuurverkenning

      Baas, N.J. (WODC, 1997)
      Bij deze literatuurverkenning is onderzoek gedaan naar de resultaten van evaluaties van (in bepaalde opzichten) vergelijkbare projecten in binnen- en buitenland. Het gaat daarbij om projecten op scholen voor het basis- en/of voortgezet onderwijs, waarbij werd gestreefd naar veranderingen in kennis, attitude en gedrag bij de leerlingen ten aanzien van (minstens één van) de onderwerpen die bij het Schooladoptieproject aan de orde komen. Hier vallen ook projecten onder waarbij de politie niet (direct) is betrokken. Informatie wordt gegeven over geëvalueerde projecten die zich met de volgende onderwerpen bezig houden: verslavingen (sigaretten, alcohol en drugs), criminaliteit, vandalisme, pesten en vuurwerk. De andere onderwerpen die bij het Schooladoptieproject aan de orde komen, ontbreken in dit overzicht. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de invloed van enkele projecten op het imago van de politie bij jeugdigen. Daarna komt een aantal methodologische problemen aan de orde waarop men bij (sommige van) deze effectevaluaties is gestuit. Tenslotte wordt, naar aanleiding van de ervaringen elders, een aantal aanbevelingen gedaan voor de opzet en uitvoering van voorlichtingsprojecten op scholen. Deze kunnen als zodanig ook van betekenis zijn voor het Schooladoptieproject in Rotterdam-Rijnmond. INHOUD: 1. Inleiding 2. Voorlichtingsprojecten op school 3. Imago van de politie 4. Mogelijke vertekeningen van de resultaten van evaluatieonderzoek 5. Mogelijkheden en beperkingen van voorlichting 6. Andere vormen van preventie op school en een integrale aanpak bij de preventie 7. Aanbevelingen voor de opzet en uitvoering van voorlichtingsprojecten op scholen
    • Illegaal verblijf in Nederland - Een literatuuronderzoek

      Kromhout, M.H.C.; Wubs, H.; Beenakkers, E.M.Th. (WODC, 2008)
      De onderzoeksvragen bij dit project luiden: Wat is uit de literatuur bekend over overlast en criminaliteit door illegalen in Nederland?Wat is uit de literatuur bekend over problemen die illegalen in Nederland hebben en de risico’s die zij lopen? (in het bijzonder de problemen van ex-AMV’s en illegale minderjarigen, illegalen met ernstige psychiatrische of medische problemen en slachtoffers van mensenhandel)Wat is uit de literatuur bekend over de achtergronden van deze illegalen? Dit betreft fase 1 van een onderzoek naar illegaliteit, het literatuuronderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Aantallen en achtergrondkenmerken 3. Huisvesting 4. Arbeid 5. Prostitutie 6. Gezondheid 7. Onderwijs en jeugdzorg 8. Criminaliteit en leefbaarheid 9. Samenvatting en conclusies
    • In uitvoering - Een analyse van het op statushouders gerichte beleid en wat er nodig is om dit beleid te verbeteren

      Dagevos, J.; Schans, D.; Uiters, E. (SCP, 2021-09-09)
      Deze policy brief is het sluitstuk van een meerjarig onderzoeksproject over de positie en leefsituatie van statushouders die vanaf 2014 naar Nederland zijn gekomen. Deze policy brief is gericht aan gemeenten omdat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Daarnaast richt de brief zich op de landelijke overheid, die verantwoordelijk is voor de vormgeving en financiële randvoorwaarden van het inburgerings- en opvangbeleid. (zie hiernaast: link naar de SCP-Policy brief)
    • Integratie en vertrek van een recent cohort AMV’s in Nederland (2014-2019)

      Noyon, S.M.; Driessen, Z.C.; Boot, N.C.; Kulu-Glasgow, I.; Verschuren, L.B.C. (WODC, 2020)
      Tussen 1 januari 2014 en 31 augustus 2019 werden 8.775 asielaanvragen ingediend door alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s). In eerste aanleg werd 69% van de aanvragen ingewilligd en 26% afgewezen (de overige 5% zat op de peildatum van 31 december 2019 nog in de procedure of had deze voortijdig stopgezet).Van de AMV’s met een verblijfsvergunning was 79% man en kwamen de meeste uit Eritrea (50%) en Syrië (38%). Gemiddeld waren de AMV’s op het moment van het verkrijgen van de vergunning 15,7 jaar oud.In 2019 volgde 56% van de (ex-)AMV’s met een vergunning een opleiding; 40% had een baan. Ongeveer een derde van de (ex-)AMV’s volgde op dat moment geen onderwijs en had geen werk.Meer dan de helft van de afgewezen (ex-)AMV’s is met onbekende bestemming vertrokken. Tien procent heeft Nederland aantoonbaar verlaten (hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen).Onder afgewezen ex-AMV’s van 18 jaar of ouder (op 31 december 2019) die werden opgevangen onder het nieuwe opvangmodel, ligt het aandeel dat met onbekende bestemming vertrok hoger, terwijl het aandeel dat op de peildatum rechtmatig in Nederland verbleef lager ligt dan onder de groep die onder het oude model werd opgevangen. Het aandeel vrijwillig vertrek onder het oude en nieuwe opvangmodel is vergelijkbaar.De hier gepresenteerde resultaten uit een gezamenlijk onderzoek van WODC en CBS bieden een eerste beschrijving van de groep AMV’s die tussen 1 januari 2014 en 31 augustus 2019 asiel aanvroegen in Nederland. In de toekomst kunnen meer diepgaande inzichten verkregen worden, door zowel de populatie als de betrokken databronnen uit te breiden en bijvoorbeeld vergelijkingen te maken met andere relevante groepen zoals leeftijdsgenoten met en zonder (asiel)migratieachtergrond.