• 909 zorgen - Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

      Slot, N.W.; Theunissen, A.; Esmeijer, F.J.; Duivenvoorden, Y. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, 2001)
      In dit onderzoek is gepoogd zicht te krijgen op de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling via een analyse van 103 dossiers van vier gezinsvoogdij-instellingen. Tevens werd een enquête gehouden onder kinderrechters en stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en werden gezinsvoogden, ouders en kinderen geïnterviewd.
    • Allochtone jongeren en de kinderbescherming

      Unknown author (WODC, 1985)
      Dit kinderbeschermingsnummer van Justitiële verkenningen is in z'n geheel gewijd aan het thema `Allochtone jongeren en de kinderbescherrning'. Er zijn een viertal artikelen opgenomen, die gezien kunnen worden als het resultaat van ruim drie jaar onderzoek op dit terrein van het onderzoekteam Jeugdbescherming en Jeugddelinquentie van de CoOrdinatiecommissie Wetenschappelijk Onderzoek Kinderbescherming.
    • Beschermengel II - Gesprekken tussen ouders en gezinsvoogden in de beginfase van de ondertoezichtstelling

      Hofstede, G.; Suurmond, J.; Nijnatten, C. van (Universiteit Utrecht - Faculteit Sociale Wetenschappen, 2000)
      In dit onderzoek komt naar voren dat de gesprekken niet in alle gevallen gestructureerd verlopen. In de helft van de gevallen legt de gezinsvoogd een agenda voor aan de cliënt. Daarbij wordt weinig aandacht besteed aan persoonlijke kennismaking. Belangrijke elementen van de Ondertoezichtstelling (OTS) zijn het beperkte juridische gezag en de klachtenregeling. Deze elementen komen in 33% van de onderzochte gesprekken niet aan de orde. En hoewel gezinsvoogden zeggen het belangrijk te vinden om hun juridische en/of persoonlijke gezag in te zetten om hun advies kracht bij te zetten, gebeurde dat in maar 25% van de onderzochte gevallen. De verschillen in de communicatie tussen autochtone en allochtone cliënten is niet erg groot. Wel stellen de gezinsvoogden aan allochtone cliënten vaker vragen om te checken of de cliënten het goed hebben verstaan. Verder blijkt het gebruik van tolken de communicatie enigszins te beïnvloeden, omdat tolken soms interpretaties geven en speelt in de gesprekken met allochtone ouders de wederzijdse positionering een grotere rol. Het verdient aanbeveling om de gesprekken altijd door middel van een agenda te sturen en het gesprek te faseren. Aangezien de OTS is bedoeld als een tijdelijke maatregel, zou gedurende de OTS aan een toenemende participatie van de ouders gewerkt moeten worden. De gezinsvoogd moet actief sturen in de richting van overeenstemming door de posities te bespreken, cliënten actief te betrekken en geschilpunten te bespreken. Immers, de waarde van het hulpverleningsplan hangt mede af van de overeenstemming die erover is.
    • Bescherming bekeken - een onderzoek naar ontwikkelingen en regionale verschillen in het aantal ondertoezichtstellingen en machtigingen uithuisplaatsingen

      Berends, I.E.; Campbell, E.E.; Wijgergangs, E.; Bijl, B. (PI Research, 2010)
      Op 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg (Wjz) in werking getreden, die ook de (voorlopige) ondertoezichtstelling (OTS) en de tijdelijke uithuisplaatsingen (UHP) raakt. In deze wet is een bepaling opgenomen dat de wet binnen 5 jaar na inwerkingtreding dient te worden geëvalueerd. Op 2 november 2009 is de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg opgeleverd. Op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Jeugd en Gezin is in dit onderzoek een beeld geschetst van de ontwikkelingen in de aantallen OTS-maatregelen en de machtigingen voor UHP'en, en mogelijke regionale verschillen sinds 2005. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet van het onderzoek 3. Ontwikkelingen in het aantal OTS-maatregelen en MUHP'en sinds 2005 4. Factoren die de landelijke ontwikkelingen mogelijk verklaren 5. Regionale verschillen in het aantal OTS-maatregelen en MUHP'en 6. Factoren die de regionale verschillen mogelijk verklaren 7. Conclusies en opmerkingen
    • Bescherming in ontwikkeling - De evaluatie van de methodische vernieuwing in het kader van het 'Deltaplan Kwaliteitsverbetering Gezinsvoogdij'

      Slot, N.W.; Tooren, A. van; Bijl, B. (WODC, 2004)
      Dit rapport betreft de evaluatie van de methodische vernieuwing voor de Nederlandse gezinsvoogdij in vier pilotregio's, gebaseerd op de inhoudelijke uitgangspunten die in de nota ''Leiding geven aan verandering'' zijn beschreven. De vier pilotregio's zijn Gelderland, Haaglanden/Zuid-Holland, Limburg en Zuid-Oost Brabant. Onderzocht is of de nieuwe werkwijze effectief is, dat wil zeggen dat de kwaliteit van de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS) is verbeterd.
    • Bescherming in ontwikkeling: het vervolg - Vervolgonderzoek in het kader van het 'Deltaplan Kwaliteitsverbetering Gezinsvoogdij'

      Lunenburg, P.; Bijl, B.; Slot, N.W. (WODC, 2006)
      Tussen ca. juni 2002 en januari 2005 is in het project Deltaplan Gezinsvoogdij een nieuwe werkwijze voor de uitvoering van ondertoezichtstellingen ontwikkeld. Gedurende de projectperiode zijn de effecten van deze werkwijze op een aantal punten geëvalueerd door VU/PI Research. Hiervan is verslag gedaan in het rapport ‘Bescherming in ontwikkeling’ d.d. december 2004. Om het beeld van het Deltaplan te completeren is dit vervolgonderzoek gedaan naar de duur van de ondertoezichtstelling, het aantal uithuisplaatsingen in het kader van de ondertoezichtstelling en de duur van deze uithuisplaatsingen.
    • De inzet van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming

      Dijkstra, S.; Creemers, H.E.; Asscher, J.J.; Stams, G.J.J.M. (Universiteit van Amsterdam - Forensische orthopedagogiek, 2016)
      In het afgelopen decennium worden familienetwerkberaden, zoals Eigen Kracht conferenties (EK-C) en familienetwerkberaden ontwikkeld vanuit de Sociale Netwerk Strategieën (SoNeStra) in toenemende mate ingezet als besluitvormingsmodel in de jeugdzorg en jeugdbescherming in Nederland. Waar doorgaans de jeugdhulpverlener of de gezinsvoogdijwerker de leiding neemt bij het opstellen van een plan om de (opvoedings)problemen in het gezin aan te pakken, wordt binnen het model van familienetwerkberaden de verantwoordelijkheid voor het plan neergelegd bij het gezin. Het doel van familienetwerkberaden is om het gezin met haar netwerk, onder leiding van een al dan niet onafhankelijke coördinator, zelf een plan (familiegroepsplan) te laten maken voor de aanpak van problemen op een manier dat zelf regie gehouden wordt, maar onder voorwaarde dat de veiligheid van de in het gezin aanwezige kinderen gewaarborgd is. Sinds 1 januari 2015 is in de Jeugdwet vastgelegd dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling ouders als eerste de mogelijkheid moet bieden om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen (Jeugdwet, artikel 4.1.2). Dit geldt voor zowel de (vrijwillige) jeugdhulp als voor de (gedwongen) jeugdbescherming. Het voorliggend onderzoek is uitgevoerd om antwoord te geven op de vraag Zorgt de inzet van familienetwerkberaden voor een betere bescherming van kinderen en jongeren die onder toezicht gesteld zijn en door welke kenmerken wordt dit beïnvloed? INHOUD: Deelstudie I - Een systematische review en meta-analyse van de uitkomsten van studies naar de effectiviteit van familienetwerkberaden. Deelstudie II - Een kwalitatief onderzoek naar de praktijkervaringen van familienetwerkberaden bij gezinnen in de jeugdbescherming. Deelstudie III - Een kwalitatief onderzoek naar de inhoud van familiegroepsplannen. Deelstudie IV - Een kwantitatief onderzoek naar de korte termijn resultaten van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming. Deelstudie V - Een kwantitatief onderzoek naar de lange termijn resultaten van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming
    • De inzet van familienetwerkberaden in de preventieve jeugdbescherming - Eindrapport

      Dijkstra, S.; Creemers, H.E.; Asscher, J.J.; Stams, G.J.J.M. (Universiteit van Amsterdam, Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen, 2016)
      In navolging van het eerder verschenen rapport over de inzet van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming (zie link hiernaast), richt het huidige rapport zich op de inzet van de familienetwerkberaden in het voorliggende werkveld, namelijk de preventieve jeugdbescherming. In deze fase van de hulpverlening zijn er serieuze signalen dat een kind niet veilig is of zich onvoldoende ontwikkelt. Bovendien twijfelt de jeugdhulpverlener of de ouder(s) dit onderkennen dan wel voldoende of de juiste stappen zetten om de zorgen weg te nemen. De professional gebruikt in deze fase zijn autoriteit om aan te dringen op verandering. Met huidig onderzoek is getracht antwoord te geven op de vraag  Zorgt de inzet van familienetwerkberaden voor een beter bescherming van kinderen en jongeren in de preventieve jeugdbescherming en door welke kenmerken wordt dit beïnvloed? De volgende drie deelvragen zijn hierbij geformuleerd: Wat is de slagingskans van familienetwerkberaden bij gezinnen in de preventieve jeugdbescherming, ofwel, in welk percentage van de gezinnen waar een familienetwerkberaad wordt voorgesteld wordt een familiegroepsplan opgesteld? Wat zijn de korte termijn resultaten (drie maanden na totstandkoming van een familienetwerkberaad) van familienetwerkberaden in termen van het terugdringen van kindermishandeling, het verminderen van het aantal uithuisplaatsingen, het verminderen van het aantal ondertoezichtstellingen en het verminderen van de inzet van professionele zorg? Welke gezinskenmerken beïnvloeden de resultaten van familienetwerkberaden?
    • De ondertoezichtstelling en andere maatregelen van kinderbescherming - Een dossieronderzoek

      Mertens, N.M. (WODC, 1993)
      Onderzoek van de ontwikkeling van het aantal en de aard van de maatregel van ondertoezichtstelling in de laatste twee decennia. De onderzoeksvragen luiden als volgt. 1. Hoe heeft de maatregel van ots zich tijdens de laatste twee decennia kwantitatief ontwikkeld en welke factoren zijn mogelijkerwijs van invloed geweest op deze ontwikkeling? 2. Wat zijn de specifieke, inhoudelijke redenen en omstandigheden ter invulling van de wettelijke grond van de maatregel van ots in het civiele jeugdrecht, in de jaren zeventig en tachtig? Met deze onderzoeksvragen wordt een beschrijvend en inventariserend onderzoek naar de toepassing van de ots in de jaren zeventig en tachtig beoogd. INHOUD: 1. Doelstelling en opzet van het onderzoek 2. Ontwikkeling van de toepassing van kinderbeschermingsmaatregelen 3. Beschrijving van de populatie 4. Vergelijking 1979 en 1988
    • Delictkenmerken PIJ-populatie 2006-2010

      Weijters, G.; Blom, M. (WODC, 2012)
      In 2010 is door het WODC gerapporteerd over de (delict)kenmerken van jongeren die in de periode 1996-2005 een PIJ-maatregel opgelegd hebben gekregen (zie link bij: Meer informatie). De vraag is nu of nieuwe ontwikkelingen ertoe hebben geleid dat de populatie Pij'ers er in de periode 2006-2010 anders uit is gaan zien wat betreft achtergrondkenmerken en delictkenmerken dan de Pij-populatie in de periode 1996-2005.
    • Delictkenmerken van de PIJ-populatie 1996-2005 - ontwikkeling en vergelijking met jongeren met jeugddetentie, voorlopige hechtenis en OTS

      Weijters, G. (WODC, 2010)
      De PIJ-maatregel (Plaatsing in Inrichting voor Jeugdigen) is de zwaarste sanctie die via het jeugdstrafrecht opgelegd kan worden als een jongere een zeer ernstig delict heeft gepleegd. In dit onderzoek zijn de kenmerken onderzocht van jongeren die in de periode 1995-2005 een PIJ-maatregel opgelegd hebben gekregen. Er is gekeken naar sociaaldemografische kenmerken, kenmerken van het delict waarvoor de jongere is veroordeeld en kenmerken van de strafrechtelijke geschiedenis. De kenmerken van PIJ-ers zijn vergeleken met de kenmerken van jongeren die in dezelfde periode op een andere titel in een justitiële jeugdinrichting verbleven.
    • Ervaringsleerprojecten in de ambulante justitiële sector - de Elan basistraining voor ots-pupillen, een verkenning

      Spaans, E.C. (WODC, 1995)
      Sinds een aantal jaren organiseert Elan Training te Ulvenhout een zogenaamde basistraining voor ots-pupillen. De training, die vier weken duurt, bestaat uit een outward-boundgedeelte (een lange looptocht, bergbeklimmen, solobivak, een struintocht) en een intern gedeelte in Ulvenhout, waarbij de deelnemers onder andere een werkstage lopen, bosarbeid verrichten en huishoudelijke taken moeten uitvoeren. In deze evaluatie ligt de nadruk op de gevolgde verwijsprocedure, de voorbereiding van de training en de begeleiding na afloop van de training.
    • Evaluatie pilot elektronische volgsystemen

      Miedema, F.; Post, B. (WODC, 2006)
      Naast het uitvoeren van een onderzoek naar de ervaringen met EVS (Elektronisch Volgsysteem) in het buitenland, worden er bij de sectoren GW (Gevangeniswezen), jeugd en tbs een aantal pilot-projecten opgestart waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische volgsystemen met GPS-techniek (GPS = Global Positioning Satelite). De implementatie van GPS in deze pilots is in dit onderzoek geëvalueerd. Er zijn twee belangrijke argumenten die pleiten voor het gebruik van EVS. In de eerste plaats vragen politiek en samenleving om de toepassing van andere instrumenten die erop gericht zijn om de maatschappelijke veiligheid te vergroten. Daarnaast zou door de toepassing van EVS de oplegging van de straf of maatregel mogelijk goedkoper kunnen worden uitgevoerd. De recente overvloedige aandacht bij de politiek en de media voor dit onderwerp dwingt er verder toe te komen met een gedegen onderzoek naar de toepassingen van EVS in het buitenland.
    • Evaluatie pilot gezinsvertegenwoordiger 'Scheiden zonder Schade'

      Aar, J. van; Lenglet, M.J.E.; Torregrosa, L.D.R. (Van Montfoort, 2022-03-07)
      De gevolgen van een complexe scheiding kunnen voor kinderen groot zijn. Het overheidsprogramma Scheiden zonder Schade van het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft als doel schade bij kinderen als gevolg van een complexe scheiding te voorkomen. Dit gebeurt onder andere door het ontwikkelen van een nieuwe scheidingsaanpak in de regiolabs Den Haag en Oost-Brabant. Een onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak is de pilot Gezinsvertegenwoordiger/Casushouder. In deze pilot wordt zo vroeg mogelijk in het scheidingsproces een gezinsvertegenwoordiger bij een gezin betrokken om ouders en kinderen te begeleiden tijdens de scheiding. Het doel van de inzet van een gezinsvertegenwoordiger is de-escalatie en dejuridisering van het conflict. Onderzoeksverantwoording Het doel van het huidige onderzoek is inzicht te geven in de bijdrage van de gezinsvertegenwoordiger aan de beoogde doelen van de nieuwe scheidingsaanpak: de-escalatie en dejuridisering en in de wenselijkheid van een gezinsvertegenwoordiger als onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak en de wijze waarop dat kan worden ingevuld. In de onderzoeksopdracht staan acht onderzoeksvragen verdeeld over de drie fasen van de pilot: A. Voorbereidende fase: werkzame elementen? B. Uitvoerende fase: gezinsvertegenwoordiger: onderdeel scheidingsaanpak? C. Opbrengstfase. INHOUD: 1. Inleiding en opzet van de pilot, 2. Onderzoeksverantwoording, 3. De pilot, 4. Ervaringen, 5. Beantwoording onderzoeksvragen, 6. Reflectie.
    • Evaluatie van de methode voogdij

      Smit, W.; Tillaart, J. van den; Snijdewint, M.; Rothe, R. (medew.); Boven, J. van (medew.); Woude, F. van der (medew.); Dijk, J. van (medew.) (Regioplan Beleidsonderzoek, 2015)
      In Nederland staan alle minderjarigen onder gezag (art 1: 245 BW). Dat gezag wordt normaliter door (een van) beide ouders uitgeoefend. Als de ouders daartoe niet in staat zijn kan de rechter een maatregel van ondertoezichtstelling (ots) uitspreken waarmee een kind onder toezicht wordt gesteld van een gezinsvoogd. Bij ontheffing en ontzetting uit de ouderlijke macht wordt een voogdijmaatregel uitgesproken door de rechter. De nieuwe methode voogdij moet vooral de overdracht van het gezag van instellingsvoogdij naar natuurlijke personen, te weten pleegoudervoogden of burgervoogden, waar mogelijk bevorderen. Met de toepassing van de nieuwe methode voogdij wordt beoogd bij alle voogdijpupillen te werken volgens de geformuleerde methodische doelen. Dit onderzoek heeft als doel na te gaan (1) in welke mate volgens de methode voogdij wordt gewerkt, (2) in welke mate de beoogde resultaten worden bereikt en (3) wat de ervaringen zijn van diverse betrokkenen met de methode voogdij. Tot slot (4) is nagegaan welke duiding er kan worden gegeven aan de ontwikkeling van het aantal voogdijpupillen en het aantal voogdijoverdrachten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. Werken volgens de methode voogdij: ervaringen van instellingen 4. Ervaringen van pleegouders en pupillen 5. Voogdijoverdracht van instelling naar natuurlijke personen 6. Ontwikkeling in het aantal voogdijpupillen 7. Conclusies
    • Feiten op een rij: een tussenstand - Tussenevaluatie Actieplan feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen

      Abraham, M.; Dijk, B. van; Hofstra, D. (DSP-groep, 2020)
      Het Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen; Respect voor kind, ouder en professional, 2018-2021, heeft tot doel te komen tot goed feitenonderzoek en onderbouwde besluiten in de jeugdbeschermingsketen, met betrokkenheid van kinderen en ouders. Het Actieplan is aangeboden aan de Tweede Kamer in 2018 en de uitvoering van het plan loop van 2019 tot en met 2021. De minister heeft bij de aanbieding van het plan aan de Tweede Kamer toegezegd na twee jaar de balans te willen opmaken.De probleemstelling van het onderzoek is vervat in de volgende hoofdvragen: A. Kunnen met het Actieplan de gestelde doelen worden bereikt? B. Wat zijn de (tussentijdse) resultaten van het Actieplan? C. In hoeverre ontwikkelen deze zich in de richting van de nagestreefde doelen? D. Zijn aanpassingen/verbeteringen ten aanzien van het Actieplan mogelijk/wenselijk? Zo ja, welke?De probleemstelling is vertaald naar verschillende onderzoeksvragen, waarin wordt gekeken naar achtereenvolgens het potentieel doelbereik, de uitvoering en eerste resultaten van de verschillende acties, hoe verder en het betrekken van kinderen en ouders bij eindevaluatie.
    • Gezinsbegeleiding in vrijwillig en gedwongen kader

      Buysse, W.; Hilhorst, N.; Broeders, A.-M.; Loef, L. (medew.); Maarschalkerweerd, A. (medew.) (WODC, 2010)
      De kinderrechter heeft de bevoegdheid om een minderjarige onder toezicht van een bureau jeugdzorg te stellen. Op dit moment is een wetsvoorstel aanhangig dat de gronden voor een ondertoezichtstelling (OTS) verscherpt. Eén van de voorwaarden voor de implementatie van de gewijzigde kinderbeschermingswetgeving is dat er een voldoende aanbod is van vormen van langdurige gezinsbegeleiding in het vrijwillige kader. Het doel van dit onderzoek is tweeledig: In beeld brengen of en in welke mate de rechter de OTS oplegt of verlengt, terwijl ouders doordrongen zijn van de problemen en bereid zijn om in vrijwillig kader gezinsbegeleiding te aanvaarden. Zicht krijgen op het lokale, provinciale en landelijk gefinancierde aanbod aan vrijwillige langdurige gezinsbegeleiding en de eventuele knelpunten die verhinderen dat daarvan gebruik gemaakt kan worden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidskader 3. Onderzoeksvragen en aanpak 4. Gezinsbegeleiding in gedwongen kader 5. Factoren die een rol spelen bij opleggen en verlengen (v)OTS-zaken 6. Gezinsbegeleiding in vrijwillig kader 7. Conclusies
    • Gezinsvoogden aan het werk - De uitvoering van de ondertoezichtstelling in 1993

      Mertens, N.M. (WODC, 1995)
      De gezinsvoogdij-instellingen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de kinderrechter uitgesproken maatregel van ondertoezichtstelling. Onderzocht is met welke doelstellingen de gezinsvoogden werken en hoe ze daadwerkelijk uitvoering geven aan de maatregel. Tevens is nagegaan in hoeverre de vooropgestelde doelen bereikt zijn bij beëindiging van de ondertoezichtstelling. Probleemstelling: Wat beoogt men met de ots-maatregel te bereiken, met andere woorden welk doel stellen gezinsvoogden zich bij hun pupillen? Op welke manier tracht men dit doel te bereiken, met andere woorden met welke middelen, werkwijzen en methodieken werken gezinsvoogden? In hoeverre wordt het gestelde doel volgens hen bereikt? Opzet: Analyse van dossiers betreffende ots-en en intervieuws met betreffende gezinsvoogden.
    • Implementatie en doelmatigheid van de Deltamethode Gezinsvoogdij - onderzoek naar de invloed van de Deltamethode Gezinsvoogdij op het verloop van de ondertoezichtstelling

      Stams, G.J.J.M.; Top-van der Eem, M.; Limburg, S.; Vugt, E.S. van; Laan, P.H. van der (WODC, 2010)
      Vanaf 2002 is gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS), de Deltamethode Gezinsvoogdij. Het doel van dit onderzoek was het in kaart brengen van de vordering van de landelijke implementatie van de Deltamethode Gezinsvoogdij en de effecten van de 'werkwijze Delta' op de duur van de ondertoezichtstellingen en het aantal en de duur van uithuisplaatsingen tijdens de OTS.
    • Jaarverslag kinderrechters 1984

      Barendse-Hoornweg, E.J.M. (WODC, 1987)
      Dit is het eerste landelijke jaarverslag van de kinderrechters, een verzameling van gegevens uit alle jaarverslagen van de acht arrondissementen aangevuld met statistische informatie.