• Beschermingsbewind - Een vergelijking met de curatele

      Naborn, E.M. (WODC, 1989)
      Met dit rapport is getracht inzicht te bieden in de toepassing van de Wet beschermingsbewind meerderjarigen. Hiertoe is deze vergeleken met de curatele. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschermingsbewind in de rechtspraktijk 3. Curatele; dossieranalyse van 1987 4. Beschermingsbewind en curatele; een vergelijking 5. Beschermingsbewind in de praktijk
    • Evaluatie Wet mentorschap - Een onderzoek naar de toepassing van het mentorschap ten behoeve van meerderjarigen over de jaren 1995-1998

      Oomens, H.C.D.M.; Zutphen, Y.L.L. van; Blankman, K. (medew.); Beijers, W.M.E.H. (medew.) (Vrije Universiteit Amsterdam - Juridische faculteit, 1998)
      Op 1 januari 1995 is de Wet mentorschap in werking getreden. Deze wet biedt bescherming aan meerderjarigen die niet in staat zijn hun niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Deze belangen betreffen aangelegenheden en beslissingen op het gebied van de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de desbetreffende meerderjarige. Bij de totstandkoming van de Wet mentorschap is toegezegd dat deze wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding zou worden geëvalueerd. Om de benodigde gegevens van kwantitatieve en kwalitatieve aard betreffende de toepassing van het mentorschap te verkrijgen, is gekozen voor een uitwerking in drie onderzoeksfasen. In de eerse fase onderzoeksfase ging het om het aantal ingestelde mentorschappen, beschermingbewinden en curatele. Tijdens de tweede onderzoeksfase is middels dossieronderzoek bij tien kantongerechten de toepassing van het mentorschap nader bekeken. In de derde fase van het onderzoek ging het om de ervaringen van degenen die in aanrang komen met het mentorschap (mentoren, betrokkenen en hulpverleners en vertegenwoordigers van organisaties). De hoofdstukken 2, 3 en 4 gaan nader in op de opzet en uitvoering van de drie fasen van het onderzoek en informeren over de betrouwbaarheid en resultaten van de vragenlijst, het dossieronderzoek en de interviews. Om te komen tot een samenhangende rapportage is in hoofdstuk 5 geabstraheerd van de drie verschillende fasen in het onderzoek. Hoofdstuk 6 tenslotte bevat de conclusies en aanbevelingen.
    • Verkenning invoering van een financiële heffing bij het rechterlijk toezicht op beschermingsmaatregelen

      Wilms, P.; Kluft, S.; Blankman, K.; Veen, S. van der (APE onderzoek & advies, 2018)
      In Nederlands kunnen kwetsbare volwassenen die niet of niet voldoende in staat zijn hun belangen van vermogensrechtelijke en of immateriële aard zelf te behartigen worden beschermd. Het gaat om drie verschillende beschermingsmaatregelenmaatregelen: curatele, beschermingsbewind en mentorschap. Een rechter legt de maatregel op en wijst daarbij een uitvoerder aan. Dit kan een familielid zijn, maar ook een professionele uitvoerder. Curatele, beschermingsbewind en mentorschap (CBM) vormen een beperking op de zelfbeschikking van het individu. Mede daarom houdt de rechter toezicht op de uitvoering van beschermingsmaatregelen.De volgende drie onderzoeksvragen staan in het onderzoek centraal:Hoe zou een heffing op bewindvoering, curatele en mentorschap vorm gegeven kunnen worden?Wat zijn de mogelijke gevolgen van een heffing?In hoeverre kan een heffing bij toezichtzaken er aan bijdragen dat het stelsel van toezicht ook in de toekomst ‘vitaal’ blijft, in de zin van betaalbaar? INHOUD: 1. Inleiding 2. Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap 3. Stelsel van toezicht op beschermingsbewind, curatele en mentorschap 4. Achtergrond verkenning financiële heffing 5. Achtergrond en hoogte financiële heffing 6. Gevolgen van de heffing 7. Vitaliteit van het toezicht 8. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Verplichte (na)zorg voor kwetsbare jongvolwassenen? - Onderzoek naar de juridische mogelijkheden voor (verplichte) hulp aan kwetsbare jongvolwassenen na kinderbescherming

      Bruning, M.R.; Liefaard, T.; Limbeek, M.M.C.; Bahlmann, B.T.M. (Universiteit Leiden - Instituut voor privaatrecht, 2016)
      In de praktijk bestaan zorgen om jongvolwassenen die na afloop van een kinderbeschermingsmaatregel over onvoldoende capaciteiten beschikken om geheel zelfstandig te functioneren in de maatschappij. In dit onderzoek staan de vragen centraal hoe het bestaande juridische instrumentarium voor (gedwongen) hulp aan kwetsbare jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar eruit ziet en in hoeverre het mogelijkheden biedt om kwetsbare jongvolwassenen uit de jeugdbescherming te blijven begeleiden of behandelen na het bereiken van de meerderjarigheid. Daarbij is tevens onderzocht of dit juridische instrumentarium en de toepassing daarvan in de praktijk aanleiding geeft tot voorstellen tot aanpassing en zo ja, tot welke. Deze centrale vragen worden beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen: Hoe ziet het bestaande juridische instrumentarium voor (gedwongen) hulp aan kwetsbare jongvolwassenen (18-23 jaar) eruit? Op welke wijze (o.a. voor welke groepen en in welke situaties) worden deze instrumenten in de praktijk toegepast? Wat is uit de literatuur en uit de praktijk bekend over de ervaringen met of resultaten van deze toepassingen? Welke instrumenten werken volgens de literatuurbevindingen en volgens betrokkenen uit de praktijk goed en welke minder goed voor deze specifieke doelgroep en context? Welke korte en lange termijn-aanpassingen zijn volgens betrokkenen denkbaar? En onder welke omstandigheden en randvoorwaarden worden deze ook door betrokkenen als haalbaar en wenselijk gezien? INHOUD: 1. Inleiding 2. Kinderbeschermingsmaatregelen en (voortgezette) jeugdhulp 3. Meerderjarigenbescherming 4. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5. Jeugdstrafrecht 6. Internationaal recht 7. Conclusies en aanbevelingen
    • Werking Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap, Besluit kwaliteitseisen cbm en Regeling beloning cbm

      Davelaar, E.J.; Tissing, H.A.; Waal, J. (medew.) (Bureau Bartels, 2018)
      Het Burgerlijk Wetboek bevat een drietal beschermingsmaatregelen waarmee kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, kunnen worden beschermd. Het betreft de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt: curatele, beschermingsbewind en mentorschap. De Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013, 414) bevat aanvullingen en wijzigingen van de regels omtrent deze beschermingsmaatregelen. De centrale probleemstelling van het onderzoek is als volgt geformuleerd: In hoeverre zijn de doelen van de Wet cbm – voldoende toegang en adequate bescherming voor mensen die onvoldoende zelfredzaam zijn – gerealiseerd? In welke mate wordt zelfredzaamheid, waar mogelijk, bevorderd blijkens uitstroom dan wel keuze voor lichtere maatregelen? Zijn de kwaliteitseisen voor professionele vertegenwoordigers doeltreffend? Beschikken kantonrechters over voldoende en juiste informatie over de benoembaarheid van deze vertegenwoordigers en kunnen zij aan de hand van deze eisen een adequate controle op de kwaliteit van dienstverlening van vertegenwoordigers uitoefenen en zo nodig ingrijpen? Is de geïntroduceerde beloningssystematiek doeltreffend in die zin dat er eenduidigheid bestaat over de beloning van vertegenwoordigers en voldoende uren vergoed worden om de beschermingstaken adequaat uit te kunnen voeren? INHOUD: 1. Inleiding 2. Aansluiting bij ondersteuningsbehoeften 3. Borging kwaliteit vertegenwoordiging 4. Stroomlijnen van het wettelijk kader 5. Conclusies