• Alternatieve sancties en andere strafrechtelijke afdoeningsvormen voor jeugdigen - Een vergelijkend onderzoek naar alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen voor strafrechtelijk minderjarigen - 3e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Dit derde rapport gaat nader in op de alternatieve sancties en haar kenmerken door de groep alternatief gestrafte jongeren te vergelijken met jongeren van wie in dezelfde periode de zaak is afgedaan met een onvoorwaardelijk sepot en met jongeren die in die periode een traditionele, reeds langer bestaande sanctie hebben gekregen. Tevens wordt nagegaan of door het introduceren van alternatieve sancties meer jongeren dan voorheen in het justitiele circuit terecht zijn gekomen. Deze vergelijkingen hebben tot doel vast to stellen of er van de alternatieve sancties een 'aanzuigende working' of, zoals het ook wel wordt genoemd, 'net-widening' uitgaat. INHOUD: 1. Inleiding 2. De CBS-gegevens 3. Het vergelijkend dossieronderzoek 4. Samenvatting en discussie
    • Alternatieve sancties onderzocht - Eindrapport van het evaluatieonderzoek alternatieve sancties voor jeugdigen

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1986)
      De inhoud van dit eindrapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 2 wordt stil gestaan bij de organisatie en uitvoering van alternatieve sancties. In hoofdstuk 3 komt de vergelijking tussen enerzijds de alternatieve sancties en anderzijds de andere afdoeningsvormen aan de orde. Dat leidt onder meer tot de beantwoording van de belangrijke vraag, of er van alternatieve sancties een aanzuigende werking is uitgegaan; d.w.z. of er meer jongeren in het justitiële circuit terecht zijn gekomen dan het geval zou zijn geweest zonder die afdoeningsmogelijkheid? In hoofdstuk 4 passeren de meest in het oog springende uitkomsten van de napeiling de revue. In hoofdstuk 5 ten slotte volgt een slotbeschouwing, waarin enkele conclusies worden getrokken en ook enkele aanbevelingen worden geformuleerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie en uitvoering van alternatieve sancties 3. Alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen 4. Napeiling 5. Slotbeschouwing
    • Alternatieve sancties voor jeugdigen - Organisatie en uitvoering; 2e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Teneinde zicht te krijgen op de organisatie en uitvoering van de alternatieve sancties in de diverse proefarrondissementen is gedurende een bepaalde periode van alle alternatieve sancties een aantal basisgegevens verzameld. Het gaat hierbij om een aantal persoonlijke gegevens en delictgegevens van de jongere in kwestie, om gegevens met betrekking tot het justitieel verleden van de jongere, evenals om gegevens omtrent het justitieel kader waarin de alternatieve sanctie is opgelegd en de uiteindelijke afdoening van de zaak. Tevens word in alle gevallen geregistreerd welke alternatieve sanctie de jongere opgelegd kreeg en hoe het project afliep. Daarnaast is gepoogd in zoveel mogelijk gevallen waarin eon alternatieve sanctie word opgelegd, van een aantal direct betrokken personen eon interview af to nemen. Op deze wijze konden de ervaringen van die direct betrokkenen geïnventariseerd worden, zodat eventuele knelpunten en negatieve bij-effecten in de gang van zaken rond alternatieve sancties zichtbaar werden. De personen die bij iedere alternatieve sanctie (idealiter) geïnterviewd werden, zijn: de coordinator, de projectbegeleider, de rechter of de OvJ (Officier van Justitie) die de alternatieve sanctie oplegde en de jongere zelf. INHOUD: Deel I: Organisatie 1. De organisatie 2. Tijdlijnen Deel II: Uitvoering 1. De alternatieve sancties 2. De jongeren 3. Delictgegevens 4. Justitieel verleden 5. Justitieel kader 6. Definitieve afdoening 7. Ervaringen Deel III: Slotbeschouwing 1. Organisatorische aspecten 2. Profiel van alternatief gestrafte jongeren 3. Toepassing van alternatieve sancties 4. Alternatieve sancties en hun betekenis voor de betrokkenen 5. Slot
    • Bedreigen en intimideren van OM- en politiemedewerkers - Een onderzoek naar frequentie, aard, gevolgen en aanpak

      Torre, E.J. van der; Gieling, M.; Bruinsma, M.Y.; Jans, M. (medew.); Linden, M. van der (medew.) (Politieacademie, 2013)
      Dit onderzoek gaat over (de omgang met) situaties waarbij burgers, politie- of OM-medewerkers bedreigen of intimideren. De hoofdvraag luidt: Wat zijn de aard, frequentie en gevolgen van bedreiging of intimidatie van medewerkers van de politie en het Openbaar Ministerie en wat is het gewenste, ondervonden en bewezen effectieve beleid om bedreigingen en intimidatie te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Over de frequentie, aard en gevolgen 3. Over de aanpak en effectiviteit 4. Bedreigingen en intimidatie: frequentie en aard 5. Bedreigingen en intimidatie: de gevolgen 6. Bedreigingen en intimidatie: de reactie 7. Het OM: casus 8. Het OM: reflectie op de casus 9. De politie: casus 10. De politie: reflectie op de casus 11. Onderzoeksvragen: de antwoorden
    • Daderschap en deelneming doorgelicht - onderzoek naar het functioneren van de regeling van daderschap en deelneming in de rechtspraktijk tegen de achtergrond van een bespreking van het Nederlandse en Oostenrijkse recht

      Keulen, B.F.; Vellinga-Schootstra; Dijk, A.A. van; Lindenberg, K.K.; Wolswijk, H.D. (Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2010)
      In dit onderzoek komen de volgende onderzoeksvragen aan de orde: Hoe zijn daderschap en deelneming in Nederland en Oostenrijk geregeld? Waarin verschillen deze stelsels, en waarin komen ze overeen? Hoe worden daderschaps- en deelnemingsfiguren in Nederland en Oostenrijk ten laste gelegd? In welke mate is de rechter in deze landen bij bewijs en kwalificatie op dit punt aan de tenlastelegging gebonden? Blijkt uit het functioneren van de deelnemingsfiguren in de Nederlandse rechtspraktijk van problemen en, zo ja, welke? Op welke onderdelen en op welke wijze zou in het systeem van deelnemingsfiguren verbetering gebracht kunnen worden? Genieten deze voorstellen tot verbetering steun in de rechtspraktijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. Daderschap en deelneming in Nederland 3. Daderschap en deelneming in Oostenrijk 4. Interviews 5. Conclusies
    • De rechter als ketenpartner

      Eshuis, R.; Doelen, F.C.J. van der; Vlis, E.J.C. van der; Brunning, M.R.; Ippel, P.C.; Wijkerslooth, J.L. de; Vliet, J.A. van (WODC, 2007)
      ARTIKELEN: 1. R. Eshuis - De keten en de delta; de verbeelding van de civiel rechtspleging 2. F.C.J. van der Doelen en E.J.C. van der Vlis - De rechtspraak en de vrije juridische beroepen; meesters in eigenzinnigheid 3. M.R. Brunning - Dynamisch samenwerken; de kinderrechter en ketenpartners in de jeugdzorg 4. P.C. Ippel - De geketende strafrechter? 5. J.L. de Wijkerslooth - De elastiekjes van Docters van Leeuwen; het O.M. tussen rechtspraak, politie, politiek en bestuur 6. J.A. van Vliet - Rechter en reclassering als ketenpartners 7. Internetsites. SAMENVATTING: In dit themanummer wordt de tegenspraak door partners (de juridische beroepen, het openbaar ministerie, de jeugdzorg, enzovoort) van de rechtspraak in beeld gebracht. Hoe kijken die eigenlijk aan tegen de hedendaagse rechtspraak? Hoe verhouden ze zich tegenwoordig (organisatorisch) tot elkaar? De rechter wordt in zijn onafhankelijke positie in de praktijk begrensd door de (kwalitatieve) inbreng en verantwoordelijkheden van procespartijen en door de samenwerking van organisaties in de verschillende justitiële ketens.
    • De sturing en controle van de politie in het Franse en Nederlandse vooronderzoek in strafzaken

      Verrest, P.A.M. (WODC, 2000)
      Dit is de eerste (tussen)rapportage in het WODC-onderzoek naar de rol van de officier van justitie en de rechter-commissaris in het Franse en Nederlandse vooronderzoek in strafzaken. Het onderzoek is rechtsvergelijkend van aard. De basis wordt gevormd door literatuuronderzoek; deze wordt aangevuld met onderzoek in de opsporingspraktijk, door middel van interviews en observatie. Dit rapport bestaat uit twee delen: 1) een inleiding in het Franse recht; 2) onderzoek naar de sturing en controle van de politie in Frankrijk en Nederland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Inleiding in het Franse recht 3. Sturing en controle van de politie in het vooronderzoek 4. Het kader van de opsporing van zware en georganiseerde criminaliteit 5. Sturing en controle in algemene zin 6. Sturing en controle in een concreet onderzoek 7. Conclusie
    • De Wet BOB Titels IVa en V in de praktijk - besluitvorming over bijzondere opsporingsbevoegdheden in de aanpak van georganiseerde criminaliteit

      Krommendijk, M.; Terpstra, J.; Kempen, P.H. van (WODC, 2009)
      De Wet BOB biedt twee grondslagen voor de bevoegdheid gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden, zoals bijv. tappen, inkijkoperaties en infiltratie. Ten eerste kunnen deze bevoegdheden worden toegepast op basis van een verdenking van een concreet strafbaar feit. Er is dan sprake van een 'traditionele' of 'klassieke' opsporing op basis van Titel IVa van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast biedt de Wet BOB de bevoegdheid gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden op basis van een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd. In dat geval wordt gesproken van Titel V van het Wetboek van Strafvordering als grondslag voor het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar het gebruik in de praktijk van de genoemde Titels IVa en V van het Wetboek van Strafvordering.
    • Dienstverlening - Vervanging van de vrijheidsstraf in het strafrecht voor volwassen; Deel 1: totstandkoming en uitvoering

      Bol, M.; Overwater, J. (WODC, 1983)
      In het kader van de experimenten met Dienstverlening verrichtte het WODC onderzoek in acht door de Minister van Justitie aangewezen proefarrondissementen. In dit eerste deelrapport wordt verslag gedaan van een gedeelte van het onderzoek, waarvoor het materiaal verzameld werd in de periode 1 februari 1981 tot 1 mei 1982. Zowel persoonlijke als delictgegevens van 453 dienstverleners worden besproken.
    • Dienstverlening - Vervanging van de vrijheidsstraf in het strafrecht voor volwassenen; Deel 3: de plaats van de dienstverlening in de Nederlandse strafrechtspleging

      Bol, M.; Overwater, J. (WODC, 1983)
      In het kader van de experimenten met dienstverlening verrichtte het WODC onderzoek in acht door de Minister van Justitie aangewezen proefarrondissementen. In dit derde en laatste deelrapport wordt een aantal uiteenlopende aspecten van dienstverlening behandeld; centraal staat de plaats van dienstverlening in de Nederlandse strafrechtspleging. Verder wordt dienstverlening in het kader van gratie aan de orde gesteld en wordt verslag gedaan van een opiniepeiling welke de auteurs bij wijze van eindevaluatie hielden onder reclasseringsmedewerkers, advocaten en leden van staande en zittende magistratuur in de acht proefgebieden
    • Een afhandelingsprocedure in geval van eenvoudige winkeldiefstal - verslag en evaluatie van een experiment

      Scheepmaker, W. (WODC, 1974)
      Op initiatief van en (mede) in overleg met W.L. de Walle, hoofdofficier van justitie te Almelo, stelde de auteur een handleiding op voor het verloop van de afhandelingsprocedure in geval van eenvoudige winkeldiefstal: een draaiboek reikend van ontdekking van het delict door het winkelpersoneel tot en met het afsluitend onderhoud bij monde van de hulp-officier van justitie. Een belangrijke vraag in de te volgen procedure is: wie selecteert, wanneer, op grond van welke criteria die zaken die voor afdoening door de politie in aanmerking komen?
    • Evaluatie Politiewet 1993 - Een diepte-onderzoek

      Rosenthal, U. (red.); Bruinsma, G.J.N. (red.); Muller, E.R. (red.); Torre, E.J. van der (red.); Vries, A.W. de (red.) (Rijksuniversiteit Leiden - Crisis Onderzoek Team, 1998)
      In hoofdstuk 2 geven de auteurs een korte schets van de wettelijke structuur van de Politiewet om de lezer een beeld te bieden van de formele verhoudingen tussen bestuur, justitie en politie. In hoofdstuk 3 werken zij de onderzoeksopzet, het onderzoekskader en de gehanteerde methodologie verder uit. In de hoofdstukken 4 tot en met 9 staat een uitgebreide feitelijke beschrijving van de politiek-bestuurlijke verhoudingen in de zes regio's. De regio's worden volgens een vast stramien beschreven en geanalyseerd. Hoofdstuk 10 biedt een nadere vergelijkende analyse van het functioneren van de belangrijkste actoren. In hoofdstuk 11 heeft een vergelijking plaats aan de hand van een aantal cruciale thema's. De feitelijke bevindingen uit de verschillende regio's worden in deze twee hoofdstukken naast elkaar geplaatst. In het slothoofdstuk geven zij de belangrijkste conclusies.
    • Evaluatie Politiewet 1993 - Een breedte-onderzoek

      Gunther Moor, L.; Bakker, I.; Brummelkamp, G. (Katholieke Universiteit Nijmegen - Instituut voor toegepaste sociale wetenschappen (ITS), 1998)
      De opbouw van dit verslag is als volgt: In hoofdstuk 2 staan de vraagstelling en de opzet van het breedte-onderzoek beschreven. De formele inrichting van bestuur en beheer van politieregio's is het onderwerp van hoofdstuk 3. De volgende drie hoofdstukken hebben ieder betrekking op drie centrale waarden - de zogenaamde drie D's - van de Politiewet 1993. Achtereenvolgens komen bestuurlijke DAADKRACHT (hoofdstuk 4), DEMOCRATISCHE en lokaal-bestuurlijke inbedding (hoofdstuk 5) en DUALISME in beheer (hoofdstuk 6) in beeld. In hoofdstuk 7 volgen de belangrijkste conclusies van het breedte-onderzoek.
    • Evaluatie Wet herziening GVO

      Unknown author (WODC, 2004)
      Uit dit onderzoek - uitgevoerd door de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht van het WODC - komt naar voren dat de herziene procedure van het gerechtelijk vooronderzoek die op 1 februari 2000 in werking trad, naar wens functioneert. Zo zijn officieren van justitie en rechters-commissarissen goed op de hoogte van de nieuwe regeling omtrent het doorzoeken van plaatsen en het inbeslagnemen van voorwerpen en sluit deze aan bij de werkwijze en bevoegdheidsverdeling die de praktijk als zinvol en werkbaar ervaart. Volgens de onderzoekers is een enkel punt voor verbetering vatbaar zoals in geval van een inkomend verzoek om rechtshulp waar de rol van de officier van justitie en de rechter-commissarissen niet altijd helder is. De herziening van de regeling doorzoeken van plaatsen is bedoeld om voorwerpen in beslag te nemen of personen aan te houden. Woningen en kantoren van geheimhouders mogen zonder toestemming van betrokkenen door de rechter-commissaris worden doorzocht om voorwerpen in beslag te nemen. Andere plaatsen mogen worden doorzocht door de officier van justitie, vervoermiddelen door elke opsporingsambtenaar. Voor het doorzoeken van plaatsen om personen aan te houden is iedere opsporingsambtenaar bevoegd, in sommige gevallen met voorafgaande machtiging van de officier van justitie. De mini-instructie is een nieuw element in de strafvordering dat met de wet herziening gerechtelijk vooronderzoek in het leven is geroepen. Het is de mogelijkheid van de verdediging om, vanuit de verdediging, onderzoekshandelingen door te zetten als een correctiemogelijkheid op de richting, die het OM met het onderzoek in wil slaan. Hoewel de mini-instructie is ontwikkeld als tegenhanger van het werk van politie en OM, laat de praktijk zien dat het ook voorkomt dat de onderzoekshandelingen wenselijk zijn voor het werk van politie en het OM. Met name is dit het geval bij het horen van getuigen. Verder blijkt dat, anders dan beoogd, de mini-instructie pas later in het voorbereidend onderzoek een rol speelt. Gelet op deze bevindingen concluderen de onderzoekers dat het OM, als leider van het onderzoek, altijd vooraf op de hoogte moet zijn van de start van een mini-instructie en ook zelf een mini-instructie zou moeten kunnen entameren. INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Korte schets achtergrond wetswijziging, inhoud en toekomst; onderzoeksonderwerpen 3. De herziening van de wettelijke regeling inzake het doorzoeken van plaatsen 4. Praktijk van en ervaringen met de mini-instructie 5. Overige onderwerpen 6. Conclusies en aanbevelingen betreffende regeling doorzoeken van plaatsen
    • Evaluatie Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

      Winter, H.; Boxum, Chr.; Floor, T.; Krol, E.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro facto, 2021-05)
      Dit is de tweede evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO). De wet, ook wel bekend als de ‘Overlastwet’ of ‘Voetbalwet’, is in 2010 in werking getreden, in 2012 voor het eerst geëvalueerd en in 2015 mede naar aanleiding daarvan op een aantal punten gewijzigd. De hoofdvraag van de evaluatie was: In welke mate en met welke overwegingen worden de instrumenten van de wet toegepast, hoe wordt dat ervaren, in hoeverre worden de doelen van de wet gerealiseerd en op welke wijze kan de doelbereiking verder worden vergroot? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidsreconstructie, 3. Interventiestrategieën, 4. De Wet MBVEO in cijfers, 5. Casestudy's, 6. Toepassing Wet MBVEO door het OM, 7. Slotbeschouwing.
    • Goed beslagen - Een onderzoek naar administratieve lasten in beslagprocedures van de politie

      Vos, J.J.; Nieuwenhuizen, W.H. van den; Niezink, D.; Meer, A. van der (TNO Management Consultants, 2013)
      Bij het programma Minder regels meer op straat komen veel klachten binnen over de (administratieve) belasting die de werkwijze bij inbeslagneming meebrengt. Vanuit het programma is in overleg met het landelijk Beslag Interventieteam (BIT) en de portefeuillehouder beslag in de Raad van Korpschefs afgesproken dat gestreefd moet worden naar een vermindering van de administratieve belasting met behoud van de zorgvuldigheidswaarborgen. In dit onderzoek staat daarom de volgende hoofdvraag centraal: Welke knelpunten ervaart de politie in de praktijk bij de administratieve afhandeling van de huidige beslagregelingen en beslagprocedures en welke oplossingen zijn denkbaar om de administratieve lastendruk te verminderen? INHOUD: 1. Buitensporige administratieve last in het beslagproces? 2. De werking van de ketenbeslaghuizen 3. Knelpunten in het beslagproces en oplossingsrichtingen 4. Conclusies 5. Literatuur
    • Heenzendingen

      Kommer, M.M. (WODC, 1994)
      Doel: Eind maart 1993 bereikte het WODC het verzoek om een onderzoek in te stellen dat moest resulteren in een kwalitatief inzicht in de heenzending van verdachten die, op grond van de aard en zwaarte van het misdrijf waarvan ze verdacht werden, in aanmerking kwamen voor voorlopige hechtenis en voor wie inderdaad voorlopige hechtenis gevorderd was. Dit rapport bevat het verslag van dit onderzoek. Opzet: In vier arrondissementen zijn gegevens verzameld met betrekking tot zoveel mogelijk zaken waarin tussen 1 april en 28 mei 1993 een verdachte was voorgeleid aan de officier van justitie, teneinde deze een beslissing te laten nemen over het al dan niet instellen van een vordering bewaring. Tevens is door middel van gesprekken met de meest betrokken officieren van justitie en parketmedewerkers een inzicht verkregen in de gehanteerde criteria voor het nemen van een 'heenzendbeslissing' en de feitelijke gang van zaken. In de rapportage worden de zaken waarin is heengezonden afgezet tegen de zaken waarin de voorlopige hechtenis is gecontinueerd of om andere reden dan plaatsgebrek geeindigd.
    • Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en daad

      Werff, C. van der; Bol, M.W.; Docter-Schamhardt, B.J.W. (WODC, 1991)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar het gerechtelijk vooronderzoek (gvo). Het onderzoek is ingesteld op verzoek van de Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (Commissie Moons). Doel van dit onderzoek is inzicht te verschaffen in het functioneren van het gvo op dit moment. Het gaat daarbij om om inzicht in de feitelijke gang van zaken; daarnaast bestaat behoefte aan inzicht in de opvattingen over de taak van de rechter-commissaris, het OM en raadslieden in het kader van het gvo en de te verwachten gevolgen van eventuele wetswijzigingen. Het onderzoek is opgesplitst in twee delen: in de eerste plaats is een dossieronderzoek uitgevoerd en daarnaast zijn vraaggesprekken gehouden met rc's, ovj's en raadslieden.
    • Het OM en de uitvoering van het beleid

      Unknown author (WODC, 1984)
      Themanummer over de positie van het Openbaar Ministerie (OM) en het veranderingsproces dat het OM ondergaat.
    • Het openbaar ministerie in ontwikkeling

      Unknown author (WODC, 1992)
      Zoals het in een rechtsstaat betaamt, geldt in Nederland het beginsel dat alleen wettelijk strafbaar gesteld gedrag mag worden vervolgd en bestraft. Het omgekeerde geldt echter niet. Heel wat strafbare feiten blijven zonder strafrechtelijke gevolgen. Het openbaar ministerie is de instantie die verantwoordelijk is voor de opsporing en vervolging. Op grond van het opportuniteitsbeginsel kan het O.M. besluiten in bepaalde gevallen niet tot vervolging over te gaan. Het aantal gepleegde strafbare feiten is de afgelopen jaren echter zo groot geworden dat het O.M. niet altijd in staat is (tijdig) te reageren. Dit komt de geloofwaardigheid van het strafrecht natuurlijk niet ten goede. Vandaar dat in Strafrecht met beleid, het beleidsplan van het openbaar ministerie voor de jaren 1990-1995, wordt geconstateerd dat het niveau van opsporing en vervolging moet worden verhoogd. Daartoe wordt een gedifferentieerd beleid geformuleerd voor de verschillende typen strafbare feiten. Om de zekerheid van de strafrechtelijke reactie te waarborgen, moet worden gestreefd naar een verdubbeling van het ophelderingspercentage in 1995. Verder moeten het aantal kale beleidssepots en het aantal technische sepots worden teruggedrongen. Om de snelheid van de strafrechtelijke reactie te verhogen, moet het aantal transacties in misdrijfzaken worden verhoogd. In dit verband moet voorts in 1995 75% van alle 0.M.-afdoeningen binnen drie maanden na ontvangst op het parket zijn afgedaan. Om door middel van effectmeting controle te kunnen uitoefenen op de taakuitvoering door de politie, dient het openbaar ministerie in 1995 zeggenschap te krijgen over 40% van de politiecapaciteit ten behoeve van justitiele. taken. Daarnaast krijgt het O.M., mede in verband met de reorganisatie van de politie, meer beheersbevoegdheden over de politie. Om de genoemde doelstellingen te bereiken en de grotere estuursverantwoordelijkheid inhoud te kunnen geven, worden ingrijpende veranderingen noodzakelijk geacht in de cultuur, de organisatie en werkwijze, de informatievoorziening en voorlichting en de personele en materiele voorzieningen van het openbaar ministerie. Aan deze fundamentele ontwikkelingen binnen het openbaar ministerie is deze aflevering gewijd.