• Brandstof voor de opsporing - evaluatie Wet bevoegdheden vorderen gegevens

      Spapens, T.; Siesling, M.; Feijter, E. de (Universiteit van Tilburg - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2011)
      Met de inwerkingtreding van de Wet bevoegdheden vorderen gegevens (Wvbg) zijn in het Wetboek van Strafvordering (Sv) algemene bevoegdheden tot het vorderen van gegevens opgenomen. De evaluatie van de Wvbg richt zich op vier hoofdvragen: In welke mate en ten behoeve waarvan wordt een beroep op de Wvbg gedaan? Wordt de wet toegepast zoals bedoeld en omschreven door de wetgever? Worden de waarborgen die zijn opgenomen in de Wbvg nageleefd? Hoe functioneert de Wvbg vanuit het perspectief van de gegevensverstrekkers? INHOUD: 1. Inleiding 2. De totstandkoming van de Wbvg 3. De inhoud van de Wvbg 4. De verhouding van de Wvbg tot andere bevoegdheden 5. Het opsporingsproces in relatie tot de Wbvg 6. Het beroep op de Wbvg: omvang, aard en procedures 7. De toepassing van de wet: perspectief van gegevensvragers 8. De toepassing van de wet: het perspectief van de gegevenshouders 9. Algemeen besluit
    • De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden - Eindevaluatie

      Beijer, A.; Bokhorst, R.J.; Boone, M.; Brants, C.H.; Lindeman, J.M.W. (WODC, 2004)
      De Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden biedt over het algemeen een goede balans tussen een voldoende toedeling van bijzondere opsporingsbevoegdheden, een adequate regeling daarvan en controle daarop. Al langer bestaande bevoegdheden zijn nu preciezer en wettelijk geregeld. Dat biedt meer houvast bij de toepassing in de praktijk. De nieuwe bevoegdheid ‘opnemen van vertrouwelijke communicatie’ blijkt belangrijke bijdragen aan de opsporing te kunnen leveren. Dat blijkt uit de evaluatie van de Wet BOB die op 14 december 2004 naar de Tweede Kamer is gezonden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Bijzondere opsporingsbevoegdheden vanuit het opsporingsperspectief 3. Transparantie Controle 4. Internationale samenwerking 5. Conclusies
    • Het gebruik van de telefoon- en internettap in de opsporing

      Odinot, G.; Jong, D. de; Leij, J.B.J. van der; Poot, C.J. de; Straalen, E.K. van (WODC, 2012)
      De minister van Justitie heeft tijdens een Algemeen Overleg over tapstatistieken toegezegd een onderzoek te laten verrichten naar de effectiviteit van telefoon- en internettaps (TK 2009-2010, 30 517, nr. 16). Dit rapport heeft als doel inzicht te bieden in het feitelijk gebruik van de telefoon- en internettap bij opsporing van strafbare feiten. In het onderzoek wordt uitgegaan van een getrapte vraagstelling: Hoe wordt in Nederland gebruikgemaakt van de telefoon- en internettap tijdens het opsporingsproces? Hoe wordt in enkele andere West-Europese landen (Engeland en Wales, Duitsland en Zweden) met dit opsporingsmiddel omgegaan? Kunnen (grote) verschillen tussen deze landen in het gebruik van dit opsporingsmiddel worden verklaard? Deze vraagstelling is uitgewerkt in verschillende onderzoeksvragen, die zich samen laten vatten als: hoe vaak, waarom en wanneer wordt de telefoon- en internettap ingezet, voor hoe lang wordt een tap aangesloten en wat voor een informatie levert het dan op? In de tweede herziene uitgave is een correctie aangebracht betreffende het opvragen van verkeersgegevens. INHOUD: 1. Inleiding 2. De telefoon- en internetmarkt 3. Regulering van tappen in Nederland 4. Wat is een tap en hoe komt deze tot stand? 5. De tapstatistieken in Nederland 5. De telefoontap in de praktijk 7. De internettap in de praktijk 8. Alternatieven voor de tap 9. Het gebruik van de tap in Engeland en Wales 10. Het gebruik van de tap in Zweden 11. Het gebruik van de tap in Duitsland 12. Slotbeschouwing