• Aan de grenzen van het meetbare - De methodologische kwaliteit van internationale studies naar de omvang van aan prostitutie gerelateerde mensenhandel met nadruk op Noordwest Europa

      Lensvelt-Mulders, G.; Lugtig, P.; Bos, P.; Elevelt, A.; Helms, A. (Universiteit voor Humanistiek (UvH), 2016)
      De aanleiding voor deze literatuurstudie was een motie van Segers/van der Staaij, waarin gevraagd werd om een wetenschappelijke vergelijking te maken van het prostitutiebeleid tussen landen in Noordwest-Europa en het effect van dat beleid op de omvang van mensenhandel in de betreffende landen. De onderzoeksvraag in deze studie luidt: Wat is er bekend over de relatie tussen prostitutiebeleid in Noordwest-Europa en de omvang van mensenhandel en wat valt er vanuit wetenschappelijk oogpunt te zeggen over de kwaliteit van de bestaande onderzoeken waarop de conclusies over deze relatie zijn gebaseerd? Om een zo goed mogelijk inzicht in bovengenoemde relatie(s) te krijgen, is dit onderzoek specifiek gericht op landen in Noordwest-Europa: Nederland, België, Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Duitsland en Groot Brittannië. Deze landen dekken samen de belangrijkste, voor vergelijkend onderzoek relevante, vormen van prostitutiebeleid, en hebben een infrastructuur die in principe het best mogelijke onderzoek naar de omvang van mensenhandel mogelijk maakt. INHOUD: 1. Inleiding in de probleemstelling 2. Internationale beleidscontext 3. Methodologie van het onderzoek 4. Resultaten 5. Conclusies en methodologisch advies
    • Civielrechtelijke voorprocedures in België, Noorwegen en Duitsland

      Voert, M.J. ter (WODC, 2013)
      In de Innovatieagenda Rechtsbestel worden innovaties voorgesteld die tot doel hebben om verbeteringen aan te brengen in gerechtelijke procedures, buitengerechtelijke procedures en het bredere rechtsbestel. Uitgangspunt daarbij is dat geschillen van burgers en bedrijfsleven eenvoudig, snel en effectief kunnen worden opgelost. In de innovatieagenda wordt tevens aangekondigd dat een aantal denkrichtingen nog verder zal worden uitgezocht. Eén daarvan is het afhandelen van civiele geschillen via een (al dan niet verplichte) voorprocedure. In een aantal ons omringende landen (Noorwegen, Duitsland en België) heeft men daar al ervaring mee opgedaan. De vraag in dit onderzoek is of de verzoeningsprocedure bij het vredegerecht in België en procedures bij de Forliksrad in Noorwegen en het Schiedsamt in Duitsland eenvoudige, snelle en effectieve wijzen van afdoening van civiele geschillen zijn die bruikbaar kunnen zijn in de Nederlandse context.
    • De praktijk van mediation in ons omringende landen

      Roo, A. de; Jagtenberg, R. (WODC, 2003)
      Het doel van dit onderzoek was inzicht te verkrijgen in de praktijk van toepassing van mediation op het gebied van bestuurs- en civiel recht (uitgezonderd familie- en echtscheidingsrecht) binnen de justitiële infrastructuur in ons omringende landen (GB, Fr, Du, Noorwegen) en de rol die de overheid - al dan niet als wetgever - daarbij inneemt. Vrijwel alle landen hebben reeds geruime tijd regelgeving op het terrein van mediation. Met name in familiegeschillen is vrijwel overal een een wettelijk verwijzingsregime (in voorbereiding) waarbij de rechter (dwingend) verwijst naar externe professionele mediators. Er zijn verschillende verwijzigsvarianten, al dan niet dwingend, al dan niet met sanctiedreiging bij afwijzing, gevonden. Op de meeste terreinen, maar vooral in familiezaken, worden aan mediators strikte opleidingseisen gesteld en is men het eens over de noodzaak van permanente opleiding en overheidstoezicht op de kwaliteit van mediators.
    • Elektronische detentie als alternatief voor gevangenisstraf - Een quickscan naar Europese ervaringen

      Nagtegaal, M.H. (WODC, 2013)
      In het onderzoek wordt in vogelvlucht naar de ervaringen met elektronische detentie in de gehele Europese Unie (EU) gekeken en daarnaast worden tien landen uitgebreider onderzocht. Dit zijn België, Denemarken, Duitsland, Engeland en Wales, Finland, Frankrijk, Noord-Ierland, Noorwegen, Schotland en Zweden. INHOUD: 1. Inleiding en methoden 2. Kenmerken elektronische detentie in Europa 3. Ervaringen met elektronische detentie in Europa 4. Slotbeschouwing
    • Filteren van kinderporno op internet - Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland

      Stol, W.Ph.; Kaspersen, H.W.K.; Kerstens, J.; Leukfeldt, E.R.; Lodder, A.R. (WODC, 2008)
      Dit project heeft als doelstelling om de Tweede Kamer te informeren over de vraag of de toepassing van technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op Internet “nuttig en effectief” kan zijn en daarbij ook de ervaringen te betrekken die hiermee in enkele andere landen zijn opgedaan. In het verlengde van van deze doelstelling is bekeken welke juridische mogelijkheden en welke mogelijkheden tot zelfregulering er zijn.
    • Gender (h)erkennen in recht en criminaliteit

      Althoff, M.; Janssen, J.; Grundetjern, H.; Sandberg, S.; Jansen, S.; Sanberg, R.; Keuzenkamp, S.; Pohlkamp, I. (WODC, 2013)
      ARTIKELEN: 1. M. Althoff en J. Janssen - Wat heeft het allemaal om het lijf? Over het belang van het begrip gender 2. H. Grundetjern en S. Sandberg - Drugsdealers, gender en straatkapitaal 3. S. Jansen - Herken de homo; over het beoordelen van de geloofwaardigheid van seksuele gerichtheid in asielzaken 4. J. Janssen en R. Sanberg - Als de nood aan de man komt; slachtofferschap van mannen bij eergerelateerd geweld 5. S. Keuzenkamp - Ik ben geen freak! Het leven van transgenders in Nederland 6. I. Pohlkamp - Discriminatie van transgenders door politie en justitie 7. Internetsites. SAMENVATTING: In dit themanummer staat de vraag centraal wat genderanalyse ons kan leren op het terrein van recht, criminaliteit en veiligheidszorg. In hoeverre leiden maatschappelijke verwachtingen met betrekking tot delinquent gedrag tot stereotiepe voorstellingen? Wordt bepaald gedrag van mannen bijvoorbeeld wel en van vrouwen niet geaccepteerd, of omgekeerd? Of werpen genderspecifieke verwachtingen en daarop gebaseerde sociale rollen barrières op bij het aanspraak maken op rechten of het trachten het leven naar eigen inzicht in te richten? Aan de hand van deze vragen wordt inzichtelijk gemaakt welke meerwaarde het begrip gender heeft bij de analyse van maatschappelijke vraagstukken.
    • Het functioneren van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving - Deelrapportage 2 - Het wettelijk kader: wetsgeschiedenis, jurisprudentie en zedelijkheidswetgeving in diverse landen

      Savornin Lohman, J. de; Beijers, W.M.E.H.; Duker, M.; Gelder, C.P. van; Goderie, M.J.H.; Nieborg, S.M.A.; Rijkschroeff, R.A.L.; Verkuyl, E.C.A. (Verwey-Jonker Instituut, 1998)
      Dit deelonderzoek schetst het wettelijk kader waarbinnen het klachtvereiste zich bevindt. Het rapport opent met een beschrijving van de wetsgeschiedenis van de zedelijkheidswetgeving. waaronder het klachtvereiste. Vervolgens wordt er een overzicht gegeven van de jurisprudentie en ter afsluiting volgt een beschrijving van de zedelijkheidswetgeving in diverse landen.
    • Het monitoren van publiek vertrouwen in de politie

      Stals, L.; Walle, S. van de (Katholieke Universiteit Leuven - Instituut voor de overheid, 2020-12)
      Dit rapport onderzoekt hoe het publieke vertrouwen in de politie gemeten wordt in Nederland en het buitenland, en hoe valide en representatief deze metingen zijn. Dit moet dienen om de huidige meetpraktijk in Nederland te verbeteren. Concreet zal dit rapport een antwoord formuleren op drie onderzoeksvragen:Hoe wordt het publieke vertrouwen in de politie in Nederland momenteel gemeten, en hoe representatief is die meting?Welk vragenlijstonderzoek naar het publieke vertrouwen in de politie bestaat er in andere Westerse landen, en hoe wordt het concept ‘vertrouwen’ hierin gemeten?Wanneer we het vragenlijstonderzoek naar het publieke vertrouwen in de politie in Nederland vergelijken met het vragenlijstonderzoek naar het publieke vertrouwen in de politie in andere Westerse landen, in hoeverre is het eerstgenoemde dan volledig te noemen? INHOUD: 1. Theoretisch kader 2. Hoe wordt het publieke vertrouwen in de politie in Nederland momenteel gemeten en hoe representatief is die meting? 3. Welk vragenlijstonderzoek naar het publieke vertrouwen in de politie bestaat er in andere Westerse landen, en hoe wordt het concept ‘vertrouwen’ hierin gemeten? 4. Vergelijking meetpraktijk in Nederland met meetpraktijk in andere Westerse landen
    • Interpretatie en implementatie van de Terugkeerrichtlijn

      Klaassen, M.; Rodrigues, P. (Universiteit Leiden - Europa Instituut, 2021-05)
      Het onderzoek betreft een analyse van zowel de Europese regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot de Terugkeerrichtlijn, als de Nederlandse wetgeving en rechtspraak. Er tevens is een beschrijvende analyse van de beschikbare data van DT&V gemaakt. De hoofdvraag hierbij is welke invloed heeft de implementatie van de Terugkeerrichtlijn en de interpretatie van bijhorende jurisprudentie met focus op de inbewaringstelling van derdelanders in Nederland gehad? Daarnaast is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn in België, Denemarken, Duitsland, en Noorwegen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. De Terugkeerrichtlijn en de jurisprudentie van het HvJ, 3. Implementatie van de Terugkeerrichtlijn in het Nederlandse vreemdelingenrecht, 4. De data en de observaties van respondenten, 5. Implementatie van de Terugkeerrichtlijn in andere Europese staten, 6. Conclusies
    • Jeugdzorg onder druk

      Wijsbroek, S.; Kesselring, D.; Graas, M.; Weijers, I.; Vink, C.; Broekhoven, L.; Simons, I.; Santvoort, F. van; Smit, M. (WODC, 2019)
      ARTIKELEN: 1. Saskia Wijsbroek, Marije Kesselring en Dorien Graas - Van sleutelen aan het stelsel naar bouwen aan inhoudelijke vernieuwing 2. Ido Weijers - Drie ingrepen om de jeugdzorg te redden 3. Caroline Vink Kinderbescherming over de grens. Lessen voor Nederland en leren van Denemarken? 4. Linde Broekhoven, Inge Simons en Floor van Santvoort - Gezinsgericht werken in de gesloten residentiële jeugdhulp 5. Monika Smit - Zorg voor en zorgen om alleenstaande minderjarige vreemdelingen SAMENVATTING Het is vijf jaar geleden dat de decentralisatie en beoogde transitie van de jeugdzorg in Nederland werd ingezet met de invoering van de Jeugdwet. De huidige verantwoordelijke ministers De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Dekker (Justitie en Veiligheid/Rechtsbescherming) meldden in november 2019 in een brief aan de Tweede Kamer dat het nieuwe stelsel deels alweer op de schop moet. Met dit voornemen reageerden de bewindslieden op een onthutsend rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid getiteld Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd.De inspecties constateren daarin dat juist voor kinderen en gezinnen met de meest complexe en zware problematiek de noodzakelijke hulp niet of niet tijdig beschikbaar is. Deze gezinnen komen op achtereenvolgende wachtlijsten terecht bij Veilig Thuis-organisaties (eerstelijnshulp), bij de Raad voor de Kinderbescherming, bij instellingen voor jeugdbescherming (die kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren) en bij de gespecialiseerde hulp. De gevolgen hiervan voor deze kinderen zijn zeer ernstig, aldus de inspecties: ‘Kinderen blijven langer in onveilige situaties en raken meer beschadigd, waardoor problematiek verergert.’ Het rapport signaleert ook dat de jeugdzorg kampt met een groot personeelsverloop en ziekteverzuim, waardoor er niet genoeg mensen beschikbaar zijn om de problemen aan te pakken. Tegelijkertijd is de financiële situatie van bijna de helft van de jeugdzorgaanbieders penibel.Duidelijk is dat de reorganisatie van de jeugdzorg in de afgelopen jaren niet heeft gebracht wat men ervan verwachtte. In plaats van een vereenvoudiging van het stelsel is het juist ingewikkelder en bureaucratischer geworden. In plaats van een vermindering van zorggebruik is er volgens voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek juist sprake van een toename van 15% sinds 2015 (CBS 2019).Met dit themanummer ‘Jeugdzorg onder druk’ wordt beoogd licht te werpen op het politieke en besluitvormingsproces rond de totstandkoming van de Jeugdwet en de daaruit voortvloeiende decentralisatie naar de gemeenten. Een vraag die bijvoorbeeld aan de orde komt, is hoe het mogelijk was dat waarschuwingen uit het veld voor chaos bij de uitvoering van de nieuwe wet in de wind werden geslagen. Los van die transitieperikelen zijn er in het domein van de jeugdhulp ook nieuwe inhoudelijke ontwikkelingen te zien die in dit nummer aandacht krijgen, zoals nieuwe doelgroepen en nieuwe werkmethoden.
    • Kansspelen op afstand - Legalisering van online kansspelen in Europa: ontwikkelingen in kansspeldeelname en -verslaving

      Bruin, D. de; Labree, M. (CVO Research & Consultancy, 2014)
      Wie in Nederland een kansspel aanbiedt, heeft daarvoor een vergunning nodig. De Nederlandse Wet op de kansspelen staat momenteel niet toe dat vergunningen voor online kansspelen worden verstrekt. Online kansspelen zijn dus illegaal. Om deze situatie te veranderen is de wetgeving ‘Kansspelen op afstand’ in voorbereiding. Deze wet moet het aanbieders van online kansspelen mogelijk maken om met een vergunning legaal in Nederland te opereren. Dit onderzoek is enerzijds een inventariserend onderzoek naar de mate waarin Europese landen tot legalisering zijn overgegaan en in hoeverre deze landen vergelijkbaar zijn met Nederland wat betreft wet- en regelgeving, preventiebeleid en kansspelcultuur. Anderzijds is in het onderdeel bezien hoe - in de meest vergelijkbare landen - vorm en uitvoering wordt gegeven aan beleid dat is gericht om kansspelverslaving te voorkomen of te overwinnen en welke ontwikkelingen zicht hebben voorgedaan in het aantal kansspelverslaafden sinds de legalisering van online kansspelen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. Online kansspelen in Europa: inventarisatie 4. Selectie van landen voor de verdiepinsstudie 5. Karakterisering van verdiepingslanden
    • Kwaliteitssystemen voor de rechtsprekende macht - Een internationale verkenning

      Baas, N.J.; Niemeijer, E. (WODC, 1999)
      Dit rapport doet verslag van een 'quick scan' van de literatuur over gehanteerde kwaliteitssystemen in de rechtspraak in de rechtspraak in het buitenland. Kwaliteit wordt in dit onderzoek opgevat als het voldoen aan criteria. De probleemstelling luidt: welke kwaliteitssystemen voor de rechtspraak worden in het buitenland gehanteerd en wat zijn de ervaringen die ermee zijn opgedaan? De resultaten zijn vooral van belang voor het pVRO (project Versterking Rechterlijke Organisatie), waaronder deelprojecten vallen, gericht op de ontwikkeling van waarderingsonderzoek en kwaliteitsindicatoren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Verenigde Staten 3. Engeland 4. Andere Angelsaksische landen 5. Duitsland 6. Andere Continentaal Europese landen 7. Overzicht van resultaten
    • Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief

      Mevis, P.A.M.; Verbaan, J.H.J.; Postma, L. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law, 2012)
      De centrale vraagstelling van het onderzoek is: welke regelingen en modaliteiten bestaan er in de onderzochte landen (België, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zwitserland) inzake de betekening van stukken in strafzaken die kunnen bijdragen aan de verbetering van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in Nederland? In hoeverre zijn die regelingen en modaliteiten werkbaar en in hoeverre zijn zij, in het licht van het EVRM en EHRM, acceptabel? INHOUD: 1. Inleiding 2. Resultaten uit de Quick Scan 3. België 4. Duitsland 5. Engeland 6. Noorwegen 7. Zwitserland 8. De Europese context: EVRM en EHRM 9. Slotbeschouwing: enige voor Nederland relevante conclusies
    • Naleving van contact-/omgangsafspraken na scheiding - Een rechtsvergelijkend en sociaalwetenschappelijk perspectief

      Antokolskaia, M.V.; Jeppesen de Boer, C.G.; Ruitenberg, G.C.A.M.; Schrama, W.M.; Valk, I.E. van der; Vrolijk, P. (Vrije Universiteit Amsterdam - Amsterdams centrum voor familierecht (ACFL), 2019)
      Dit onderzoek betreft de nakoming van afspraken over contact/omgang tussen minderjarige kinderen en ouders na scheiding. De achtergrond van dit onderzoek is het streven van de wetgever om met wetgeving en beleid de nadelige gevolgen van complexe scheidingen voor kinderen en ouders, terug te dringen. De onderstaande onderzoeksvragen komen in dit rapport aan de orde: Welke (juridische) mogelijkheden en verplichtingen zijn er voor ouders om tot afspraken te komen over contact/omgang met hun (minderjarige) kinderen na hun scheiding? Wat zijn de mogelijkheden en verplichtingen hiertoe in het Australische, Deense en Noorse recht? Welke oorzaken en verklaringen kunnen in de (wetenschappelijke literatuur) worden onderscheiden voor het niet nakomen van de gemaakte afspraken over contact/omgang met de bij een scheiding betrokken (minderjarige) kinderen? Wat leren deze inzichten over het niet nakomen van afspraken rond contact/omgang met kinderen binnen de Nederlandse context? Dienen zich hierbij verschillen aan tussen bepaalde groepen in de samenleving? Welke (juridische) mogelijkheden bestaan om alsnog te komen tot de naleving van de gemaakte afspraken? Op welke wijze verloopt het gebruikmaken van deze mogelijkheden in de praktijk? Welke knelpunten doen zich hierbij eventueel voor? Hoe wordt in het Australische, Deense en Noorse recht met deze problemen omgegaan? In hoeverre bieden de gevonden oorzaken en verklaringen voor het niet nakomen van afspraken rond contact/omgang met kinderen en de mogelijkheden die er zijn om alsnog tot naleving van deze afspraken te komen aanknopingspunten voor het terugdringen van het aantal scheidingen waarbij gemaakte afspraken over de omgang niet worden nagekomen? INHOUD: 1. Inleiding en methoden 2. Afspraken contact/omgang maken en naleven 3. Oorzaken en verklaringen voor het niet naleven van contact/omgangsregelingen 4. Buitenlandse stelsels - afspraken contact/omgang maken en naleven 5. Conclusies
    • Omgang tussen grootouders en kleinkinderen - Een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie

      Jonker, M.; Sarti, A.; Jeppesen-de Boer, C.; Lünnemann, K.; Drost, L. (medew.); Koster, N. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2020)
      De aandacht voor de positie van grootouders in het huidige regeerakkoord in het kader van het landelijk beleid ten aanzien van het voorkomen van ‘vechtscheidingen’ hangt samen met de initiatiefnota ‘Opgroeien met opa en oma’, waarin wordt gepleit voor een wettelijk omgangsrecht voor grootouders met hun (klein)kinderen (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2017-2018, 33836, nr. 24 en Vergaderjaar 2015-2016, 34168, nr. 4). Ook zouden grootouders recht moeten krijgen op een informatieregeling. Bij echtscheiding van de ouders van het kleinkind zouden af_spraken over een omgangsregeling met de grootouders in het ouderschapsplan kunnen worden vastgelegd. Dit onderzoek geeft antwoord op de vraag of een uitbreiding van de procespositie van grootouders wen_selijk is en in het belang van de kleinkinderen. Door nader inzicht te bieden in welke gevallen, op welke wijze en met welke mogelijke (neven)effecten (bestaande en aanvullende) juridische en niet-juridische instrumenten kunnen bijdragen aan een verbeterde omgang tussen grootouders en (minderjarige) kleinkinderen. Het verkent onder welke omstandig_heden grootouders via de rechter omgang trachten af te dwingen en hoe vaak dit voorkomt. Tevens wordt nagegaan hoe het recht van grootouders op contact/om_gang met/of informatie over hun klein_kinderen wettelijk is geregeld in België, Duits_land en Frankrijk.
    • Ontsnappen aan de gevangenis - Europese pogingen om de korte (en/of voorwaardelijke) vrijheidsstraf terug te dringen

      Bol, M.W. (WODC, 1995)
      In deze verkenning wordt voor veertien landen een overzicht gegeven van de mogelijkheden die er zijn om toepassing van de (korte) vrijheidsstraf beperkt te houden of terug te dringen. Aan de orde komen o.a. gratieverzoek, weekend- en deeltijddetentie, dienstverlening, huisarrest, schadevergoeding, geldboete, voorwaardelijke invrijheidstelling, preventieve hechtenis, voorwaardelijke veroordeling en vervangende hechtenis.
    • Optimale beveiliging van justitiabelen bij penitentiair verblijf en vervoer - Verkennend onderzoek naar mogelijke discrepanties, differentiaties, oplossingen en kosten

      Vogelvang, B.O.; Jong, B.J. de; Sondorp, J.E. (Van Montfoort, 2016)
      In voorliggende rapportage staat de probleemstelling centraal wat de wetenschap en buitenlandse ervaringen leren over de samenhang van verschillende beveiligingsniveaus met recidive, geweldsgebruik tijdens en na de detentie en ontvluchtingen. Daarnaast wordt op basis van deze kennis en ervaring een uitspraak gedaan over het vraagstuk of justitiabelen in de Nederlandse Penitentiaire Inrichtingen onder een optimaal beveiligingsniveau beveiligd en vervoerd worden, waarbij de aanwijzingen voor samenhang van verschillende niveaus van beveiliging met recidive en geweldsgebruik tijdens en na de detentie de basis vormen. Ook de kostenaspecten van de beveiliging worden meegenomen. INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksvragen 2. Onderzoekverantwoording 3. Wetenschappelijk onderzoek naar beveiligingsniveaus in de PI 4. Buitenlandse ervaringen 5. Detentiedifferentiatie bij verblijf: in de praktijk 6. Vervoer van justitiabelen in de praktijk 7. Conclusies
    • Re-integratiebeleid en recidive - Lessen uit internationaal onderzoek

      Boschman, S.; Verweij, S.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2021-06-29)
      Als onderdeel van het Nederlandse re-integratiebeleid werken justitiële inrichtingen, gemeenten en reclasseringsorganisaties samen aan het tijdens en na detentie oplossen van problemen van (ex-)gedetineerden. Het gaat daarbij om problemen op de leefgebieden huisvesting, schulden en werk, opleiding, inkomen en dagbesteding. Reclasseringsorganisaties houden zich daarnaast bezig met toezicht op of mensen zich aan bepaalde voorwaarden houden en het begeleiden en motiveren van mensen. In deze notitie wordt een overzicht gegeven van internationaal onderzoek naar de effectiviteit van reintegratiebeleid op het gebied van de leefgebieden en reclasseringstoezicht in het terugdringen van recidive.
    • Recht doen aan genderidentiteit evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017

      Brink, M. van den; Snaathorst, D. (medew.) (Universiteit Utrecht - Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, 2017)
      Dit onderzoek brengt in kaart in hoeverre de transgenderwet voldoet aan de doelstellingen van de wetgever. Dat betreft zowel praktische doelstellingen zoals vereenvoudiging van de procedure en uitvoerbaarheid, als het overkoepelende doel om de wet in overeenstemming te brengen met de huidige mensenrechtelijke normen. De centrale vraag die in dit onderzoek zal worden beantwoord, luidt:In hoeverre voldoet de wet van 1 juli 2014 aan de doelstellingen van de wet, te weten vereenvoudiging van de procedure en respect voor mensenrechten, en zijn er – mede in het licht van ervaringen in het buitenland – mogelijkheden om de wet nog verder in overeenstemming te brengen met die doelstellingen, zonder afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid of te leiden tot een toename van (identiteits)fraude? INHOUD: 1. Inleiding 2. De wet in Argentinië, Ierland, Malta en Noorwegen 3. Discussie en conclusies
    • Registratie en monitoring van kindermishandelingszaken - Een kwalitatieve studie naar beleid en systemen in het buitenland

      Grietens, H. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, 2018)
      De overheid is zich bewust van de problemen inzake registratie en monitoring van kindermishandelingszaken in de justitieketen en wil hierin verandering brengen. Een eerste stap naar verbetering van het systeem kan bestaan in het onderzoeken hoe registratie en monitoring van kindermishandelingszaken verlopen in het buitenland. Dit project is een uitwerking van deze eerste stap en heeft twee doelen. Ten eerste worden voorbeelden gegeven van hoe in het buitenland zaken van kindermishandeling worden geregistreerd en gemonitord. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar justitie, maar ook naar de kinderbescherming binnen de sociale sector (welzijn). Ten tweede is onderzocht welke systemen van registratie en monitoring relevant kunnen zijn voor de Nederlandse context, met bijzondere aandacht voor recente innovaties.Er zijn dertien landen in de steekproef geïncludeerd: België (regio Vlaanderen), Canada, Denemarken, Duitsland, Engeland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Noorwegen, Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. INHOUD: 1. Achtergrond en probleemstelling 2. Methode 3. Context van de kinderbescherming 4. Registratie- en monitoringssystemen van kindermishandeling 5. Conclusies en aanbevelingen voor vervolgonderzoek