• Bekend maakt bemind - Evaluatieonderzoek pilot 'uitbesteding forensisch onderzoek aan particuliere instituten

      Struiksma, N.; Winter, H. (WODC, 2012)
      In dit onderzoek staan de volgende onderzoeksvragen centraal: Onder welke condities zijn in het experiment de particuliere instituten in het forensisch onderzoek ingezet? Welke effecten en neveneffecten had de inschakeling van particuliere instituten in het forensisch onderzoek? INHOUD: 1. Inleiding 2. Context 3. Inrichting van de pilot 4. Proceservaringen 5. De onderzoeken 6. Ervaringen 7. Gevolgen 8. Conclusies
    • Blazen bij geweld - Procesevaluatie Wet middelenonderzoek bij geweldplegers in startgebieden

      Abraham, M.; Nauta, O.; Roorda, W.; Bloeme, R. (medew.) (DSP-groep, 2017)
      Op 1 januari 2017 is de Wet middelentesten bij geweldplegers in werking getreden. Deze wet geeft de politie de bevoegdheid om een alcohol- en/of drugstest af te nemen bij een aanwijzing voor geweldpleging onder invloed. Deze test bestaat uit een voorlopig onderzoek en een vervolgonderzoek. Het voorlopig onderzoek kan bestaan uit een ademtest en/of een speekseltest en/of een psychomotorische test ter vaststelling van het gebruik van alcohol en/of ter vaststelling van gebruik van drugs - met in geval van twijfel een aanvullend onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter controle of correctie van de resultaten van de speekseltest. Als de voorlopige middelentesten de aanwijzing van middelengebruik bevestigen kan vervolgonderzoek van adem door de politie of bloed door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgen. Daar wordt nauwkeurig vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van middelengebruik en in welke mate dat het geval is. Deze evaluatie heeft tot doel inzicht te krijgen in hoeverre de WMG in de startgebieden door de verschillende partijen wordt uitgevoerd volgens de landelijke werkwijze en wat de redenen zijn daar in eventuele gevallen van af te wijken. Tot de betrokken partijen worden gerekend: de politie, de reclassering, het Openbaar Ministerie (OM) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Daarmee dient de evaluatie inzicht te geven op welke punten verbetering noodzakelijk is. INHOUD: 1. Inleiding 2. Formeel kader WMG 3. Landelijke procedure WMG 4. Politie-ervaringen met de WMG 5. OM-ervaringen met de WMG 6. Reclassering-ervaringen met de WMG 7. NFI-ervaringen met de WMG 8. Samenwerking 9. Eerste resultaten 10. Aandachtspunten voor landelijke uitrol 11. Conclusies
    • Criminalistiek in Nederland

      Unknown author (WODC, 1989)
      In de berichtgeving over misdaad, opsporing en bewijsvoering treft men met grote regelmaat termen aan als vingerafdrukken, bloedonderzoek, technische recherche, gerechtelijke sectie en daderprofielen. Al deze termen verwijzen naar de technische aspecten van het justitiele apparaat, en zijn samen te vatten onder de noemer criminalistiek (het geheel der kennis omtrent en de leer van de praktijk der misdaden; Van Dale 1984). De gehanteerde methoden vormen als het ware een voorwaarde voor het gerechtelijk functioneren maar staan op zichzelf eigenlijk nauwelijks in de publieke belangstelling. Gezien de cruciale rol die dergelijk technisch onderzoek speelt bij opsporing en bewijsvoering lijkt deze geringe aandacht niet terecht. Nieuwe ontwikkelingen op dit terrein (misdaadanalyse, DNA-onderzoek en dergelijke) vormden voor de JV-redactie aanleiding om een aantal specialisten te vragen verslag te doen van (ontwikkelingen op) hun vakgebied.
    • De waarheid ligt in het midden

      Vrolijk, C.M.C. (WODC, 1995)
      Dit onderzoek betreft de bruikbaarheid en het effect van de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium. Voor alle rapporten die in 1992 voor de politieregio Noord-Holland-Noord zijn opgemaakt, is nagegaan wat de bijdrage en de bruikbaarheid is voor de verschillende stadia van de strafrechtsketen.
    • Evaluatie DIV - Rijden onder invloed van drugs deel 2: onderzoek naar de werkprocessen en speekseltester, condities rondom opslag en transport van bloed en informatieopslag

      Abraham, M.; Nauta, O.; Aalst, M. van (DSP-groep, 2019)
      Per 1 juli 2017 is artikel 8 van de Wegenverkeerswet uitgebreid met lid 5 om het rijden onder invloed van drugs beter aan te pakken. Dit kan bijdragen aan het vergroten van de verkeersveiligheid. De wetswijziging voorziet onder andere in een instrumentarium waarmee politie en justitie het gebruik van drugs eenvoudiger kunnen vaststellen. Daarmee is de politie bevoegd om verkeersdeelnemers te testen op drugsgebruik door middel van een speekseltester en door onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties (middels een psychomotorische test oftewel PMT). 1 Bij een positieve uitslag op de speekseltester of PMT volgt een bloedonderzoek. Als op basis van het bloedonderzoek de concentratie drugs boven de bij AMvB vastgestelde grenswaarde blijkt te liggen of bij gecombineerd gebruik van drugs of van één of meer drugs en alcohol boven de daarvoor vastgestelde grenswaarde uitkomt, is er sprake van een strafbaar feit. Het onderzoek kent de volgende drieledige probleemstelling (hoofdvragen) die vervolgens zijn uitgewerkt in onderzoeksvragen: Hoe verloopt het proces van het testen op drugs in het verkeer? Welke eisen dienen aan opslag en transport van bloed, afgenomen in het kader van een drugstest, te worden gesteld opdat de afbraak in de hoeveelheden stoffen er niet toe leidt dat de uitslag onterecht beneden de grenswaarden van de geteste drugs komen te liggen? Welke informatie is voor de evaluatie van de wet over vijf jaar nodig en wordt deze informatie in de huidige praktijk verzameld en opgeslagen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Procesbeschrijving 3. Politie 4. NFI (& andere geaccrediteerde laboratoria) 5. OM 6. Opslag en transport van bloed 7. Benodigde gegevens wetsevaluatie 8. Conclusies
    • Inzet, organisatie en kwaliteit van de forensisch-technische opsporing bij de politie in Nederland

      Jacobs, M.J.G.; Bruinsma, M.Y.; Poppel, J.W.M.J. van; Moors, J.A. (WODC, 2005)
      Dit onderzoek betreft de stand van zaken van het forensisch technisch onderzoek (fto) binnen de technische recherche. In het kader van de kwaliteitsverbetering van het forensisch technisch onderzoek is het van belang in kaart te brengen in hoeverre de technische recherche nu gebruik maakt van fto en in hoeverre fto een bijdrage levert in de opsporing en vervolging. In het onderzoek komen drie thema's aan bod: beschikbaarheid en inzet van forensisch technisch onderzoek;bruikbaarheid en toepasbaarheid van forensisch technisch onderzoek;uitvoering van forensisch onderzoek en ontwikkelingen daarin. Informatie over deze thema's is verzameld via interviews met betrokkenen van alle politiekorpsen, Het NFI, het KPLD, de FIOD-ECD, de KMar en het OM.
    • Inzicht in forensisch onderzoek naar dierenmishandeling

      Huberts, S.; Kluft, S.; Veen, S. van der; Wilms, P. (APE onderzoek & advies, 2019)
      De aandacht voor de bestrijding van dierenmishandeling is de afgelopen jaren toegenomen. Sinds 2011 is de aanpak van dierenmishandeling versterkt: de politie beschikt over speciale agenten die dierenwelzijn als aandachtsgebied hebben, er is een speciaal meldpunt voor dierenleed opgericht en wetgeving is verscherpt. In het regeerakkoord 2017-2021 is de afspraak gemaakt dat onderzocht wordt of het forensisch-pathologisch onderzoek bij dieren door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) versterkt moet worden. De centrale probleemstelling van het onderzoek is: wat kan gezegd worden over de aanvraag en uitvoering, inclusief kwaliteit, van forensisch onderzoek naar dierenmishandeling en de rol van dit onderzoek in het strafrechtelijk proces? INHOUD: 1. Inleiding 2. Context 3. De huidige praktijk: forensisch onderzoek in de opsporing en vervolging van dierenmishandeling 4. Kwaliteitseisen voor forensisch onderzoek op dieren 5. Dierenmishandeling in het strafproces en de rol van forensisch onderzoek 6. Tot slot
    • Marktwerking in het forensisch onderzoek - een veldverkenning

      Koops, B.-J.; Leukfeldt, R.; Hoogenboom, B.; Stol, W. (Universiteit van Tilburg, Institute for Law, Technology, and Society, 2010)
      Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verricht nagenoeg al het forensisch onderzoek voor politie, OM en rechtspraak. Politie, OM en rechtspraak kunnen als opdrachtgevers vrijelijk beschikken over de capaciteit van het NFI, tot het maximum is bereikt. De doelstelling van dit onderzoek is in kaart te brengen hoe het landschap van het forensisch onderzoek in Nederland er op dit moment uitziet en hoe het veld - politie, justitie, aanbieders van forensisch onderzoek, en wetenschappers op dit terrein - aankijkt tegen marktwerking op dit gebied. Deze doelstelling is vertaald naar de volgende vraagstelling die centraal staat in het onderzoek: kunnen particuliere en universitaire of HBO-instituten een rol spelen bij het forensisch-technisch onderzoek in Nederland, en zo ja, onder welke voorwaarden? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergronden 3. Organisatie 4. De huidige borging van het forensisch onderzoek 5. Veldverkenning: argumenten en meningen over marktwerking in het forensisch onderzoek 6. Verbreding van het perspectief: de publiek-private veiligheidsmarkt 7. Conclusie en scenario's
    • Mededingingsrechtelijke analyse van de werkzaamheden van het Nederlands Forensisch Instituut - Onderzoek voor de Commissie Winsemius

      Ottow, A.; Gerbrandy, A.; Hessel, B.; Manunza, E.; Mombers, A. (Universiteit Utrecht - Faculteit Rechtsgeleerdheid, Economie, Bestuur & Organisatie (REBO), 2013)
      Dit onderzoek betreft de volgende twee kernvragen:Welke mededingingsrechtelijke ruimte biedt de bestaande wet- en regelgeving het NFI om aan commerciële derden diensten of producten te leveren?Welke mededingingsrechtelijke risico's zijn verbonden aan het leveren van producten en diensten door het NFI aan commerciële derden?Dit onderzoek dient als input voor het advies van de Commissie Winsemius - een onafhankelijke commissie ingesteld door de minister van V&J - dat betrekking zal hebben op de toekomst van de Nederlandse markt voor forensisch onderzoek en de rol van het NFI hierin. INHOUD: 1. Inleiding 2. Feitelijk en juridisch kader NFI 3. Essentiële begrippen: onderneming en diensten van algemeen economisch belang 4. Mededingingsrecht 5. Overheid en mededinging: de EU-regels betreffende staatssteun 6. Het NFI als onderneming en de kwalificatie van activiteiten als diensten van algemeen economisch belang 7. Toepassing van de mededingingsregels op activiteiten van het NFI 8. Toepassing van de staatssteunregels op activiteiten van het NFI 9. Conclusie: bevindingen en advies
    • Ontwikkelingsrichting Gerechtelijk Laboratorium

      Beijers, W.M.E.H.; Gorter, K.A.; Nieborg, S.M.A.; Rijkschroeff, R.A.L.; Savornin Lohman, J. de; Winants, B.A.C.; Huntjens, K.M.N. (medew.); Verkuyl, E.C.A. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 1996)
      De laatste jaren wordt er door het Ministerie van Justitie gestreefd naar kwaliteitsverbetering die leidt tot betere werkprocessen, producten, en een meer efficiënte en effectievere bedrijfsvoering bij de politie, het Openbaar Ministerie, de zittende magistratuur en het Gerechtelijk Laboratorium. In dit kader past dit rapport, waarin verslag wordt gedaan van een onderzoek naar de ontwikkelingsrichting van het Gerechtelijk Laboratorium. In het onderzoek staan de begrippen effectiviteit, klantgerichtheid en efficiëntie vanuit de optiek van de 'klanten' van het Gerechtelijk Laboratorium centraal.
    • Op 't goede spoor - Naar een nieuw prognosemodel voor forensische producten binnen justitiële ketens

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2018)
      Sinds 1998 maakt het WODC ramingen van de behoefte in de justitiële ketens, het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ). Het PMJ-model voorspelt capaciteitsbehoefte van de justitiële ketens. Het betreft ramingen van de instroom en uitstroom van diverse ketenpartners binnen de justitiële ketens (aantallen te behandelen zaken e.d.) en de capaciteitsbehoefte voor intramurele voorzieningen (aantal plaatsen in justitiële inrichtingen). Het uiteindelijke doel van het PMJ is om de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk te benaderen. Het model wordt elk jaar geactualiseerd. Bijvoorbeeld D.E.G. Moolenaar, R. Decae, F.P. van Tulder en B.J. Diephuis, Capaciteitsbehoefte Justitiële Ketens t/m 2022; beleidsneutrale ramingen, WODC, Raad voor de Rechtspraak, 2017).Bij de schatting van NFI-producten in het huidige model zijn er twee belangrijke belemmeringen: de aanname van het verband tussen geregistreerde criminaliteit en NFI-producten onbekendheid van de werkelijke behoefte van de politie. Het onderzoek gaat in op de volgende vragen. Welke externe factoren (onafhankelijk van specifiek beleid) de behoefte bepalen aan forensisch onderzoek t.b.v. de forensische opsporing? En welke van deze factoren zouden moeten en kunnen worden opgenomen in het PMJ om de capaciteitsbehoefte aan forensisch onderzoek, uitgevoerd door het NFI, zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Het forensisch speelveld 3. Experts aan het woord over vraagfactoren 4. Forensische sporen in cijfers 5. Naar een prognosemodel forensische opsporing 6. Operationalisatie van het prognosemodel
    • Privatisering en publiek-private samenwerking

      Waard, J. de; Steden, R. van; Kruize, P.; Terpstra, J.; Loveday, B.; Struiksma, N.; Winter, H.B.; Vey Mestdagh, C.N.J. de; Zuijlen, T. van; Hoogenboom, A.B. (WODC, 2012)
      ARTIKELEN: 1. J. de Waard en R. van Steden - De opmars van de private veiligheidszorg; een nationaal en internationaal perspectief 2. P. Kruize - De rol van Falck in de Deense brandbestrijding 3. J. Terpstra - Particuliere beveiligers als publieke handhavers; de inzet van private boa's door gemeenten 4. B. Loveday - De privatisering van politietaken in Engeland en Wales 5. N. Struiksma en H.B. Winter - Marktwerking in het forensisch onderzoek: toekomst of toekomstmuziek? 6. C.N.J. de Vey Mestdagh en T. van Zuijlen - Private rechtspraak: online én offline een realiteit 7. Boekrecensie: Pleidooi voor kleine verhalen - A.B. Hoogenboom bespreekt 'Orde in veiligheid; een dynamisch perspectief' van M.B. Schuilenburg 8. Internetsites. SAMENVATTING: In dit themanummer wordt de trend naar uitbesteding van publieke taken in de justitieketen aan private partijen in beeld gebracht.
    • Sporen met DNA - Evaluatie van de wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken per november 2001

      Jacobs, M.J.G.; Bruinsma, M.Y. (WODC, 2008)
      In het onderzoek zijn vragen beantwoord over de getalsmatige ontwikkeling van de inzet van DNA-onderzoek, over de praktijkervaringen en over de bijdrage van DNA-onderzoek aan (de efficiency van) het opsporings en vervolgingsproces.
    • Van vonnis tot DNA-profiel - Procesevaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

      Kruisbergen, E.W. (WODC, 2008)
      Doel van het onderzoek is: het verkrijgen van inzicht in de uitvoeringspraktijk van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden; en het in kaart brengen van de resultaten die door de uitvoerende organisaties zijn behaald. INHOUID: 1. Inleiding 2. Wet- en regelgeving 3. Uitvoeringsstructuur 4. Voorbereiding op de uitvoering 5. Uitvoering van de wet 6. Conclusies en aanbevelingen