• De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975 / De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caraibische eilanden, 1839-2010

      Klinkers, E.; Broek, A.G. (Koninklijk Instituut voor Taal- en Volkenkunde (KITLV), 2012)
      Onderzoek gestart onder projectbegeleiding van Directie Kennisontwikkeling voor Openbaar Bestuur en Veiligheid (BZK) en per 1/1/2011 voortgezet onder projectbegeleiding van de afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen (WODC). Dit project heeft geresulteerd in een tweetal boeken. 1. De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975 In dit boek worden de institutionele ontwikkeling van de politieorganisatie, de praktijk van het politieoptreden en de relatie tussen politie en leger, gevolgd tot aan de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975. In ruim een eeuw veranderde Suriname van een koloniale, op slavernij gebaseerde samenleving tot een onafhankelijke staat. Hoe kreeg de politie gestalte in relatie tot de staatkundige en maatschappelijke ontwikkelingen in het land? 2. De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caraibische eilanden, 1839-2010 De ontwikkeling van het politiewezen op de Nederlands-Caraibische eilanden wordt in deze studie gedetailleerd beschreven tot aan de staatkundige veranderingen in 2010. De zes hoofdstukken markeren periodes waarin specifieke sociaaleconomische en/of politie-bestuurlijke ontwikkelingen plaatsvinden.
    • De opsporing in de militaire politietaak - Een evaluatie van de theorie en de praktijk van de opsporingsfunctie van de Koninklijke marechaussee bij de uitvoering van de militaire politietaak

      Unknown author (Projektgroep Evaluatie opsporingsfunctie Koninklijke Marechaussee, 1999)
      Naar aanleiding van het rapport Omtrent Srebrenica van de heer van Kemenade op verzoek van de minister van defensie en de minister van justitie, werd een projectgroep in het leven geroepen om het functioneren van de opsporingsfunctionarissen binnen de Koninklijke Marechaussee (Kmar) te evalueren. De onderzoeksopdracht behelst een evaluatie van: de opsporingsfunctie en de praktijk daarvan bij de Kmar in nationaal en internationaal verband; de wijze waarop de gezagsrelatie met het openbaar ministerie in het algemeen en in het bijzonder in individuele zaken gestalte krijgt; de communicatie door de Kmar en door het openbaar ministerie over de opsporing met de beheerder van de Kmar en de krijgsmachtdelen. Naast een inventarisatie en analyse van de wet- en regelgeving inclusief de interne richtlijnen, betreffende de opsporingsfunctie van de Kmar, zijn ook interviews gehouden met 45 sleutelpersonen. Dit onderzoek werd uitgevoerd door het WODC. De stuurgroep heeft verder nog een aantal deelonderwerpen uitgediept en heeft een aantal conclusies en aanbevelingen geformuleerd.
    • De praktijk van de programmatische aanpak mensenhandel - plan- en procesevaluatie van een pilot

      Gestel, B. van; Verhoeven, M.A. (WODC, 2009)
      De centrale vragen van dit onderzoek luiden: Welke beleidstheorie ligt ten grondslag aan de programmatische aanpak mensenhandel?Op welke wijze is de programmatische aanpak mensenhandel in de praktijk uitgevoerd? Met welke gevolgen? INHOUD: 1. Inleiding 2. De beleidstheorie achter de programmatische aanpak 3. Het betrekken van opsporingspartners 4. De invloed van de programmatische aanpak op de opsporing 5. Het betrekken van bestuurlijke partners 6. Conclusies
    • Drugsdelicten beschouwd - Over aard & omvang van Opiumwetfeiten in 2012 geregistreerd bij politie en Koninklijke Marechaussee

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2014)
      De probleemstelling van het onderzoek is drieledig en richt zich op de volgende vragen: Welke soorten drugs en welke typen delict zijn in het spel bij de geregistreerde Opiumwetfeiten in Nederland uit het jaar 2012? Wat zijn kenmerken van deze delicten in de onderscheiden Opiumwetfeiten? Wat zijn de kenmerken van de verdachten naar type delict? INHOUD: 1. Inleiding 2. Over de registratie van drugsdelicten 3. Opiumwetfeiten: bestandsanalyse 4. Dossieranalyse: uitleg van methode 5. Dossieranalyse: de resultaten 6. Verdachten van Opiumwetdelicten 7. Totaalbeeld
    • Evaluatie Veiligheidswet BES

      Woestenburg, N.; Beukers, M.; Oldenboom, J.; Simmons-de Jong, G.; Struiksma, N.; Marchena-Slot, A.; Winter, H. (Pro Facto, 2022-04-25)
      De Veiligheidswet BES is op 10-10-’10 ingevoerd toen de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden werd gewijzigd en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel zijn gaan uitmaken van het land Nederland. De Veiligheidswet BES regelt de taak en samenstelling van het politiekorps en de inrichting en organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening in Caribisch Nederland. De volgende onderzoeksvraag stond in het onderzoek centraal: Hoe functioneert de Veiligheidswet BES gelet op de per 10-10-’10 geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen, welke knelpunten zijn te onderscheiden en in hoeverre is de wet toekomstbestendig, mede gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het veiligheidsdomein en de bevindingen van de eind 2020 geëvalueerde Wet veiligheidsregio’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen en uitgangspunten van de wet 3. Beleid, uitvoering, financiering en toezicht 4. Samenwerking onderling en in de regio 5. Toekomstbestendigheid en verhouding tot de Wet veiligheidsregio's 6. Conclusie
    • Gebruik van passagiersgegevens voor grenscontrole - Evaluatie van de uitvoering van de API-richtlijn

      Brummelkamp, G.; Vogels, R. (Panteia, 2018)
      In de Europese Unie bestaat sinds 2004 een Advance Passenger Information (API)-richtlijn gericht op de verbetering van grenscontroles en de bestrijding van illegale immigratie. Lidstaten mogen volgens de richtlijn (2004/82 EC) bepalingen opnemen in hun nationale wetgeving die het mogelijk maken om luchtvaartmaatschappijen te verplichten om gevalideerde passagiersgegevens voorafgaand aan de vlucht door te geven aan de grensautoriteiten in de betreffende lidstaat. De richtlijn laat het echter aan de lidstaten zelf over om van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik te maken. Onder andere hierdoor bestaat binnen de EU momenteel een grote variëteit wat betreft het gebruik van API-gegevens. In Nederland is de API-richtlijn in 2007 geïmplementeerd, met als algemeen beleidsdoel de verbetering van de grenscontrole en de bestrijding van illegale immigratie.Met dit onderzoek is het gebruik van API-gegevens in Nederland geëvalueerd. Het onderzoek is een vervolg op de eerste evaluatie van API in 2014. Op grond van dit eerste evaluatieonderzoek heeft de minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer toegezegd een tweede evaluatiestudie te laten uitvoeren als onder andere het systeem verder is uitontwikkeld. Voor deze tweede evaluatie zijn twee centrale onderzoeksvragen geformuleerd: Wat kan gezegd worden over het gebruik en de effectiviteit van APIgegevens ten behoeve van grenscontrole en het tegengaan van illegale immigratie en op welke wijze is gevolg gegeven aan eerdere aanbevelingen ten aanzien van API? In hoeverre kunnen recente relevante Europese ontwikkelingen gevolgen hebben voor de wijze waarop API-gegevens in Nederland gebruikt worden? INHOUD: 1. Inleiding 2. API-richtlijn en actuele ontwikkelingen 3. API in de praktijk 4. Evaluatie van de meerwaarde en verbetermogelijkheden 5. Conclusies
    • In dienst van het belang - Een verkennend onderzoek naar belangenconflicten na uitdiensttreding bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee

      Heres, L.; Loyens, K.; Borst, R.; Wilt, A. van der (Universiteit Utrecht - USBO Advies, 2021-08-31)
      In 2018 constateerde GRECO in een evaluatie van de preventie van corruptie en de versterking van integriteit bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee dat er weinig beperkingen bestaan voor medewerkers die de organisatie verlaten. Omdat juist in deze organisaties integriteitsschendingen grote maatschappelijke gevolgen kunnen hebben, adviseerde GRECO nader onderzoek te doen naar de risico’s van belangenconflicten en overige werkzaamheden van politieambtenaren en marechaussee nadat zij uit dienst treden. Het onderzoek waarvan dit rapport verslag doet geeft hieraan gehoor door meer inzicht te verschaffen in de betekenis en aard van belangenconflicten bij uitdiensttreding binnen de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee en de factoren die integriteitsrisico’s van dergelijke belangenconflicten vergroten of verkleinen. Ook wordt aandacht besteed aan de maatregelen die kunnen bijdragen aan de beheersing van belangenconflicten na uitdiensttreding. De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat wordt er verstaan onder belangenconflicten na uitdiensttreding, wat is de aard van de belangenconflicten die zich eventueel hebben voorgedaan onder ex-medewerkers van de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee, welke individuele, situationele en organisationele factoren kunnen de kans op geassocieerde integriteitsrisico’s vergroten of verkleinen en wat zijn preventieve en repressieve maatregelen die de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee (kunnen) ondernemen om deze risico’s te beheersen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Definities en conceptualisering, 3. De aard van belangenconflicten na uitdiensttreding, 4. Factoren die de integriteitsrisico's beïinvloeden, 5. Preventieve en repressieve maatregelen, 6. Conclusies.
    • Inrichting en organisatie Brandweerkorps en Korps Politie Caribisch Nederland

      Nauta, O.; Egmond, P. van (DSP-groep, 2015)
      De staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk van oktober 2010 hebben een wijziging met zich meegebracht voor de politie en de brandweer op de drie BES-eilanden. De politiekorpsen en brandweerkorpsen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn samengevoegd tot één politiekorps (Korps Politie Caraïbisch Nederland, KPCN), respectievelijk één brandweerkorps (Brandweerkorps Caraïbisch Nederland, BKCN). De Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) is korpsbeheerder van zowel het KPCN als het BKCN. De minister van VenJ draagt als korpsbeheerder van het politie- en het brandweerkorps Caraïbisch Nederland zorg voor de kwaliteit van de taakuitoefening, de resultaten en het beheer van de beide korpsen. De volgende probleemstelling staat in dit rapport centraal: In hoeverre functioneren het Korps Politie Caribisch Nederland en het Brandweerkorps Caribisch Nederland in kwantitatief en kwalitatief opzicht binnen de kaders van wet- en regelgeving c.q. in hoeverre zouden zij in staat moeten zijn binnen die kaders te functioneren? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. Brandweerkorps Caribisch Nederland 4. Verbetermogelijkheden 5. Conclusie BKCN 6. KPCN 7. Verbetermogelijkheden KPCN 8. Conclusies KPCN 9. Tot slot
    • Inzet, organisatie en kwaliteit van de forensisch-technische opsporing bij de politie in Nederland

      Jacobs, M.J.G.; Bruinsma, M.Y.; Poppel, J.W.M.J. van; Moors, J.A. (WODC, 2005)
      Dit onderzoek betreft de stand van zaken van het forensisch technisch onderzoek (fto) binnen de technische recherche. In het kader van de kwaliteitsverbetering van het forensisch technisch onderzoek is het van belang in kaart te brengen in hoeverre de technische recherche nu gebruik maakt van fto en in hoeverre fto een bijdrage levert in de opsporing en vervolging. In het onderzoek komen drie thema's aan bod: beschikbaarheid en inzet van forensisch technisch onderzoek;bruikbaarheid en toepasbaarheid van forensisch technisch onderzoek;uitvoering van forensisch onderzoek en ontwikkelingen daarin. Informatie over deze thema's is verzameld via interviews met betrokkenen van alle politiekorpsen, Het NFI, het KPLD, de FIOD-ECD, de KMar en het OM.
    • Krijgsmacht en politietaken

      Bervoets, E.; Eijgenraam, S.; Smeets, J.; Neuteboom, P.; Hovens, H.; Voetelink, J.; Timer, J.; Veenendaal, E. van; Noll, J. (WODC, 2018)
      ARTIKELEN: 1. Eric Bervoets en Sander Eijgenraam - Defensiehulp in het licht van een pluraliserende politiefunctie 2. Jos Smeets - Politie, krijgsmacht en ordehandhaving: Een historisch perspectief (1850-2000) 3. Peter Neuteboom en Hans Hovens - Hybridisering van de zwaardmachten: Realiteit of fictie? 4. Joop Voetelink - Krijger als opsporingsambtenaar? 5. Jaap Timmer - Politie en krijgsmacht samen in speciale eenheden voor de politietaak 6. Etienne van Veenendaal en Jörg Noll - Strategische sturing van de KMar bij dreigingen en crisissituaties SAMENVATTING: Dit themanummer gaat over de rol van de krijgsmacht in de binnenlandse rechtshandhaving. Interne en de externe veiligheid zijn tegenwoordig op allerlei manieren en in toenemende mate verweven. Denk bijvoorbeeld aan internationale spanningen die kunnen leiden tot lokale polarisatie tussen bevolkingsgroepen, ook wel glocalisering genoemd. Ook de terrorismedreiging in de afgelopen twintig jaar vloeit direct voort uit gewapende conflicten in het buitenland en brengt nieuwe dilemma’s met zich mee, zoals de terugkeer van Syriëgangers. Een fenomeen als cybercrime is in zijn aard eveneens internationaal. Daarnaast heeft lokale criminaliteit vaak internationale aspecten. Tegen deze achtergrond zien we dat militairen in de afgelopen decennia veelvuldig zijn ingezet bij internationale vredesoperaties. Daardoor is de krijgsmacht zelf van karakter veranderd en hebben militairen extra vaardigheden moeten ontwikkelen die gericht zijn op op het uitvoeren van veiligheidstaken in een civiele omgeving, dit in samenwerking met burgers en civiele organisaties (‘constabularisering’). Bovendien heeft de krijgsmacht door deze veranderende taken nu meer technische hulpmiddelen in huis die tevens nuttig zijn bij de opsporing van commune misdrijven. Het is tegenwoordig niet ongewoon dat militairen taken uitvoeren die sterk doen denken aan het werk van opsporingsdiensten: het veiligstellen van bewijs voor een (internationale) strafzaak, het onderscheppen van partijen drugs of bijvoorbeeld een rechercheteam van de politie in Nederland bijstaan met een speciaal zoekteam met geavanceerde apparatuur. De defensiehulp aan politie en justitie wordt niet slechts geleverd door de opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, maar juist ook door militairen van ‘groene’ legeronderdelen. Dit gebeurt in het kader van zogeheten ‘nationale operaties’. Deze militaire bijstand is niet onomstreden en levert soms wrijvingen op tussen de krijgsmacht en de politieorganisatie. Verder zullen we zien dat de grenzen tussen de politie en de krijgsmacht in de praktijk altijd fluïde zijn geweest, dit in weerwil van officiële uitgangspunten. Voor de hand ligt in dat verband de Koninklijke Marechaussee te noemen, een politieorganisatie met een militaire status. Tot zeker de Tweede Wereldoorlog verzorgde de Marechaussee de basispolitietaak in grote delen van Nederland. Deze hybride organisatie opereert in het grensgebied van krijgsmacht en politiebestel. Dat geldt eveneens voor de speciale eenheden die in Nederland verantwoordelijk zijn voor terreurbestrijding en het aanhouden van gevaarlijke verdachten. Ook daaraan wordt aandacht besteed in dit nummer.
    • Langetermijnmonitor 'Raadsman bij verhoor' - Eerste editie

      Klein Haarhuis, C.M.; Lierop, L. van (medew.); Aidala, R. (medew.); Beenakkers, E. (medew.); Vroome, T. de (medew.); Damen, R. (medew.); Maertens, G. (medew.); Burema, D. (medew.) (WODC, 2018)
      Het recht om een advocaat voorafgaand aan het verdachtenverhoor te spreken (consultatiebijstand) bestaat sinds 2010. Het recht op bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor was tot 1 maart 2016 voorbehouden aan aangehouden, minderjarige verdachten; maar na deze datum was het ook voor aangehouden meerderjarige verdachten een feit. In deze eerste editie van de langetermijnmonitor ‘Raadsman bij verhoor’ staan de organisatie en toepassing van het nieuwe recht op verhoorbijstand centraal, over het eerste jaar na invoering. Het betreft de periode maart 2016 tot en met februari 2017, waarin de OM-Beleidsbrief en enkele andere beleidsregels op basis waarvan dit recht aanvankelijk is ingevoerd, van toepassing waren. De monitor dient volgens een brief van voormalig Minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer (22 maart 2016) ‘een vinger aan de pols te houden en te bezien of zich door de versnelde invoering van het recht op verhoorbijstand in de praktijk knelpunten voordoen, die de uitoefening van het recht in de weg staan.’De probleemstelling van dit onderzoek is tweeledig:A Hoe is de uitvoering van het per 1 maart 2016 geldende recht op verhoorbijstand georganiseerd, op papier en in de praktijk? B Hoe is (en wordt) het recht op verhoorbijstand per 1 maart in de praktijk toegepast?Om deze hoofdvragen te beantwoorden, diende gebruikgemaakt te worden van zowel feitelijke gegevens als ervaringen van de betrokken organisaties: Politie en Openbaar Ministerie (OM), Koninklijke Marechaussee (KMar) en bijzondere opsporingsdiensten (BOD’en), advocatuur en de Raad voor Rechtsbijstand (RvR). INHOUD: 1. Inleiding 2. Stand van kennis 3. Voorbereiding en implementatie 4. De raadsman in de verhoorpraktijk 5. Het recht op verhoorbijstand bij de Koninklijke Marechaussee en bij de bijzondere opsporingsdiensten 6. Samenvatting en conclusies
    • Schaduwen over de rechtshandhaving - Georganiseerde criminaliteit en integriteitsschendingen van functionarissen in de rechtshandhaving

      Nelen, H.; Kolthoff, E.; Brepoels, M. (medew.); Dooren, S. van (medew.); Halderen, R.C. van (medew.); Smulders, I. (medew.); Winter, M. de (medew.) (Maastricht University - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2017)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar ernstige integriteitsschendingen binnen vier rechtshandhavingsorganisaties – de politie, Douane, Koninklijke Marechaussee (KMar) en Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) – die in verband kunnen worden gebracht met georganiseerde criminaliteit. Wat betreft ernstige integriteitsschendingen is behalve omkoping ook nadrukkelijk gekeken naar schending van het ambtsgeheim (het lekken van informatie), ongewenste contacten (in de familiesfeer, kennissenkring etc.), ongewenste nevenactiviteiten en het faciliteren van activiteiten van georganiseerde criminaliteit (het verlenen van hand- en spandiensten ten behoeve van criminele netwerken). Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen en duiden van de aard, omvang, en ernst van integriteitsschendingen binnen de genoemde rechtshandhavingsorganisaties in relatie tot georganiseerde criminaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de wijze waarop vanuit de rechtshandhaving wordt geprobeerd om daartegen dammen op te werpen en de weerbaarheid van de medewerkers te versterken. INHOUD: 1. Vraagstelling en verantwoording 2. Omvang en ernst van het probleem 3. De relatie georganiseerde criminaliteit en rechtshandhaving nader beschouwd 4. Kwetsbaarheid en weerbaarheid van rechtshandhavingsorganisaties 5. Slotbeschouwing
    • Tweede monitorronde evaluatie ANPR-wetgeving 126jj Wetboek van Strafvordering - De wet 'vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie' twee jaar in werking

      Berkel, J.J. van; Uden, A. van; Poot, C.J. de; Eeden, C.A. van den (medew.); Lankhaar, C.C. (medew.) (WODC, 2021-10)
      Op 1 januari 2019 is de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’1 in werking getreden. Op basis van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (in de rest van het rapport aangeduid als 126jj) is het voor de politie mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s kentekengegevens van passerende voertuigen te registreren en op te slaan voor een periode van 28 dagen. Deze gegevens kunnen gedurende deze periode worden ingezien ten behoeve van de opsporing van een misdrijf of van voortvluchtige personen. De wet bevat een evaluatie- en horizonbepaling. De bevoegdheid is in beginsel voor drie jaar van kracht, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt besloten. Op basis van de evaluatie wordt bepaald of de bevoegdheid zal worden gehandhaafd. De uiteindelijke evaluatie (zie: link hiernaast) is gebaseerd op twee monitorrapportages. Het onderhavige onderzoek betreft het tweede monitorrapport en richt zich vooral op nieuwe elementen die in het eerste monitorjaar niet waren belicht zoals de uitvoering van de wet door de Koninklijke Marechaussee (KMar), de afhandeling van internationale verzoeken en een nieuwe selectie van opsporingszaken waarin gebruik is gemaakt van 126jj. Het eerste monitorrapport verscheen in 2020 (zie: link hiernaast). De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt: Op welke wijze wordt in de opsporing gebruikgemaakt van kentekens die op basis van de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ worden opgeslagen en welke rol spelen deze gegevens in de opsporing? INHOUD: 1. Inleiding 2. ANPR-camera's in het kader van 126jj 3. 126jj in de praktijk 4. Opsporingsproces 5. Conclusie