• Compliance als transactievoorwaarde

      Gelinck, H.W.J.; Bree, M.A. de; Schoof, N.A.C. (Legal Vision, 2002)
      In 1999 stelde het College van procureurs-generaal een aanwijzing hoge transacties vast waarin onder andere is opgenomen dat de officier van justitie de mogelijkheid heeft om nalevingsafspraken, ook wel genoemd complianceregeling, overeen te komen met een van strafbare feiten verdachte organisatie. Om ook in de praktijk met dit instrument te kunnen werken is het noodzakelijk dat wordt bepaald wanneer een complianceregeling zinvol kan zijn en hoe kan worden vastgesteld of de afspraken die zijn neergelegd in de complianceregeling daadwerkelijk worden nageleefd.
    • Complianceprogramma's - Een brug tussen preventieve en repressieve rechtshandhaving

      Wempe, J.F.D.B.; Wiering, J.R.; Zwieten, M.J.A. van; Gelinck, H.W.J.; Schoof, N.A.C. (KPMG Forensic Accounting, 1999)
      Het WODC heeft KPMG de opdracht gegeven om door middel van literatuuronderzoek te inventariseren welke ervaringen men in het buitenland heeft met complianceregelingen en te beoordelen onder welke voorwaarden deze regelingen in Nederland bij de aanpak van organisatiecriminaliteit van waarde kunnen zijn. Een complianceprogramma wordt gedefinieerd als een weloverwogen ontwikkeld en geïmplementeerd (management)systeem dat erop gericht is om onrechtmatig handelen binnen een onderneming tijdig op te sporen en te voorkomen. De opbouw is als volgt. In H. 1 wordt de opzet van het onderzoek besproken. In H. 2 komen drie modellen in de rechtstheorie aan de orde met betrekking tot strafrechtelijk daderschap van rechtspersonen. Deze worden toegelicht aan de hand van de wet en de jurisprudentie, en toegelicht wordt hoe het daderschap van rechtspersonen in de onderzoekslanden (de VS, Australië, Denemarken en Zuid-Afrika) benaderd wordt. Complianceprogramma's komen aan bod in H. 3; de werking ervan wordt beschreven in de onderzoekslanden. In de VS is dit geregeld in de Federal Sentencing Guidelines; deze komen uitgebreid aan de orde. In H. 4 wordt belicht op welke wijze een effectief complianceprogramma tot stand komt, waarbij alle stappen in het proces worden toegelicht. In H. 5 wordt nagegaan of het gebruik van complianceregelingen in de rechtshandhaving in Nederland een bredere plaats zou kunnen krijgen. Na een korte toelichting op de bestuurlijke en privaatrechtelijke handhaving besluit het hoofdstuk met een verkenning van de gecombineerde handhaving. Het rapport eindigt met samenvatting en conclusies.
    • De deconcentratie van D&J - Wijzigingen in de organisatie van het Nederlandse gevangeniswezen

      Wartna, B.S.J.; Brouwers, M. (WODC, 1995)
      Aanleiding: Deconcentratie houdt in dat er een aantal taken en bevoegdheden zijn overgeheveld van het centrale niveau (het departement) naar het lokale niveau (de penitentiaire inrichtingen). Met deze operatie hoopt men de bedrijfsvoering binnen de gehele organisatie te verbeteren. Doel: Vaststellen of de doelstelling van de operatie wordt gehaald. De gevolgen van deconcentratie zullen worden nagegaan zowel in kwantitatieve zin, als in termen van organisatieveranderingen en effecten of werk- en leefklimaat in de inrichtingen. Opzet: Rendementstudies, twee interviewronden onder functionarissen zowel op centraal als lokaal niveau, alsmede het herhaald afnemen van standaardvragenlijsten onder PIW'ers en gedetineerden. Twee vragen stonden in het onderzoek centraal: 1) Welke wijzigingen in de organisatie, taakstelling en werkwijze hebben zich onder invloed van de deconcentratie op centraal niveau en in de inrichtingen voorgedaan? 2) Is de kwaliteit van de bedrijfsvoering van D&J door deze veranderingen verbeterd?
    • De politie als bedrijf

      Unknown author (WODC, 1991)
      De laatste jaren is er een tendens om overheidsinstellingen, i.c. de politie, te benaderen in de termen van het bedrijfsleven. Marktsegmenten, management, produkten, marketing, public relations en dergelijke zijn centrale begrippen geworden in het denken over openbaar bestuur en wetshandhaving. Ook dit themanummer staat in het teken van een benadering van het politie-apparaat alsof het een bedrijf is. In de verschillende bijdragen wordt verondersteld dat het concurrentieprincipe van de ondernemingsgewijze produktie een aantal organisatiekundige ontwikkelingen heeft opgeleverd die ook kunnen worden toegepast op het politie-apparaat.
    • De voorhoede van de opsporing - Evaluatie van de kernteams als instrument in de aanpak van georganiseerde criminaliteit

      Klerks, P.P.H.M.; Velt, C.J.E. In 't; Wijk, A.Ph. van; Scholtes, M.M.E.A.; Nijmeijer, P.S.; Velde, J.G.M. van der (NPA Onderzoeksgroep, 2002)
      De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is: Hoe is de meerwaarde van de kernteams ten opzichte van de huidige reguliere regionale rechercheactiviteiten, af te meten aan de aard en omvang van de zaken die kernteams aanpakken, en voldoen de kernteams hiermee aan de doelstelling om complexere en meer grootschalige zaken aan te pakken dan voor regio's mogelijk zou zijn?
    • Evaluatie Politiewet 2012 - Doorontwikkelen en verbeteren

      Kuijken, W.J. (voorz.) (Commissie Evaluatie Politiewet 2012, 2017)
      Op 1 januari 2013 trad de Politiewet 2012 in werking. Artikel 74 van de wet bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid binnen vijf jaar na inwerkingtreding een evaluatie van die wet aan de Staten-Generaal moet sturen over doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. De voorzitter en de leden van de Commissie Evaluatie Politiewet 2012 hebben in de afgelopen vier jaar diverse gesprekken gevoerd en werkbezoeken afgelegd aan alle eenheden van de nationale politie. Tijdens die werkbezoeken is met politiemensen en met de gezagsdragers van de politie gesproken over hun ervaringen met het nieuwe politiebestel. In opdracht van de commissie hebben onderzoekers van universiteiten en onderzoeksbureaus wetenschappelijk onderzoek verricht naar diverse aspecten van de Politiewet 2012. De resultaten van die vijf deelrapporten zijn tegelijk met dit rapport digitaal beschikbaar (zie: pdf-bijlagen). INHOUD: A. Deel 1: Conclusies en Aanbevelingen van de Commissie Evaluatie Politiewet 2012 B. Deel 2: Eindrapport van de commissie: bevindingen 1. Inleiding en verantwoording 2. De Politiewet 2012 3. De juridische status en formele sturing van de nationale politie 4. Bedrijfsvoering; organisatie in verbouwing, organisatie op koers? 5. Governance 6. Prestaties
    • Evaluatie van de verzelfstandiging van het FPC Dr. S. van Mesdag

      Groenendijk, N.; Vries, M. de; Svensson, J. (Universiteit Twente - Faculteit Management en Bestuur, 2011)
      Het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdagkliniek is op 1 januari 2008 verzelfstandigd. Bij de verzelfstandiging heeft de staatssecretaris van Justitie aan de Eerste en Tweede kamer toegezegd na twee jaar onderzoek te doen naar de resultaten van de verzelfstandiging (Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2006–2007, 30 957, nrs. 3 en B). De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is tweeldig: Welke voorziene en onvoorziene effecten heeft de verzelfstandiging van hdt FPC van Mesdag gehad op: de in-, door- en uitstroom; de samenwerking in de forensische zorgketen; de geïntegreerde aanpak van zorg en beveiliging (risico-management; de verhouding tussen het ministerie van VenJ en het FPC?Welke lessen zijn hieruit te trekken voor eventuele (juridische) verzelfstandiging van de rijksinrichtingen FPC Oostvaarderkliniek en FPC Veldzicht? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergronden 3. Het FPC van Mesdag tot de verzelfstandiging 4. Behandelkwaliteit en samenwerking in de forensische zorgketen 5. Bestuur en toezicht 6. Bedrijfsvoering 7. De effecten van de verzelfstandiging 8. Implicaties voor eventuele verdere verzelfstandigingen in het TBS-veld 9. Slotbeschouwing
    • Evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart - Samenwerking in de strafrechtketen

      Kristen, F.G.H.; Sikkema, E.; Lindeman, J.M.W.; Schiffelers, M.J.W.A.; Vorm, B. van der; Weerd, A. van der; Schmidt, E.; Vries, A.J. de (Universiteit Utrecht - Montaigne Centrum, 2017)
      Met de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Wet HGK) per 1 januari 2013 is het aantal ressorten en arrondissementen verminderd. Deze nieuwe schaalgrootte moet de rechterlijke macht in staat stellen om zaken tijdig, met voldoende kwaliteit en tegen redelijke kosten te kunnen afhandelen, doordat de afzonderlijke gerechten en parketten kunnen beschikken over voldoende personeel en over voldoende aanbod van zaken. Tevens krijgt de rechtspraak meer ruimte om zich op specifieke terreinen binnen de nieuwe rechtbanken te specialiseren. De herziening introduceert verder een nieuwe inrichting van het gerechtsbestuur.Het onderhavige onderzoek richt zich op de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn. Het onderzoek strekt tot voorlichting van de Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart (voorzitter: prof. mr. dr. H.R.B.M. Kummeling) die de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet moet evalueren. Het doel van het onderzoek is om te vast te stellen wat de werking van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet is (geweest) voor wat betreft de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn en hoe deze werking kan worden verklaard. Het antwoord hierop biedt de mogelijkheid te beoordelen of de herziening van de gerechtelijke kaart heeft bijgedragen aan een effectievere en efficiëntere samenwerking in de strafrechtketen. INHOUD: 1. Aanleiding voor en opzet van het onderzoek 2. Theoretisch kader 3. Analyse van de doelen van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet 4. Beschrijving en empirische analyse 5. Bevindingen 6. Samenvatting 7. Lijst van aangehaalde literatuur 8. Bijlagen
    • Gerechtsbesturen, integraal management en MD-beleid - Eindrapport

      Franssen, J.; Mein, A.; Verberk, S. (WODC, 2006)
      Het doel van het onderzoek is inzicht te verschaffen in het functioneren van gerechtsbesturen en gerechtsbestuurders en in de praktijk van de toepassing van het principe van integraal management in de gerechten, evenals het verschaffen van een beeld met betrekking tot het MD-beleid dat voor deze categorie wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Deze studie maakt deel uit van het evaluatieprogramma van de modernisering van de rechterlijke organisatie onder leiding van de Commissie Deetman.
    • Groepscommandanten bij de Rijkspolitie - Een beschrijvend onderzoek naar hun werk en werkbeleving

      Emmerik, J.L. van (WODC, 1989)
      Binnen de landdienst van de rijkspolitie-organisatie kan de positie van de groepscommandant als een spilfunctie worden getypeerd tussen de uitvoering aan de basis en de leiding van het district. Bovendien wordt sinds een aantal jaren nadrukkelijk beoogd de groepscommandant meer bij de beleidsvoering te betrekken, zowel binnen de districtsorganisatie als in het lokale driehoeksoverleg. In het onderzoek staan twee vragen centraal:Hoe ziet de functie van groepscommandant eruit?Welke problemen ervaren de groepscommandanten in hun functie en hoe reageren zij daarop?
    • Het sturingsvraagstuk Nationale Politie - verhoudingen met de minister van Veiligheid en Justitie - Eindrapportage Leeronderzoek

      Ridder, J. de; Winter, H.B.; Hollander, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2015)
      Het doel van het onderzoek is om theoretische en praktijkkennis op te doen die bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van de relatie tussen het ministerie van VenJ en de Nationale Politie. Naast een rapport met bevindingen wordt er een stappenplan ontwikkeld waarmee medewerkers van VenJ en de Nationale Politie gericht op werkbezoek kunnen gaan bij grote bedrijven en instellingen. De gedachte hierbij is om, vanuit een gemeenschappelijk en we-tenschappelijk onderbouwd kader, samen te leren van andere organisaties en die ervarin-gen te vertalen naar de situatie van de minister van VenJ en de politieorganisatie. Het slot van deze rapportage bevat een set vragen die gebruikt kunnen worden bij de af te leggen werkbezoeken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Kaders voor sturing 3. Sturing in organisaties 4. Mogelijke modellen voor sturing van de nationale politie
    • Juridische beroepen in de toekomst - Ontwikkelingen binnen advocatuur, notariaat en gerechtsdeurwaarderij

      Voert, M. ter; Beenakkers, E.M.T. (medew.) (WODC, 2016)
      Doel van het onderzoek is de versnipperde informatie over trends die zich de komende tien jaar kunnen voordoen en de gevolgen die ze kunnen hebben voor de juridische beroepsgroepen bijeen te brengen. Het rapport bevat geen aanbevelingen, maar biedt aandachtpunten voor consultatie en discussie. Onderzoeksvragen: Wat zijn te verwachten ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de dienstverlening van advocaten, notarissen en deurwaarders de komende tien jaar? Wat kunnen de belangrijkste trends betekenen voor de rechtszoekende als het gaat om de toegang tot en kwaliteit van de juridische dienstverlening? Wat kunnen de trends betekenen voor de juridische beroepsbeoefenaren wat betreft voortbestaan, bedrijfsvoering en kwaliteit van dienstverlening. Wat kunnen de trends betekenen voor de wijze waarop de beroepen zijn georganiseerd (toezicht, beroepsregulering)? INHOUD: 1. Inleiding 2. Maatschappelijke trends 3. Advocatuur 4. Notariaat 5. Gerechtsdeurwaarderij 6. Slot
    • Mandaatregeling parketmedewerkers Openbaar Ministerie - Een onderzoek naar de inhoud en werking van de mandaatregeling in de praktijk

      Franssen, J.J.M.; Hartmann, A.R.; Mein, A.G. (WODC, 2007)
      Doel van dit onderzoek is het verzamelen van informatie over de inhoud en de praktijktoepassing van de regelingen van het OM, waarin de wettelijke bevoegdheden van de officier van Justitie respectievelijk de advocaat-generaal zijn gemandateerd aan medewerkers van het parket, dat wil zeggen dat de bevoegdheden op naam van leden van het openbaar ministerie worden uitgeoefend door bij het parket werkzame functionarissen. Het onderzoek is bedoeld om na te gaan hoe de verschillende mandaatregelingen eruit zien (aan wie en in welke vorm wordt gemandateerd) en of er behoefte is aan (nadere) regelgeving.
    • Prijsconcurrentie in het notariaat 2010

      Zeijden, P.Th. van der; Vogels, R.J.M. (EIM, 2010)
      De doelstelling van het onderzoek is inzicht krijgen in de ervaringen van notarissen en ketenpartners met de marktwerking in het notariaat en de gevolgen die prijsconcurentie en de economische neergang (vooral de sterke krimp van de onroerendgoedmarkt) hebben voor de bedrijfsvoering en bepaalde aspecten van de kwaliteit van de notariële dienstverlening. De aandacht gaat daarbij vooral uit naar de onroerendgoedpraktijk. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in het WODC-onderzoeksrapport 'Kwaliteit in zware tijd; marktwerking, vraaguitval en notariële dienstverlening (Onderzoek en beleid, nr. 296). INHOUD: 1. Inleiding 2. Nauwkeurigheid van werken 3. Zakelijke relaties notariaat 4. Ontwikkeling bedrijfsvoering notariaat
    • Rapportage evaluatie Politiewet 2012 - Deelonderzoek Bedrijfsvoering

      Veldhuisen, A. van; Niessen, I.; Genderen, R. van; Hommema, I. (Andersson Elffers Felix (AEF), 2017)
      Op 1 januari 2013 trad de Politiewet 2012 in werking. Artikel 74 van de wet bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid binnen vijf jaar na inwerkingtreding een evaluatie van die wet aan de Staten-Generaal moet sturen over doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. Doelstelling: Beschrijven van de bedrijfsvoering van de nieuwe politieorganisatie zoals geregeld op basis van de Politiewet en de stand van de implementatie en voorlopige effecten beoordelen.De opdracht draagt in zich dat niet alleen onderzocht dient te worden of de wet feitelijk is geïmplementeerd, maar ook hoe deze wet wordt geïnterpreteerd en toegepast in de dagelijkse praktijk.Dit is deelonderzoek 3 ten behoeven van het eindrapport Evaluatie Politiewet 2012 (zie: link hiernaast). INHOUD: 1. Inleiding 2. Implementatie 3. Voorlopige effecten 4. Reflecties bij de stand van zaken
    • Reflectie en actie - Een onderzoek naar moreel leeroverleg binnen Dienst Justitiële Instellingen

      Houwelingen, G. van; Hoogervorst, N.; Dijke, M. van (Erasmus Universiteit Rotterdam - Rotterdam School of Management (RSM), 2015)
      Om professionals te ondersteunen in hun oordeelsvorming wil het Opleidingsinstituut van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in een aantal inrichtingen een pilot organiseren met een effectieve methode om tot een weloverwogen keuze te komen. Als voorbereiding hierop wil dit instituut laten inventariseren welke methoden van morele oordeelsvorming bestaan, hoe ze werken en wat bekend is over hun resultaten en effectiviteit. DJI denkt momenteel aan een vorm van moreel leeroverleg, waarbij professionals in overleg en op een systematische manier ingaan op moeilijke situaties en leren om daadwerkelijk moreel te handelen. De doelstelling van dit onderzoek was drieledig: De inventarisatie van de inhoud, doel en effectiviteit van bestaande morele trainingsprogramma's. De inventarisatie van organisatie-gerelateerde randvoorwaarden voor een effectieve implementatie van morele trainingsprogramma's. Een voorstel voor een pilot project met een effectieve methode. INHOUD: 1. Algemene inleiding 2. Interviews en inventarisatie bestaande trainingsmethoden 3. Morele besluitvorming 4. Moreel leervermogen 5. Organisatie-gerelateerde randvoorwaarden 6. Voorstel pilot-project 7. Conclusie
    • Risicomanagement 2.0: van risico-bewust naar risico-gestuurd in een politiek bestuurlijke omgeving - Onderzoek naar risicomanagement bij het Directoraat-Generaal Politie, Ministerie van Veiligheid en Justitie

      Molen, I. van der (Universiteit Twente - Kenniscentrum risicomanagement en veiligheid, 2015)
      Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de standaarden en raamwerken die momenteel voor risicomanagement voorhanden zijn, welke toegepast kunnen worden door het Directoraat-Generaal Politie (DGPol), die recht doen aan de taken, kenmerken en specifieke behoeften van DGPol. Hieronder valt zowel het ‘harde’ risicomanagement, met aandacht voor planning, controle, systemen en beheersbaarheid, als de ‘zachte kant’ van risicomanagement, namelijk risicogestuurd werken waarbij meer nadruk ligt op mens, cultuur, flexibiliteit, leren, aanpassingsvermogen en de realiteit van beperkte maakbaarheid van organisaties (Van Staveren, 2015, p. 81). De volgende vragen komen daarbij aan de orde: Wat is de best passende standaard of raamwerk (of combinatie daarvan) voor risicomanagement, die DGPol kan toepassen en recht doet aan de specifieke taken en kenmerken van DGPolitie en aan de specifieke behoeften met betrekking tot risicomanagement, in het bijzonder de relatie met de politiek-bestuurlijke context waarbinnen ze opereert? Hoe kan de gekozen standaard of raamwerk ingebed worden in de structuur, werkprocessen en rapportages van het DGPol zodat het recht doet aan de specifieke taken en kenmerken van DGPol, en aan de specifieke behoeften met betrekking tot risicomanagement, in het bijzonder de relatie met de politiek-bestuurlijke context waarbinnen ze opereert? INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksopzet 2. Conceptueel raamwerk 3. Het wetenschappelijk debat 4. Standaarden en raamwerken 5. Risicomanagement - de praktijk 6. Risicomanagement - ontwerp 7. Eindconclusies
    • Zelfsturing in de strafrechtsketen

      Unknown author (WODC, 1997)
      De centrale overheid heeft steeds minder greep op de rechtshandhaving op decentraal en lokaal niveau. Lagere bestuurlijke overheden bemoeien zich actiever met de bestrijding van criminaliteit en overlast. Bij het stedelijke veiligheidsbeleid zijn tal van actoren betrokken, van overheden tot scholen en bedrijven. Naarmate die samenwerking vordert heeft justitie meer en meer te maken gekregen met partners die hun eigen aanpak kennen en zelf prioriteiten stellen. In de lokale netwerken hebben de medespelers een relatieve autonomie verworven. Justitie is slechts een van de medespelers. Dit soort ontwikkelingen heeft de bestuurskundige Frissen aangegrepen om een 'copernicaanse wending' aan te brengen in ons denken over sturing: niet het bevoegde gezag aan de top maar de ambtenaren op de 'werkvloer' bepalen het feitelijke beleid. Voor centrale overheidsorganisaties resteert slechts 'meta-sturing': de overheid schept weliswaar een infrastructuur, maar bepaalt niet meer de beleidsinhoud. De diagnose van Frissen kan zonder veel moeite op de strafrechtsketen worden toegepast. Zo bleek uit de parlementaire enquête voor de opsporingsmethoden dat de uitvoerende CID-medewerkers het uiteindelijke opsporingsbeleid bepaalden. Hoofdofficieren spelen vaak een eigen, zelfstandige rol in de plaatselijke driehoek. Het lijkt erop dat de noodzaak voor regionale politie en justitie veel groter is geworden zelf keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het probleem is dat die keuzes te weinig expliciet worden gemaakt. Wordt er bij opsporing en vervolging systematisch en bewust gekozen of is er sprake van een 'onzichtbare hand'? Welke zaken krijgen prioriteit bij opsporing en vervolging, en waarom? Een ander probleem is dat er vaak grote verschillen zijn in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan handhavende taken, bij voorbeeld in het geval van handhaving van milieuwetten. Dat tast de rechtsgelijkheid aan. Een ander probleem is of het bevoegde gezag nog wel altijd verantwoordelijk kan worden gehouden voor een lokaal beleid waarover deze soms weinig zicht en zeggenschap heeft. Deze vragen komen in dit nummer uitvoerig aan bod. De lezer zal geen kant en klare antwoorden aantreffen, hetgeen aangeeft dat de worstelpartij met deze ingewikkelde materie vooralsnog niet ten einde is.