• Controlling organised crime - Organisational changes in the law enforcement and prosecution services of the EU member states

      Boer, M. den (ed.); Doelle, P. (ed.) (European Institute of Public Administration, 1999)
      In order to ensure optimal comparability between the research findings, a joint standard questionnaire4 was designed. One of the main reference points in the questionnaire was a series of EU legal instruments, which have been adopted in the field of justice and home affairs cooperation (Title VI Treaty on European Union). In particular the recommendations of the 1997 High Level Group Action Plan on Organised Crime — which pertain to the creation of national contact points and national coordination centres — offered both a functional and comparative perspective on the adaptation of national law enforcement structures to the threat of organised crime. The questionnaire covered the following fields:General characteristics of the national criminal justice systems, in particular the organisational structures of the police service and the prosecution service;Reorganisation or structural adaptation flowing from or related to the EU legal instruments (e.g. the 1997 EU Action Plan on Organised Crime, the 1991 EC Money Laundering Directive);Reorganisation relevant to the control of organised crime, but not directly related to European influences (e.g. flowing from national parliamentary inquiries);Main structures for international cooperation, in particular the organisation of international information and intelligence flows;Multidisciplinary cooperation structures with bodies other than police or prosecution (e.g. customs service, intelligence service, special investigation services, financial intelligence units, private investigation departments, and private security companies);Accountability systems and authorisation procedures relating to the investigation of organised crime cases;The rationale, the acceptance and the expected effectiveness of the reorganisation or reforms within the police and/or prosecution service.
    • Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.
    • Pre-employment screening in de grensregio's van de Benelux en Duitsland

      Buysse, W.; Meijer, S.; Szytniewski, B. (DSP-groep, 2018)
      Het onderzoek laat zien in welke mate werkgevers en (potentiële) werknemers in de grensregio’s van de Benelux en Duitsland (meer specifiek Noordrijn-Westfalen) gebruik maken van de systemen van pre-employment screening van een ander land, de keuzes en afwegingen die daarbij worden gemaakt, en wat de ervaringen zijn met de screening. De onderzoekers beantwoorden drie centrale onderzoeksvragen: Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de screeningssystemen in de Benelux en Duitsland? In welke mate wordt gebruik gemaakt van screening van beoogde grensarbeiders? Wat zijn de ervaringen van werkgevers en werknemers in de grensregio’s met screening van justitiële antecedenten? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. Formeel kader 4. Mate en wijze van screening in de grensregio's 5. Ervaringen met screening en knel- of verbeterpunten 6. Conclusies