• Evaluatie nationale crisisbeheersingsorganisatie vlucht MH17

      Torenvlied, R.; Giebels, E.; Wessel, R.A.; Gutteling, J.M.; Moorkamp, M.; Broekema, W.G. (Universiteit Twente, 2015)
      Dit onderzoek dient duidelijk te maken hoe de nationale crisisbeheersingsorganisatie heeft gefunctioneerd na de ramp met vlucht MH17 en in hoeverre dat heeft bijgedragen aan het beheersen van de crisis. Daarnaast dient het onderzoek in kaart te brengen hoe de communicatie is verlopen van de Rijksoverheid met nabestaanden, samenleving, Tweede Kamer en media. De evaluatie bestaat uit drie deelonderzoeken. In de eerste plaats is gekeken naar de interdepartementale crisisbeheersing. Hierin is de rol van de verschillende actoren onderzocht en hun onderlinge samenwerking. Ook is gekeken in hoeverre de internationale politieke dynamiek van het Oekraïneconflict de besluitvorming en het functioneren van de crisisorganisatie heeft beïnvloed. Het tweede deelonderzoek gaat nader in op de communicatie met en nazorg aan nabestaanden. Het derde deelonderzoek gaat over de vraag hoe de informatievoorziening is verlopen richting de Tweede Kamer, de media en de samenleving als geheel. De uitkomsten van het evaluatieonderzoek zijn bedoeld om lessen te trekken voor het functioneren van de nationale crisisbeheersingsorganisatie bij toekomstige crises. INHOUD: 1. Opdracht, probleemstelling en werkwijze 2. Analysekader en methodologische verantwoording 3. Onmiddellijke crisisrespons (17 en 18 juli 2014) 4. De eerste dagen ( 18 juli tot en met 23 juli 2014) 5. Periode rond de eerste missie (24 juli - 8 september 2014) 6. Adequaatheid van de crisisbeheersing rond vlucht MH17 7. Analyse vanuit een internationaalrechtelijk perspectief 8. Communicatie met en nazorg aan nabestaanden 9. Informatievoorziening naar Tweede Kamer, media en samenleving 10. Conclusies
    • Evaluatie PNR-Wet

      Irion, K.; Es, R. van; Meeren, K. van der; Dijkman, D. (Universiteit van Amsterdam - Instituut voor Informatierecht (IViR), 2021-11-09)
      Op 18 juni 2019 is de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (PNR-wet) in werking getreden. Deze wet verplicht de luchtvaartmaatschappijen om passagiersgegevens van elke vlucht die in Nederland vertrekt of aankomt te verstrekken aan de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). De Pi-NL mag krachtens deze wet verzamelde passagiersgegevens uitsluitend verwerken voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit. Met de aanname van de PNR-wet voldoet de Nederlandse wetgever aan zijn plicht om de EU-richtlijn 2016/681 (PNR-richtlijn) te implementeren. Dit onderzoek vervult de verplichting uit artikel 25 van de PNR-wet dat twee jaar na de inwerkingtreding van de wet een evaluatie dient plaats te vinden van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Deze evaluatie is ook gericht op de naleving van de privacywaarborgen en op de verwerking van passagiersgegevens van intra-EU-vluchten. De periode waarop deze evaluatie betrekking heeft, loopt van de inwerkingtreding van de wet op 18 juni 2019 tot 5 juli 2021. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het wettelijk kader met betrekking tot PNR-gegevens 3. Het gebruik van de PNR-wet in cijfers 4. De rol van de passagiersgegevens in het werk van de opsporingsdiensten 5. Compliance met geldende privacynormen PNR-wet 6. Doeltreffendheid, noodzakelijkheid en evenredigheid verzameling intra-EU-passagiersgegevens 7. Bevindingen
    • Gebruik van passagiersgegevens voor grenscontrole - Evaluatie van de uitvoering van de API-richtlijn

      Brummelkamp, G.; Vogels, R. (Panteia, 2018)
      In de Europese Unie bestaat sinds 2004 een Advance Passenger Information (API)-richtlijn gericht op de verbetering van grenscontroles en de bestrijding van illegale immigratie. Lidstaten mogen volgens de richtlijn (2004/82 EC) bepalingen opnemen in hun nationale wetgeving die het mogelijk maken om luchtvaartmaatschappijen te verplichten om gevalideerde passagiersgegevens voorafgaand aan de vlucht door te geven aan de grensautoriteiten in de betreffende lidstaat. De richtlijn laat het echter aan de lidstaten zelf over om van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik te maken. Onder andere hierdoor bestaat binnen de EU momenteel een grote variëteit wat betreft het gebruik van API-gegevens. In Nederland is de API-richtlijn in 2007 geïmplementeerd, met als algemeen beleidsdoel de verbetering van de grenscontrole en de bestrijding van illegale immigratie.Met dit onderzoek is het gebruik van API-gegevens in Nederland geëvalueerd. Het onderzoek is een vervolg op de eerste evaluatie van API in 2014. Op grond van dit eerste evaluatieonderzoek heeft de minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer toegezegd een tweede evaluatiestudie te laten uitvoeren als onder andere het systeem verder is uitontwikkeld. Voor deze tweede evaluatie zijn twee centrale onderzoeksvragen geformuleerd: Wat kan gezegd worden over het gebruik en de effectiviteit van APIgegevens ten behoeve van grenscontrole en het tegengaan van illegale immigratie en op welke wijze is gevolg gegeven aan eerdere aanbevelingen ten aanzien van API? In hoeverre kunnen recente relevante Europese ontwikkelingen gevolgen hebben voor de wijze waarop API-gegevens in Nederland gebruikt worden? INHOUD: 1. Inleiding 2. API-richtlijn en actuele ontwikkelingen 3. API in de praktijk 4. Evaluatie van de meerwaarde en verbetermogelijkheden 5. Conclusies
    • Geluidhinder veroorzaakt door vliegtuigen

      Hertoghs, M.; Brouner, M. (medew) (WODC, 1998)
      De volgende probleemstelling staat in dit onderzoek centraal: In welke mate worden de voorschriften inzake vliegbewegingen nageleefd, in het bijzonder op de vliegvelden Schiphol, Beek (Maastricht Aachen) en Zestienhoven (Rotterdam). Gekeken is naar de regelgeving en handhaving inzake de veiligheid en die inzake de geluidhinder.
    • Het gebruik van drones - Een verkennend onderzoek naar onbemande luchtvaartuigen

      Custers, B.H.M.; Oerlemans, J.J.; Vergouw, S.J. (WODC, 2015)
      In 2013 is een motie van de Kamerleden Schouw en Segers aangenomen waarin de regering wordt verzocht onderzoek te laten uitvoeren naar het gebruik van drones (Tweede Kamer, Aanhangsel Handelingen II, Vergaderjaar 2013-14, nr. 211). Het betreft een vergelijking van de wet- en regelgeving in de ons omringende landen met betrekking tot het gebruik van drones, het formuleren van de kaders voor benodigde wet- en regelgeving met aandacht voor de effecten op privacy en het in kaart brengen van de verwachte kansen en bedreigingen van drones voor de nationale veiligheid en criminaliteit. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: wat zijn de verwachte kansen en bedreigingen van het gebruik van drones, in hoeverre bieden de huidige wettelijke kaders ruimte voor deze kansen alsmede voor maatregelen tegen deze bedreigingen en, voor zover die ruimte er niet is, wat zijn de contouren van de wet- en regelgeving die daarvoor wel ruimte zou bieden? Voor de beantwoording van deze vraag zijn zes deelvragen geformuleerd: Wat voor soorten drones bestaan er en wat is er technisch mogelijk? Wat zijn de kansen en de bedreigingen van het gebruik van drones? Wat zijn, in het bijzonder, de kansen en bedreigingen van het gebruik van drones voor de nationale veiligheid en de criminaliteit? Wat zijn de kaders van bestaande wet- en regelgeving in Nederland voor het gebruik van drones door de overheid (voor civiele doeleinden) en door particulieren en wat zijn daarbij knelpunten? Wat zijn de mogelijke (negatieve) effecten van het gebruik van drones op het gebied van privacy en op welke manier kan de privacy het meest effectief worden gewaarborgd? Welke wet- en regelgeving bestaat er in de ons omringende landen met betrekking tot het gebruik van drones? Wat zijn de contouren van de benodigde wet- en regelgeving om voorbereid te zijn op het gebruik van drones? INHOUD: 1. Inleiding 2. Soorten drones 3. Toepassingen 4. Juridisch kader 5. Recht op privacy in relatie tot het gebruik van drones 6. Internationaal beleid voor het gebruik van drones 7. Conclusies
    • Spioneren met hobbydrones en andere technologieën door burgers - Een verkenning van de privacyrisico’s en reguleringsmogelijkheden

      Galic, M.; Noorman, M.; Sloot, B. van der; Koops, B.-J.; Cuijpers, C.; Gellert, R.; Keymolen, E.; Delden, T. van (Tilburg University - Tilburg Institute for Law, Technology, and Society (TILT), 2020)
      Spionageproducten zoals miniatuurcamera's, afluisterapparatuur en locatietrackers stellen burgers in staat om elkaar te bespioneren, oftewel elkaar heimelijk te observeren. Heimelijk observeren kun je echter ook doen met middelen die niet direct ontworpen zijn voor spionage, maar daar wel heel geschikt voor zijn, zoals hobbydrones met sensoren. Het is in dat licht zinvol onderscheid te maken tussen spionageproducten in enge zin (dat wil zeggen apparaten die in de eerste plaats zijn ontworpen of aangepast voor het heimelijk verzamelen van informatie over personen) en spionageproducten in brede zin (dat wil zeggen apparaten die kunnen worden gebruikt om heimelijk informatie over een persoon te verzamelen, maar waarvan een dergelijke heimelijke verzameling van informatie niet het hoofddoel is van ontwerp of gebruik). Voorbeelden van de eerste categorie zijn minicamera’s, een pen met ingebouwde afluisterapparatuur, en locatietrackers (zowel fysieke apparaten als spyware). Smartphones en hobbydrones met camera’s zijn voorbeelden van de tweede categorie. De brede beschikbaarheid van beide typen producten op de markt, zowel in fysieke winkels als in webwinkels, en het feit dat ze steeds goedkoper worden, heeft geleid tot een toename van mogelijkheden tot spionage in onze samenleving. De vraag die centraal staat in dit rapport is: Hoe zou het gebruik van hobbydrones en spionageproducten in enge zin door burgers beter kunnen worden gereguleerd, opdat de privacy van de burger beter wordt beschermd? INHOUD: 1. Introductie 2. Methodologie 3. Spionage en spionageproducten 4. Privacyrisico's van spionageproducten 5. Nederlandse rechtsverkenning en reguleringsmogelijkheden 6. Inventarisatie van andere reguleringsopties in het binnen- en buitenland 7. Conclusie en reflectie
    • Strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank - Een rechtsvergelijkend onderzoek over de ervaringen met Titel VIA van Boek 4 van het Wetboek van Strafvordering

      Noorloos, L.A. van; Hamers, L.E.M.; Ham, J. van der; Kooijmans, T.; Spapens, A.C.M.; Ceulen, R. (Universteit van Tilburg - Departement Strafrecht, 2019)
      Het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevat in Titel VIA van het vierde boek (de art. 539a-539w Sv) bepalingen met betrekking tot de opsporing van en het onderzoek naar strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank. De titel schept een basis in het Nederlandse recht voor de uitoefening van bepaalde strafvorderlijke bevoegdheden op het grondgebied van vreemde staten, de (Nederlandse) territoriale en volle zee, de lucht daarboven en de (kosmische) ruimte. Niet alleen biedt de titel een algemene grondslag voor strafrechtelijk onderzoek en opsporing door Nederlandse autoriteiten in het buitenland, ook bevat de titel een aantal bijzondere regels voor dergelijk optreden waarbij juist wordt afgeweken van de overige regels binnen het Wetboek van Strafvordering. Nederlandse opsporingsambtenaren zullen immers doorgaans niet ter plaatse zijn op het moment dat zich op afgelegen locaties, zoals op zee of in de lucht, een strafbaar feit voltrekt. Ook kan een verdachte niet zomaar voor een rechterlijke autoriteit worden geleid wanneer hij zich op een schip midden op de oceaan bevindt.De doelstelling van het onderzoek omvat vier onderdelen: (1) het beschrijven van de inhoud en context van de bepalingen inzake strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank, (2) inzichtelijk maken van de toepassing van en ervaringen met deze bepalingen in de praktijk, (3) nagaan hoe strafvorderlijke bepalingen met een vergelijkbare doelstelling zijn vormgegeven in de buurlanden en (4) nagaan – op grond van de punten 2 en 3 – of het strekt tot aanbeveling om de art. 539a e.v. Sv aan te passen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. De doelstellingen 1-3 worden beschouwd als de eerste fase van het onderzoek en doelstelling 4 als de tweede fase. Deze doelstellingen monden uit in de volgende onderzoeksvragen: Wat kan (op hoofdlijnen) worden gezegd over de achtergrond en ontwikkeling van de bepalingen met betrekking tot strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank? Hoe vaak werden in de periode 2010-2018 in concrete gevallen de art. 539a e.v. Sv in strafprocedures toegepast en in welke context? Welke ervaringen hebben betrokken partijen met de toepassing van de art. 539a e.v. Sv? Welke wettelijke mogelijkheden met vergelijkbare strekking als art. 539a e.v. Sv bestaan er in het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Frankrijk en welke verschillen en overeenkomsten zijn er met de Nederlandse wetgeving? INHOUD: 1. Inleiding: onderzoeksvragen en methodologie 2. De achtergrond van Titel VIA van Boek 4 van het Wetboek van Strafvordering 3. De toepassing van Titel VIA 4. Rechtsvergelijkend onderzoek 5. Beschouwing 6. Conclusies en aandachtspunten 7. Samenvatting 8. Summary 9. Bibliografie 10. Bijlagen
    • Veiligheid in het luchtruim

      Verrest, P.A.M.; Bevers, J.A.C.; Bron, R.P.; Hoog, D. de; Dijk, W.C.J.M. van; Mendes de Leon, P.M.J.; Gurvits, M. (medew.); Schnitker, R.M.; Baksteen, B.; Dunk, F.G. von der (WODC, 2007)
      ARTIKELEN: 1. P.A.M. Verrest en J.A.C. Bevers - Rechtshandhaving in het luchtruim 2. R.P. Bron en D. de Hoog - Civiele luchtvaart en terroristische incidenten, historische ontwikkelingen en toekomstige trends 3. W.C.J.M. van Dijk - Toegang tot een veilig luchtruim; 'security' op luchthavens 4. P.M.J. Mendes de Leon, m.m.v. M. Gurvits - De ontwikkeling van een trans-Atlantische luchtvaartrelatie in de periode 1992-2007 5. R.M. Schnitker - Het melden van voorvallen in de luchtvaart binnen een 'just culture' 6. B. Baksteen - Dilemma's van een gezagvoerder 7. F.G. von der Dunk - Ruimtepuin en ruimterecht 8. Internetsites. SAMENVATTING: Gezien de internationale context roept het streven naar veiligheid in het luchtruim tal van interessante vragen op op het terrein van wet- en regelgeving, internationale verdragen, rechtsmacht, rechtshandhaving en -vervolging. Er bestaat een grote variëteit aan overtredingen en misdrijven die kunnen worden begaan, zowel delicten aan boord van vliegtuigen als tegen en met het gebruik van vliegtuigen. Vanuit het perspectief van de reguliere rechtshandhaving zijn de omstandigheden waaronder luchttransport plaatsvindt uniek: in een vrijwel geïsoleerd en kwetsbaar voertuig worden internationale grenzen met grote snelheden gepasseerd.