• Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie allochtone minderjarige jongens - Een verkennend onderzoek

      Horn, J.E. van; Bullens, R.A.R.; Doreleijers, Th.A.H.; Jäger, M. (Fora Forensische diagnostiek, 2001)
      Een verkennend onderzoek naar aanleiding van signalen uit de hulpverlening dat met name Marokkaanse jongens een relatief grotere kans hebben om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Bij 10 politieregio's en een diagnostische instelling zijn gegevens verzameld. De meeste autochtone en allochtone jongens zijn misbruikt door niet-verwante plegers, meestal door pedoseksuele mannen van middelbare leeftijd die in de nabije omgeving van de slachtoffers wonen. Met name de gevoeligheid voor de aandacht, vleierijen en materiele en/of financiële beloningen van de pleger lijken de kans op seksueel misbruik te vergroten. Ook de psychische druk van vriendjes om bepaalde seksuele handelingen toe te laten en/of uit te voeren speelt een niet onbelangrijke rol. In het onderhavige onderzoek is via extrapolatie het aantal minderjarige jongens geschat op minimaal 1500, waarvan tussen de 10% en 30% van Marokkaanse afkomst en tussen de 8% en 12% van Roemeense afkomst. Turkse, Surinaamse en Antilliaanse jongens worden in de prostitutie wel gesignaleerd, maar komen in jaarverslagen nauwelijks terug. Dak- en thuisloosheid en een acute financiële nood lijken voor de meeste jongens de belangrijkste redenen die tot prostitutie hebben geleid. Concluderend kan worden gesteld dat, ofschoon van de allochtone jongens de Marokkaanse slachtoffers van seksueel misbruik en prostitutie relatief oververtegenwoordigd zijn, de resultaten uit het onderhavige onderzoek er niet eenduidig op wijzen dat Marokkaanse jongens een verhoogd risico vormen om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Onderrapportage en het ontbreken van informatie bij politie en hulpverlening worden als belangrijkste factoren aangemerkt die adequate schatting van de omvang van seksueel misbruik en prostitutie in de weg staan.
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2017

      Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      Als onderdeel van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HIC-daders (2016-2021) wordt jaarlijks verslag gedaan van de achtergronden en reci-dive van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De huidige studie betreft een vervolg op drie eerdere recidivemetingen onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland in 2002-2013, 2002-2015, en 2002-2016, en de haalbaarheidsstudie naar regionale recidivecijfers onder veroordeelde HIC-daders. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders in 2017 in Nederland? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 2 Welk percentage van de HIC-daders veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van HIC-daders zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders in 2008 tot en met 2017, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? 4 Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders in 2015 tot en met 2017 uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, rekening houdend met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2008-2015

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A.; Weijters, G. (WODC, 2019)
      Sinds 15 à 20 jaar wordt huiselijk geweld erkend als een groot maatschappelijk probleem en staat het hoog op de politieke agenda in Nederland. Middels verschillende beleidsprogramma’s is en wordt getracht dit gezondheids- en veiligheidsprobleem aan te pakken. Het belangrijkste doel van de programma’s is het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2015 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan. De huidige studie betreft een vervolg op een eerdere recidivemeting onder alle HG-daders in Nederland die in 2008 tot en met 2013 hiervoor veroordeeld zijn (zie link bij: Meer informatie). De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HG-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groep zich tot de kenmerken van alle veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld van veroordeelde HG-daders: welk deel van de HG-daders kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidiveprevalentie van deze groep zich tot de recidiveprevalentie van alle veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HG-daders door de jaren heen rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijke geweld veroordeeld in 2008-2017

      Piersma, T.W.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld voor een huiselijk-gewelddelict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan en medio 2021 afloopt. De huidige studie betreft de derde en laatste in de reeks recidivemetingen onder alle HG-daders in Nederland, na eerder de HG-daders tussen 2008 en 2013, en 2008 en 2015 in kaart te hebben gebracht. In deze studie wordt daarnaast, als uitbreiding op de eerdere recidivemetingen, ook gerapporteerd over specifieke groepen HG-daders en hun recidive (i.e., daders veroordeeld voor partnermishandeling, oudermishandeling en kindermishandeling). De volgende drie onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2017 in Nederland, en hoe verhouden deze kenmerken zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017 in Nederland? 2 Welk deel van de daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive onder veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2008 tot en met 2017 rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over tijd?
    • Adolescentenstrafrecht - Beleidstheorie en eerste empirische bevindingen

      Laan, A.M. van der; Beerthuizen, M.G.C.J.; Barendregt, C.S.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2016)
      Het doel van dit onderzoek is om al in een relatief vroeg stadium na de invoering van het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht inzicht te krijgen in:de beleidstheorie(en) achter het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht (ASR) en de veronderstelde werking van de wet;ontwikkelingen in de strafzaken van 16- en 17-jarigen die volgens het volwassenenstrafrecht zijn berecht (in termen van verschillen in aantallen zaken, typen misdrijven en typen sancties) ten opzichte van een vergelijkbare periode ervoor;ontwikkelingen in strafzaken van 18- tot 21/23-jarigen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht (in termen van verschillen in aantallen zaken, typen misdrijven en typen sancties) en overige ontwikkelingen die zich voordoen in advisering en berechting bij deze jongvolwassenen ten opzichte van een vergelijkbare periode ervoor.Dit onderzoek omvat een beleidstheoriereconstructie van het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht en een empirisch onderzoek naar de eerste ontwikkelingen van strafzaken in de tijd bij 16- tot 23-jarigen.
    • Afgewezen en uit Nederland vertrokken? - Een onderzoek naar de achtergronden van variatie in zelfstandige terugkeer onder uitgeprocedeerde asielzoekers

      Leerkes, A.S.; Boersema, E.; Os, R.M.V. van; Galloway, A.M.; Londen, M. van (WODC, 2014)
      In de periode 2008 tot en met maart 2010 heeft het WODC voor het eerst uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag hoe verklaard kan worden dat sommige uitgeprocedeerde asielmigranten met hulp van de Nederlandse overheid besluiten om zelfstandig terug te keren, terwijl anderen illegaal in Nederland blijven of eventueel doormigreren naar een ander land (zie link bij: Meer informatie). In het vervolgonderzoek, waarvan dit verslag de neerslag vormt, is primair gekeken naar terugkeer onder afgewezen asielzoekers in de periode 2001-2011. De centrale vraagstelling van dit onderzoek luidt: In hoeverre stimuleren beleidsinstrumenten op het gebied van terugkeer de zelfstandige terugkeer via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) wanneer wordt gecontroleerd voor relevante individuele kenmerken en sociaaleconomische en politieke omstandigheden in het land van herkomst? INHOUD: 1. Inleiding 2. Theorievorming over zelfstandige terugkeer 3. Methode van onderzoek 4. Patronen van zelfstandige terugkeer 5. Achtergronden van variatie in zelfstandige terugkeer 6. Gevalstudie: Irak 7. Conclusie
    • Allochtone en autochtone verdachten van verschillende delicttypen nader bekeken

      Jennissen, R.P.W.; Blom, M. (WODC, 2007)
      De doelstelling van dit rapport is om de verschillen in de aard en omvang van de geregistreerde criminaliteit tussen de verschillende in Nederland verblijvende herkomstgroepen in kaart te brengen. De volgende onderzoeksvragen komen aan de orde:In welke mate zijn de verschillende herkomstgroeperingen vertegenwoordigd in verschillende soorten delicten?Hoet ziet het patroon van de leeftijdsspecifieke criminaliteitscijfers van de verschillende herkomstgroeperingen eruit voor de verschillende soorten delicten?In welke mate kan de kans op het verdacht zijn van bepaalde delicttypen worden verklaard door de etnische herkomst van de persoon in kwestie? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschrijvende statistieken 3. Multivariate analyses 4. Slotbeschouwing
    • Ben ik te min? - Aard, omvang en achtergronden van antisociaal gedrag aan het einde van de basisschool en het begin van het voortgezet onderwijs

      Soepboer, G.; Veenstra, R.; Verhulst, F.C. (WODC (subsidie), 2006)
      Dit onderzoek geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen:Wat is de prevalentie van antisociaal gedrag bij twaalfminners?In hoeverre is sprake van continuïteit en discontinuïteit van antisociaal gedrag over een periode van twee jaar, ongeveer van 11/12 jaar naar 13/14 jaar?Wat is de relatie van antisociaal gedrag bij twaalfminners met individuele en opvoedingskenmerken?Wordt een twaalfminner in de ene context als antisociaal, en in de andere context als prosociaal betiteld?
    • Blijven vergunninghouders in Nederland? - Patronen en determinanten van vervolgmigratie en remigratie onder asielmigranten, cohort 1995-1999

      Leerkes, A.; Hoon, M. de; Damen, R. (medew.) (WODC, 2019)
      Sinds 2014 heeft Nederland opnieuw te maken met een substantiële instroom van asielzoekers, van wie een belangrijk deel in aanmerking is gekomen voor een verblijfsvergunning. Een belangrijke vraag die zich momenteel voordoet, is hoe de positie van de nieuwe vergunninghouders zich de komende jaren zal ontwikkelen. Een van de vragen die daarbij gesteld kunnen worden, is in hoeverre zij zich blijvend in Nederland zullen vestigen.De volgende onderzoeksvragen staan in dit rapport centraal: Hoe groot was het aandeel emigranten tot en met 31 december 2015 onder vergunninghouders met een asielachtergrond uit het cohort 1995-1999 en wat voor type emigratie betrof het (remigratie dan wel vervolgmigratie)? Op welke achtergrondkenmerken verschillen de vergunninghouders die emigreerden (uitgesplitst naar type emigratie) van de vergunninghouders die eind 2015 nog, of weer, in Nederland woonden? Welke achtergrondkenmerken van de vergunninghouders zijn voorspellers van emigratie uit Nederland in de vorm van remigratie, vervolgmigratie en administratieve verwijdering met onbekende bestemming?
    • Criminele carrières in de georganiseerde misdaad

      Kleemans, E.R.; Poot, C.J. de; Kalidien, S.N. (medew.); Kouwenberg, R.F. (medew.); Nassou, M. van (medew.) (WODC, 2007)
      Dit rapport bevat de eerste resultaten van een uniek onderzoek naar criminele carrières in de georganiseerde misdaad. Het is gebaseerd op een deelonderzoek dat in het kader van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit is uitgevoerd naar ongeveer duizend verdachten die betrokken waren bij de eerste tachtig geanalyseerde opsporingsonderzoeken. INHOUD: 1. Inleiding 2. Nieuwe vragen, nieuwe antwoorden? 3. Bekenden van justitie? 4. Betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit 5. Carrières van leidinggevenden 6. Slotbeschouwing
    • Criminele carrières van daders van high impact crimes

      Piersma, T.W.; Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-08-24)
      In de huidige studie, waarin crimineel gedrag van vroege adolescentie tot volwassenheid is bestudeerd, krijgen we inzicht in de kenmerken van criminele carrières van HIC-daders in Nederland, welke patronen van crimineel gedrag te ontwaren zijn, en in hoeverre het type delict en de leeftijd ten tijde van de eerste strafzaak van invloed zijn op de duur en omvang van de criminele carrière. Het onderzoek kan dan ook waardevol zijn in het bepalen van het type dader waar beleidsmaatregelen zich op moeten richten om het aantal HIC-daders met een lange en actieve criminele carrière terug te dringen. Onderzoeksvragen: 1 Wat zijn de kenmerken van de criminele carrière van HIC- en niet-HIC-daders in termen van de startleeftijd, eindleeftijd, duur, frequentie en specialisatie? 2a Welke dadertrajecten zijn er in termen van strafzaakfrequentie te ontwaren gedurende de criminele carrière onder de drie typen HIC-daders, en verschillen deze trajecten ten opzichte van niet-HIC-daders? 2b Zijn er verschillende dadertrajecten in termen van strafzaakfrequentie te ontwaren onder de drie typen HIC-daders aan de hand van de leeftijd waarop zij hun eerste strafzaak hebben? 3a Is het type delict in de eerste strafzaak gerelateerd aan de daaropvolgende strafzaakfrequentie? 3b Is de relatie tussen het type delict in de eerste strafzaak en daaropvolgende strafzaakfrequentie gerelateerd aan de leeftijd ten tijde van de eerste strafzaak?
    • Cyberdaders: uniek profiel, unieke aanpak? - Een onderzoek naar kenmerken van en passende interventies voor daders van cybercriminaliteit in enge zin

      Wagen, W. van der; Zand-Kurtovic, E.G. van 't; Matthijsse, S.R.; Fischer, T.F.C.; Keizer, S. (medew.); Alberts, N. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law, 2019)
      Er zijn verschillende indicaties dat hacken, het uitvoeren van DDoS-aanvallen, het verspreiden van ransomware en andere vormen van cybercriminaliteit in enge zin in omvang toenemen onder zowel jeugdigen als volwassenen. De wetenschappelijke kennis over deze dadergroep is tot op heden beperkt, anekdotisch, verouderd en versnipperd. In dit onderzoek is getracht op meer systematische wijze kennis over de kenmerken en profielen van jeugdige en volwassen daders van cybercriminaliteit in enge zin te genereren alsook inzichten te bieden in de vraag wat hierbij passende en effectieve interventies zijn. In dit onderzoek staat de volgende probleemstelling centraal:In hoeverre bestaan er verschillen qua profiel(en) van cyberdaders en daders van ‘traditionele’ criminaliteit, en in hoeverre en op welke wijze dienen (eventuele) verschillen gevolgen te hebben voor de aard van interventies voor cyberdaders? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodologische verantwoording 3. Achtergrondkenmerken 4. Drijfveren en beleving 5. Percepties over strafbaarheid, pakkans en schade van (gepleegde) cyberdelicten 6. Criminele carrière 7. Interventies voor daders van cybercriminaliteit in enge zin 8. Interventies die aansluiten bij What Works en Desistance 9. Conclusie
    • De aparte bejegening van jongvolwassen daders in het (jeugd)strafrecht - Een internationale vergelijking

      Zeijlmans, K.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2019)
      De doelstelling van dit project is inzicht te krijgen in de aparte bejegening van jongvolwassen daders in het (jeugd)strafrecht (inclusief de interventies die deze jongvolwassenen krijgen) in vergelijking tot de Nederlandse situatie, waarbij specifiek wordt gefocust op een aantal voor Nederland relevante Europese landen. De doelstelling van het onderzoek is vertaald in de volgende onderzoeksvragen: In welke Europese landen is er sprake van een aparte bejegening van jongvolwassenen in het strafrecht? Wat houdt deze aparte bejegening van jongvolwassenen in de verschillende fasen in de praktijk van het strafproces (vervolging, berechting en sanctionering) in deze landen in? Onder welke voorwaarden en/of juridische condities is het mogelijk jongvolwassenen volgens het jeugdstrafrecht te sanctioneren in andere landen? Is dit bijvoorbeeld afhankelijk van het type delict, de persoon van de dader of anderszins? Welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen Nederland en andere landen in de aparte bejegening van jongvolwassenen in de verschillende fasen in de praktijk van het strafproces (vervolging, berechting, tenuitvoerlegging)? Wat is bekend over de mate waarin in de andere landen in de sanctionering van jongvolwassenen een aparte bejegening wordt toegepast (bijv. hoe vaak het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen wordt toegepast)?Welke type strafrechtelijke sancties, (maximale) strafmaten en interventies (kunnen of) worden toegepast bij jongvolwassen daders in de (selectie van) Europese landen waar sprake is van een aparte bejegening van jongvolwassen daders? Wat is bekend over de effectiviteit van deze strafrechtelijke sancties en interventies?
    • De overeenstemming tussen zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit en bij de politie bekende jeugdige verdachten

      Weijters, G.; Laan, A.M. van der; Kessels, R.J. (medew.) (WODC, 2016)
      In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre zelfrapportage van delinquent gedrag gemeten met de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) een aanvulling geeft op jeugdcriminaliteit gemeten met politieregistraties. Hiervoor is ten eerste gekeken naar de representativiteit van de MZJ wat betreft het voorkomen van jongeren in de politieregistraties. Vervolgens is meer inzicht willen verkregen in de overeenkomsten en verschillen tussen zelfgerapporteerde daders en door de politie geregistreerde verdachten. Zelfrapportage richt zich vooral op lichtere vormen van criminaliteit, terwijl in de politieregistraties vooral de meer ernstige delicten voorkomen. De algemene gedachte is dat de bronnen samen een completer beeld van de jeugdcriminaliteit geven. In dit onderzoek is gebruikgemaakt van de 2010 meting van de MZJ. De MZJ is een landelijk representatieve steekproef van jongeren in de leeftijd 10 tot en met 17 jaar. Het huidige onderzoek is beperkt tot de 12- tot en met 17-jarigen, omdat deze groep strafrechtelijk vervolgd kan worden en daardoor ook als verdachte worden geregistreerd. De jongeren zijn gevraagd of hun gegevens uit de MZJ gekoppeld mochten worden aan de politieregistraties. De tachtig jongeren die dit geweigerd hebben, zijn verder niet meegenomen in dit onderzoek. Zie ook deel I van dit onderzoek (projectnummer 2033). INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Vergelijking respons- en non-responsgroep wat betreft voorkomen in de politieregistratie 4. Voorkomen van zelfgerapporteerde daders in de politieregistratie 5. Voorkomen van door de politie geregistreerde verdachten in zelfrapportage 6. Conclusie en discussie
    • De prevalentie van huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland

      Boom, A. ten; Wittebrood, K.; Alink, L.R.A. (medew.); Cruyff, M.J.L.F. (medew.); Downes, R.E. (medew.); Eijkern, E.Y.M. van (medew.); Gils, G.H.C. van (medew.); Heijden, P.G.M. van der (medew.); Prevoo, M.J.L. (medew.); Ramakers, C.C. (medew.); et al. (WODC, 2019)
      In dit rapport is verslag gedaan van een prevalentieonderzoek naar huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland en van de ontwikkeling daarin sinds de vorige rapportages over huiselijk geweld (zie link hiernaast); (Van Dijk et al., 2010); (Van der Heijden, Cruyff & Van Gils, 2009) en over kindermishandeling (Alink et al., 2011). Het onderzoek bestaat uit verschillende studies en is op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Justitie en Veiligheid door diverse onderzoeksteams uitgevoerd, onder regie van het WODC. De vergelijkbaarheid met de eerdere prevalentiestudies is zo groot mogelijk gehouden. Aanvullend op de prevalentieschattingen is voor het eerst de mate van samenloop tussen huiselijk geweld en kindermishandeling in gezinnen onderzocht. Verder is in het onderzoek meer dan voorheen aandacht geweest voor de vraag wat slachtofferschap van huiselijk geweld, in het bijzonder (ex-)partnergeweld, voor vrouwen en mannen inhoudt. In het rapport wordt ook de context waarin huiselijk geweld en kindermishandeling plaatsvinden uitgebreid beschreven, onder andere met behulp van een zogenoemd ecologisch model. De centrale probleemstelling van deze synthese luidt: Wat is de aard en omvang van huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland, welke ontwikkeling heeft hierin plaatsgevonden en in welke mate is sprake van samenloop van beide vormen van geweld binnen gezinnen? Het volledige onderzoek bestond, naast een drietal voorstudies, uit vijf empirische studies. Twee studies waren primair gericht op het schatten van de omvang van huiselijk geweld onder volwassenen (Van Eijkern et al., 2018; Van der Heijden et al., 2019), twee studies op het schatten van de omvang van kindermishandeling (Schellingerhout & Ramakers, 2017; Alink et al., 2018) en een studie betrof een verdiepend onderzoek onder plegers van partnergeweld en kindermishandeling (Woicik et al., 2018). Deze synthese gaat alleen over de prevalentie van huiselijk geweld en kindermishandeling. INHOUD: 1. Inleiding 2. Context en aard van huiselijk geweld en kindermishandeling 3. Prevalentie geweld door (ex-)partners en ander huiselijk geweld 4. Prevalentie kindermishandeling 5. Samenloop van huiselijke geweld en kindermishandelingen binnen gezinnen 6. Conclusies en reflectie
    • Delinquent behavior among young people in the western world - First results of the international self-report delinquency study

      Junger-Tas, J. (ed.); Klein, M.W. (ed.); Terlouw, G.J. (ed.) (WODC, 1994)
      This volume presents the first results of the self-report in 13 individual countries. A second volume will follow in 1995, which will present the results of in-depth comparative analysis. The outcomes of these studies are presented in individual chapters. Some conclusions on the basis of this material are presented in the last chapter. These preliminary conclusions are based on similarities in the instruments used and a number of similar samples. In the chapters demographic and socio-economic features of the country under discussion are presented as well as cultural factors, alcohol- and drug consumption, study design, and conclusions about delinquency and problem behavior.
    • Dienstverlening - interimverslag maart 1982

      Bol, M.W.; Overwater, J. (WODC, 1982)
      Dit verslag pretendeert slechts een tussenstand te geven; er wordt een opsomming aangeboden van enkele basisgegevens met betrekking tot de experimenten Dienstverlening zoals die per 15 januari 1982 door de WODC-medewerkers in de acht proefarrondissementen waren geregistreerd.
    • Een partiële toetsing van de sociale controle theorie

      Junger, M. (WODC, 1983)
      In het eerste hoofdstuk wordt in het kort de wijze van steekproefstrekking beschreven en wordt de samenstelling van de steekproef in kaart gebracht. Daarna worden de verbanden onderzocht tussen verscheidene socio-demografische variabelen en delinquent gedrag. In het derde hoofdstuk wordt gezocht naar de relatie tussen gezinsintegratie en delinquentie. In het vierde hoofdstuk wordt het verband tussen delinquent gedrag en schoolintegratie beschreven. Het vijfde en laatste hoofdstuk beschrijft de toetsing van een model met behulp van het computerprogramma LISREL.
    • Geregistreerd partnerschap in Nederland - Een verkennend onderzoek

      Unknown author (Van Dijk, Van Soomeren en Partners, 1999)
      In het onderzoek is nagegaan hoeveel mensen gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid van een geregistreerd partnerschap, welke redenen men daarvoor heeft en de consequenties van de keuze. Gezien de aard en omvang van het onderzoek - een quick scan onder 153 geregistreerde partnerschappen - moeten de resultaten worden beschouwd als indicaties.
    • Identificeren van 18- tot 23-jarigen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht - Een pilot

      Barendregt, C.S.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Vink, M.; Leertouwer, E.; Laan, A.M. van der (WODC, 2016)
      Deze pilot heeft als doel om op basis van registratiegegevens de groep 18- tot 23-jarigen die in het eerste jaar na invoering van het adolescentenstrafrecht volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht (artikel 77c Sr.) te identificeren. Dit leidt tot de volgende onderzoeksvragen:Hoe valide zijn de indicatoren ‘jeugdstrafrecht’ en ‘jeugdsanctie’ en de combinatie van beide indicatoren om de groep 18- tot 23-jarigen die volgens het jeugdstraf-recht zijn berecht in kaart te brengen?In hoeverre komt het aantal afdoeningen volgens het jeugdstrafrecht onder 18- tot 23-jarigen volgens de combinatie van de indicator jeugdstrafrecht en de indicator jeugdsanctie overeen met het aantal plaatsingen preventieve hechtenis in een JJI onder 18- tot 23-jarigen?Bestaan er mogelijk alternatieve methoden om het aantal afdoeningen volgens het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen in kaart te brengen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Informatiebronnen 3. Validatie indicator jeugdstrafrecht en jeugdsanctie 4. Verschillende steekproeven 5. Alternatieve selectiemethoden 6. Samenvatting en eindconclusie