• 909 zorgen - Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

      Slot, N.W.; Theunissen, A.; Esmeijer, F.J.; Duivenvoorden, Y. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, 2001)
      In dit onderzoek is gepoogd zicht te krijgen op de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling via een analyse van 103 dossiers van vier gezinsvoogdij-instellingen. Tevens werd een enquête gehouden onder kinderrechters en stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en werden gezinsvoogden, ouders en kinderen geïnterviewd.
    • Aan handen en voeten gebonden - Mis(ver)standen rond BDSM-scenes en de toereikendheid van zorg en recht

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno Bureau voor criminaliteitsanalyse, 2014)
      BDSM is een containerbegrip en omvat de fenomenen bondage, discipline, dominantie, submissie, sadisme en masochisme. De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is:Wat is de aard en omvang van BDSM-beoefening in Nederland?In welke mate en op welke wijze is er sprake van misstanden in de BDSM-wereld en in het bijzonder ten aanzien van jonge en/of kwetsbare personen?In welke mate volstaat het bestaande instrumentarium voor recht en zorg om adequaat te reageren bij (seksueel) misbruik in de BDSM-wereld? En wat kunnen we in Nederland leren van de wijze waarop in de ons omringende landen (België, Duitsland en Verenigd Koninkrijk) hiermee wordt omgegaan? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. BDSM-scene(s) 4. Visies op misbruik bij BDSM 5. Misbruikervaringen bij BDSM 6. Zorgkaders voor BDSM-beoefenaars 7. Strafrechtelijke kaders bij BDSM 8. Opsporingen en vervolging bij BDSM 9. Conclusies
    • Aard en omvang van dader- en slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit in Nederland

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2020)
      De Nederlandse samenleving is in hoog tempo gedigitaliseerd. Bijna iedereen maakt dagelijks gebruikt van computer, smartphone of andere vormen van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Naast de voordelen die deze digitalisering oplevert is er ook een schaduwzijde—cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Cybercriminaliteit betreft delicten waarbij ICT het middel en doel is. Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten als hacken en ransomware. Gedigitaliseerde criminaliteit betreft traditionele delicten waarbij ICT als middel wordt ingezet, maar niet het doel is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over (doods)bedreigingen via WhatsApp of aan- en verkoopfraude via Marktplaats.nl. In het huidige rapport wordt uiteengezet wat er bekend is over de aard en omvang van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit binnen de Nederlandse context, vanaf 2008. Hierbij staan de volgende drie vragen centraal: Hoe is de aard van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit geconceptualiseerd? Hoe is slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit concreet geoperationaliseerd? Hoe groot wordt de omvang geschat van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 3. Online bedreigingen in het lokaal bestuur 4. Daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 5. Aanbieders en afnemers van cybercrime-as-a-service 6. Conclusie en discussie
    • Agressie in de inrichtingen

      Unknown author (WODC, 1982)
      Deze aflevering is gewijd aan agressie in de inrichtingen. Vooral de studiedagen T.B.R. 1981, waarin dit thema centraal stond, zijn aanleiding geweest tot het samenstellen van dit nummer. Vanuit zeer verschillende invalshoeken wordt het onderwerp hier nader belicht.
    • Alleenstaande minderjarige asielzoekers in Nederland - Ama-beleid en ama-instroom in Nederland en andere EU-landen, alsmede de deelname van ama's aan het Nederlandse onderwijs

      Olde Monnikhof, M.; Tillaart, H. van den (WODC, 2003)
      In de periode 1998-2000 is de ama-instroom in Nederland bijna verdubbeld van 3.500 naar 6.700 ama’s (van 8% naar 15% van het totale aantal asielzoekers per jaar). Er zijn geen vergelijkbare cijfers over ama-instroom in andere EU-landen beschikbaar omdat de meeste landen ama’s niet als zodanig of vergelijkbaar met Nederland registreren. De meerderheid van de ama’s in Nederland is afkomstig uit een beperkt aantal landen, vooral Angola, Sierra Leone, Guinee en China. De ama-instroom bestaat voor driekwart uit jongens, vaak in de leeftijd van 15-17 jaar. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat juist zij het risico lopen om ingezet te worden als kindsoldaten. Nederland heeft een apart beleid voor ama’s geformuleerd en is daarmee een uitzondering in Europa. In de praktijk blijkt er echter niet zo heel veel verschil te zijn met de procedures en voorzieningen die in andere EU-landen voor ama’s zijn ontwikkeld c.q. tot stand zijn gekomen. Op één punt is echter wel verschil. Nederland is één van de EU-landen, naast Engeland en Denemarken, waar het voor ama’s mogelijk is om na drie jaar een permanente verblijfsstatus te krijgen. Het is mogelijk dat dit gegeven, alsmede de langdurige asielprocedures hier (waardoor ama’s niet op korte termijn terugkeren) elders, zeker in de ogen van reisagenten, het beeld (blijven) bevestigen dat Nederland een effectieve keuze is.
    • Coffeeshops, jeugd en toerisme

      Korf, D.J.; Woude, M. van der; Benschop, A.; Nabben, T. (Universiteit van Amsterdam - Criminologisch Instituut Bonger, 2001)
      Begin jaren tachtig waren er nog bijna geen coffeeshops in Nederland die softdrugs verkochten. Momenteel zijn er ruim achthonderd coffeeshops, verspreid over ongeveer honderd gemeenten. Voor 1996 mochten coffeeshops hasj en wiet verkopen aan jongeren van 16 jaar en kon een klant maximaal 30 gram ineens kopen. Tegenwoordig is de minimumleeftijd 18 jaar en de maximum hoeveelheid 5 gram. Met het verhogen van de minimum leeftijd hoopte de overheid het softdruggebruik onder jongeren terug te dringen. In dit boek wordt nagegaan of dit ook daadwerkelijk is gebeurd.
    • Criminaliteit in relatie tot gewelddadig radicalisme en terrorisme - een overzicht van theoretische verbanden en een casusanalyse van salafistisch jihadisme in Nederland

      Dechesne, M.; Veer, J. van der (WODC, 2010)
      De volgende onderzoeksvragen staan in dit in onderzoek centraal: Welke verbanden worden in de wetenschappelijke literatuur op het niveau van het individu gelegd tussen criminaliteit en crimineel gedrag enerzijds en gewelddadig radicalisme en terrorisme anderzijds? Blijkt op grond van de literatuur over criminaliteit en gewelddadig salafistisch jihadistisch radicalisme in Nederland een relatie tussen criminaliteit en crimineel gedrag enerzijds en gewelddadig radicalisme anderzijds? En als die relatie bestaat, hoe kan deze het beste worden omschreven? INHOUD: 1. Criminaliteit in relatie tot gewelddadig radicalisme en terrorisme 2. Veronderstelde verbanden in de wetenschappelijke literatuur 3. Criminaliteit in relatie tot gewelddadig moslimradicalisme in Nederland 4. Conclusie 5. Referenties
    • Dalende jeugdcriminaliteit

      Berghuis, A.C.; Waard, J. de; Laan, A.M. van der; Beerthuizen, M.G.C.J.; Goudriaan, H.; Jennissen, R.; Weerman, F.; Looze, M. de; Koning, I.; Marie, O.; et al. (WODC, 2017)
      ARTIKELEN: 1. A.C. Berghuis en J. de Waard - Verdampende jeugdcriminaliteit: Verklaringen van de internationale daling 2. A.M. van der Laan, M.G.C.J. Beerthuizen en H. Goudriaan - Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit, 1997 tot 2015 3. R. Jennissen - Trends in de overrepresentatie van jongens en jongemannen met een Marokkaanse achtergrond in de verdachtenstatistiek 4. F. Weerman - Social media en smartphones als verklaring voor de daling in jeugdcriminaliteit? 5. M. De Looze en I. Koning - Alcoholgebruik bij jongeren in Nederland: Van zuipschuit van Europa tot het braafste kind van de klas 6. O. Marie en T. Paulovic - Jongeren op school houden, helpt dat tegen criminaliteit? 7. H. Ferwerda en T. van Ham - Lessen uit de aanpak van jeugdgroepen 8. S. van Grinsven en A. Verwest - Vijf jaar Aanpak Top600: Waar staan we nu? SAMENVATTING: De jeugdcriminaliteit is in de afgelopen tien jaar fors afgenomen. Het aantal geregistreerde minderjarige verdachten van een misdrijf daalde met zo’n 60%. Niet alleen de officiële registraties door politie en justitie laten een daling zien. Zelfrapportagecijfers over daderschap bevestigen dit beeld en deze trend stemt overeen met de afname in slachtofferschap in Nederland. Opmerkelijk is dat in de meeste andere westerse landen dezelfde tendens waar te nemen is. Deze ontwikkeling en de duiding daarvan hebben relatief nog weinig aandacht gekregen. Met dit themanummer van Justitiële verkenningen wordt beoogd in die leemte te voorzien.Gezien het internationale karakter ervan is het niet voor de hand liggend om de dalende trend in (jeugd)criminaliteit (uitsluitend) te beschouwen als het resultaat van succesvol criminaliteits- en jeugdbeleid, aangezien dat beleid per land behoorlijk verschilt. In dit themanummer gaan we daarom in de eerste plaats op zoek naar gemeenschappelijke culturele verklaringen, waarin bijvoorbeeld een link wordt gelegd met technologische ontwikkelingen die de tijdsbesteding en belevingswereld van jongeren drastisch veranderd hebben, zoals de opkomst van de smartphone en de populariteit van sociale media en allerlei computer en online games. Ook de tevredenheid met het eigen leven van de generatie ‘Gezond en gelukkig’[1] zou een criminaliteit dempende factor kunnen zijn.Naast deze culturele benadering is er aandacht voor de effecten van overheidsbeleid. Dat hoeft niet direct gericht te zijn op criminaliteitsbestrijding om toch indirect uiteindelijk gevolgen te hebben voor de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit. In dit nummer besteden we bijvoorbeeld aandacht aan campagnes tegen alcoholgebruik door jongeren en aan de maatregel die jongeren verplicht tot hun 18e onderwijs te volgen als zij nog geen startkwalificatie (minimaal mbo-2) hebben behaald. De aanpak van problematische jeugdgroepen en de grootschalige Amsterdamse Top600-aanpak komen eveneens aan bod als voorbeelden van beleid ter bestrijding van jeugdcriminaliteit.Dit themanummer beoogt mede een bijdrage te leveren aan de discussie over de inzet van justitie- en politiemiddelen en de toekomstige ontwikkeling van de criminaliteit. De jeugdstrafsector krimpt al jaren, met alle consequenties voor de werklast en benodigde capaciteit. En hoewel niet iedere crimineel al in zijn of haar jeugdjaren de eerste stappen richting misdaad zette, is het voorstelbaar dat de sterke vermindering van het aantal jeugdige delinquenten in de toekomst zal leiden tot minder aanwas van volwassen justitiabelen. [1] Zie: www.scp.nl/Nieuws/Hoe_staat_het_met_de_Nederlandse_jeugd
    • De bescherming van minderjarige slachtoffers - Implementatie van internationale voorschriften in nationale wet- en regelgeving in de praktijk

      Sondorp, J.E.; Hoogeveen, C.E. (Adviesbureau Van Montfoort, 2020)
      Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre internationale voorschriften ten aanzien van de behandeling en positie van minderjarige slachtoffers zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en in de praktijk. Bijkomend doel is om te benoemen op welke punten er mogelijk hiaten zijn en op welk terrein Nederland juist verder gaat dan hetgeen internationaal verplicht wordt gesteld of wordt aanbevolen. Het onderzoek is verricht in opdracht van het WODC op verzoek van de Directie Slachtofferbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De volgende onderzoeksvragen worden in dit onderzoek beantwoord: Welke verplichtingen heeft Nederland op grond van internationale richtlijnen en verdragen als het gaat om de bescherming van minderjarige slachtoffers van misdrijven binnen de context van de toepassing van het strafrecht? Welke van deze verplichtingen zijn in Nederland tot dusver op papier geïmplementeerd en op welke wijze? Zijn de op papier geïmplementeerde verplichtingen ook in de uitvoeringspraktijk doorgevoerd. In welke mate wel of (nog) niet? INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksvragen 2. Onderzoeksverantwoording 3. Internationaal en nationaal kader 4. Verplichtingen Nederland vanuit internationaal kader 5. Bescherming van minderjarige slachtoffers in de praktijk 6. Conclusies
    • De residentiële carrière van jongeren in de kinderbescherming

      Vissers, Jan (WODC, 1988)
      Een centrale doelstelling van het hoofdonderzoek is die factoren op te sporen die van bepalende invloed zijn op de verblijfsduur van jongeren in tehuizen en op de duur en het verloop van hun residentiele carrière. Ten aanzien van de factoren die mogelijk van invloed zijn op de verblijfsduur en de duur en het verloop van de residentiële carrière, kan een onderscheid gemaakt worden in de volgende drie groepen: a. factoren met betrekking tot de jongere en.zijn ouderlijk milieu; b. factoren met betrekking tot het beleid van en de behandeling in het tehuis; c. factoren met betrekking tot het beleid van en de begeleiding door de begeleidende instantie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het statistisch vooronderzoek 3. Het hoofdonderzoek 4. Kenmerken van tehuizen 5. Kenmerken van jongeren 6. Kenmerken van begeleidende instanties 7. Verblijfsduur en residentiële carrière 8. Verblijfsduur en tehuis-factoren 9. Verblijfsduur, carrière en factoren betreffende jongere, ouders en ouderlijk gezin 10. Verblijfsduur, carrière en begeleidingsfactoren 11. Verblijfsduur, carrière en achtergrondfactoren: afsluitende analyses 12. Samenvatting, discussie en aanbevelingen
    • Drug situation 2006 - the Netherlands - Report to the EMCDDA

      Laar, M. van; Cruts, G.; Gageldonk, A. van; Croes, E.; Ooyen-Houben, M. van; Meijer, R. (WODC, 2007)
      Each year, national centres of expertise in the member states of the European Union (Focal points) draw up a report on the drug situation in their respective countries. These national reports are prepared according to the guidelines provided by the European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA).
    • Drug situation 2007 - the Netherlands - Report to the EMCDDA

      Laar, M. van; Cruts, G.; Gageldonk, A. van; Croes, E.; Ooyen-Houben, M. van; Meijer, R.; Ketelaars, T. (WODC, 2008)
      Each year, national centres of expertise in the member states of the European Union (Focal points) draw up a report on the drug situation in their respective countries. These national reports are prepared according to the guidelines provided by the European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA).
    • Drug situation 2008 - The Netherlands - report to the EMCDDA by the Reitox National Focal Point

      Laar, M.W. van (ed.); Cruts, A.A.N. (ed.); Gageldonk, A. van (ed.); Ooyen-Houben, M.M.J. van (ed.); Croes, E.A. (ed.); Meijer, R.F. (ed.); Ketelaars, A.P.M. (ed.) (WODC, 2009)
      The report on the drug situation in the Netherlands has been written for the European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA). The report focuses on new developments in the reporting year.
    • Duiding van problematisch jeugdgroepgedrag - Een theoretische verkenning en een praktische handreiking voor het veld

      Ham, T. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2017)
      Het onderzoek kent een probleemstelling met twee elementen. Daarbinnen kunnen meerdere onderzoeksvragen worden onderscheiden. De probleemstelling en de daarbij behorende vragen luiden als volgt: Op welke manier kunnen lokale partners (gemeente, OM en politie) uniforme duiding geven aan: het (niveau van) problematisch groepsgedrag (overlast, criminaliteit); de relatie met de omgeving (impact op de wijk, relatie met andere problematiek); het gedrag van de jongeren binnen de groep (groepsdynamiek, risico’s voor afglijden en recidive).Op welke manier kan de duiding bijdragen aan de afstemming tussen de ketenpartners over de taken en verantwoordelijkheden bij de aanpak van een groep en de individuen in de groep? Als bijlage is een 'Handreiking duiding problematisch jeugdgroepgedrag voor gemeentelijk (proces)regisseur en zijn/haar ketenpartners' opgenomen. Sinds 2015 wordt niet langer gebruikgemaakt van de shortlistmethodiek om problematische jeugdgroepen in beeld te brengen. Dit betekent dat ook de daarbij behorende indeling om groepen (hinderlijk, overlastgevend, crimineel) te prioriteren, aan te pakken en monitoren is losgelaten. Deze handreiking is ontstaan vanuit de behoefte om bij de uitvoering van het werkproces integrale aanpak problematische jeugdgroepen – het zogenaamde 7-stappen model – een problematische jeugdgroep of fluïde netwerk te kunnen duiden.
    • Een veld in beeld - Een beschrijving van het werk in de justitiële behandelinrichtingen

      Boendermaker, L.; Verwers, C. (WODC, 1996)
      In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van het werk in een specifieke sector van de justitiële jeugdinrichtingen: de behandelinrichtingen. In het eerste deel van het rapport wordt een beschrijving gegeven van de inrichtingen, hun organisatie en de behandelprogramma's van elke inrichting. In het tweede deel van het rapport komen de afzonderlijke onderdelen van het dagprogramma aan de orde: het verblijf in de groep, onderwijs en opleiding en therapie en vrijetijdsbesteding. In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de tien inrichtingen en komt de organisatie aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de theoretische fundering van de behandeling in elk van de inrichtingen en op de opbouw van het behandelingsproces in verschillende fasen, met elk eigen doelen en vrijheden. In hoofdstuk 4 wordt de planning van de behandeling beschreven en komen de in de behandelplannen gestelde doelen aan de orde. In hoofdstuk 5 gaan de auteurs in op het dagelijkse leven in de leefgroepen en andere, meer geïndividualiseerde afdelingen. Hoofdstuk 6 behandelt de praktijk binnen het onderwijs en de werkplaatsen en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het therapie-aanbod van de inrichtingen en de activiteiten in de vrije tijd. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de recente veranderingen in het veld van de justitiële behandelinrichtingen. Hoofdstuk 9 bevat een slotbeschouwing.
    • Evaluatie Landelijk Kader Forensische Diagnostiek Jeugd

      Buysse, W.; Komen, M.; Nauta, O.; Dijk, B. van (medew.); Maarschalkerweerd, A. (medew.); Groot, M. de (medew.) (WODC, 2009)
      Forensische diagnostiek is diagnostiek ten behoeve van een justitiële beslissing, waarvan de uitkomst op de een of andere manier ter toetsing van een rechterlijke instantie kan komen. Forensische diagnostiek kan psychologisch en/of psychiatrisch van aard zijn. Bij minderjarigen kan forensische diagnostiek zowel ten behoeve van een strafrechtelijk als een civielrechtelijk verzoek plaatsvinden. De uitvoering van forensische diagnostiek gaf in het verleden regelmatig aanleiding tot kritiek. Sinds 1 januari 2005 geldt voor het laten uitvoeren van forensische diagnostiek bij minderjarigen een landelijk vastgestelde werkwijze. De centrale vraagstelling van dit onderzoek is: In welke mate en op welke wijze werken betrokken partijen met het Landelijk Kader, welke knelpunten doen zich daarbij voor en hoe verhoudt zich dit tot de in het verleden geconstateerde problemen?
    • Film- en videogeweld

      Unknown author (WODC, 1997)
      De normen inzake toelaatbaarheid van filmgeweld zijn in de loop der tijd danig opgerekt. Onschuldige films als Public Enemy kregen in de jaren dertig zware kritiek vanwege de 'sensationele' moorden die er in plaatsvonden. Deze moorden waren overigens keurig aan het oog van de kijker onttrokken. Hedentendage reageert het publiek minder geshockeerd op dergelijke misdaadfilms. Maar filmproducenten doen verwoede pogingen het geweld op te voeren. Velen menen dat het aanbod van geweldsfilms deel uitmaakt van een bredere ontwikkeling van verharding, cynisme en ruwere omgangsvormen. Anderen zien de behoefte aan geweldsfilms als een compensatie voor het leven in cleane en saaie slaapsteden die van elke opwinding zijn verstoken. Geweld en porno vullen dat vacuiim op. De vraag is natuurlijk in hoeverre het vertoonde geweld op films, videobanden en computerspelletjes van invloed is op het daadwerkelijke gedrag van (jeugdige) kijkers. Hoewel moeilijk meetbaar, lijkt er onder onderzoekers consensus te zijn dat kijken naar geweld sporen in het gedrag kan nalaten (imitatie van geweld; angstgevoelens). In twee studies die in dit nummer zijn opgenomen - zie de bijdragen van Wiegman, Van Schie en Modde en van Groebel - concluderen de onderzoekers dat er een verband bestaat tussen kijken naar geweld en daadwerkelijk gebruik van geweld. Hoe dan ook, in de media wordt op bezorgde en vaak alarmerende toon over het aanbod van filmgeweld gesproken. Van de politiek worden strengere maatregelen verwacht.
    • Forensische Diagnostiek in de Jeugdzorg - Een 'nulmeting' naar de forensische stand van zaken in 2003 in de arrondissementen Rotterdam, Den Haag, Dordrecht en Utrecht

      Braak, J.J. van den; Erftemeyer, E.C.; Kayser, T.M.; Veltkamp, E.H. (WODC, 2004)
      Om verbeteringen in de forensische diagnostiek in de jeugdzorg door te voeren, is het Landelijke Kader FDJ ontwikkeld. De doelstelling van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de aard, omvang en uitvoering van forensische diagnostiek in de jeugdzorg, zowel op het gebied van strafrecht als op het gebied van civiel recht. Dit is een nulmeting in vier arrondissementen waar het Landelijke Kader in 2004 wordt geïntroduceerd en een beknopte inventarisatie in drie regio’s.
    • Gebruik en aanschaf van cannabis door 16- en 17-jarigen

      Ooyen-Houben, M. van; Siepermann, M. (WODC, 2002)
      Naar aanleiding van een toezegging van de Minister van Justitie tijdens het Nationaal Jeugddebat 2001 is door het WODC een beknopt literatuuronderzoek uitgevoerd naar het gebruik en de aanschaf van cannabis door 16- en 17-jarigen. Hieronder de belangrijkste bevindingen. Cannabis is bij 16- en 17-jarige jongeren verreweg de meest gebruikte drug. Gebruik van harddrugs komt veel minder voor. Een minderheid van de jongeren heeft naast cannabis ooit andere drugs genomen. Het cannabisgebruik onder jongeren, ook onder 16- en 17-jarigen, is de laatste jaren gestabiliseerd. Hetzelfde geldt voor andere drugs. De 16- en 17-jarigen kopen hun cannabis vooral in de coffeeshop of krijgen het via hun sociale netwerk. Sinds 1996 is de rol van de coffeeshop bij de aanschaf van cannabis in deze leeftijdsgroep duidelijk kleiner geworden. De rol van het sociale netwerk bij de aanschaf van cannabis is ondertussen toegenomen. Toch lijkt zich geen belangrijke verschuiving voorgedaan te hebben in de lokale cannabismarkten. Dit zou komen doordat het sociale netwerk de cannabis voor de 16- en 17-jarige gebruikers vaak bij de coffeeshop haalt en een deel van de jongeren daar nog steeds zelf koopt. Op grond van de beschikbare informatie kan niet met zekerheid gezegd worden of 16- en 17-jarigen door de aanschaf van cannabis via het sociale netwerk meer in aanraking komen met harddrugs en criminele of gevaarlijke situaties. Ook is niet bekend hoe jongeren het ervaren om meer via het sociale netwerk en minder bij de coffeeshop te kopen. Tenslotte staat niet vast of er enig verband bestaat tussen een toegenomen hulpvraag bij de verslavingszorg en de verhoging van de minimumleeftijd. Om over deze kwesties duidelijkheid te krijgen zou nader onderzoek nodig zijn. Al met al wekt de beschikbare informatie echter de indruk dat de verhoging van de leeftijdsgrens voor de toegang tot coffeeshops tot nu toe geen nadelige neveneffecten voor de 16- en 17-jarigen heeft gehad: noch de gebruikscijfers, noch de gegevens over het aankoopgedrag laten zorgwekkende trends zien.
    • Herziening van de zedendelicten? - Een analyse van Titel XIV, Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht met het oog op samenhang, complexiteit en normstelling

      Lindenberg, K.; Dijk, A.A. van (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit rechtsgeleerdheid, 2016)
      In dit onderzoek staat de vraag centraal of de misdrijven tegen de zeden (Titel XIV, Boek II van het Wetboek van Strafrecht) moeten worden herzien. De leidende vraag in dit onderzoek is of de staat van de zedentitel in termen van samenhang, complexiteit en normstelling, aanleiding geeft tot de conclusie dat de zedentitel grondig moet worden herzien. Deze algemene vraag is uitgesplitst in de volgende vier onderzoeksvragen, waarbij tussen haakjes is weergegeven in welk hoofdstuk de onderzoeksvraag wordt beantwoord: Onderzoeksvraag 1: Welke bijzonderheden kunnen worden opgemerkt over de zedendelicten met betrekking tot samenhang, complexiteit en normstelling? (hoofdstuk 2); Onderzoeksvraag 2: Welke herzieningssuggesties met betrekking tot samenhang, complexiteit en normstelling blijken uit interviews met juristen? (hoofdstuk 3); Onderzoeksvraag 3: Welke herzieningssuggesties met betrekking tot samenhang, complexiteit en normstelling blijken uit de literatuur vanaf 1999? (hoofdstuk 3); Onderzoeksvraag 4: Geeft de beantwoording van de eerdere vragen aanleiding tot de conclusie dat de zedentitel grondig moet worden herzien? (hoofdstuk 4). INHOUD: 1. Inleiding 2. Structuren en bijzonderheden in de zedenwetgeving 3. Herzieningssuggesties in interviews en literatuur 4. Evaluatie