• Aanwezigheid verplicht - een inventarisatie van de gevolgen van de aanwezigheidsplicht voor ouders bij de kinderrechter

      Schreijenberg, A.; Timmermans, M.; Homburg, G.H.J. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2010)
      Per 1 januari 2011 zal de verschijningsplicht voor ouders in werking treden als onderdeel van de Wet versterking positie slachtoffers. Met het huidige onderzoek wordt de huidige situatie met betrekking tot de verschijning van ouders in kaart gebracht, wordt onderzocht of de veronderstelde mechanismen achter de verplichte aanwezigheid stand houden en wordt nagegaan wat de gevolgen zullen zijn voor de uitvoeringspraktijk in termen van werkprocessen en kosten. INHOUD: 1. Inleiding 2. De huidige situatie 3. Beleidsreconstructie 4. Toetsing beleidsreconstructie 5. Gevolgen voor de uitvoering 6. Uitvoeringskosten 7. Vervolgonderzoek 8. Conclusie
    • Aard en omvang van dader- en slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit in Nederland

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2020)
      De Nederlandse samenleving is in hoog tempo gedigitaliseerd. Bijna iedereen maakt dagelijks gebruikt van computer, smartphone of andere vormen van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Naast de voordelen die deze digitalisering oplevert is er ook een schaduwzijde—cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Cybercriminaliteit betreft delicten waarbij ICT het middel en doel is. Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten als hacken en ransomware. Gedigitaliseerde criminaliteit betreft traditionele delicten waarbij ICT als middel wordt ingezet, maar niet het doel is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over (doods)bedreigingen via WhatsApp of aan- en verkoopfraude via Marktplaats.nl. In het huidige rapport wordt uiteengezet wat er bekend is over de aard en omvang van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit binnen de Nederlandse context, vanaf 2008. Hierbij staan de volgende drie vragen centraal: Hoe is de aard van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit geconceptualiseerd? Hoe is slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit concreet geoperationaliseerd? Hoe groot wordt de omvang geschat van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 3. Online bedreigingen in het lokaal bestuur 4. Daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 5. Aanbieders en afnemers van cybercrime-as-a-service 6. Conclusie en discussie
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2015

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A.; Weijters, G. (WODC, 2019)
      Het WODC voert sinds medio 2016 een vijfjarig onderzoeksprogramma uit naar de recidive van HIC-daders (Basisprogramma recidiveonderzoek high impact crimes 2016-2021). Eén van de onderdelen van het programma is het periodiek berekenen van de recidive onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland. De eerste recidivemeting binnen dit programma is in 2018 verschenen en had betrekking op HIC-daders veroordeeld in 2002-2013 (K.A. Beijersbergen, D. Blokdijk en G. Weijters, Recidive na high impact crimes: recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in de periode 2002-2013, 2018) - zie link bij: Meer informatie. In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die in de periode 2002 tot en met 2015 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld bij de veroordeelde HIC-daders: welk percentage van de HIC-daders kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidiveprevalentie van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders door de jaren heen, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders uitgesplitst naar arrondissement, rekening houdend met verschillen in de achtergrond-kenmerken van de daders tussen arrondissementen?
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2016

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2020)
      Sinds enkele jaren wordt in Nederland de term ‘high impact crimes’ (HIC) gebruikt om delicten aan te duiden die een grote impact op het slachtoffer, diens directe omgeving en het veiligheidsgevoel in de maatschappij hebben. Onder de klassieke HIC-delicten worden (gewelddadige) vermogensdelicten geschaard, om precies te zijn woninginbraak, straatroof en overvallen. Sinds medio 2016 voert het WODC een vijfjarig onderzoeksprogramma uit naar de recidive van HIC-daders. Eén van de onderdelen van het programma is het periodiek berekenen van de recidive onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland. Er zijn twee eerdere recidivemetingen uitgevoerd. Deze hadden betrekking op HIC-daders veroordeeld in 2002-2013 en HIC-daders veroordeeld in 2002-2015 (zie links bij: Meer informatie).In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van woning-inbraak, straatroof en overvallen die in de periode 2002 tot en met 2016 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld bij de veroordeelde HIC-daders: welk percentage van de HIC-daders kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders door de jaren heen, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2017

      Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      Als onderdeel van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HIC-daders (2016-2021) wordt jaarlijks verslag gedaan van de achtergronden en reci-dive van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De huidige studie betreft een vervolg op drie eerdere recidivemetingen onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland in 2002-2013, 2002-2015, en 2002-2016, en de haalbaarheidsstudie naar regionale recidivecijfers onder veroordeelde HIC-daders. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders in 2017 in Nederland? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 2 Welk percentage van de HIC-daders veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van HIC-daders zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders in 2008 tot en met 2017, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? 4 Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders in 2015 tot en met 2017 uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, rekening houdend met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achterlopende ontwikkeling - Het begrip 'onvoltooide ontwikkeling' in de toepassing van het adolescentenstrafrecht

      Spanjaard, H.J.M.; Filé, L.L.; Noom, M. J.; Buysse, W.H. (Spanjaard Development & Training, 2020)
      Het adolescentenstrafrecht (ASR) is in werking getreden op 1 april 2014. Sinds deze datum is er voor personen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar een flexibele toepassing mogelijk van sancties uit het jeugd- en volwassenenstrafrecht. Afhankelijk van de condities ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waarin het feit is gepleegd’ kan bij een strafzaak tegen een jongvolwassene gekozen worden voor de toepassing van een sanctie uit het jeugdstrafrecht (JSR) of uit het volwassenenstrafrecht (VSR). Bij personen van 18 tot en met 22 jaar die verdacht worden van een strafbaar feit is de vraag aan de orde in hoeverre er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Is hier sprake van, dan vormt dit volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel invoering ASR een reden om een sanctie op te leggen uit het jeugdstrafrecht in plaats van het volwassenenstrafrecht. De invulling van het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ heeft de wetgever overgelaten aan de praktijk. In de praktijk blijft er echter onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Dit bemoeilijkt de keuze voor toepassing van sancties uit het JSR of sancties uit het VSR. Het doel van dit onderzoek was om meer helderheid te verschaffen over het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ en de wijze waarop dit gebruikt kan worden bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht. INHOUD: 1. Aanleiding voor dit onderzoek 2. Onderzoeksvragen en methode van onderzoek 3. Ontwikkelingen tijdens de adolescentie en jongvolwassenheid 4. Dimensies en signalen 5. Vergelijking van de dimensies en signalen met de items uit de huidige instrumenten 6. Afstemming tussen huidige instrumenten en tussen ketenpartners bij de afweging ASR 7. Samenvatting, conclusies en discussie
    • Adolescentenstrafrecht - Beleidstheorie en eerste empirische bevindingen

      Laan, A.M. van der; Beerthuizen, M.G.C.J.; Barendregt, C.S.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2016)
      Het doel van dit onderzoek is om al in een relatief vroeg stadium na de invoering van het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht inzicht te krijgen in:de beleidstheorie(en) achter het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht (ASR) en de veronderstelde werking van de wet;ontwikkelingen in de strafzaken van 16- en 17-jarigen die volgens het volwassenenstrafrecht zijn berecht (in termen van verschillen in aantallen zaken, typen misdrijven en typen sancties) ten opzichte van een vergelijkbare periode ervoor;ontwikkelingen in strafzaken van 18- tot 21/23-jarigen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht (in termen van verschillen in aantallen zaken, typen misdrijven en typen sancties) en overige ontwikkelingen die zich voordoen in advisering en berechting bij deze jongvolwassenen ten opzichte van een vergelijkbare periode ervoor.Dit onderzoek omvat een beleidstheoriereconstructie van het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht en een empirisch onderzoek naar de eerste ontwikkelingen van strafzaken in de tijd bij 16- tot 23-jarigen.
    • Adolescentenstrafrecht - Kenmerken van de doelgroep, de strafzaken en de tenuitvoerlegging

      Prop, L.J.C.; Laan, A.M. van der; Barendregt, C.S.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Nieuwenhuizen, Ch. van (WODC, 2018)
      Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht (ASR) in werking getreden. Met het adolescentenstrafrecht beoogt de wetgever een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht rond de leeftijd van 18 jaar. Centraal in het adolescentenstrafrecht staat de speciale bejegening van jongvolwassen daders in de leeftijd 18 tot 23 jaar in het strafrecht. Onder bepaalde condities kan de rechter besluiten om een 18- tot 23-jarige volgens het jeugdstrafrecht te sanctioneren (artikel 77c Wetboek van Strafrecht (Sr.)). Deze condities zijn: de ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waaronder een delict is gepleegd.Het doel van dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste is het doel meer inzicht te krijgen in hoe – door beleid, ketenpartners en wetenschap – de doelgroep van jongvolwassenen, die volgens het jeugdstrafrecht kunnen worden gesanctioneerd, wordt omschreven. Daarbij is nagegaan in hoeverre de doelgroep zoals die door beleid is beoogd, overeenstemt met hoe deze groep door de praktijk wordt omschreven. Een duidelijke omschrijving van de doelgroep is immers van belang voor de selectie van de doelgroep en een advies over welke sancties of interventies geschikt zouden kunnen zijn. Het tweede doel is inzicht krijgen in de kenmerken van 18- tot 23-jarigen die volgens het jeugdstrafrecht zijn gesanctioneerd. Het gaat dan om de in de praktijk gerealiseerde doelgroep van jongvolwassenen met een jeugdsanctie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Beleid, praktijk en wetenschap 4. Kenmerken van de onderzoeksgroepen 5. Discussie en conclusie
    • Adolescentenstrafrecht - Effecten van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op resocialisatie en recidive

      Prop, L.J.C.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Laan, A.M. van der (WODC, 2021-05-25)
      Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in Nederland in werking getreden. Met het adolescentenstrafrecht wordt door de wetgever een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht bij 16- tot 23-jarigen beoogd. Het adolescenten-strafrecht is geen apart type strafrecht maar bestaat uit een aantal wijzigingen in het wetboek van Strafrecht en wetboek van Strafvordering. De nadruk ligt daarbij op de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen (artikel 77c Sr.) en de advisering ten behoeve van de berechting. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen op recidive en resocialisatie. Dit onderzoek is zowel beschrijvend als evaluerend van aard. De volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: 1 a Wat zijn de kenmerken van opleiding, woonsituatie en werk (resocialisatie) van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? b Welke veranderingen doen zich voor in resocialisatie bij jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht na afronding van de sanctie in vergelijking met de situatie bij instroom bij het OM? c Wat is de recidive van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht? d Wat is de relatie tussen veranderingen in resocialisatie en recidive? e Wat is de relatie tussen verschillende jeugdsancties (voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetenties en taakstraffen) en recidive? 2 a Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op de recidive twee jaar na afronding van de opgelegde sanctie? b Wat is het effect van de toepassing van het jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen op veranderingen in opleiding, woonsituatie en werk (als indicatoren van resocialisatie)?
    • Afdoening van zeer ernstige delicten gepleegd door jeugdigen - vervolgonderzoek naar aanleiding van de Motie Griffith

      Buysse, W.; Dijk, B. van; Abraham, M. (WODC, 2008)
      Het doel van dit onderzoek is tweeledig: Inzicht geven in de wijze waarop rechters reageren op zeer ernstige delicten gepleegd door jeugdigen.Nagaan of er significante verschillen zijn tussen de rechtbanken in de afdoening van dit soort delicten.Het onderzoek is een vervolg op een eerder onderzoek uit 2005 naar de specifieke aard en omvang van de vormen van ernstig crimineel gedrag, gepleegd, al dan niet in groepsverban, door jeugdigen van 14 tot 16 jaar en welke sancties de rechter deze jeugdigen oplegd.
    • Afhandeling van winkeldiefstal via de Halt-procedure - Evaluatie van een Rotterdams experiment

      Kruissink, M.; Verwers, C. (medew.) (WODC, 1991)
      In 1989 is in Rotterdam geëxperimenteerd met een alternatieve afdoening van winkeldiefstal, gepleegd door strafrechtelijk minderjarigen. Het ging om een afdoening die veel overeenkomst vertoont met de afdoening van vandalismezaken via Halt-bureaus. Jongeren die wegens winkeldiefstal door de politie worden aangehouden, kunnen - mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen - aan justitiële vervolging ontkomen door alternatieve werkzaamheden te verrichten, liefst op de plek des onheils. Het experiment werd beschouwd worden als een variant op het lik-op-stuk-experiment onder meerderjarige winkeldieven. Een lik-op-stuk-aanpak voor jongeren zou ertoe leiden dat de ouders, in plaats van de jeugdige dader, het kind van de rekening worden, omdat jongeren doorgaans niet over veel geldelijke middelen beschikken. Voor minderjarigen lijkt het verrichten van werkzaamheden, overeenkomstig de Halt-aanpak van vandalisme, daarom een beter alternatief. Zeker wanneer die werkzaamheden enig verband met het gepleegde delict vertonen en daardoor als leerzaam en constructief kunnen worden aangemerkt. Een andere overweging om dit experiment te starten is dat jongeren die op vandalisme worden betrapt, op vrije middagen via Halt aan het werk gezet worden, terwijl winkeldiefjes veelal na een reprimande (politiesepot) worden heengezonden. Via het experimentele winkeldiefstalproject kan ook winkeldiefstal op een snelle lichte wijze gesanctioneerd worden, zonder het politie- en justitie-apparaat al te zeer te belasten. Probleemstelling: Leidt de alternatieve afdoening via het winkeldiefstal-project tot minder recidive dan de gangbare afhandeling? INHOUD: 1. Inleiding en probleemstelling 2. Methode van onderzoek 3. Het winkeldiefstalproject: opzet en praktijk 4. Kenmerken van de alternatief afgehandelde jongeren 5. Effectiviteit van de alternatieve afhandeling 6. Aanbevelingen.
    • Agressie en geweld

      Unknown author (WODC, 1976)
      Gewelddadige criminaliteit vormt een in de literatuur steeds terugkerend onderwerp, dat in brede kring belangstelling geniet. Een drietal hoofdvragen treedt daarbij steeds aan de orde: Wat is de omvang van deze vormen van criminaliteit en welke ontwikkelingen zijn erin te onderkennen? Wat zijn de oorzaken van de geweldsmisdrijven? Hoe kunnen deze misdrijven worden voorkomen? Deze drie punten worden in de inleiding behandeld, waarbij de aandacht toegespitst wordt op enkele specifieke soorten van geweld. Tevens wordt hierbij aandacht besteed aan de reacties vanuit diverse sectoren van de samenleving op het verschijnsel agressie. In de volgende twee artikelen wordt ingegaan op de oorzaken van geweld in een meer algemene zin. Dan volgt een artikel over de rol van alcohol bij agressief gedrag, waarna in drie artikelen ingegaan wordt op een aantal van de in de inleiding onderscheiden soorten geweld. Tot slot wordt in het laatste artikel de rol van het slachtoffer bij geweldsmisdrijven aan de orde gesteld.
    • Agressie en psychische stoornissen bij meisjes in justitiële jeugdinrichtingen

      Hamerlynck, S.M.J.J.; Doreleijers, Th.A.H.; Cohen-Kettenis, P.T.; Vermeiren, R.; Nauta-Jansen, L.M.C. (WODC (subsidie), 2006)
      In dit onderzoek zijn meisjes in gesloten justitiële jeugdinrichtingen (JJI) gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Onder andere zijn de sociaaldemografische, psychopathologische en aggressiegerelateerde kenmerken van meisjes van 12 to 18 jaari onderzocht d.m.v. dossieronderzoek, zelfrapportagevragenlijsten, een intelligentieonderzoek en een psychiatrisch interview. Meisjes in JJI’s kenmerken zich door het frequent voorkomen van psychopathologie, risicogedrag en ernstige traumata. Daarnaast blijkt de mate van agressie samen te gaan met de mate van psychopathologie en risicogedrag; civielrechtelijk geplaatste meisjes zijn in een aantal opzichten te onderscheiden van strafrechtelijk geplaatste meisjes.
    • Allochtone en autochtone jongeren bij de jeugdpolitie - Deel II: Een observatieonderzoek naar het politieoptreden in jeugdzaken

      Hoeven, E. van der (WODC, 1986)
      Dit rapport is het tweede deel in een reeks van drie verslagen die zijn verschenen in het kader van het onderzoeksproject ‘Contacten van de jeugdpolitie met allochtone jongeren.* Eerder is het rapport ‘Allochtone jongeren bij de jeugdpolitie. Deel 1' verschenen (zie: link). Het eerste deel geeft een getalsmatige beschrijving van de aantallen, de aard en de afdoening van contacten van allochtone jongeren met de jeugdpolitie in de steden Rotterdam, Eindhoven en Utrecht. In dit tweede onderzoeksrapport wordt verslag gedaan van de observaties op de bureau’s en de gesprekken met de betrokken jongeren en rechercheurs. Hiermee wordt een meer inhoudelijk beeld gegeven van het politieoptreden in contacten met allochtone jongeren. INHOUD: 1. De opzet van het onderzoek 2. Het onderzoekkader 3. Politiecontacten met of zonder hulp 4. Varianten in politiefunctioneren 5. Over het bijzondere van allochtonen 6. Politiecontacten met of zonder hulp 7. Slotbeschouwing
    • Allochtone jongeren bij de jeugdpolitie - Deel 1: verschillen in aantal, aard en afdoening van politiecontacten

      Hoeven, E. van der; Burik, A.E. van (medew.); Hoeffnagel, M. (medew.); Loon, A. van (medew.) (WODC, 1985)
      De doelstelling van het project is: een systematische verzameling van informatie ten behoeve van het streven reeds in een vroeg stadium adequate hulp en steun te bieden aan jongeren uit etnische minderheidsgroepen die met de politie in aanraking komen (teneinde een verdere doorstroming in het justitieel circuit te voorkomen en/of hulpverlening te effectueren). De twee vragen die derhalve in dit verslag centraal staan zijn:Bestaan er verschillen in het aantal politiecontacten tussen allochtone en autochtone jongeren?In welke mate bestaan er verschillen en/of overeenkomsten tussen jongeren uit etnische minderheidsgroepen en Nederlandse jongeren wat betreft de aard en de afdoening van hun contacten met de jeugdpolitie? INHOUD: 1. Het onderzoeksproject allochtone jongeren bij de jeugdpolitie 2. Samenvatting van de onderzoeksresultaten 3. Conclusies Inleiding 1. Het registratieonderzoek 2. Over het aantal strafrechtelijke politiecontacten van allochtone en autochtone jongeren 3. Over verschillen in politiecontacten tussen allochtone en autochtone jongeren 4. Politiecontacten op grond van probleemgedrag
    • Alternatieve sancties en andere strafrechtelijke afdoeningsvormen voor jeugdigen - Een vergelijkend onderzoek naar alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen voor strafrechtelijk minderjarigen - 3e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Dit derde rapport gaat nader in op de alternatieve sancties en haar kenmerken door de groep alternatief gestrafte jongeren te vergelijken met jongeren van wie in dezelfde periode de zaak is afgedaan met een onvoorwaardelijk sepot en met jongeren die in die periode een traditionele, reeds langer bestaande sanctie hebben gekregen. Tevens wordt nagegaan of door het introduceren van alternatieve sancties meer jongeren dan voorheen in het justitiele circuit terecht zijn gekomen. Deze vergelijkingen hebben tot doel vast to stellen of er van de alternatieve sancties een 'aanzuigende working' of, zoals het ook wel wordt genoemd, 'net-widening' uitgaat. INHOUD: 1. Inleiding 2. De CBS-gegevens 3. Het vergelijkend dossieronderzoek 4. Samenvatting en discussie
    • Alternatieve sancties onderzocht - Eindrapport van het evaluatieonderzoek alternatieve sancties voor jeugdigen

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1986)
      De inhoud van dit eindrapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 2 wordt stil gestaan bij de organisatie en uitvoering van alternatieve sancties. In hoofdstuk 3 komt de vergelijking tussen enerzijds de alternatieve sancties en anderzijds de andere afdoeningsvormen aan de orde. Dat leidt onder meer tot de beantwoording van de belangrijke vraag, of er van alternatieve sancties een aanzuigende werking is uitgegaan; d.w.z. of er meer jongeren in het justitiële circuit terecht zijn gekomen dan het geval zou zijn geweest zonder die afdoeningsmogelijkheid? In hoofdstuk 4 passeren de meest in het oog springende uitkomsten van de napeiling de revue. In hoofdstuk 5 ten slotte volgt een slotbeschouwing, waarin enkele conclusies worden getrokken en ook enkele aanbevelingen worden geformuleerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie en uitvoering van alternatieve sancties 3. Alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen 4. Napeiling 5. Slotbeschouwing
    • Alternatieve sancties voor jeugdigen - Meningen en verwachtingen: 1e deelrapport

      Laan, P. van der; Lindt, H. van; Erftemeijer, L. (medew.); Mertens, M. (medew.); Nabben, A. (medew.); Osterhaus, M. (medew.); Vermeer, M. (medew.) (WODC, 1983)
      Dit is het eerste rapport van het onderzoekproject “Alternatieve sancties voor jeugdigen”. De alternatieve sancties kennen twee vormen: werkprojecten of dienstverlening en leerprojecten. In dit rapport wordt verslag van het eerste deel van het onderzoek. Dit eerste deel bestaat uit een peiling onder personen en instanties die mogelijkerwijs betrokken raken bij alternatieve sancties voor jeugdigen. Hun werd naar meningen en verwachtingen gevraagd aangaande een aantal aspecten van deze alternatieve sancties. INHOUD: Deel I: Verslag van het vooronderzoek 1. Kader 2. Resultaten Deel II: Enige leerprojecten 1. Leerprojecten in Engeland 2. Leerprojecten in de Verenigde Staten 3. Leerprojecten in Nederland 4. Literatuur
    • Alternatieve sancties voor jeugdigen - Organisatie en uitvoering; 2e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Teneinde zicht te krijgen op de organisatie en uitvoering van de alternatieve sancties in de diverse proefarrondissementen is gedurende een bepaalde periode van alle alternatieve sancties een aantal basisgegevens verzameld. Het gaat hierbij om een aantal persoonlijke gegevens en delictgegevens van de jongere in kwestie, om gegevens met betrekking tot het justitieel verleden van de jongere, evenals om gegevens omtrent het justitieel kader waarin de alternatieve sanctie is opgelegd en de uiteindelijke afdoening van de zaak. Tevens word in alle gevallen geregistreerd welke alternatieve sanctie de jongere opgelegd kreeg en hoe het project afliep. Daarnaast is gepoogd in zoveel mogelijk gevallen waarin eon alternatieve sanctie word opgelegd, van een aantal direct betrokken personen eon interview af to nemen. Op deze wijze konden de ervaringen van die direct betrokkenen geïnventariseerd worden, zodat eventuele knelpunten en negatieve bij-effecten in de gang van zaken rond alternatieve sancties zichtbaar werden. De personen die bij iedere alternatieve sanctie (idealiter) geïnterviewd werden, zijn: de coordinator, de projectbegeleider, de rechter of de OvJ (Officier van Justitie) die de alternatieve sanctie oplegde en de jongere zelf. INHOUD: Deel I: Organisatie 1. De organisatie 2. Tijdlijnen Deel II: Uitvoering 1. De alternatieve sancties 2. De jongeren 3. Delictgegevens 4. Justitieel verleden 5. Justitieel kader 6. Definitieve afdoening 7. Ervaringen Deel III: Slotbeschouwing 1. Organisatorische aspecten 2. Profiel van alternatief gestrafte jongeren 3. Toepassing van alternatieve sancties 4. Alternatieve sancties en hun betekenis voor de betrokkenen 5. Slot
    • Alternative sanctions for juveniles in the Netherlands

      Laan, P.H. van der (WODC, 1993)
      In the Netherlands alternative sanctions for juveniles have become very popular. In less than ten years, the alternative sanction has surpassed the fine as the most frequently imposed penal sanction for juveniles. As a result of this popularity, some net widening has occured. In general, alternativly sanctioned juveniles show a re-offending behaviour only slightly better, though they definitely re-offend less frequently, less fast, and the offenses they commit seem to be of less gravity. From these outcomes, there is no reason to be reluctant where it comes to imposing alternative sanctions.