• Crisisplaatsingen in de opvanginrichtingen

      Boendermaker, L.; Eijgenraam, K.; Geurts, E. (WODC, 2004)
      In aanvulling op andere onderzoeken naar civiele plaatsingen gaat dit onderzoek over de afstemming van het (zorg)aanbod op de (hulp)vraag van civiel geplaatsten en met name over de vraag of een gesloten plaatsing nodig is voor de hulpvraag. In een kortlopend onderzoek zal de hulpvraag in kaart gebracht worden, daarna vastgesteld worden welk aanbod hierbij past en tenslotte worden nagegaan welk aanbod gegeven wordt en of dit een gesloten setting vergt.
    • Cultuurspecifieke elementen in de strafrechtelijke hulpverlening aan allochtone jongeren - Inventariserend onderzoek

      Spapens , A.C.; Wersch, S.F.M. van (IVA Tilburg, 2000)
      De centrale vraag in het onderzoek is: Moet bij individuele begeleiding van jongeren uit etnische minderheden, rekening worden gehouden met cultuurspecifieke elementen en zo ja, op welke wijze kan dit gebeuren? Uit het onderzoek blijkt dat allochtone jongeren in het algemeen minder snel geneigd zijn hun problemen op tafel te leggen. Dit kan leiden tot onderschatting van de problematiek (vooral in de intakefase) en vormt een van de oorzaken van het feit dat hulpverlening aan allochtone jongeren gemiddeld meer tijd vergt. De houding (open en respectvol) van de hulpverlener ten aanzien van de jongere en diens cultuur is cruciaal in de begeleiding, maar de problematiek van de individuele jongere moet het uitgangspunt voor de hulpverlener zijn. Allochtone hulpverleners kunnen een belangrijke rol spelen als vraagbaak of adviseur en zo bijdragen aan deskundigheidsbevordering. De in Nederland geldende normen en waarden dienen het uitgangspunt te zijn bij de hulpverlening. De jongeren zijn vaak dermate vernederlandst dat zij ook nadrukkelijk op in Nederland geldende normen en waarden kunnen worden aangesproken. Bij het betrekken van de ouders (een cruciale succesfactor) moet de hulpverlener echter wel rekening houden met problemen als gebrekkige integratie, taalproblematiek en informatie-achterstand.
    • De inzet van familienetwerkberaden in de preventieve jeugdbescherming - Eindrapport

      Dijkstra, S.; Creemers, H.E.; Asscher, J.J.; Stams, G.J.J.M. (Universiteit van Amsterdam, Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen, 2016)
      In navolging van het eerder verschenen rapport over de inzet van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming (zie link hiernaast), richt het huidige rapport zich op de inzet van de familienetwerkberaden in het voorliggende werkveld, namelijk de preventieve jeugdbescherming. In deze fase van de hulpverlening zijn er serieuze signalen dat een kind niet veilig is of zich onvoldoende ontwikkelt. Bovendien twijfelt de jeugdhulpverlener of de ouder(s) dit onderkennen dan wel voldoende of de juiste stappen zetten om de zorgen weg te nemen. De professional gebruikt in deze fase zijn autoriteit om aan te dringen op verandering. Met huidig onderzoek is getracht antwoord te geven op de vraag  Zorgt de inzet van familienetwerkberaden voor een beter bescherming van kinderen en jongeren in de preventieve jeugdbescherming en door welke kenmerken wordt dit beïnvloed? De volgende drie deelvragen zijn hierbij geformuleerd: Wat is de slagingskans van familienetwerkberaden bij gezinnen in de preventieve jeugdbescherming, ofwel, in welk percentage van de gezinnen waar een familienetwerkberaad wordt voorgesteld wordt een familiegroepsplan opgesteld? Wat zijn de korte termijn resultaten (drie maanden na totstandkoming van een familienetwerkberaad) van familienetwerkberaden in termen van het terugdringen van kindermishandeling, het verminderen van het aantal uithuisplaatsingen, het verminderen van het aantal ondertoezichtstellingen en het verminderen van de inzet van professionele zorg? Welke gezinskenmerken beïnvloeden de resultaten van familienetwerkberaden?
    • Effectief vroegtijdig ingrijpen - Een verkennend onderzoek naar effectief vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstig delinquent gedrag

      Put, C. van der; Assink, M.; Bindels, A.; Stams, G.J.; Vries, S. de (Universiteit van Amsterdam - Faculteit Pedagogische wetenschappen, 2013)
      In Amsterdam wordt op dit moment een groep van 600 jonge veelplegers van ernstige delicten, zogenaamde Top600 intensief aangepakt. Uit voorlopig onderzoek naar deze groep blijkt dat veruit de meeste jongeren uit de Top600 op enig moment in het verleden contact met jeugdzorg hadden. Dit laat zien dat er mogelijkheden zijn om in een vroeg stadium in te grijpen en mogelijk een persistente criminele carrière te voorkomen. Het doel van het onderhavige verkennende onderzoek is zicht te krijgen op risicofactoren die voorspellend zijn voor het persistente delinquente gedrag dat de Top600 laat zien, de mate van effectiviteit van (componenten van) interventies die zijn gericht op het voorkomen van persistent  delinquent gedrag en de inzet daarvan door jeugdhulpverlening in Nederland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Risicofactoren voor persistent delinquent gedrag 3. Effectiviteit van interventies ter voorkoming van persistent delinquent gedrag 4. Inzet effectieve behandelcomponenten door jeugdhulpverlening in Nederland
    • Inkomensonafhankelijke ouderbijdragen in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening - een inventarisatie van knelpunten

      Sabee, V.; Meulman, L.A. (medew.); Werf, J. van der (medew.) (WODC, 1996)
      Per 1 meil 1995 is de Wet op de jeugdhulpverlening gewijzigd. De verandering betreft de ouderbijdragen die in het kader van die wet voor de vrijwillige en justitiële plaatsingen in het kader van de jeugdhulpverlening moeten worden betaald.
    • Jeugdzorg onder druk

      Wijsbroek, S.; Kesselring, D.; Graas, M.; Weijers, I.; Vink, C.; Broekhoven, L.; Simons, I.; Santvoort, F. van; Smit, M. (WODC, 2019)
      ARTIKELEN: 1. Saskia Wijsbroek, Marije Kesselring en Dorien Graas - Van sleutelen aan het stelsel naar bouwen aan inhoudelijke vernieuwing 2. Ido Weijers - Drie ingrepen om de jeugdzorg te redden 3. Caroline Vink Kinderbescherming over de grens. Lessen voor Nederland en leren van Denemarken? 4. Linde Broekhoven, Inge Simons en Floor van Santvoort - Gezinsgericht werken in de gesloten residentiële jeugdhulp 5. Monika Smit - Zorg voor en zorgen om alleenstaande minderjarige vreemdelingen SAMENVATTING Het is vijf jaar geleden dat de decentralisatie en beoogde transitie van de jeugdzorg in Nederland werd ingezet met de invoering van de Jeugdwet. De huidige verantwoordelijke ministers De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Dekker (Justitie en Veiligheid/Rechtsbescherming) meldden in november 2019 in een brief aan de Tweede Kamer dat het nieuwe stelsel deels alweer op de schop moet. Met dit voornemen reageerden de bewindslieden op een onthutsend rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid getiteld Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd.De inspecties constateren daarin dat juist voor kinderen en gezinnen met de meest complexe en zware problematiek de noodzakelijke hulp niet of niet tijdig beschikbaar is. Deze gezinnen komen op achtereenvolgende wachtlijsten terecht bij Veilig Thuis-organisaties (eerstelijnshulp), bij de Raad voor de Kinderbescherming, bij instellingen voor jeugdbescherming (die kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren) en bij de gespecialiseerde hulp. De gevolgen hiervan voor deze kinderen zijn zeer ernstig, aldus de inspecties: ‘Kinderen blijven langer in onveilige situaties en raken meer beschadigd, waardoor problematiek verergert.’ Het rapport signaleert ook dat de jeugdzorg kampt met een groot personeelsverloop en ziekteverzuim, waardoor er niet genoeg mensen beschikbaar zijn om de problemen aan te pakken. Tegelijkertijd is de financiële situatie van bijna de helft van de jeugdzorgaanbieders penibel.Duidelijk is dat de reorganisatie van de jeugdzorg in de afgelopen jaren niet heeft gebracht wat men ervan verwachtte. In plaats van een vereenvoudiging van het stelsel is het juist ingewikkelder en bureaucratischer geworden. In plaats van een vermindering van zorggebruik is er volgens voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek juist sprake van een toename van 15% sinds 2015 (CBS 2019).Met dit themanummer ‘Jeugdzorg onder druk’ wordt beoogd licht te werpen op het politieke en besluitvormingsproces rond de totstandkoming van de Jeugdwet en de daaruit voortvloeiende decentralisatie naar de gemeenten. Een vraag die bijvoorbeeld aan de orde komt, is hoe het mogelijk was dat waarschuwingen uit het veld voor chaos bij de uitvoering van de nieuwe wet in de wind werden geslagen. Los van die transitieperikelen zijn er in het domein van de jeugdhulp ook nieuwe inhoudelijke ontwikkelingen te zien die in dit nummer aandacht krijgen, zoals nieuwe doelgroepen en nieuwe werkmethoden.
    • Jongerenwerk, sport en criminaliteit

      Unknown author (WODC, 1988)
      In dit themanummer komt de vraag naar voren of er wellicht iets 'mis' is met de wijze waarop jongeren worden ingevoegd in het volwassen maatschappelijk leven. Het is gebruikelijk om hierbij een onderscheid te maken in drie zogenoemde socialisatievormen. De primaire socialisatie wordt geacht plaats te vinden in het gezin, de secundaire op school en de tertiaire in de vrijetijdssfeer. Kenmerkend voor de tertiaire sfeer het onderwerp van deze aflevering van Justitiële Verkenningen is dat een belangrijk deel daarvan in het teken staat van de 'commercie'. Daarbij moet worden gedacht aan de kleding- en muziekindustrie, aan de horeca en ten dele ook aan de media. Op twee terreinen van vrijetijdsbesteding is de overheid in haar subsidiebeleid (indirect) wel aanwezig, namelijk het jongerenwerk en de georganiseerde sportbeoefening. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in het beleid rond het kabinetsplan Samenleving en criminaliteit met name deze twee welzijnsterreinen worden genoemd, waar het gaat om 'het versterken van de binding van de opgroeiende generatie aan de maatschappij'. In het kader van het bestuurlijk preventiebeleid wordt gesproken van het belang van 'normstellend jongerenwerk' en zijn diverse projecten op het gebied van de sport en het (randgroep)jongerenwerk gesubsidieerd. In dit nummer worden de achtergronden en de mogelijkheden van dit beleid geanalyseerd.
    • Justitie en hulpverlening aan minderjarigen

      Unknown author (WODC, 1980)
      In dit themanummer dat als titel draagt: 'Justitie en hulpverlening aan minderjariten', ligt het accent op de niet-residentiele hulpverlening. Deze aflevering wordt geopend-met een inleidend artikel van mevrouw dr. J. Junger-Tas, die, na een ontwikkelingsschets van het kinderrecht, ingaat op diverse vormen van hulpverlening en de mate van betrokkenheid van het justitieapparaat daarbij. Aan de orde komen: hulpverlening door de politie, de vroeghulp, arnbulante behandeling en diversion. Tevens wordt de vraag gesteld in hoeverre justitiële kinderbeschermingsmaatregelen en hulpverlening met elkaar in overeenstemming te brengen zijn.
    • Kattenkwaad, of misdaad in het verschiet? - Een evaluatie van het werkproces 'Vroegsignaleren & doorverwijzen 12-min delictplegers'

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno Bureau voor criminaliteitsanalyse, 2013)
      De politie komt in de praktijk ook kinderen, jonger dan 12 jaar, tegen die delicten plegen (verder te noemen 12-min delictplegers). Het beleid m.b.t. 12-min delictplegers van zowel het Kabinet Balkenende II als het huidige Kabinet heeft inmiddels geleid tot verschillende (verbeter)acties. Eén daarvan betreft het feit dat 12-min delictplegers vanaf 1 januari 2010 verplicht moeten worden doorgestuurd naar Bureau Jeugdzorg, zodat passende hulp kan worden ingezet. Hiertoe is het werkproces ‘vroegsignaleren en doorverwijzen’ voor zorgjongeren zodanig aangepast, dat deze ook van toepassing is op 12-min delictplegers. De probleemstelling in dit onderzoek is als volgt: Op welke wijze wordt het werkproces 'Vroegsignaleren & doorverwijzen 12-min delictplegers' uitgevoerd? En, in hoeverre stemt dit overeen dan wel wijkt dit af van het landelijk voorgeschreven format? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. Geregistreerde 12-min delictplegers 4. Werkproces aan politiezijde 5. Werkproces aan Jeugdzorgzijde 6. Conclusies
    • Kinderbescherming: van gerechtelijk model naar welzijnsmodel

      Unknown author (WODC, 1981)
      Dit nummer van JV is gewijd aan veranderingen binnen het kinderbeschermingssysteem. Die veranderingen zijn niet uniek voor ons land: ze vinden plaats in vele van de ons omringende landen en in Noord-Amerika. De vragen waar we in dit nummer op in willen gaan betreffen het meer algemene karakter van die ontwikkelingen: hoe zijn ze te verklaren, waar komen ze vandaan en wat is de achterliggende filosofie ervan?
    • Misdrijven in kinderschoenen - Een onderzoek naar de aanpak van 12- en 13-jarige misdrijfverdachten binnen en buiten het strafrecht

      Kuppens, J.; Boer, H. de; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2021-05)
      In 2017 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming het advies gegeven om de strafrechtelijke minimumleeftijd te verhogen van 12 naar 14 jaar (Raad voor de Strafrechtstoepassing, 2017). De minister voor Rechtsbescherming heeft aangeven aan de Tweede Kamer dat de strafrechtelijke minimumleeftijd niet verhoogd wordt, maar dat hij, indien noodzakelijk, bereid is om verder te investeren in de aanpak van 12- en 13-jarigen buiten het strafrecht. De aanname hierbij was, dat zaken van 12- en 13-jarige misdrijfverdachten in de meeste gevallen al buiten het strafrecht worden afgedaan. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de behoefte bij het ministerie van Justitie en Veiligheid om meer inzicht te krijgen in de aanpak voor deze doelgroep. De wens vertaalt zich in de volgende centrale onderzoeksvragen: Welke strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke1 aanpakken voor 12- en 13-jarige misdrijfverdachten bestonden er in 2017 en 2018 en hoe vaak werd voor elke aanpak gekozen? Waarom werd voor een bepaalde aanpak gekozen? Wat hielden de verschillende aanpakken in de praktijk in? Hoe effectief menen betrokken organisaties dat de verschillende aanpakken waren om recidive te voorkomen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Bevindingen uit de literatuur, 3. Analyse van misdrijven en aanpakken, 4. Effectiviteit en werkzame bestanddelen, 5. Alternatieve (niet-)strafrechtelijke aanpakken, 6. Aandachtspunten in de aanpak, 7. Beantwoording onderzoeksvragen en beschouwing.
    • Onderzoek signalering - Inventariserende fase - eindrapport

      Dekkers, S.; Homburg, G. (WODC, 2004)
      Als onderdeel van het actieprogramma dat in het kader van “Jeugd Terecht” is opgesteld brengt dit onderzoek in kaart welke locale en regionale initiatieven op het gebied van signalering en doorverwijzing van jeugdigen die in contact met de politie zijn geweest, in Nederland ontwikkeld zijn. Tevens worden de gehanteerde werkwijze(n) beschreven en wordt nagegaan welke resultaten m.b.t. snelheid en kwaliteit van signalering en doorverwijzing met deze projecten behaald zijn en tegen welke kosten? Mede op basis van de onderzoeksresultaten zal een beslissing genomen worden over het landelijk invoeren van signaleringsgesprekken als instrument om (herhaling van) strafbaar gedrag bij jeugdigen te voorkomen.
    • Opvang en begeleiding Vietnamese voogdijpupillen

      Hoeven, E. van der; Kort, H. de (WODC, 1984)
      Dit verslag vormt het eindrapport van het onderzoek naar de opvang en de hervestigingssituatie van Vietnamese voogdijpupillen. Gedeelten uit eerdere interimverslagen zijn overgenomen en bijgesteld om bij te dragen tot een beter geheel. Het onderhavige verslag geeft inzicht in de situatie van de Vietnamese voogdijpupillen in Nederland, het functioneren van voorzieningen, de bijzondere problematiek en de achtergrond daarvan in het gevoerde opvangbeleid. INHOUD: 1. Vietnamese vluchtelingen: een oriëntatie 2. Het veldonderzoek 3. Herkomst en aankomst 4. Het wonen 5. School 6. Migratie en hervestigingsfactoren 7. Hervestiging en vluchtelingenbeleid 8. Samenvatting en nabeschouwing
    • Scheidingen 2018 - Gerechtelijke procedures en gesubsidieerde rechtsbijstand

      Voert, M. ter (WODC, 2019)
      Dit factsheet geeft cijfermatige ontwikkelingen van met betrekking tot scheidingen over:het aantal scheidingen (met minderjarige kin_deren);gerechtelijke procedures en verwijzingen naar mediation vanuit de rechtspraak;gezag- en omgangonderzoeken bij de Raad voor de Kinderbescherming;benoemingen van een bijzondere curator (artikel 1:250 BW);het aantal kinderen met jeugdzorg en schoolvertraging;het gebruik van gesubsidieerde rechtsbijstand. De ontwikkelingen worden waar mogelijk geschetst over de periode 2001-2018. Soms zijn niet over deze hele periode gegevens beschikbaar en betreft de weergave een kortere periode.