• De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden - Eindevaluatie

      Beijer, A.; Bokhorst, R.J.; Boone, M.; Brants, C.H.; Lindeman, J.M.W. (WODC, 2004)
      De Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden biedt over het algemeen een goede balans tussen een voldoende toedeling van bijzondere opsporingsbevoegdheden, een adequate regeling daarvan en controle daarop. Al langer bestaande bevoegdheden zijn nu preciezer en wettelijk geregeld. Dat biedt meer houvast bij de toepassing in de praktijk. De nieuwe bevoegdheid ‘opnemen van vertrouwelijke communicatie’ blijkt belangrijke bijdragen aan de opsporing te kunnen leveren. Dat blijkt uit de evaluatie van de Wet BOB die op 14 december 2004 naar de Tweede Kamer is gezonden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Bijzondere opsporingsbevoegdheden vanuit het opsporingsperspectief 3. Transparantie Controle 4. Internationale samenwerking 5. Conclusies
    • Evaluatie van de Wet BOB - fase 1 - De eerste praktijkervaringen met de Wet Bijzondere opsporingsbevoedheden

      Bokhorst, R.J.; Kogel, C.H. de; Meij, C.F.M van der (WODC, 2002)
      Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) in werking getreden. De minister van Justitie heeft aan de Kamer een evaluatie van deze wet toegezegd. Dit evaluatieonderzoek, dat wordt verricht door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), loopt van 2000 tot 2003. Het moet inzicht verschaffen in de mate waarin de doelstellingen van de Wet BOB worden gehaald en in de werkbaarheid van de regelgeving in de praktijk. Vanwege de omvang van het terrein dat onderwerp van de evaluatie is, is het onderzoek in twee fasen opgezet. Het onderzoek in de eerste fase kan al in een vroeg stadium een indruk geven van ervaringen met de Wet BOB. Daarnaast helpt de eerste fase onderzoeksvragen te specificeren die in de meer verdiepende tweede fase van het evaluatieonderzoek aan bod zullen komen. Dit rapport is het verslag van het eerste, beschrijvende gedeelte van het onderzoek, dat het karakter heeft van een procesevaluatie. Het geeft een indruk van de manier waarop aan de nieuwe wetgeving uitvoering wordt gegeven en van wat daarbij goed en minder goed verloopt. Het rapport bevat een bespreking van literatuur die over het Wetsvoorstel BOB is verschenen, een bespreking van de wet zelf en een inventarisatie en analyse van de ervaringen in de uitvoeringspraktijk tijdens de eerste anderhalf jaar dat de Wet BOB van kracht was. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschrijving van de Wet Bob en parlementaire behandeling 3. Verwachtingen en opvattingen over de Wet BOB: een literatuuroverzicht 4. Implementatie van de Wet BOB 5. Praktijkervaringen met de Wet BOB
    • Evaluatie wet bijzondere politieregisters

      Mul, V.; Verloop, P.; Mevis, P.; Schreuders, E.; Wel, H. van der (WODC, 2004)
      De Wet Bijzondere Politieregisters vloeit voort uit het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (commissie Van-Traa). De wet regelt welke gegevens er in de ‘bijzondere registers’ van de politie opgenomen mogen worden, aan wie zij verstrekt mogen worden (binnen de politie en aan derden) en de bewaartermijn. In dit onderzoek wordt nagegaan wat, in de praktijk, de gevolgen zijn van de Wet Bijzondere Politieregisters, welke knelpunten zich daarbij openbaren en wat de doeltreffendheid is van deze wet?
    • Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.
    • Inlichtingendiensten

      Fijnaut, C.; Wijk, R. de; Graaff, B. de; Wiebes, C.; Abels, P.H.A.M.; Willemse, R.; Hoekstra, F.; Schans, W. van der; Timmerman, E.; Wifferen, L. van; et al. (WODC, 2004)
      ARTIKELEN: 1. C. Fijnaut - Inlichtingendiensten in Europa en in Amerika; de heroriëntatie sinds de val van de Muur en 11 september 2001 2. R. de Wijk - Het gevaar van succes in de strijd tegen terrorisme; portret van de nieuwe vijand 3. B. de Graaff - Wie wint de 'war on terrorism'? 4. C. Wiebes - De problemen rond de internationale intelligence liaison 5. P.H.A.M. Abels en R. Willemse - Veiligheidsdienst in verandering; de BVD/AIVD sinds het einde van de Koude oorlog 6. F. Hoekstra - Infiltratie in de praktijk; BVD en CPN tijdens de Koude Oorlog 7. W. van der Schans en E. Timmerman - De AIVD en de burger; ervaringen van actievoerders en vreemdelingen 8. B. Hoogenboom - Inlichtingenwerk en ethiek; een wildernis van spiegels 9. L. van Wifferen - Het gebruik van AIVD-informatie in het strafproces 10. A. Slotboom en C. Wiebrens - Storm in de badkuip SAMENVATTING: Het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat de roep om ruimere bevoegdheden voor inlichtingendiensten ook in Nederland zal klinken. Op dit moment is het gebruik van AIVD-informatie in het strafproces al een punt van discussie. Door de terroristische dreiging is het maatschappelijk klimaat voor honorering van dergelijke verlangens gunstig, maar het is de vraag hoever een open democratische samenleving kan gaan in haar streven naar veiligheid.
    • Lekken of verstrekken? - De informele informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en derden

      Ruth, A. van; Gunther Moor, L.; Buruma, Y. (medew.) (Kathollieke Universiteit Nijmegen - Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen, 1997)
      In deze studie staat de informele informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en derden centraal. Doel hiervan is zicht te verschaffen op de dagelijkse praktijk van deze informele informatie-uitwisseling. De rapportage is opgebouwd uit zes delen. In een eerste algemene deel (hoofdstukken 1 t/m 3) komen de vraagstelling en onderzoeksopzet van de studie aan de orde. Tevens wordt de informele informatie-uitwisseling als juridisch (hoofdstuk 2) en sociologisch verschijnsel (hoofdstuk 3) beschreven. Ook bevat dit deel een typologie en een indicatie van de omvang van dit fenomeen. De delen II t/ IV gaan vervolgens in op de specifieke verschijningsvormen van het verschijnsel. Achtereenvolgens komen aan de orde: de informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en bovenwereld (deel II), tussen opsporingsinstanties en wat de 'grijze' sector of het 'grijze' gebied kan worden genoemd (deel III), en de informatie-uitwisseling met de onderwereld (deel IV). Deel V bevat dan de conclusies en aanbevelingen, gevolgd door een juridische nabeschouwing in deel VI, van Ybo Buruma.
    • Meldingsbereid door tip- en beloningsgelden? - Een verkenning

      Brinkhoff, S.; Kolthof, E.; Mensink, J.W.; Malsch, M. (Open Universiteit - Faculteit Rechtswetenschappen, 2021-05)
      Het doel van dit verkennende onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in de meldingsbereidheid van burgers in relatie tot (de hoogte van) tip- en beloningsgelden. Het voorgaande mondt dan ook uit in de volgende hoofdvraag: Wat is er, op basis van (inter)nationale literatuur en interviews met een aantal deskundigen, bekend over de invloed van tip- en beloningsgelden op de bereidheid van burgers tot het geven van tips aan opsporingsdiensten in Nederland en in (enkele) andere landen (Australië, België en Duitsland)? Welke zijn de meest relevante onderwerpen om te bespreken in een expertmeeting en met wie? INHOUD: 1. Inleiding 2. Tip- en beloningsgelden; procedures en praktijken 3. Meldingsbereidheid in Nederland: gedragswetenschappelij ke literatuur, interviews en expertmeeting 4. Bevindingen verkennend onderzoek Australië, België en Duitsland 5. Conclusie.
    • Post-Fort - Evaluatie van het strafrechtelijk onderzoek (1996-1999)

      Bunt, H. van de; Fijnaut, C.; Nelen, H. (WODC, 2001)
      Evaluatieonderzoek, uitgevoerd in opdracht van de Minister van Justitie, naar de activiteiten die politie en justitie in de periode 1996-1999 hebben ontplooid om de ware toedracht van de IRT-affaire te achterhalen. Het onderzoek werd in 1999 toegezegd aan de Tweede Kamer kamer n.a.v. de bevindingen van de Commissie-Kalsbeek. De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is: Hoe heeft het strafrechtelijk onderzoek dat is verricht na afloop van het Fort-onderzoek gestalte gekregen? In het bijzonder wordt in het onderzoek aandacht besteed aan het post-Fort onderzoek en de sturing hiervan door het Openbaar Ministerie. Op basis van een wetenschappelijke analyse worden vervolgens aanbevelingen geformuleerd die in de toekomst als handvatten kunnen dienen bij de aanpak van complexe strafzaken.
    • Tappen en infiltreren

      Odinot, G.; Jong, D. de; Oerlemans, J.J.; Leij, J.B.J. van der; Kruisbergen, E.W.; Fijnaut, C. (WODC, 2012)
      ARTIKELEN: 1. G. Odinot en D. de Jong - Wie belt er nou nog? De veranderende opbrengst van de telefoontap 2. J.J. Oerlemans - Mogelijkheden en beperkingen van de internettap 3. J.B.J. van der Leij - Opsporingsbevoegdheden en privacy; een internationale vergelijking 4. E.W. Kruisbergen en D. de Jong - Undercoveroperaties: een noodzakelijk kwaad? Heden, verleden en toekomst van een omstreden opsporingsmiddel 5. C. Fijnaut - De exfiltratie van verdachte en veroordeelde criminelen; over de onmisbaarheid van een effectieve regeling voor coöperatieve criminele getuigen 6. Internetsites. SAMENVATTING: De telefoontap is een veelvuldig ingezet opsporingsmiddel. Nu de inzet van telefoontap steeds minder effectief blijkt en de internettap nog in de kinderschoenen staat, lijkt het voor de hand te liggen dat er in de opsporing meer aandacht zal komen voor andere bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie (stelselmatig volgen), infiltratie, pseudokoop en -dienstverlening, undercover stelselmatig informatie inwinnen, inkijken, direct afluisteren en bijstand en opsporing door burgers (informanten en infiltranten). In dit themanummer wordt daarnaast aandacht besteed aan het fenomeen exfiltratie, ofwel meewerkende criminele getuige.